BE1017821A5 - Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat. - Google Patents

Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat. Download PDF

Info

Publication number
BE1017821A5
BE1017821A5 BE2007/0507A BE200700507A BE1017821A5 BE 1017821 A5 BE1017821 A5 BE 1017821A5 BE 2007/0507 A BE2007/0507 A BE 2007/0507A BE 200700507 A BE200700507 A BE 200700507A BE 1017821 A5 BE1017821 A5 BE 1017821A5
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
material
plate
aforementioned
characterized
component
Prior art date
Application number
BE2007/0507A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Flooring Ind Ltd Sarl
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Flooring Ind Ltd Sarl filed Critical Flooring Ind Ltd Sarl
Priority to BE2007/0507A priority Critical patent/BE1017821A5/nl
Priority to BE200700507 priority
Application granted granted Critical
Publication of BE1017821A5 publication Critical patent/BE1017821A5/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B27WORKING OR PRESERVING WOOD OR SIMILAR MATERIAL; NAILING OR STAPLING MACHINES IN GENERAL
    • B27NMANUFACTURE BY DRY PROCESSES OF ARTICLES, WITH OR WITHOUT ORGANIC BINDING AGENTS, MADE FROM PARTICLES OR FIBRES CONSISTING OF WOOD OR OTHER LIGNOCELLULOSIC OR LIKE ORGANIC MATERIAL
    • B27N3/00Manufacture of substantially flat articles, e.g. boards, from particles or fibres
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements

Abstract

Plaat, waarbij deze plaat (1) hoofdzakelijk bestaat uit een materiaalmassa (2) die verperst is en die minstens twee bestanddelen bevat, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal (16) en een tweede bestanddeel dat fungeert als bindmiddel (36) voor het voornoemde eerste bestanddeel, met als kenmerk dat voornoemde materiaalmassa (2) in het vlak van de plaat (1) onderscheidend is samengesteld. De uitvinding heeft ook betrekking op werkwijzen waarmede dergelijke plaat (1) kan worden vervaardigd, alsmede op panelen (11) die dergelijke plaatmateriaal bevatten.

Description

Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat.

Deze uitvinding heeft betrekking op een plaat, op werkwijzen voor het vervaardigen van platen, alsmede op panelen, meer speciaal vloerpanelen, die dergelijk plaatmateriaal bevatten.

De uitvinding heeft in het bijzonder betrekking op platen die hoofdzakelijk bestaan uit een verperste materiaalmassa, die minstens twee bestanddelen bevat, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal en een tweede bestanddeel dat fungeert als bindmiddel, in het bijzonder als bindmiddel voor het voornoemde eerste bestanddeel. Met "organisch materiaal" wordt bedoeld dat dit materiaal gewonnen is uit levende organismen. In wezen wordt plantaardig materiaal bedoeld zoals hout, kurk, grassen, vlas, jute, hennep en dergelijke meer.

Geperste platen waarbij als eerste bestanddeel, dus als organisch materiaal, een houtmateriaal is aangewend zijn inmiddels ruim beschikbaar en zijn door de vakman gekend bijvoorbeeld onder de benamingen Oriented Strand Board (OSB), spaanplaat of houtvezelplaat, waarbij het voornoemde eerste bestanddeel dan respectievelijk bestaat uit houtvlokken, houtspaanders, of houtvezels. Het tweede bestanddeel bestaat bij de voornoemde gekende platen gebruikelijk uit een polycondensatielijm zoals melamine-ureumformaldehydelijm. Bekend zijn onder meer houtvezelplaten van het type MDF (Medium Density Fiberboard) of HDF (High Density Fiberboard). Andere voorbeelden van platen met een organisch bestanddeel zijn bijvoorbeeld vlasplaten, waarbij als organisch bestanddeel vlas wordt aangewend.

Telkens gaat het bij de hiervoor genoemde gekende platen om platen waarvan het verperste materiaal in de lengte en breedterichting van deze plaat homogeen, dit is met een vaste samenstelling, is uitgevoerd. Quasi inherent aan platen die door verpersing van een oorspronkelijk homogene materiaalmassa zijn bekomen, is een in de dikterichting van de plaat veranderende densiteit van de verkregen plaat, ontstaan door een niet homogene druk- en temperatuurverdeling bij het vervaardigen ervan.

Uit de stand van de techniek is het eveneens gekend de hiervoor genoemde platen op < allerhande manieren te modificeren. Dergelijke modificatie wordt dan eveneens homogeen uitgevoerd. Zo bijvoorbeeld is het onder andere uit het WO 2005/002817 gekend kunststoffen zoals hoge densiteit.· polyethyleen (HDPE) op een homogene manier in een houtspàanderplkàt të verwerken.

de hiervoor genoemde platen hebben het nadeel dat de materiaalsamenstelling en/of materiaaleigenschappen van de volledige plaat aan voorwaarden voldoet die in de meeste gevallen slechts voor een beperkt materiaalgedeelte van dergelijke plaat van belang zijn, hetgeen deze platen nodeloos duur maakt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de platen waaruit vloerpanelen worden gevormd en in het bijzonder bij de platen waaruit laminaatvloerpanelen met koppelmiddelen, bijvoorbeeld de koppelmiddelen die op zich bekend zijn uit het WO 97/47834, worden gevormd. Bij dergelijke platen wórden de voorwaarden voor het plaatmateriaal hoofdzakelijk bepaald door de eigenschappen die voor het materiaal aan de rand van het vloerpaneel van belang zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld eigenschappen als treksterkte, densiteit en watervastheid zijn.

Uit de stand van de techniek, bijvoorbeeld uit het WO 2004/089585 en het WO 2004/108374 zijn enkele plaatmaterialen bekend waarvan de eigenschappen in de dikterichting van de plaat zijn gevarieerd doordat het plaatmateriaal met lagen van verschillende materialen is opgebouwd. Een dergelijke laagsgewijze opbouw laat toe de bovenzijde en/of de onderzijde van een plaat af te stellen op het beoogde gebruik hiervan, terwijl de bulk van deze plaat met ander, bijvoorbeeld goedkoop materiaal kan worden voorzien, zodat een goed functionerende plaat wordt bekomen aan een bij voorkeur goedkopere prijs. Zo bijvoorbeeld kan het oppervlak afgestemd worden op het bekleden ervan aan de hand van een laminaattoplaag. Voor een bekleding is in vele gevallen een fijne oppervlaktestructuur gewenst, terwijl de materiaalstructuur inwendig in de plaat grover kan zijn gevormd.

De hiervoor genoemde platen, zowel de homogeen opgebouwde platen als de laagsgewijs opgebouwde platen, en dan in het bijzonder de platen die bestaan uit met polycondensatielijm verbonden houtvezels of houtspaanders, vinden vele toepassingen, onder andere in de meubelindustrie en de vloerindustrie, alwaar zij al dan niet voorzien van een decoratieve bekleding, eventueel kunnen worden opgedeeld in kleinere panelen, die tenslotte als meubelpaneel, wandpaneel, plafondpaneel, vloerpaneel en dergelijke meer kunnen worden ingezet.

Uit de stand van de techniek zijn eveneens verscheidene technieken bekend om het randgebied van dergelijk kleiner paneel te behandelen. Zo bijvoorbeeld is het uit het WO 03/012224 gekend de randgebieden van de kleinere panelen waarin een dergelijke plaat, in het geval van voornoemde internationale octrooiaanvrage bijvoorbeeld een houtvezelplaat van het type HDF (High Density Fiberboard), kan worden opgedeeld te behandelen met een impregneermiddel om bijzondere eigenschappen, zoals watervastheid ter plaatse van de betreffende rand of althans toch minstens een gedeelte daarvan te verkrijgen.

Uit voornoemd WO 03/012224 of uit het DE 199 63 203 is het ook bekend de verperste plaat, alvorens zij wordt opgedeeld, met dergelijk impregneermiddel te behandelen met de bedoeling op de uiteindelijk eruit gevormde kleinere panelen een gemodificeerd randgebied te bekomen. Hiertoe wordt de verperste materiaalmassa in het vlak van de plaat onderscheidend behandeld. Deze behandeling kan zowel bij de verdere verwerking van de plaat worden uitgevoerd, bijvoorbeeld vlak voor het opdelen ervan, als bij de productie van dergelijke plaat, bijvoorbeeld wanneer de materiaalmassa van dergelijke plaat net verperst is.

Hoewel de technieken die gekend zijn uit het WO 03/012224 en het DE 199 63 203 duidelijk voordelen hebben, vragen zij een extra behandeling van de reeds verperste materiaalmassa en vereisen zij de introductie van of de impregnatie met een middel dat vreemd is aan deze verperste materiaalmassa, hetgeen tot allerlei ongewenste effecten kan leiden. Zo is het mogelijk dat de ingebrachte stof na verloop van tijd uitloogt vermits er geen of slechts een beperkte verbinding met de verperste materiaalmassa bestaat. Bovendien is het aan de hand van een behandeling van de reeds verperste plaat moeilijk om het middel op een afdoende manier in de kern van de plaat te laten doordringen. In de meeste gevallen zal slechts een beperkte indringdiepte worden bereikt.

Er wordt opgemerkt dat uit de stand van de techniek ook platen gekend zijn die vanuit het oogpunt van materiaalbesparing in de bulk van hun materiaal plaatselijk structurele uitsparingen vertonen. Het betreft hierbij dan bijvoorbeeld platen die hoofdzakelijk bestaan uit zogenaamd hout-kunststofcomposiet of houtextrusiemateriaal. Voor een ander voorbeeld van structurele uitsparingen wordt verwezen naar het WO 01/26868, waarbij het dan wel een ander type platen dan de platen van de huidige uitvinding betreft, minstens doordat in deze internationale aanvrage geen persoperatie wordt toegepast voor het bekomen van de plaat.

De huidige uitvinding beoogt een alternatieve plaat, die volgens verschillende voorkeurdragende uitvoeringsvormen van de uitvinding een beter en/of goedkoper alternatief kan vormen voor bestaande platen en die eventueel eenvoudiger kan worden geproduceerd, terwijl de uiteindelijk eruit verkregen panelen, meer speciaal de uitgaande van deze platen gevormde vloerpanelen, eventueel betere of gelijke eigenschappen kunnen vertonen als voorheen. Hiertoe betreft dë uitvinding volgens haar eerste aspect een plaat, waarbij deze plaat hoofdzakelijk bestaat uit een materiaalmassa die verperst is en die minstens twee bestanddelen bevat, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal en een tweede bestanddeel dat fungeert als bindmiddel, meer speciaal als bindmiddel voor het voornoemde eerste bestanddeel, met als kenmerk dat voornoemde materiaalmassa in het vlak van de plaat onderscheidend is uitgevoerd. Bij voorkeur betreft het voornoemde organisch materiaal een plantaardig materiaal. Het tweede bestanddeel betreft bij voorkeur een ander bestanddeel dan het eerste bestanddeel en bij voorkeur wordt de materiaalmassa dus minstens aan de hand van externe bindmiddelen, dus niet louter aan de hand van eventuele stoffen die eigen zijn aan het betreffende organisch materiaal, verbonden. Dit laatste sluit niet uit dat het betreffende tweede bestanddeel volgens de uitvinding een extern bindmiddel kan zijn dat van organische oorsprong is, zoals een natuurlijk hars of rubber.

De uitvinding betreft dus onder andere platen die in hun lengte- en/of breedterichting één of meerdere zones vertonen met gemodificeerd materiaal. Het is duidelijk dat het het verperste materiaalgedeelte van de plaat zelf is dat voornoemde onderscheidende samenstelling vertoont en dat een eventuele onderscheidende samenstelling die louter is bekomen door een bewerking, bijvoorbeeld door een bewerking met snij gereedschap of een impregneermiddel, van een reeds verperste homogene materiaalmassa is uitgesloten. Het is echter niet uitgesloten dat de plaat volgens de uitvinding naast het verperste materiaalgedeelte waar zij hoofdzakelijk uit is opgebouwd en dat de onderscheidende samenstelling vertoont, ook nog één of meer andere materiaalgedeelten bevat waarvan de samenstelling na het persen is gemodificeerd. Zo bijvoorbeeld kan de verperste materiaalmassa bijkomend aan de hand van de techniek beschreven in het voormelde WO 03/012224 plaatselijk worden geïmpregneerd.

Het is duidelijk dat de voornoemde onderscheidende uitvoering een gewild onderscheid in samenstelling betreft en geen betrekking heeft op productietoleranties die bij de productie van de platen uit de stand van de techniek eventueel kunnen optreden. Zo bijvoorbeeld is het gekend dat aan de randen van MDF of HDF platen een lichtjes andere densiteit kan verkregen worden doordat de condities voor temperatuur en druktoevoer op de rand van de aangewende persinrichting licht verschillend zijn. In dit verband wordt opgemerkt dat de onderscheidende uitvoering zich bij voorkeur minstens in een materiaalzone van de plaat manifesteert die minstens in de richtingen dwars op de betreffende materiaalzone begrensd is door ander plaatmateriaal, bij voorkeur begrensd is door plaatmateriaal van normale samenstelling, het is te zeggen begrensd is door plaatmateriaal met de samenstelling die gemeenschappelijk is voor het merendeel van het plaatmateriaal. Het is eveneens duidelijk dat de voornoemde onderscheidende uitvoering geen betrekking heeft op toevallige dikteverschillen in laagsgewijs opgebouwde platen.

Volgens de uitvinding wordt dus minstens met verschillen in samenstelling van de verperste materiaalmassa gewerkt, namelijk hetzij van het organisch materiaal, hetzij van het bindmiddel, hetzij van beide, waarbij deze verschillen zich manifesteren in het vlak van de betreffende plaat, met andere woorden in de lengte- en/of in breedterichting van de betreffende plaat. Een dergelijke plaat opent veel nieuwe mogelijkheden in talrijke applicaties, zoals verder nog zal blijken. Het is duidelijk dat de aanwezigheid van structurele uitsparingen in de plaat op zich geen onderscheidende samenstelling definieert, maar dat het de samenstelling van het materiaal zelf is die deze onderscheidende samenstelling bepaalt. De plaat van de uitvinding is bij voorkeur zelfs vrij van dergelijke structurele uitsparingen. Het moge duidelijk zijn dat holtes, zoals bij eventuele porositeit, die eigen zijn aan het plaatmateriaal niet als structurele uitsparingen worden aanzien.

De uitvinding is volgens dit eerste aspect en alle volgende aspecten voornamelijk bedoeld voor platen waarvan het voornoemde eerste bestanddeel een houtmateriaal betreft, zoals houtvlokken, houtspaanders, houtvezels of houtmeel. De uitvinding kan echter ook worden aangewend bij andere typen van platen.

Bij voorkeur betreft het voornoemde eerste bestanddeel volgens de uitvinding een vezelmateriaal zoals houtvezel, hennepvezel, vlasvezel of papiervezel.

Als tweede bestanddeel wordt bij voorkeur een kunststof toegepast. Hiertoe kunnen bij voorkeur minstens de voor dergelijke platen gebruikelijke lijmen worden toegepast, zoals een polycondensatielijm gekozen uit de reeks van ureumformaldehydelijm, melaminelijm, melamineformaldehydelijm, methaan difenyl diisocyanaatlijm, fenolformaldehydelijm, resorcinolformaldehydelijm en resocinephenolformaldehydelijm. Het is echter ook mogelijk dat als tweede bestanddeel een kunststof wordt aangewend die gebruikelijk is bij zogenaamde hout-kunststofcomposieten, ook gekend onder de benaming houtextrusiematerialen. Zo bijvoorbeeld kan als tweede bestanddeel minstens gebruik gemaakt worden van een kunststof gekozen uit de reeks van polyethyleen, polyethyleentereftalaat, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat, polyurethaan en Polyvinylchloride.

In de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm van de huidige uitvinding volgens al haar aspecten is de plaat, hetzij hoofdzakelijk uitgevoerd als een houtvezelplaat van het type MDF of HDF (Medium Density Fiberboard of High Density Fiberboard), hetzij hoofdzakelijk uitgevoerd op basis van een zogenaamd hout-kunststofcomposiet of houtextrusiemateriaal, telkens eventueel met uitzondering van de materiaalzones waar voornoemde onderscheidende samenstelling zich in de verperste materiaalmassa voordoet. Voor een gedetailleerde beschrijving van gekende hout-kunststofcomposieten (Engels: Wood Plastic Compound of WPC) wordt verwezen naar het WO 2005/033204. Opgemerkt wordt dat de gewichtsverhouding kunststof-hout bij dergelijke hout-kunststofcomposieten tussen 70:30 en 20:80 kan liggen, terwijl deze verhouding bij MDF of HDF plaat, zoals ook bij spaanplaat of OSB beduidend lager gelegen is. Goede waarden voor MDF of HDF kunnen gevonden worden bij een bindmiddel-houtgewichtsverhouding tussen 2:98 en 12:88. Beide materialen, MDF/HDF en hout-kunststofcomposieten, onderscheiden zich ook door de aangewende bindmiddelen. in MDF of HDF wordt gebruikelijk een polycondensatieli jm toegepast, terwijl in houtkunststofcomposiet gewerkt wordt met een weke kunststof die bij afkoelen verhardt. Voor voorbeelden van polycondensatielijmen of kunststoffen die als bindmiddel in MDF, respectievelijk hout-kunststofcomposiet worden aangewend worden, wordt naar voorgaande paragraaf verwezen.

Voornoemde onderscheidende samenstelling van de verperste materiaalmassa kan volgens de uitvinding volgens velerlei mogelijkheden worden bekomen. Hieronder worden de drie voornaamste mogelijkheden besproken.

Volgens een eerste mogelijkheid bestaat voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in dat de plaat in haar vlak, met andere woorden in haar lengte- en/of breedterichting, één of meerdere materiaalzones vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen in een verschillende concentratie aanwezig is in vergelijking met de rest van de plaat.

Volgens deze eerste mogelijkheid kan in minstens één van de voornoemde materiaalzones het voornoemde tweede bestanddeel in verhoogde of verlaagde concentratie aanwezig zijn. Het plaatselijk verhogen van de concentratie aan het tweede bestanddeel kan leiden tot zones met een verhoogde sterkte en/of watervastheid, terwijl het plaatselijk verlagen van de concentratie van het tweede bestanddeel dan weer andere nuttige effecten kan hebben, zoals het creëren van een geprefereerde breukplaats ter hoogte van de betreffende materiaalzone. Andere effecten, zoals effecten op de densiteit van het materiaal, zijn duidelijk niet uitgesloten. In het geval van een plaat die hoofdzakelijk is uitgevoerd als een vezelplaat van het type MDF of HDF, kan in voornoemde zones dus meer lijm of ander bindmiddel aanwezig zijn dan het geval is in de rest van de betreffende plaat. Een dergelijke plaat kan bijvoorbeeld verwezenlijkt worden door aan een te verpersen homogene materiaalmassa plaatselijk extra lijm in te brengen bijvoorbeeld door op deze materiaalmassa lijm te sproeien. Bij voorkeur betreft de verhoogde of verlaagde concentratie een verandering in de concentratie van minstens 5 percent of minstens 10 percent. Het voornoemde eerste bestanddeel kan in de betreffende zone al dan niet in nagenoeg gelijke concentratie aanwezig zijn als in de rest van de plaat.

Nog volgens deze eerste mogelijkheid kan in minstens één van de voornoemde materiaalzones het voornoemde eerste bestanddeel in verhoogde of verlaagde concentratie aanwezig zijn. Het plaatselijk verhogen van de concentratie van het eerste bestanddeel kan leiden tot hardere zones, terwijl het plaatselijk verlagen van de concentratie aan organische deeltjes kan leiden tot zeer watervaste zones. Andere effecten zijn hier uiteraard niet uitgesloten. In het geval van een plaat van het type MDF of HDF, kan in voornoemde zones dus meer houtvezel aanwezig zijn dan het geval is in de rest van de betreffende plaat. Bij voorkeur betreft de verhoogde of verlaagde concentratie een verandering in de concentratie van minstens 5 percent of minstens 10 percent.

Het is duidelijk dat volgens de eerste mogelijkheid ook de concentraties van beide bestanddelen kunnen zijn gewijzigd ter plaatse van de betreffende materiaalzones. Bij de vervaardiging van een plaat van het type MDF of HDF is dergelijke wijziging van de concentratie aan beide bestanddelen, zeker in het geval waar voor het eerste bestanddeel een even grote concentratieverhoging wordt doorgevoerd als voor het tweede bestanddeel, eenvoudig te verwezenlijken. Uit de stand van de techniek is het gekend hoe een MDF of HDF plaat uit een homogene materiaalmassa kan worden verwezenlijkt. Hiervoor wordt uitgegaan van een materiaalmassa die aan de hand van met bindmiddel voorziene houtvezels homogeen is samengesteld, waarbij de HDF of MDF plaat dan wordt bekomen door het verpersen van deze materiaalmassa waarbij de houtvezels aan de hand van het aanwezige bindmiddel worden verbonden. Voor het verwezenlijken van een plaat, waarbij zowel de concentratie van de houtvezels als van het bindmiddel wordt verhoogd, volstaat het nu in de gewenste zones van voornoemde materiaalmassa een grotere hoeveelheid per volume-eenheid van voornoemde van bindmiddel voorziene vezels aan te wenden ten opzichte van de hoeveelheid die in de rest van de materiaalmassa is aangewend. Onder andere op deze manier kan na verpersen van de materiaalmassa een plaat worden bekomen die ter hoogte van de betreffende materiaalzone of materiaalzones een verhoogde gemiddelde densiteit vertoont ten opzichte van de rest van de plaat. Het is duidelijk dat het niet uitgesloten is dat platen met locaal verhoogde densiteit ook op andere wijze kunnen zijn bekomen.

Verder is het duidelijk dat er in principe geen bovengrens is voor voornoemde verandering in de concentratie van het eerste en/of tweede bestanddeel. Het is dan ook niet uitgesloten dat bijvoorbeeld de concentratie van het bindmiddel en/of het organisch materiaal in de betreffende materiaalzone tot anderhalf keer of zelfs twee keer hoger of lager is dan in de rest van de plaat.

Nog in verband met voornoemde eerste mogelijkheid is het mogelijk dat minstens één van beide bestanddelen volledig of nagenoeg volledig afwezig is in de betreffende zone. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de betreffende zone vrij is van het eerste en het tweede bestanddeel, of zelfs dat de betreffende zone vrij is van bindmiddelen en/of vrij is van organisch materiaal, waarbij het dan al of niet het eerste en/of het tweede bestanddeel betreft.

Volgens een tweede mogelijkheid bestaat voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in dat de plaat in haar lengte- en/of breedterichting één of meerdere materiaalzones vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen is vervangen of aangevuld met een ander organisch materiaal, respectievelijk een ander bindmiddel. Zo bijvoorbeeld is het mogelijk dat in het geval van een MDF of HDF plaat het bindmiddel in één of meerdere zones geheel of gedeeltelijk wordt vervangen door een ander bindmiddel, zodat, met andere woorden de in de MDF plaat aangewende polycondensatielijm minstens gedeeltelijk of eventueel volledig vervangen wordt door een andere polycondensatielijm of eventueel door een kunststof die gebruikelijk wordt toegepast in zogenaamd hout-kunststofcomposieten, bijvoorbeeld door een kunststof gekozen uit de groep van polyethyleen, polyethyleentereftalaat, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat, polyurethaan en Polyvinylchloride. Als voorbeeld van deze tweede mogelijkheid kan, in het geval van een MDF plaat, in de betreffende materiaalzone methaan difenyl diisocyanaatlijm worden aangewend terwijl in de rest van de plaat een andere polycondensatielijm, zoals MUF lijm (Melamine-UreumFormaldehydelijm) wordt toegepast. Opgemerkt wordt dat methaan difenyl diisocyanaatlijm goede eigenschappen heeft die de mogelijke zwelling van MDF of HDF bij vochtindringing beperken.

Het is duidelijk dat bij deze tweede mogelijkheid ter hoogte van de betreffende zone niet noodzakelijk een verhoging van de concentratie van het eerste en/of het tweede bestanddeel dient op te treden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het betreffend bestanddeel ter plaatse van de betreffende materiaalzone gedeeltelijk wordt vervangen door een ander organisch materiaal, respectievelijk een ander bindmiddel, doch geen extra organisch materiaal en/of bindmiddel wordt voorzien.

Eveneens is het duidelijk dat volgens deze tweede mogelijkheid ook of enkel het organisch materiaal kan worden vervangen of aangevuld door een ander organisch materiaal. In het geval waar het eerste bestanddeel geheel of gedeeltelijk wordt vervangen door ander organisch materiaal kan het anders zijn van dit organisch materiaal zich op vele verschillende manieren uiten. Zo bijvoorbeeld kan de vorm, de grootte, het materiaal zelf van dit eerste bestanddeel, of de behandeling van dit eerste bestanddeel worden gevarieerd. Het is derhalve niet uitgesloten dat ter plaatse van de betreffende materiaalzone of materiaalzones een vezelmateriaal wordt vervangen door een partikelvormig materiaal. Zo bijvoorbeeld kan voornoemde onderscheiden samenstelling bij een plaat die hoofdzakelijk is uitgevoerd als een MDF of HDF plaat er minstens in bestaan dat de plaat in haar lengte- en/of breedterichting één of meerdere materiaalzones vertoont waar het eerste bestanddeel, namelijk het houtvezelmateriaal, is vervangen door houtmateriaal met grotere afmetingen, bijvoorbeeld door langere houtvezels, houtmeel, houtspaanders of houtvlokken. Ook kunnen houtvezels afkomstig van eikenhout of ander hard hout worden vervangen door vezels die hoofdzakelijk uit sparrenhout of ander zacht hout werden bekomen. Een ander voorbeeld betreft het variëren van de spaandergrootte in de betreffende materiaalzones van een houtspaanderplaat. Nog een ander voorbeeld betreft het in een MDF of HDF plaat naargelang de materiaalzone aanwenden van al dan niet aan een acetylatiebehandeling onderworpen houtvezels. Nog een ander voorbeeld betreft het plaatselijk inbrengen van kurkdeeltjes in een houtgebaseerde plaat, zoals in een MDF of HDF plaat.

In de productie van een houtvezelplaat, zoals MDF of HDF, kan deze tweede mogelijkheid bijvoorbeeld worden gerealiseerd door in de betreffende zone van de te verpersen materiaalmassa, bij het samenstellen ervan, houtvezels te deponeren die voorzien zijn van een ander bindmiddel. Zo bijvoorbeeld kan in de betreffende zone minstens gedeeltelijk of volledig gewerkt worden met van MDI (methaan difenyl isocyanaatlijm) voorziene vezels, terwijl in de rest van de plaat met een andere lijm zoals met MUF lijm (melamine ureum formaldehyde) wordt gewerkt. Volgens deze tweede mogelijkheid kan bij een houtvezelplaat, zoals MDF of HDF, het houtvezelmateriaal minstens gedeeltelijk worden vervangen of aangevuld met geacetyleerde houtvezels, die al dan niet van een bindmiddel zijn voorzien. Aan de hand van beide voorbeelden wordt ter plaatse van de betreffende zone een betere watervastheid bekomen. Voor een algemene beschrijving van de werking van MDI lijm en geacetyleerde vezels wordt verwezen naar het ÜS 6,376,582, alwaar dergelijke lijmen en vezels worden aangewend in een homogene materiaalmassa.

Volgens een derde mogelijkheid bestaat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in dat de plaat in haar lengte- en/of breedterichting één of meerdere materiaalzones vertoont waar minstens een derde bestanddeel is ingeperst, welk dan in de rest van de plaat niet, of althans toch niet in dezelfde concentratie, aanwezig is. Zo bijvoorbeeld kunnen in bepaalde materiaalzones van de plaat actieve middelen zijn ingeperst zoals paraffine of silicone. De activiteit van dergelijke middelen kan bijvoorbeeld een vochtwerende activiteit zijn, een geluidsdempende activiteit, een smerende activiteit, een brandvertragende activiteit of een kraakgeluiden verhinderende of verminderende activiteit. Elk van deze activiteiten afzonderlijk zowel als in combinatie van twee of meer ervan zijn bijzonder nuttig wanneer de betreffende materiaalzone van de plaat bedoeld is uiteindelijk de rand van een vloerpaneel met koppelmiddelen te vormen. In het geval een brandvertragende activiteit verlangd wordt, kan gewerkt worden met stoffen zoals ammonium fosfaat, aluminium fosfaat, borax of boorzuur. Een ander voorbeeld betreft het gebruik van glasvezels, polyamidevezels, polyestervezels, polypropeenvezels of andere niet organische eventueel versterkende vezelmaterialen. In het geval van een MDF of HDF plaat kunnen dus aan de hand van deze derde mogelijkheid de houtvezels minstens gedeeltelijk vervangen of aangevuld zijn door glasvezels, koolstofvezels, kunststofvezels en dergelijke meer. Deze uitvoeringsvorm kan leiden tot een plaatselijk verhoogde treksterkte of af treksterkte van MDF of HDF. Het derde bestanddeel kan onder gelijk welke vorm in de nog niet verperste materiaalmassa zijn aangebracht, hetzij in vloeibare vorm, hetzij in vaste vorm, bijvoorbeeld als korrels en/of als vezels, hetzij als bekleding aangebracht op het organisch materiaal.

Het is duidelijk dat voornoemde derde mogelijkheid minstens een gedeelte van de uitvoeringsvormen van voornoemde tweede mogelijkheid omvat. Verder is het duidelijk dat voornoemde derde mogelijkheid, net zoals de eerste en de tweede mogelijkheid, tot veel nieuwe uitvoeringen leidt van dergelijke platen. Hieronder worden nog drie bijzondere uitvoeringsvormen nader beschreven.

Volgens een eerste bijzondere uitvoeringsvorm van de voornoemde derde mogelijkheid bestaat het derde bestanddeel uit een geharde smeltlijm (Engels: hot melt glue). Dergelijke smeltlijm kan bij het verpersen van de materiaalmassa smelten en zich in vloeibare vorm onder de overige bestanddelen van de plaat mengen om zodoende na uitharding van de smeltlijm een materiaalzone te vormen die een goede watervastheid heeft en een goede samenhang met de rest van de plaat vertoont. Er wordt opgemerkt dat dergelijke smeltlijm op eender welke wijze in de te verpersen materiaalmassa kan zijn aangebracht, bijvoorbeeld door het plaatsen van strips van deze smeltlijm onder, in of op de te verpersen materiaalmassa, of door het in de betreffende zones onder de vorm van korrels en/of vezels inbrengen van dergelijke smeltlijm, of door het organisch materiaal van de betreffende materiaalzone vooraf met dergelijke smeltlijm te voorzien.

Volgens een tweede bijzondere uitvoeringsvorm van de voornoemde derde mogelijkheid bestaat het derde bestanddeel uit een opgeschuimde of geëxpandeerde stof. Zo bijvoorbeeld kan gedacht worden aan het toepassen van polystyreen. De voornoemde opschuiming en/of expansie van het materiaal kan zowel in de persinrichting geschieden als voor en/of na het persen. Dergelijke opschuimende of expanderende stof wordt bij voorkeur in de te verpersen materiaalmassa aangebracht door het in de betreffende zones onder de vorm van korrels en/of vezels inbrengen van dergelijke stoffen. Volgens deze tweede bijzondere uitvoeringsvorm kan een materiaalzone worden bekomen die licht is en toch een goede verbinding minstens met het organisch materiaal van de plaat verwezenlijkt.

Volgens een derde bijzondere uitvoeringsvorm van de voornoemde derde mogelijkheid bestaat het derde bestanddeel uit een kleurstof of een ander al dan niet visueel herkenningsmiddel. Andere dan visueel herkenbare middelen zijn bijvoorbeeld magnetisch, elektrisch en/of thermisch herkenbare middelen. Met de uitvoeringsvormen van deze derde bijzondere uitvoeringsvorm kan de verwerking van dergelijke platen in verregaande mate vereenvoudigd of geautomatiseerd worden. Een voorbeeld van een dergelijk herkenningsmiddel is ijzervijlsel hetgeen minstens magnetisch herkenbaar is.

Binnen het kader van de uitvinding is het uiteraard mogelijk dat voornoemde drie mogelijkheden op eender welke wijze worden gecombineerd.

Er wordt opgemerkt dat waar sprake is van een concentratie of hoeveelheid van een bepaald bestanddeel, deze concentratie uitgedrukt dient te worden als een gewicht per volume-eenheid, bijvoorbeeld in gram per kubieke centimeter of kilogram per kubieke meter en dat deze concentratie over de volledige dikte van de plaat of de te verpersen materiaalmassa in de betreffende materiaalzone dient te worden bepaald, waarbij eventuele structurele uitsparingen niet in de dikte worden meegerekend. Het is duidelijk dat de materiaalzones in de context van de huidige uitvinding een zekere breedte vertonen en dat de voornoemde concentratie dus niet op een lijn doorheen de dikte van de plaat bepaald kan worden.

Bij voorkeur zijn de gebieden van onderscheiden samenstelling materiaalzones die duidelijk breder zijn dan dan 5 percent van de dikte van de materiaalmassa of van de dikte van de plaat, of zelfs breder zijn dan 10 percent daarvan.

Het is duidelijk dat het niet uitgesloten is dat de platen van de huidige uitvinding structurele uitsparingen bevatten, zoals bijvoorbeeld structurele uitsparingen van het type dat gekend is uit het WO 01/26868.

Er wordt nog opgemerkt dat nog volgens een andere mogelijkheid de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de materiaalmassa één of meer zones vertoont waarvan de porositeit kleiner of groter is dan in de rest van deze materiaalmassa of plaat. Zo bijvoorbeeld kan ernaar gestreefd worden dat materiaalzones die bedoeld zijn een rand van een uiteindelijk paneel te vormen een kleinere porositeit vertonen, zodat deze bijvoorbeeld minder onderhevig zijn aan waterindringing en/of waterinsijpeling.

Volgens een praktische uitvoeringsvorm van het eerste aspect van de uitvinding draagt het de voorkeur dat voornoemde onderscheiden samenstelling zich minstens manifesteert in materiaalzones die volgens voornoemde lengte- en/of breedterichting van de plaat zijn uitgelijnd. Dit is voornamelijk voordelig wanneer de plaat bedoeld is te worden opgedeeld in meerdere kleinere panelen, zoals rechthoekige, of nagenoeg rechthoekige panelen. In dergelijk geval kunnen voornoemde materiaalzones met onderscheiden samenstelling bedoeld zijn minstens een gedeelte van een rand te vormen van voornoemde kleinere panelen. In de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm is voornoemde plaat bedoeld te worden opgedeeld in langwerpige panelen met een paar tegenovereenliggende lange randen en een paar tegenovereenliggende korte randen, zoals dit het geval kan zijn bij panelen voor de productie van vloerpanelen, waarbij dan voornoemde materiaalzones bij voorkeur bedoeld zijn minstens een gedeelte van een lange rand te vormen van voornoemde panelen. Beter nog zijn de voornoemde materiaalzones op een zodanige plaats in de plaat ingeperst dat de omtrek van elk van de voornoemde panelen waarin de plaat wordt opgedeeld, gevormd wordt door een dergelijke materiaalzone.

Volgens voornoemde praktische uitvoeringsvorm van het eerste aspect van de uitvinding is het derhalve mogelijk in de plaat materiaalzones te voorzien met eigenschappen die afgestemd zijn op de vereiste eigenschappen voor een randgebied van de panelen die door opdelen uit een dergelijke plaat worden bekomen. Zo bijvoorbeeld kan ervoor gezorgd worden dat de uiteindelijke panelen op hun rand een verhoogde densiteit, sterkte en/of watervastheid vertonen. Dit is bijzonder interessant in het geval in de rest van de plaat gewerkt wordt met poreus en/of bros materiaal, zoals met MDF of HDF, en men minstens op de rand van de uiteindelijke panelen verbeterde eigenschappen wil bekomen, terwijl deze verbeterde eigenschappen voor de bulk van het paneel overbodig zijn. Het is duidelijk dat op die manier een verbeterd vloerpaneel kan worden bekomen aan een beperkte meerprijs, zonder meerprijs of zelfs aan een betere prijs.

Voornoemde praktische uitvoeringsvorm kan bijvoorbeeld nuttig worden toegepast bij vloerpanelen met koppelmiddelen die minstens gedeeltelijk in het voornoemde plaatmateriaal zijn voorzien, bijvoorbeeld koppelmiddelen van het type dat op zich bekend is uit het WO 97/47834, en die een horizontale en verticale vergrendeling van de panelen toelaten. Zo bijvoorbeeld kan men de sterkte van de verbinding verhogen door het materiaal op de rand te modificeren en/of kan men onder andere bij vloerpanelen met een ondoorlaatbare toplaag, zoals een laminaattoplaag, door het modificeren van het materiaal op de rand van de panelen een verbeterde waterwerendheid bekomen, terwijl in beide gevallen het inwendige materiaal van de panelen ongewijzigd blijft.

Volgens de uitvinding draagt het de voorkeur dat de materiaalzones met een volgens de uitvinding onderscheidene samenstelling geprojecteerd in het plaatoppervlak de kleinste oppervlakte van de plaat beslaan. Bij voorkeur bedraagt deze oppervlakte minder dan de helft van de oppervlakte van de normaal samengestelde materiaalmassa, en beter nog minder dan 20 percent van deze oppervlakte.

Er wordt opgemerkt dat een onderscheidend samengestelde materiaalzone volgens alle aspecten van de uitvinding gezien wordt als een materiaalgedeelte van de plaat die zich in de betreffende zone over de volledige diepte van de plaat üitstrekt, vermits zelfs wanneer zich in deze zone een gedeelte normaal samengestelde verperste materiaalmassa bevindt en bijvoorbeeld slechts aan het oppervlak ander verperst materiaal is aangebracht, de totaliteit van het materiaal van deze zone over de diepte beschouwd anders is samengesteld.

In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm van het eerste aspect betreft de uitvinding ook een plaat, bijvoorbeeld een plaat die hoofdzakelijk is opgebouwd als een MDF of een HDF plaat, waarbij voornoemde onderscheiden samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat in haar lengte- en/of breedterichting één of meerdere materiaalzones vertoont met een plaatselijk hogere of lagere densiteit. Deze uitvoeringsvorm is zeer nuttig voor platen die bedoeld zijn te worden opgedeeld in panelen voor de productie van vloerpanelen met koppelmiddelen, vermits de densiteit van de rand dan kan worden afgestemd op de functie van de koppelmiddelen, en/of voor panelen voor de productie van vloerpanelen met een dunne toplaag, dit zijn toplagen met een dikte van kleiner dan 2 of 1 millimeter, zoals een laminaattoplaag of een fineertoplaag, vermits de densiteit van de rand bij dergelijke dunne toplagen de neiging tot het vormen van zogenaamde opstaande randen bepaalt. Bij voorkeur betreft het hierbij een densiteitverschil van minstens 5 percent en beter nog van minstens 10 percent. Opgemerkt wordt dat dergelijke plaatselijk verhoogde of verlaagde densiteiten eventueel ook op een andere manier kunnen zijn bekomen dan door het voorzien van een verperste materiaalmassa met onderscheiden samenstelling. Daarom betreft de uitvinding volgens een onafhankelijk tweede aspect eveneens een plaat, waarbij deze plaat hoofdzakelijk is opgebouwd uit composietmateriaal dat minstens uit twee bestanddelen bestaat, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal en een tweede bestanddeel dat fungeert als bindmiddel, meer speciaal als bindmiddel voor het voornoemde eerste bestanddeel, waarbij voornoemde plaat in haar breedte- en/of lengterichting één of meerdere materiaalzones vertoont ter plaatse waarvan het voornoemde composietmateriaal ten opzichte van de rest van de plaat verschillend is uitgevoerd, met als kenmerk dat de voornoemde verschillende uitvoering er minstens in bestaat dat het composietmateriaal ter plaatse van de betreffende materiaalzone een andere densiteit vertoont. Ook hier is het duidelijk dat het niet om toevallige densiteitsverschillen ten gevolge van eventuele toleranties gaat.

Voornoemde andere densiteit kan volgens het tweede aspect van de uitvinding op vele mogelijke manieren worden bekomen, namelij k: minstens doordat minstens één van de voornoemde bestanddelen ter plaatse van de betreffende zone een verhoogde of verlaagde concentratie vertoont. Hiertoe wordt als voorbeeld nog verwezen naar de in het eerste aspect vernoemde eerste mogelijkheid voor materiaalzones met onderscheiden samenstelling.

minstens doordat het voornoemde organische materiaal is vervangen en/of aangevuld is door ander organisch materiaal en/of minstens doordat het voornoemde bindmiddel vervangen en/of aangevuld is door een ander bindmiddel. Hiertoe wordt als voorbeeld nog verwezen naar de in het eerste aspect vernoemde tweede mogelijkheid voor materiaalzones met onderscheiden samenstelling, minstens doordat een derde bestanddeel in het composietmateriaal is ingebracht. Hiertoe wordt als voorbeeld nog verwezen naar de in het eerste aspect vernoemde derde mogelijkheid voor materiaalzones met onderscheiden samenstelling.

doordat een combinatie van twee of meer van voorgaande drie mogelijkheden wordt toegepast.

Het is duidelijk dat ook het tweede aspect van de uitvinding voornamelijk nuttig kan worden toegepast bij plaatmateriaal dat hoofdzakelijk is opgebouwd als zogenaamd MDF of HDF materiaal of bij plaatmaterialen die op basis van hout-kunststofcomposiet of zogenaamd houtextrusiemateriaal zijn opgebouwd.

Volgens een derde onafhankelijk aspect beoogt de uitvinding nog een werkwijze waarmede onder andere de platen van het eerste en/of het tweede aspect kunnen worden vervaardigd. Hiertoe betreft de uitvinding een werkwijze voor het vervaardigen van platen, waarbij wordt uitgegaan van een materiaalmassa die minstens aan de hand van twee bestanddelen is samengesteld, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal en een tweede bestanddeel dat een bindmiddel is, en waarbij de voornoemde plaat minstens wordt bekomen door het verpersen van de materiaalmassa en het aan de hand van het bindmiddel verbinden van het voornoemde organisch materiaal, met als kenmerk dat de voornoemde materiaalmassa in haar breedte- en/of lengterichting één of meerdere zones vertoont ter plaatse waarvan haar samenstelling ten opzichte van de rest van de materiaalmassa verschillend is uitgevoerd.

Volgens het derde aspect van de uitvinding wordt de materiaalmassa dus zodanig samengesteld dat zij minstens voor het verpersen ervan zones vertoont waarvan de samenstelling verschillend is uitgevoerd. Bij voorkeur bedraagt de oppervlakte van dergelijke zones minder dan de helft van de totale oppervlakte van dergelijke materiaalmassa, en zelfs bij voorkeur minder dan de helft van de oppervlakte van de normale materiaalmassa. Met andere woorden is de samenstelling van de betreffende materiaalzone bij voorkeur gemeenschappelijk aan minder dan de helft van de materiaalmassa, terwijl bij voorkeur minstens de helft van de materiaalmassa een gemeenschappelijke samenstelling vertoont.

De uitvinders hebben verrassenderwijs vastgesteld dat het mogelijk is om de te verpersen materiaalmassa op een inhomogene manier in zijn breedte- en/of lengterichting samen te stellen en hier zonder al te veel problemen een bij voorkeur vlakke plaat uit te vormen. De uitvinders waren voornamelijk verrast te mogen vaststellen dat dit ook mogelijk is bij de vervaardiging van MDF of HDF, en dit in het bijzonder in een continu vervaardigingsproces. Normaal gezien wordt er immers naar gestreefd op voorhand belijmde houtvezels op een zo uniform mogelijke manier in lagen tot een zogeheten mat of materiaalmassa samen te stellen. De uitvinders hebben echter dit paradigma doorbroken door in lengte- en/of in breedterichting andere samenstellingen van de materiaalmassa aan te wenden. De nieuwe inventieve werkwijze van de huidige uitvinding volgens haar derde aspect opent veel nieuwe mogelijkheden. Zij laat onder andere toe de inventieve platen van het eerste en het tweede aspect op een economische wijze te vervaardigen.

Volgens het derde aspect van de uitvinding wordt dus minstens met verschillen in samenstelling van de te verpersen materiaalmassa gewerkt, namelijk hetzij van het organisch materiaal, hetzij van het bindmiddel, hetzij van beide, waarbij deze verschillen zich manifesteren in het vlak van de betreffende materiaalmassa, met andere woorden in de lengte- en/of in breedterichting van de betreffende materiaalmassa. Het is duidelijk dat de aanwezigheid van uitsparingen in de materiaalmassa die bedoeld zijn structurele uitsparingen in de uiteindelij ke plaat te vormen op zich geen onderscheidende samenstelling definiëren, maar dat het de samenstelling van de materiaalmassa zelf is die deze onderscheidende samenstelling bepaalt. De plaat die volgens de uitvinding wordt bekomen is bij voorkeur zelfs vrij van dergelijke structurele uitsparingen. Het moge duidelijk zijn dat holtes, zoals bij eventuele porositeit, die eigen zijn aan het plaatmateriaal niet als structurele uitsparingen worden aanzien.

De werkwijze van het derde aspect kan volgens verschillende mogelijkheden worden uitgevoerd.

Volgens een eerste mogelijkheid wordt de voornoemde materiaalmassa zodanig samengesteld dat zij minstens één zone vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen in een verschillende hoeveelheid of concentratie is aangebracht. Deze uitvoeringsvorm kan worden verkregen door uit een eventueel homogene samengestelde materiaalmassa plaatselijk materiaal te verwijderen, of op dergelijke materiaalmassa plaatselijk materiaal toe te voegen.

Volgens een tweede mogelijkheid wordt de voornoemde materiaalmassa zodanig samengesteld dat zij minstens één zone vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen minstens gedeeltelijk is vervangen of aangevuld met andere organische deeltjes, respectievelijk een ander bindmiddel. Zo bijvoorbeeld kan aan de typische materiaalmassa voor een MDF plaat plaatselijk kunststof worden toegevoegd, bijvoorbeeld kan dit onder korrelvorm op de houtvezelmat worden gestrooid of hierin worden aangebracht of gemengd. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over de kunststoffen die gebruikelijk worden aangewend bij hout-kunststofcomposieten. Volgens een andere voorbeeld kan de houtvezelmat voor de vervaardiging van een MDF plaat plaatselijk zijn samengesteld uit anders belijmde vezels, zoals uit vezels die voorzien zijn van methaan difenyl diisocyanaatlijm, terwijl de rest van de vezels belijmd is met een andere polycondensatielijm, zoals met MUF lijm (Melamine UreumFormaldehydelijm).

Volgens een derde mogelijkheid wordt de voornoemde materiaalmassa zodanig samengesteld dat zij minstens één zone vertoont waar minstens een derde bestanddeel is aangebracht. Het voornoemde bestanddeel kan hierbij zowel vloeibaar als vast aan de materiaalmassa worden toegevoerd. In het geval van vaste toediening kan het betreffende bestanddeel onder de vorm van korrels of vezels worden toegevoerd. Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm van deze derde mogelijkheid kan het in de materiaalmassa aangebrachte derde bestanddeel bij verpersing van de materiaalmassa minstens gedeeltelijk diffunderen in het eigenlijke plaatmateriaal, bijvoorbeeld doordat dit derde bestanddeel in de persinrichting gaat vloeien en/of smelten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer als derde bestanddeel een smeltlijm wordt toegepast.

Het is duidelijk dat de werkwijze voornamelijk is bedoeld voor de vervaardiging van platen waarvan het voornoemde eerste bestanddeel een vezelmateriaal betreft en/of voor de vervaardiging van platen waarvan het voornoemde eerste bestanddeel een houtmateriaal betreft, en/of voor de vervaardiging van platen waarvan het voornoemde tweede bestanddeel een kunststof betreft. In de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt voornoemde plaat hoofdzakelijk uitgevoerd als een vezelplaat van het type MDF of HDF.

De voornoemde materiaalmassa kan zodanig worden samengesteld dat één of meer van de voornoemde zones zijn uitgelijnd volgens de voornoemde lengte en/of breedterichting. Er wordt opgemerkt dat de werkwijze van het derde aspect bij voorkeur wordt aangewend voor het vervaardigen van platen die bedoeld zijn te worden aangewend voor de vervaardiging van vloerpanelen, zoals laminaatvloerpanelen, waarbij dan bij voorkeur aan de hand van de verschillende samenstelling van de materiaalmassa gemodificeerde materiaalgebieden op de rand van de uiteindelijke vloerpanelen worden verkregen.

Het is duidelijk dat de werkwijze van het derde aspect kan worden aangewend voor het vervaardigen van een plaat met de kenmerken van het eerste en/of het tweede aspect en/of de voorkeurdragende uitvoeringsvormen van deze aspecten. Verder is het duidelijk dat de uitvinding eveneens betrekking heeft op een plaat die met een dergelijke werkwijze is verkregen.

De uitvinding heeft verder nog betrekking op een bijzondere werkwijze voor het vervaardigen van platen die materiaalzones van onderscheidene samenstelling vertonen. Hiertoe betreft de uitvinding volgens haar vierde aspect een werkwijze voor het vervaardigen van platen, waarbij minstens wordt uitgegaan van een materiaalmassa die minstens aan de hand van twee bestanddelen is samengesteld, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal en een tweede bestanddeel dat een bindmiddel is, meer speciaal een bindmiddel voor het voornoemde eerste bestanddeel, en waarbij de voornoemde plaat minstens wordt bekomen door het verpersen van de materiaalmassa en het aan de hand van het bindmiddel verbinden van het voornoemde organisch materiaal, met als kenmerk dat voornoemde materiaalmassa minstens een bestanddeel bevat dat nadat het in de materiaalmassa is aangebracht plaatselijk geactiveerd of gedesactiveerd wordt. Bij voorkeur zorgt de voornoemde activatie of desactivatie ervoor dat de uiteindelijke plaat of de panelen waarin deze plaat wordt opgedeeld één of meer materiaalzones vertoont van onderscheiden samenstelling. Het is duidelijk dat het betreffende activeerbare of desactiveerbare bestanddeel zowel het eerste, het tweede als eventueel een derde bestanddeel kan betreffen.

Het is mogelijk dat het bindmiddel het voornoemde activeerbare of desactiveerbare middel vormt, waarbij dit bindmiddel plaatselijk bij voorkeur wordt uitgehard of wordt verwijderd, bijvoorbeeld op chemische wijze door de verperste materiaalmassa plaatselijk te besproeien met een middel dat het betreffende bindmiddel week kan maken of kan ontbinden of bijvoorbeeld met behulp van elektromagnetische straling door de verperste materiaalmassa plaatselijk te bestralen of the belichten.

Het is ook mogelijk dat het voornoemde activeerbare of desactiveerbare middel een component is van een twee componentensysteem, . waarbij dit middel dan bijvoorbeeld geactiveerd kan worden door het plaatselijk in contact te brengen met de tweede component. Een voorbeeld van een mogelijk twee componentensysteem is polyurethaan, waarbij dan bij voorkeur als eerste component een component op basis van polyol en als tweede component een component op basis van isocyanaat wordt toegepast.

Volgens de werkwijze van het vierde aspect is het mogelijk dat dit activeerbare bestanddeel homogeen in de voornoemde materiaalmassa wordt aangebracht doch slechts plaatselijk wordt geactiveerd.

Het is duidelijk dat de activatie of desactivatie op eender welke wijze kan worden bekomen, hetzij door inwerking van een stof, hetzij door inwerking van warmte, straling of licht, hetzij door inwerking van mechanische of elektromagnetische krachten. De activatie of desactivatie kan ook op eender welk moment geschieden. Zij kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden hetzij op de nog niet verperste, hetzij op de verperste materiaalmassa, met andere woorden op de door verpersing bekomen plaat, hetzij op kleinere panelen die minstens door opdeling uit de verperste materiaalmassa zijn bekomen. In het geval van platen die worden aangewend bij de vervaardiging van vloerpanelen, kan de activatie of desactivatie zodanig worden uitgevoerd dat de randen van de vloerpanelen minstens gedeeltelijk bestaan uit geactiveerde of gedesactiveerde materiaalmassa.

Verder is het duidelijk dat aan de hand van de werkwijze van het vierde aspect platen kunnen worden vervaardigd met de kenmerken van het eerste en/of het tweede aspect en dat de uitvinding ook betrekking heeft op platen die met een werkwijze met de kenmerken van het vierde aspect zijn verkregen.

De uitvinding van het vierde aspect kan een zeer nuttige, vlotte en flexibele werkwijze bieden voor het vervaardigen van nieuwsoortige platen, zoals voor de vervaardiging van de platen van het eerste en/of het tweede aspect. De werkwijze van het vierde aspect kan uiteraard ook de kenmerken vertonen van een werkwijze volgens het derde aspect van de uitvinding.

De uitvinding heeft eveneens betrekking op kleinere panelen die door opdeling van de platen van de uitvinding zijn bekomen, waarbij één of meerdere van de voor deze opdeling aangewende snijd- of zaaglijnen al dan niet samenvallen met de materiaalzones van onderscheiden samenstelling, meer speciaal heeft de uitvinding betrekking op dergelijke panelen die kunnen worden of worden aangewend als substraat of een gedeelte van een substraat in een vloerpaneel, waarbij dit vloerpaneel een op dit substraat aangebrachte toplaag vertoont en bij voorkeur minstens aan twee tegenovereenliggende randen, of aan alle tegenovereenliggende randen, ééndelig met het substraat gevormde koppelmiddelen vertoont waarmede bij voorkeur een vergrendeling tussen twee van dergelijke vloerpanelen kan worden bekomen zowel in een verticale richting loodrecht op het vlak van de vloerpanelen, als in een horizontale richting loodrecht op de gekoppelde zijden en in het vlak van de gekoppelde vloerpanelen. De uitvinding is van bijzonder belang voor dit soort vloerpanelen, vermits de platen van de uitvinding toelaten dat het substraat op de rand van het vloerpaneel geoptimeerde materiaaleigenschappen kan vertonen, welke bijvoorbeeld zijn afgestemd op de functie van de koppelmiddelen en/of die een betere watervastheid opleveren. In het bijzonder is de uitvinding van belang voor vloerpanelen waarvan het substraat in hoofdzaak bestaat uit MDF of HDF. Als toplaag kan eender welk materiaal worden toegepast. Het kan bijvoorbeeld gaan om een laminaattoplaag, een toplaag die hoofdzakelijk uit lak en inkt bestaat, bijvoorbeeld bekomen met een direct drukproces, een fineertoplaag of een toplaag bestaande uit een dikkere laag hout dan fineer. In het geval van laminaat kan zowel met zogenaamd DPL (direct pressure laminate) als met zogenaamd HPL (high pressure laminate) worden gewerkt, welke laminaten van hars voorziene dragervellen bevatten, waaronder een decorlaag met een motief.

Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin: figuur 1 een plaat weergeeft met de kenmerken van de uitvinding; figuur 2 op grotere schaal een dwarsdoorsnede weergeeft volgens de op figuur 1 aangeduide lijn II-II; figuur 3 in eenzelfde zicht een variante weergeeft van voornoemde plaat; figuur 4 een werkwijze weergeeft met de kenmerken van de uitvinding; figuur 5 op grotere schaal een dwarsdoorsnede weergeeft volgens de op de figuur 4 aangeduide lijn V-V; figuren 6 tot 9 in hetzelfde zicht als figuur 5 varianten weergeven; figuur 10 op grotere schaal een zicht weergeeft op het gebied dat op figuur 9 met F10 is aangeduid; figuren 11 tot 13 in eenzelfde zicht varianten weergeven; figuur 14 een paneel, meer speciaal een vloerpaneel weergeeft dat door opdeling uit een plaat volgens de uitvinding is bekomen; figuur 15 in dwarsdoorsnede en op een grotere schaal een zich weergegeven volgens de op figuur 14 aangeduide lijn XV-XV; en figuren 16 en 17 in eenzelfde zicht als figuur 15 varianten van dergelijk paneel weergeven.

Figuur 1 geeft een plaat 1 weer die hoofdzakelijk bestaat uit een verperste materiaalmassa 2, waarbij deze materiaalmassa 2 in het vlak 3 van de plaat 1, met andere woorden volgens haar lengterichting L en/of breedterichting B onderscheidend is

samengesteld. Het voorbeeld betreft een zogenaamde MDF of HDF

plaat 1 die hoofdzakelijk is samengesteld uit van bindmiddel voorziene houtzevels, meer bepaald samengesteld is uit door middel van polycondensatielijm verbonden houtvezels. De volgens de uitvinding vereiste onderscheidende samenstelling doet zich hierbij voor in de met streeplijn 4 aangeduide materiaalzones 5.

Uit figuur 1 is het duidelijk dat het volgens de uitvinding de voorkeur draagt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling zich minstens manifesteert in materiaalzones 5 die volgens voornoemde lengterichting L en/of breedterichting B zijn uitgelijnd. Volgens het voorbeeld zijn de voornoemde materiaalzones 5 zowel in lengte- en in breedterichting L-B aangebracht en wordt telkens een materiaalgedeelte 6 van de normaal verperste materiaalmassa 2 omgeven door een materiaalgedeelte 7 van de onderscheidend verperste materiaalmassa 2. Het is duidelijk dat voornoemde materiaalzones 5 van onderscheiden samenstelling ook enkel in de lengterichting L of enkel in de breedterichting B kunnen zijn uitgevoerd, waarbij dan stroken of plaatgedeelten ontstaan die minstens aan één zijde geflankeerd worden door een materiaalgedeelte 7 van onderscheidende samenstelling.

Figuur 2 toont dat de plaat 1 van figuur 1 de eigenschappen vertoont dat het anders samengesteld materiaal zich in dit geval over de volledige dikte D van de betreffende materiaalzones 5 uitstrekt en dat het oppervlak 8 van de plaat 1 zowel gevormd wordt door normaal verperste materiaalgedeelten 6 als door anders samengestelde verperste materiaalgedeelten 7. Deze twee eigenschappen zijn zowel ieder apart als in combinatie voorkeurdragende praktische eigenschappen die nuttig kunnen worden aangewend onder andere bij platen die bedoeld zijn te worden opgedeeld in kleinere panelen, en in het bijzonder bij platen die bedoeld zijn te worden opgedeeld in panelen die voor de vervaardiging van vloerpanelen met een toplaag als substraat worden of kunnen worden aangewend. In verband met de eerst vermelde eigenschap is het duidelijk dat de anders verperste materiaalgedeelten 7 op deze manier eventueel minstens een gedeelte of de volledige omtrek van het uiteindelijk paneel over de volledige dikte D ervan vormen, terwijl de normaal verperste materiaalgedeelten 6 normalerwijze goedkoper is en als bulkmateriaal voor het vloerpaneel kan worden aangewend. In verband met de tweede vermelde eigenschap is het duidelijk dat het feit dat het oppervlak 8 van de plaat 1 minstens wordt gevormd door normaal verperste materiaalgedeelten 6 en anders samengestelde verperste materiaalgedeelten 7 op velerlei manieren nuttig kan worden aangewend, bijvoorbeeld voor de al dan niet automatische herkenning van de platen 1 van de huidige uitvinding.

Het voorbeeld van figuur 2 geeft aan de hand van de aslijnen duidelijk de plaatsen weer waar snijlijnen 10 bedoeld zijn te worden aangebracht voor het opdelen van de plaat 1 in kleinere panelen 11. Hieruit is het duidelijk dat de voornoemde onderscheiden samenstelling zich minstens manifesteert in materiaalzones 5 die bedoeld zijn minstens een gedeelte van een rand 12 te vormen van voornoemde kleinere panelen 11. In dit geval is de plaat 1 van figuur 1 bedoeld te worden opgedeeld in rechthoekige langwerpige panelen 11 met twee paar tegenovereenliggende randen 12 en zijn voornoemde materiaalzones 5 bedoeld minstens een gedeelte van een lange rand of zelfs de volledige omtrek te vormen van voornoemde kleinere panelen 11.

Het is duidelijk dat de voornoemde onderscheidende samenstelling van de materiaalzones 5 onder andere kan bestaan uit de in de inleiding genoemde eerste, tweede of derde mogelijkheid of uit gelijk welke combinatie van één of meer van deze mogelijkheden. Ook is het mogelijk dat de hier weergegeven onderscheidene samenstelling resulteert in een plaat 1 met de kenmerken van het tweede aspect van de huidige uitvinding, waarin de materiaalgedeelten 7 van onderscheidene samenstelling dan bij voorkeur een hogere densiteit vertonen dan de normaal verperste materiaalgedeelten 6.

Figuur 3 geeft nog een voorbeeld weer van een plaat 1 met de kenmerken van de uitvinding. Hierbij bestaat de onderscheiden samenstelling van de betreffende materiaalzones 5 in hoofdzaak uit in de plaat 1 voorziene insluitselen 13 van eender welke aard, zoals een kunststof of metaal insluitsel. Met dergelijk insluitsel 13 kunnen verschillende voordelen worden bereikt. Zo kan er bijvoorbeeld voor worden gezorgd dat de rand 12 van de door opdeling verkregen kleinere panelen 11 minstens gedeeltelijk of zelfs hoofdzakelijk door voornoemd insluitsel 13 wordt gevormd. Indien het insluitsel 13 uit kunststof wordt gevormd kan gekozen worden voor een kunststof uit de reeks van polyethyleen, polyethyleentereftalaat, polyurethaan, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat en Polyvinylchloride. Er kan ook gekozen worden voor een insluitsel 13 uit een hout-kunststofcomposiet, bij voorkeur op basis van minstens één van de voornoemde kunststoffen, waarbij dan houtdeeltjes, zoals houtmeel, houtspaanders of houtvezels als vulmateriaal worden toegepast. Dit laatste is een mogelijkheid die voornamelijk kan worden overwogen in het geval de plaat 1 hoofdzakelijk bestaat uit MDF of HDF materiaal, houtspaanderplaat of OSB.

Figuur 4 geeft een werkwijze weer voor het vervaardigen van een plaat 1, waarbij deze werkwijze de kenmerken van het derde aspect van de uitvinding vertoont. In het voorbeeld betreft het een werkwijze die wordt uitgevoerd aan de hand van een productielijn 14 die hoofdzakelijk overeenstemt met een typische MDF of HDF productielijn. Hierbij wordt uitgegaan van een materiaalmassa 2 die minstens aan de hand van twee bestanddelen is samengesteld. In dit geval worden beide bestanddelen tegelijk aan een strooimachine 15 toegevoerd onder de vorm van voorafgaandelijk van bindmiddel voorzien organisch materiaal 16, in dit geval onder de vorm van met polycondensatielijm voorziene houtvezels, waarbij dan het voornoemde bindmiddel of de condensatielijm het in het derde aspect genoemde tweede bestanddeel vormt en het organisch materiaal 16 of de houtvezels het in dit aspect genoemde eerste bestanddeel vormt. Het is uiteraard mogelijk dat het tweede bestanddeel of het bindmiddel afzonderlijk aan de materiaalmassa 2 wordt toegevoegd, bijvoorbeeld door het organisch materiaal 16 tijdens de opbouw van de materiaalmassa 2 te besproeien of op enige andere manier te bevochtigen met het betreffende bindmiddel.

De afgebeelde strooimachine 15 kan eender hoe zijn opgebouwd. In het voorbeeld is een strooimachine 15 toegepast zoals die op zich bekend is uit het WO 03/053642. De strooimachine 15 van het voorbeeld is voorzien van meerdere agiteerelementen 17 die het belijmde organisch materiaal 16 in beweging brengen in de strooikamer 18. Aan de hand van de vezels die de strooikamer aan de onderzijde 19 verlaten, wordt de in het derde aspect genoemde mat of materiaalmassa 2, of althans toch minstens een gedeelte ervan, samengesteld op de zich eronder bevindende transportband 20. Voor verdere beschrijving van dergelijke strooimachine 15 wordt naar de voornoemde internationale octrooiaanvrage verwezen. Andere types van strooimachines 15 zijn uiteraard ook geschikt, zoals bijvoorbeeld de strooimachines beschreven in de internationale octrooiaanvragen WO 99/36623 en het WO 2005/044529.

Figuur 5 toont dat de uiteindelijk verkregen samengestelde materiaalmassa 2 alvorens zij volgens de uitvinding wordt verperst tot een plaat 1, in dit geval in haar breedterichting B meerdere zones 5 vertoont ter plaatse waarvan haar samenstelling ten opzichte van de rest van de materiaalmassa 2 verschillend is uitgevoerd. In dit geval bestaat de verschillende uitvoering er minstens in dat de materiaalmassa 2 plaatselijk een grotere hoeveelheid belijmd organisch materiaal 16, in het bijzonder gelijmde vezels, bevat. Een dergelijke materiaalmassa 2 kan op velerlei wijzen worden samengesteld. Zo bijvoorbeeld kan zij door een speciaal strooiingsprocedé zijn samengesteld dat toelaat plaatselijk meer te strooien, bijvoorbeeld aan de hand van een extra strooimachine die enkel ter plaatse van de voornoemde zones 5 strooit of aan de hand van een strooimachine 15 die in staat is op bepaalde plaatsen extra materiaal in de materiaalmassa 2 te doseren. Volgens een ander voorbeeld dat hier is toegepast kan uit een hoofdzakelijk homogeen gestrooide materiaalmassa 2 materiaal worden verwijderd zodat het profiel van de materiaalmassa 2 van figuur 5 wordt bekomen. Dit kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden aan de hand van de zogenaamde scalpelwals 21 die zich in doorloop na de strooimachine 15 bevindt. Er wordt opgemerkt dat een scalpelwals 21 volgens de stand van de techniek wordt toegepast voor het afschrapen van eventueel overtollige vezels van een gestrooide materiaalmassa, waarna dan, eveneens volgens de stand van de techniek, een materiaalmassa 2 met een quasi vlak bovenoppervlak wordt bekomen. De uitvinders hebben echter ingezien dat zij door deze scalpelwals 21 te profileren minstens het bovenoppervlak van de materiaalmassa 2 van een structuur 22 konden voorzien, waarbij deze structuur 22 dan automatisch kan leiden tot een materiaalmassa 2 die één of meerdere zones 5 vertoont ter plaatse waarvan haar samenstelling verschillend is uitgevoerd ten opzichte van de rest van de materiaalmassa 2.

Er wordt opgemerkt dat de uitvinding volgens een verder onafhankelijk aspect daarvan ook betrekking heeft op een scalpelwals 21 voor de vervaardiging van platen 1 bekomen uit een verperste materiaalmassa 2, met als kenmerk dat voornoemde scalpelwals 21 voorzien is van een structuur waarmede de voornoemde materiaalmassa 2 met een overeenkomstige structuur 22 kan worden voorzien alvorens de materiaalmassa 2 tot de voornoemde plaat 1 wordt verperst. Het is duidelijk dat dergelijke scalpelwals 21 bij voorkeur wordt aangewend in een productielijn 14 voor het vervaardigen van een MDF of HDF plaat 1 die al dan niet de kenmerken van de overige aspecten van de huidige uitvinding vertoont. Als een variante van het huidig onafhankelijk aspect kan in de plaats van met een scalpelwals 21 ook met een ander geprofileerd element worden gewerkt dat de materiaalmassa 2 van structuur 22 kan voorzien, bijvoorbeeld met een al dan niet gebogen geprofileerd plaatelement.

Er wordt opgemerkt dat de bij het strooien verkregen materiaalmat of materiaalmassa 2 een dikte T kan vertonen die tot 50 maal of meer groter is dan de dikte D van het uiteindelijk te bekomen plaatmateriaal, vermits zij in verdere stappen van het vervaardigingsproces verdicht en verperst kan worden tot de vereiste dikte D van de plaat. Deze verdere stappen zijn op figuur 4 schematisch weergegeven.

In doorloop na de vóornoemde al dan niet geprofileerde scalpelwals 21 bevindt zich op de figuur 4 afgebeelde productielijn 14 verder nog een verdichtingsinrichting of voorpers 23 waarin de samengestelde materiaalmassa 2 voorafgaandelijk aan het eigenlijke warme persen geleidelijk wordt verdicht tot een toestand waarin zij op een meer eenvoudige wijze kan worden getransporteerd in vergelijking met de onverdichte gestrooide materiaalmat 2. Hiertoe wordt de materiaalmassa 2 bij voorkeur tussen persbanden 24 getransporteerd die een in doorloop afnemende tussenafstand vertonen. Bij deze voorverdichting wordt bij voorkeur geen warmte toegevoerd en/of wordt, bij voorkeur, het aanwezige bindmiddel nog niet of slechts gedeeltelijk geactiveerd.

Veeleer gaat het bij de voorverdichting bij voorkeur om een minstens gedeeltelijk verwijderen van de in de materiaalmassa 2 aanwezige gassen, zoals lucht.

Na de verdichtingsinrichting of voorpers 23 bevindt zich op figuur 4 in doorlooprichting bekeken de eigenlijke persinrichting 25 waarin de al dan niet reeds voorverdichte materiaalmassa 2 onder invloed van warmte wordt verperst. De toegepaste temperatuur kan bijvoorbeeld tussen 100 en 150°C liggen en de toegepaste druk kan bijvoorbeeld gemiddeld tussen 4 en 10 bar liggen, kortstondige piekdrukken tot 40 bar zijn hierbij echter niet uitgesloten. Bij voorkeur vindt in deze persinrichting 25 de activatie van het bindmiddel plaats. In het geval van een polycondensatieli jm kan in deze persinrichting water of eerder stoom ontstaan.

De hier afgebeelde persinrichting 25 is van het continue type waarbij de materiaalmassa 2 tussen persbanden 26 wordt getransporteerd en geleidelijk wordt verperst. In doorloop van dergelijke persinrichting 25 kan een druk- en/of temperatuurverloop zijn ingesteld. Het is duidelijk dat de werkwij ze van het derde aspect ook met andere persinrichtingen 25 kan worden uitgevoerd zoals bijvoorbeeld met een dampdrukpers, met een meeretagepers of met een zogenaamde kurztaktpers. Bij deze andere persinrichtingen 25 kan de aangewende druk en/of temperatuur in functie van de tijd dat de betreffende materiaalmassa in de persinrichting verblijft, worden ingesteld.

Na de eigenlijke persinrichting 25 wordt bij voorkeur een plaat 1 met twee hoofdzakelijk vlakke paneelzijden 27-28 bekomen, doch waarbij de oorspronkelijk geprofileerde materiaalmassa 2 van het huidige voorbeeld verperst is tot een plaat 1 die de kenmerken van het eerste en/of het tweede aspect van de uitvinding vertoont. Dergelijke plaat 1 kan aan een aantal bewerkingen worden onderworpen om de verperste plaat 1 af te werken. Zo kan zij onder meer nog worden opgeschuurd aan één of beide van haar vlakke plaatzijden 27-28.

De werkwijze van het derde aspect wordt bij voorkeur aangewend voor het vervaardigen van platen 1 met een nominale dikte D van 5 tot 15 millimeter.

Er wordt nog opgemerkt dat de werkwijze van het derde aspect, zoals het geval is in figuur 4, bij voorkeur minstens de stappen bevat van het strooien van minstens een gedeelte van voornoemde materiaalmassa 2, het voorverdichten of ontgassen van de materiaalmassa 2 en het verpersen van de materiaalmassa 2 en dat voornoemde verschillende uitvoering van de materiaalmassa 2 bij voorkeur wordt bekomen alvorens voornoemde stap van het voorverdichten wordt uitgevoerd. Bij voorkeur wordt voor een productielijn gekozen die hoofdzakelijk overeenstemt met de productielijnen die gekend zijn voor de vervaardiging van spaanderplaat of houtvezelplaat van het type MDF of HDF. Dergelijke productielijn kan naast de in figuur 4 weergegeven apparaten uiteraard ook nog andere toestellen bevatten, zoals een installatie voor het op het organisch materiaal aanbrengen van bindmiddel of een schuurinstallatie voor het afschuren van de uiterste lagen van de verperste platen.

Figuur 6 geeft weer dat het mogelijk is de materiaalmassa 2 zodanig samen te stellen dat zij één of meerdere zones 5 vertoont waar minstens een derde materiaal of bestanddeel is aangebracht. In het weergegeven geval is dit bekomen door het voornoemde derde materiaal of bestanddeel op het oppervlak van een praktisch homogene materiaalmassa 2 te deponeren, waardoor terug een te verpersen materiaalmassa 2 wordt bekomen met een geprofileerd bovenoppervlak.

Figuur 7 geeft weer dat het ook mogelijk is een derde materiaal of bestanddeel aan te brengen door een oorspronkelijke materiaalmassa 2 aanvankelijk met uitsparingen 29 te voorzien, welke dan minstens aan de hand van voornoemd derde bestanddeel kunnen worden opgevuld, zodanig dat bij voorkeur terug een vlakke te verpersen materiaalmassa 2 ontstaat. Het is duidelijk dat deze uitsparingen 29, zoals besproken in verband met figuur 5, bijvoorbeeld door het strooien kunnen worden gevormd of door het profileren van een homogeen gestrooide materiaalmassa 2 bijvoorbeeld aan de hand van een geprofileerde scalpelwals 21. In streeplijn 30 is weergegeven dat het ook mogelijk is, al dan niet in combinatie met de mogelijkheden van figuren 5 tot 7, het derde bestanddeel in het onderste gedeelte van de materiaalmassa 2 te introduceren, in dit geval onderaan deze materiaalmassa 2. Hiertoe kan dit derde bestanddeel bijvoorbeeld als eerste op de transportband 20 worden aangebracht, waarna de rest van de materiaalmassa 2 dan, bijvoorbeeld door homogeen strooien van belijmd organisch materiaal 16, wordt samengesteld.

Er wordt opgemerkt dat een gelijkaardige samenstelling als de materiaalmassa 2 van figuur 7 kan bekomen worden op andere methoden dan door het opvullen van in de materiaalmassa 2 gevormde uitsparingen 29. Zo bijvoorbeeld kan dergelijke materiaalmassa 2 verkregen worden door een materiaalmassa 2 gelijkaardig aan deze van figuur 6 voor te verdichten.

Figuur 8 geeft weer dat het mogelijk is de materiaalmassa 2 zodanig samen te stellen dat zij één of meerdere zones 5 bevat waar een derde bestanddeel is aangebracht op een plaats in de bulk 31 van de materiaalmassa 2, met andere woorden op een plaats waar dit derde bestanddeel is omgeven door het eigenlijke materiaal van de materiaalmassa 2. Een dergelijke uitvoeringsvorm kan bijvoorbeeld worden bereikt door de materiaalmassa 2 laagsgewijs samen te stellen volgens de in streeplijn 32 weergegeven lagen 33A-33B-33C, en hierbij voor de voor de inhomogeen samengestelde laag 33B de technieken zoals besproken in verband met figuur 6 en 7 toe te passen.

Figuur 8 geeft verder met de pijlen 34 weer dat het derde bestanddeel eventueel in het eigenlijke materiaal van de materiaalmassa 2 kan diffunderen, hetzij reeds voor het verpersen, bijvoorbeeld bij de voorverdichting ervan of zelfs daarvoor nog, hetzij bij het persen, hetzij bij een eventuele al dan niet gewilde nabehandeling van de verperste materiaalmassa 2, zoals bij het afkoelen van de bekomen plaat 1, of bij het warm stapelen (Engels: hot stacking) van dergelijke platen 1, waarbij deze platen 1 dan bij voorkeur één of meerdere uren verblijven in een ruimte waarin een gecontroleerde temperatuur heerst.

Figuur 9 geeft nog een ander voorbeeld weer van een materiaalmassa 2 die in haar breedterichting B zones 5 vertoont waarvan de samenstelling verschillend is uitgevoerd, doordat in de betreffende zone 5 een derde bestanddeel is aangewend. Hierbij strekken deze zones 5 zich over de volledige diepte of dikte T van de betreffende materiaalmassa 2 uit. Een dergelijke materiaalmassa 2 kan worden samengesteld bijvoorbeeld in de breedterichting B van de samen te stellen materiaalmassa 2 andere materialen te strooien bijvoorbeeld aan de hand van naast elkaar gepositioneerde strooiinrichtingen 15.

In verband met de figuren 6 tot en met 9 wordt opgemerkt dat het duidelijk is dat in de plaats van met voornoemde derde bestanddeel ook kan gewerkt worden met het voornoemde eerste en/of tweede bestanddeel welke dan in een veranderde concentratie aanwezig zijn in het betreffende materiaalgedeelte 7, of eventueel in dit materiaalgedeelte 7 afwezig zijn. In de betreffende zones 5 kan uiteraard ook gewerkt worden met een materiaal dat op zich uit meerdere bestanddelen bestaat, zoals met een hout-kunststofcomposiet.

Verder wordt opgemerkt dat de in figuren 7 tot 9 weergegeven materiaalmassa's 2 het voordeel hebben dat zij met een hoofdzakelijk vlak oppervlak kunnen worden uitgevoerd. Dergelijke vlakke materiaalmassa's 2 kunnen eenvoudiger verperst worden.

Het is duidelijk dat de in figuren 5 tot 9 weergeven zones van verschillende uitvoering volgens de lengterichting L van de materiaalmassa 2 zijn uitgelijnd. Het is echter niet uitgesloten dat zij in een andere richting zijn uitgelijnd of zelfs willekeurig zijn voorzien. Alsmede is het niet uitgesloten dat dergelijke zones 5 bij eenzelfde plaat 1 volgens meerdere richtingen zijn uitgelijnd. Zo bijvoorbeeld kunnen dergelijke zones 5 van verschillende uitvoering zowel in lengte- en in breedterichting L-B zijn uitgelijnd. Het is duidelijk dat in dergelijk geval een plaat 1 zoals de plaat 1 van figuur 1 aan de hand van de werkwijze van het derde aspect kan worden bekomen.

Figuur 10 geeft een voorbeeld waarbij het voornoemde derde I bestanddeel 35 een partikelvormig bestanddeel betreft, bijvoorbeeld een kunststofmateriaal dat in korrelvorm toegevoerd is aan de materiaalmassa 2. Deze uitvoeringsvorm is hier geïllustreerd aan de hand van een te verpersen materiaalmassa 2 die hoofdzakelijk bestaat uit van bindmiddel I 36 voorziene vezels 37, zoals het geval is bij de materiaalmassa 2 voor een plaat 1 die hoofdzakelijk is uitgevoerd als een MDF of HDF plaat. De weergegeven organische vezels 37 of houtvezels zijn slechts druppelsgewijs voorzien van polycondensatielijm, hetgeen zich hoofdzakelijk voordoet bij relatieve kleine belijmingsgraden zoals bij een lijmaandeel dat kleiner is dan 10 gewichtspercent. Het is duidelijk dat volgens een niet weergegeven variante van deze uitvoeringsvorm ook gewerkt kan worden met een vezelvormig derde bestanddeel in de plaats van met een partikelvormig derde bestanddeel 35. Zo bijvoorbeeld kan gewerkt worden met versterkingsvezels, zoals glasvezel of koolstofvezel. Verder is het duidelijk dat het derde bestanddeel 35 op zich uit meerdere bestanddelen kan bestaan, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een derde bestanddeel 35 dat bestaat uit hout-kunststofcomposiet of een halfproduct daarvoor, dat dan op zich vezel- of korrelvormig wordt toegevoerd.

Figuur 11 geeft een voorbeeld weer waarbij de materiaalmassa 2 voor de plaat 1 hoofdzakelijk is opgebouwd als in het geval van figuur 10, doch waarbij de onderscheidende samenstelling van de afgebeelde materiaalzone 2 erin bestaat dat het vezelmateriaal 37 op een andere manier is van bindmiddel 36 is voorzien, meer speciaal ander is belijmd, hetzij doordat de vezels 37 met een andere hoeveelheid van dit bindmiddel 36 zijn voorzien, hetzij doordat de vezels 37 met een ander bindmiddel 36A zijn voorzien, hetzij door een combinatie van beide. Zo bijvoorbeeld kan in de betreffende materiaalzone 5 zogenaamde MDI lijm (methaan difenyl diisocyanaatlijm) worden toegepast terwijl in hoofdzaak in de materiaalmassa 2 voor de plaat 1 een ander bindmiddel 36A, zoals MUF lijm (melamine-ureumformaldehydelijm) , wordt toegepast. Bij voorkeur worden de vezels 37 in dergelijke materiaalzone 5 watervast verlijmd of geacetyleerd.

Figuur 12 geeft een voorbeeld weer waarbij de materiaalmassa 2 voor de plaat 1 terug hoofdzakelijk is opgebouwd als in het geval van figuur 10 en 11, doch waarbij de onderscheidende samenstelling van de afgebeelde materiaalzone 5 erin bestaat dat bij de belijmde vezels 37 een derde bestanddeel 35 is gevoegd, dat bij voorkeur in vaste vorm in de materiaalmassa 2 wordt aangebracht, bijvoorbeeld in korrel- of vezelvorm, doch ook vloeibaar kan worden toegediend. Zo bijvoorbeeld kan in de betreffende materiaalzone 5 een extra kunststofmateriaal worden toegevoerd in partikelvorm. Bij voorkeur betreft het, in het geval van MDF of HDF, ofwel een polycondensatielijm gekozen uit de boven nog genoemde reeks, ofwel een kunststof gekozen uit de reeks van polyethyleen, polyethyleentereftalaat, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat, polyurethaan en Polyvinylchloride. Het is ook mogelijk dat het derde bestanddeel 35 op zich is samengesteld uit meerdere bestanddelen, zo bijvoorbeeld kan het derde bestanddeel 35 op zich bestaan uit een hout-kunststofcomposiet of een halfproduct daarvan dat dan op zich als korrelvorm of vezelvorm wordt toegevoegd. Het derde bestanddeel 35 kan ook minstens gedeeltelijk gerecupereerd zijn uit gerecycleerde materialen, zoals uit PET flessen en dergelijke meer. Een ander voorbeeld van een mogelijk derde bestanddeel 35 betreft versterkingsvezels zoals glasvezel of koolstofvezel die dan eventueel op zich kunnen zijn belijmd. Nog een ander voorbeeld van een derde bestanddeel 35 betreft al dan niet belijmde gemodifieerde houtvezels, zoals geacetyleerde houtvezels. Nog een ander voorbeeld betreft het plaatselijk bijvoegen van een kleurstof of een ander herkenningsmiddel als derde bestanddeel 35. Dergelijke herkenningsmiddelen zijn niet beperkt tot visueel herkenbare middelen, doch kunnen ook stoffen die op enige andere manier kunnen worden waargenomen, zoals bijvoorbeeld ijzervijlsel, hetgeen ondermeer op magnetische wijze te herkennen is.

Figuur 13 geeft nog een voorbeeld weer van een materiaalmassa 2 die hoofdzakelijk bestaat uit hetzelfde materiaal als in het geval van de figuren 10 tot 12. Hierbij worden in de betreffende materiaalzone 5 de hoeveelheid en lengte van de vezels 37 gevarieerd ten opzichte van de rest van de materiaalmassa 2. In het voorbeeld wordt in de betreffende materiaalzone 5 gewerkt met een grotere hoeveelheid van kortere vezels 37A. Uiteraard kan volgens niet weergegeven varianten enkel de lengte van de vezels 37A of enkel de concentratie van vezels 37 worden gevarieerd ten opzichte van de rest van de materiaalmassa 2. Een andere niet weergegeven variante bestaat erin de vezels 37 in de betreffende materiaalzone 5 globaal in een andere richting te oriënteren dan de vezels 37 van de rest van de materiaalmassa 2. Technieken om vezels te oriënteren zijn op zich bekend bijvoorbeeld uit de octrooidocumenten US 3,954,364, US 4,415,324, US 4,284,595, US 4,287,140, US 4,322,380, US 4,323,338, US 4,111,294, US 4,113,812, US 4,432,916 en JP 9-158100. Uit deze documenten is het bekend vezels met behulp van elektrische velden uit te richten en aan de hand van deze hoofdzakelijk uitgericht vezels een homogene te verpersen materiaalmassa samen te stellen. De huidige uitvinding volgens de hier beschreven uitvoeringsvorm ervan betreft echter het plaatselijk aanwenden van georiënteerde vezels. Met "georiënteerd" wordt bedoeld dat de vezels in hoofdzaak een gemeenschappelijke richting vertonen. Zo bijvoorbeeld is het mogelijk dat in een materiaalzone met georiënteerde vezels deze vezels in hoofdzaak gericht zijn volgens de lengterichting van de materiaalmassa. Dit wil zeggen dat het merendeel van de vezels in dergelijk geval een hoek maakt met deze lengterichting die kleiner is dan 45°.

Het is duidelijk dat de figuren 10 tot en met 13 betrekking hebben op alle mogelijke vormen van onderscheidend samengestelde te verpersen materiaalmassa's 2, zoals bijvoorbeeld op de uitvoeringsvormen die weergegeven zijn op de figuren 6 tot en met 9.

Met verwijzing naar figuur 4 wordt verder nog opgemerkt dat een materiaalmassa 2, bijvoorbeeld zoals degene weergegeven in figuren 6 tot en met 9, ook kan worden gevormd door het toe te voegen materiaal 35A in de materiaalmassa 2 aan te brengen, terwijl zij wordt samengesteld, bijvoorbeeld door dit materiaal in strook of lintvorm mee te geven aan de in opbouw zijnde materiaalmassa, bijvoorbeeld in de strooikamer 18. Zoals hier weergegeven zou dit materiaal 35A bijvoorbeeld van op een rol kunnen worden aangevoerd. Volgens een niet weergegeven mogelijkheid zou het materiaal 35A bijvoorbeeld in vloeibare of quasi vloeibare vorm op de in aanbouw zijnde materiaalmassa 2 kunnen worden voorzien, bijvoorbeeld aan de hand van spuitkoppen of extrudeerkanalen. Het aanvoeren als strook of lint, of middels spuitkoppen of extrudeerkanalen . is bijvoorbeeld interessant in het geval het toevoegmateriaal 35A een smeltlijm is. Dergelijke extrudeerkanalen kunnen ook worden toegepast wanneer het toevoegmateriaal een hout-kunststofcomposiet is.

Figuur 14 geeft een vloerpaneel 38 weer dat uitgaande van een plaat 1 met de kenmerken van de uitvinding is samengesteld. Het betreft bijvoorbeeld een plaat 1 van het type dat in figuur 2 is weergegeven en die in een eerste stap in een vervaardigingsproces voor een vloerpaneel 38, bij voorkeur aan de hand van een DPL proces, voorzien is van een laminaattoplaag 39. Dergelijke laminaattoplaag 39 bevat één of meer van hars voorziene materiaalvellen 40 en wordt, in het geval van een DPL proces, verwezenlijkt door de van hars voorziene materiaalvellen 40 samen met het substraat 41 in een pers te brengen, waarbij het hars van de materiaalvellen 40 onder invloed van verhoogde temperatuur en druk in de persinrichting uithardt en zodoende zowel de verbinding van de materiaalvellen 40 onderling, met andere woorden de vorming van de laminaattoplaag 39 zelf, als de verbinding van de toplaag 39 met het substraat 41 verzorgt.

Figuur 15 geeft duidelijk de structuur van de laminaattoplaag 39 weer. Deze bestaat hier, zoals voornoemd, uit twee van hars voorziene materiaalvellen 40, namelijk een decorlaag 42 met een gedrukt motief en een beschermlaag 43 of zogenaamde overlay die doorzichtig of transparant is en zich boven de decorlaag 42 bevindt. . Dergelijke beschermlaag 43 kan sleetwerende additieven, zoals harde partikels bevatten. Verschillende mogelijkheden voor dergelijke sleet en/of kraswerende additieven zijn beschreven in de internationale octrooiaanvrage PCT/IB2007/0001493 van aanvraagster. In het voorbeeld is aan de onderzijde 28 van de plaat 1 eveneens een van hars voorzien materiaalvel 40 aangebracht, bij voorkeur tijdens voornoemd DPL proces, welk materiaalvel 40 dienst doet als een zogenaamde balanceerlaag of tegenlaag 44.

Er wordt opgemerkt dat een laminaattoplaag 39 ook kan worden verkregen aan de hand van het zogenaamde HPL proces. In dit proces worden de van hars voorziene materiaalvellen 40 eerst op zich tot een laminaatlaag verperst, waarna zij op het substraat 41 of op de plaat 1 worden aangebracht, bijvoorbeeld door deze op het substraat 41 of op de plaat 1 te lijmen. Een HPL toplaag vertoont gebruikelijk meer materiaalvellen 40 dan een DPL toplaag en is derhalve dikker uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat, binnen het kader van de huidige uitvinding, ook andere toplagen dan laminaattoplagen 39 kunnen worden toegepast, zoals bijvoorbeeld houten toplagen.

Bij voorkeur na het aanbrengen van de toplaag 39 wordt de betreffende plaat 1, in een tweede stap voor de vervaardiging van een vloerpaneel 38, volgens de op figuur 2 weergegeven snijlijnen 10 opgedeeld in kleinere rechthoekige langwerpige panelen 11, die hoofdzakelijk de afmetingen vertonen, van het uiteindelijke hier weergegeven vloerpaneel 38. De verkregen panelen 11 worden aan minstens twee en bij voorkeur aan alle tegenovereenliggende randen 45-46 en 47-48 voorzien van koppelmiddelen 49, bijvoorbeeld aan de hand van een freesproces. Figuur 15 geeft duidelijk weer dat deze koppelmiddelen 49 minstens gedeeltelijk, en in dit geval volledig, kunnen zijn uitgevoerd in een gemodificeerde materiaalgedeelte 7 van de oorspronkelijke plaat 1, waarmede bijzonder voordelige eigenschappen voor het uiteindelijke vloerpaneel 38 kunnen worden bekomen. Zo bijvoorbeeld kan door de andere samenstelling van het materiaal een verhoogde sterkte en/of watervastheid van de verbinding door middel van de koppelmiddelen 49 worden bekomen.

De koppelmiddelen 49 die zijn weergegeven in figuur 15 zijn hoofdzakelijk uitgevoerd als een tand 50 en een groef 51, doch laten toe dat twee van dergelijke vloerpanelen 38 bij samenwerking met elkaar kunnen worden vergrendeld in een verticale richting VI loodrecht op het vlak van de gekoppelde vloerpanelen 38 en in een horizontale richting Hl loodrecht op de gekoppelde zijde en in het vlak van de gekoppelde vloerpanelen 38. Dergelijke koppelingen zijn op zich bekend en voorzien . bij voorkeur in een spelingsloze of nagenoeg spelingsloze verbinding, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn met de koppelmiddelen bekend uit het WO 97/47834. Hierbij kan de verbinding van twee van dergelijke vloerpanelen 38 in hoofdzaak op drie mogelijke wijzen worden bekomen, namelijk aan de hand van een wentelbeweging W van de vloerpanelen 38 rond de bovenranden 52 van de betreffende zijden, aan de hand van een hoofdzakelijk horizontale schuifbeweging S van de vloerpanelen 38 naar elkaar toe, of aan de hand van een hoofdzakelijk neerwaartse beweging aan de randen van de vloerpanelen 38.

Het is duidelijk dat de plaat 1 aan de hand waarvan het substraat 41 van het vloerpaneel 1 van figuur 15 is gevormd, vervaardigd kan worden door het verpersen van een materiaalmassa 2 met de kenmerken van onder andere figuur 5 of 9.

Figuur 16 geeft nog een voorbeeld van een dergelijk vloerpaneel 38 weer waarbij de plaat 1 waaruit het substraat 41 voor dit vloerpaneel 38 is bekomen, vervaardigd kan zijn door het verpersen van een materiaalmassa 2 die onder andere de kenmerken van figuur 6 of 7 vertoont.

Figuur 17 geeft nog een voorbeeld van een dergelijk vloerpaneel 38 weer waarbij de plaat 1 waaruit het substraat 41 voor dit vloerpaneel 1 is bekomen, vervaardigd kan zijn door het verpersen van een materiaalmassa 2 die onder andere de kenmerken van figuur 8 vertoont.

Er wordt opgemerkt dat in het geval van een plaat die met een continu productieprocédé, zoals in figuur 4, is vervaardigd als lengterichting van de plaat of van de te verpersen materiaalmassa bij voorkeur de productierichting van de betreffende plaat wordt gekozen, zelfs al zou dit betekenen dat de verkregen platen een lengte vertonen die kleiner is dan hun breedte.

De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de hierboven beschreven uitvoeringsvormen, doch dergelijke platen, panelen en werkwijzen kunnen volgens verschillende varianten worden gerealiseerd zonder buiten het kader, van de huidige uitvinding te treden.

Claims (31)

1. Plaat, waarbij deze plaat (1) hoofdzakelijk bestaat uit een materiaalmassa (2) die verperst is en die minstens twee bestanddelen bevat, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal (16) en een tweede bestanddeel dat fungeert als bindmiddel (36) voor het voornoemde eerste bestanddeel, waarbij voornoemde materiaalmassa (2) in het vlak van de plaat (1) onderscheidend is samengesteld, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat (1) in haar lengterichting (L) en/of breedterichting (B) één of meerdere materiaalzones (5) vertoont waar minstens een derde bestanddeel (35) is ingeperst.
2. Plaat volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat (1) in haar lengterichting (L) en/of breedterichting (B) één of meerdere materiaalzones (5) vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen is vervangen door, of aangevuld is met, een ander organisch materiaal, respectievelijk een ander bindmiddel.
3. Plaat volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde eerste bestanddeel een organisch vezelmateriaal (37) betreft, bij voorkeur gekozen uit de reeks van houtvezel, hennepvezel, vlasvezel en papiervezel.
4. Plaat volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde eerste bestanddeel een houtmateriaal betreft, bij voorkeur gekozen uit de reeks van houtvlokken, houtspaanders, houtvezels of houtmeel.
5. Plaat volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde tweede bestanddeel (36) een kunststof betreft.
6. Plaat volgens conclusie 5, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde kunststof een . polycondensatielijm betreft, bij voorkeur gekozen uit de reeks van ureumformaldehydelijm, melaminelijm, melamineformaldehydelijm, methaan difenyl diisocyanaatlijm, fenolformaldehydelijm, resorcinolformaldehydelijm en resocinephenolformaldehydelijm.
7. Plaat volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemde plaat (1) hoofdzakelijk is uitgevoerd als een vezelplaat van het type MDF of HDF.
8. Plaat volgens conclusie 7, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat (1) in haar lengterichting (L) en/of breedterichting (B) één of meerdere materiaalzones (5) vertoont waar het .bindmiddel (36) is aangevuld en/of vervangen door een kunststof gekozen uit de reeks van polyethyleen, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat en Polyvinylchloride.
9. Plaat volgens conclusie 7 of 8, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat (1) in haar lengterichting (L) en/of breedterichting (B) één of meerdere materiaalzones (5) vertoont met een plaatselijk hogere of lagere densiteit en/of met een plaatselijk hogere of lagere porositeit.
10. Plaat volgens één van de conclusies 7 tot 9, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheidende samenstelling er minstens in bestaat dat de plaat (1) in haar lengterichting (L) en/of breedterichting (B) één of meerdere materiaalzones (5) vertoont waar het eerste bestanddeel, namelijk het houtvezelmateriaal (37), is vervangen door houtmateriaal met grotere afmetingen, bijvoorbeeld langere houtvezels, houtmeel, houtspaanders of houtvlokken.
11. Plaat volgens conclusie 5, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde kunststof gekozen is uit de reeks van polyethyleen, polyethyleentereftalaat, polypropyleen, polystyrol, polycarbonaat, polyurethaan en Polyvinylchloride.
12. Plaat volgens conclusie 11, daardoor gekenmerkt dat de plaat (1) hoofdzakelijk is uitgevoerd op basis van een zogenaamd hout-kunststofcomposiet of houtextrusiemateriaal.
13. Plaat volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde onderscheiden samenstelling zich minstens manifesteert in materiaalzones (5) die volgens de voornoemde lengterichting (L) en/of breedterichting (B) van de plaat (1) zijn uitgelijnd.
14. Plaat volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat zij bedoeld is te worden opgedeeld in meerdere kleinere panelen (11) en dat voornoemde onderscheiden samenstelling zich manifesteert in materiaalzones (5) die bedoeld zijn minstens een gedeelte van een rand te vormen van voornoemde kleinere panelen (11).
15. Plaat volgens conclusie 14, daardoor gekenmerkt dat zij bedoeld is te worden opgedeeld in rechthoekige langwerpige kleinere panelen (11) met twee paar tegenovereenliggende randen (45-46;47-48) en dat voornoemde materiaalzones (5) bedoeld zijn minstens een gedeelte van een lange rand van voornoemde panelen (11) te vormen.
16. Plaat volgens conclusie 14 of 15, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde materiaalzones (5) op een zodanige plaats in de plaat (1) zijn voorzien dat de omtrek van elk van de voornoemde panelen (11) gevormd wordt door een dergelijke materiaalzone (5) .
17. Werkwijze voor het vervaardigen van platen, waarbij wordt uitgegaan van een materiaalmassa (2) die minstens aan de hand van twee bestanddelen is samengesteld, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal (16) en een tweede bestanddeel dat een bindmiddel (36) is, en waarbij de voornoemde plaat (1) minstens wordt bekomen door het verpersen van de materiaalmassa (2) en het aan de hand van het bindmiddel (36) verbinden van het voornoemde organisch materiaal (16) , daardoor gekenmerkt dat de voornoemde materiaalmassa (2) in haar breedterichting (B) en/of lengterichting (L) één of meerdere zones (5) vertoont ter plaatse waarvan haar samenstelling ten opzichte van de rest van de materiaalmassa (2) verschillend is uitgevoerd en waarbij de voornoemde materiaalmassa (2) zodanig wordt samengesteld dat zij minstens één zone (5) vertoont waar minstens een derde bestanddeel (35) is aangebracht.
18. Werkwijze volgens conclusie 17, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde materiaalmassa (2) zodanig wordt samengesteld dat zij minstens één zone (5) vertoont waar minstens één van de voornoemde bestanddelen is vervangen of aangevuld met een ander organisch materiaal, respectievelijk een ander bindmiddel.
19. Werkwijze volgens conclusie 17 of 18, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde eerste bestanddeel een vezelmateriaal (37) betreft.
20. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 19, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde eerste bestanddeel een houtmateriaal betreft.
21. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 20, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde tweede bestanddeel een kunststof betreft.
22. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 21, daardoor gekenmerkt dat voornoemde plaat (1) hoofdzakelijk is uitgevoerd als een vezelplaat van het type MDF of HDF.
23. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 22, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde materiaalmassa (2) zodanig wordt samengesteld dat één of meer van de voornoemde zones (5) zijn uitgelijnd volgens de voornoemde lengterichting (L) en/of breedterichting (B).
24. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 23, daardoor gekenmerkt dat zij wordt aangewend voor het vervaardigen van een plaat (1) volgens één van de conclusies 1 tot 16.
25. Werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 24, daardoor gekenmerkt dat deze werkwijze minstens de stappen bevat van het strooien van minstens een gedeelte van voornoemde materiaalmassa (2), het voorverdichten of ontgassen van de materiaalmassa (2) en het verpersen van de materiaalmassa (2) en dat voornoemde verschillende uitvoering van de materiaalmassa (2) bij voorkeur wordt bekomen alvorens, voornoemde stap van het voorverdichten wordt uitgevoerd.
26. Werkwijze voor het vervaardigen van platen, waarbij minstens wordt uitgegaan van een materiaalmassa (2) die minstens aan de hand van twee bestanddelen is samengesteld, namelijk een eerste bestanddeel dat bestaat uit organisch materiaal (16) en een tweede bestanddeel dat een bindmiddel (36) is, meer speciaal een bindmiddel voor het voornoemde eerste bestanddeel, en waarbij de voornoemde plaat (1) minstens wordt bekomen door het verpersen van de materiaalmassa (2) en het aan de hand van het bindmiddel (36) verbinden van het voornoemde organisch materiaal (16), daardoor gekenmerkt dat voornoemde materiaalmassa (2) minstens een bestanddeel bevat dat nadat het in de materiaalmassa (2) is aangebracht plaatselijk geactiveerd of gedesactiveerd wordt.
27. Werkwijze volgens conclusie 26, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde activatie of desactivatie zodanig wordt uitgevoerd dat de uiteindelijke plaat (1) of de panelen (11) waarin deze plaat (1) wordt opgedeeld één of meer materiaalzones (5) vertoont van onderscheiden samenstelling.
28. Werkwijze volgens conclusie 26 of 27, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde activatie of desactivatie zodanig wordt uitgevoerd dat de te verpersen materiaalmassa (2) één of meer zones (5) vertoont ter plaatse waarvan haar samenstelling ten opzichte van de rest van de materiaalmassa (2) verschillend is uitgevoerd.
29. Plaat, daardoor gekenmerkt dat zij is verkregen met een werkwijze volgens één van de conclusies 17 tot 28.
30. Paneel, meer speciaal vloerpaneel, daardoor gekenmerkt dat dit paneel (11) of vloerpaneel (38) minstens gedeeltelijk bestaat uit minstens een gedeelte van een plaat (2) met de kenmerken van één van de conclusies 1 tot 16 en/of 29.
31. Vloerpaneel volgens conclusie 30, daardoor gekenmerkt dat het vloerpaneel (38) minstens aan twee tegenovereenliggende randen (45-46) voorzien is van koppelmiddelen (49) die toelaten dat twee van dergelijke vloerpanelen (38) aan elkaar kunnen worden gekoppeld, waarbij in de gekoppelde toestand van twee van dergelijke vloerpanelen (38) aan de betreffende zijden (45-46) een vergrendeling bestaat zowel in een verticale richting (VI) loodrecht op het vlak van de gekoppelde vloerpanelen (38), als in een horizontale richting (Hl) loodrecht op de gekoppelde zijden (45-46) en in het vlak van de vloerpanelen (38), waarbij de voornoemde koppelmiddelen (49) bij voorkeur minstens gedeeltelijk zijn gevormd in een materiaalzone (5) van voornoemde plaat (1) die een onderscheiden samenstelling vertoont.
BE2007/0507A 2007-10-19 2007-10-19 Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat. BE1017821A5 (nl)

Priority Applications (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2007/0507A BE1017821A5 (nl) 2007-10-19 2007-10-19 Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat.
BE200700507 2007-10-19

Applications Claiming Priority (8)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2007/0507A BE1017821A5 (nl) 2007-10-19 2007-10-19 Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat.
CA2702712A CA2702712A1 (en) 2007-10-19 2008-10-16 Board, methods for manufacturing boards, and panel which comprises such board material
US12/738,531 US10118311B2 (en) 2007-10-19 2008-10-16 Board, methods for manufacturing boards, and panel which comprises such board material
EP08839171A EP2200794A1 (en) 2007-10-19 2008-10-16 Board, methods for manufacturing boards, and panel which comprises such board material
CN200880113049.0A CN101827691B (zh) 2007-10-19 2008-10-16 一种纤维板
RU2010119460/13A RU2471619C2 (ru) 2007-10-19 2008-10-16 Плита, способы изготовления плит и панель, содержащая материал такой плиты
PCT/IB2008/002741 WO2009050565A1 (en) 2007-10-19 2008-10-16 Board, methods for manufacturing boards, and panel which comprises such board material
US16/164,906 US20190047172A1 (en) 2007-10-19 2018-10-19 Methods for manufacturing boards, and profiled element for manufacturing boards

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1017821A5 true BE1017821A5 (nl) 2009-08-04

Family

ID=39339736

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE2007/0507A BE1017821A5 (nl) 2007-10-19 2007-10-19 Plaat, werkwijzen voor het vervaardigen van platen en paneel dat dergelijk plaatmateriaal bevat.

Country Status (7)

Country Link
US (2) US10118311B2 (nl)
EP (1) EP2200794A1 (nl)
CN (1) CN101827691B (nl)
BE (1) BE1017821A5 (nl)
CA (1) CA2702712A1 (nl)
RU (1) RU2471619C2 (nl)
WO (1) WO2009050565A1 (nl)

Families Citing this family (22)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US9783996B2 (en) 2007-11-19 2017-10-10 Valinge Innovation Ab Fibre based panels with a wear resistance surface
EP2394005B1 (en) 2009-02-03 2017-10-11 Robert N. Clausi Sound attenuating laminate materials
DE102009016520A1 (de) * 2009-04-08 2010-10-28 Hamberger Industriewerke Gmbh Paneel und Verfahren zu dessen Herstellung
DE102010004029A1 (de) * 2010-01-04 2011-07-07 Martin Denesi Verfahren zum Herstellen eines partikelbasierten Elements
EP2474399B1 (de) * 2011-01-06 2019-02-20 Flooring Technologies Ltd. Verfahren und Vorrichtung zur gezielten Beeinflussung der technologischen Eigenschaften einzelner Bereiche einer Holzwerkstoffplatte, eines vorverdichteten Holzwerkstoffvlieses oder eines Holzfaserkuchens
ES2459497T3 (es) * 2011-02-11 2014-05-09 Barlinek S.A. Paneles de construcción con conexión de gancho
TR201103289A2 (tr) * 2011-04-05 2012-05-21 Mek İnşaat Sanayi Ve Ticaret A.Ş. Selüloz bazlı, esnek yapıda bir izolasyon ve/veya dolgu malzemesi ve bu malzemenin elde edilmesine ilişkin yöntem.
DE102011107830B4 (de) * 2011-07-01 2015-10-22 Fritz Egger Gmbh & Co. Og Sandwichplatte, insbesondere für ein Möbel, sowie Herstellungsverfahren
US9266308B2 (en) * 2011-12-23 2016-02-23 Basf Se Lignocellulosic materials with expanded plastics particles present in nonuniform distribution in the core
US20140004355A1 (en) * 2012-07-02 2014-01-02 Basf Se Multilayer lightweight woodbase materials composed of lignocellulosic materials having a core and two outer layers with treated pulp, treated natural fibers, synthetic fibers or mixtures thereof in the core
CA2884404C (en) * 2012-10-05 2019-02-12 Kronoplus Technical Ag Floor panel for outdoors
DE102013113109A1 (de) 2013-11-27 2015-06-11 Guido Schulte Fußbodendiele
DE102013113125A1 (de) 2013-11-27 2015-05-28 Guido Schulte Fußboden-, Wand- oder Deckenpaneel und Verfahren zu dessen Herstellung
DE102013113478A1 (de) * 2013-12-04 2015-06-11 Guido Schulte Fußboden-, Wand- oder Deckenpaneel und Verfahren zu dessen Herstellung
EA201691333A1 (ru) * 2014-01-10 2016-11-30 Велинге Инновейшн Аб Способ изготовления облицованного шпоном элемента
EP3142857A4 (en) * 2014-05-12 2018-02-07 Välinge Innovation AB A method of producing a veneered element and such a veneered element
US9487958B2 (en) 2014-09-02 2016-11-08 Boa-Franc S.E.N.C. Composite engineered wood material piece composed of an HDF mid-layer and an OSB bottom layer
WO2016071007A1 (de) * 2014-11-06 2016-05-12 Flooring Technologies Ltd. Holzwerkstoffplatte, insbesondere in form eines holz-kunststoff-verbundwerkstoffes, und ein verfahren zu deren herstellung
EP3294969B1 (en) 2015-05-12 2019-03-06 Unilin North America, LLC Floor board and method for manufacturing such floor boards
CN105038175B (zh) * 2015-07-14 2016-10-05 浙江柏尔木业有限公司 一种地板的生产方法
DE102015112377B4 (de) 2015-07-29 2018-04-05 Flooring Technologies Ltd. Verfahren zum Herstellen einer Holzpartikel aufweisenden Werkstoffplatte mit verstärkten Plattenbereichen und eine nach dem Verfahren hergestellte Werkstoffplatte
EP3170635B1 (de) * 2015-11-18 2017-12-13 SWISS KRONO Tec AG Osb (oriented strand board)-holzwerkstoffplatte mit verbesserten eigenschaften und verfahren zu deren herstellung

Citations (9)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB1267917A (en) * 1968-07-23 1972-03-22 Amos Roy Paske Improvements in or relating to particle board
DE20002744U1 (de) * 1999-12-27 2000-08-03 Kunnemeyer Hornitex Platte aus lignozellulosehaltigem Werkstoff
WO2004058465A1 (de) * 2002-12-23 2004-07-15 IHD Institut für Holztechnologie Dresden gGmbH Kombinationswerkstoff sowie verfahren zu seiner herstellung
EP1469140A1 (de) * 2003-04-16 2004-10-20 E.F.P. Floor Products Fussböden GmbH Fussbodenpaneel aus zwei verschiedenen Holz-Werkstoffen und Verfahren zu dessen Herstellung
DE10344598B3 (de) * 2003-09-25 2005-03-03 Fraunhofer-Gesellschaft zur Förderung der angewandten Forschung e.V. Nachformbare Holzwerkstoffplatte und Verfahren zu deren Herstellung
WO2005033204A1 (de) * 2003-10-01 2005-04-14 Fritz Egger Gmbh & Co. Holz-kunststoff-compound
WO2005046950A1 (en) * 2003-11-13 2005-05-26 Swedwood International Ab Particle board
US20050145327A1 (en) * 1997-04-25 2005-07-07 Maurice Frankefort Method and device for the molding of wood fiber board
WO2007081685A2 (en) * 2006-01-04 2007-07-19 Masonite Corporation Method of forming a core component

Family Cites Families (43)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US2376653A (en) * 1942-03-31 1945-05-22 Gen Electric Laminated structure
FR1243545A (fr) * 1958-10-06 1960-10-14 Owens Corning Fiberglass Corp Produit fibro-cellulaire et son procédé de fabrication
US3954364A (en) * 1972-06-02 1976-05-04 Berol Corporation Method and apparatus for forming boards from particles
SE406337B (sv) * 1974-05-20 1979-02-05 Back Ernst Ludvig Forfarande for framstellning av vatpressat fiberskivmaterial
GB1581171A (en) * 1976-04-08 1980-12-10 Bison North America Inc Alignment plate construction for electrostatic particle orientation
US4113812A (en) * 1976-12-03 1978-09-12 Washington State University Research Foundation Method of forming a composite mat of directionally oriented lignocellulosic fibrous material
US4322380A (en) * 1979-01-19 1982-03-30 Morrison-Knudsen Forest Products Company, Inc. Method for feeding and orienting fibrous furnish
US4284595A (en) * 1979-01-19 1981-08-18 Morrison-Knudsen Forest Products Company, Inc. Orientation and deposition of fibers in the manufacture of fiberboard
US4287140A (en) * 1979-12-26 1981-09-01 Morrison-Knudsen Forest Products Company, Inc. Method for orientation and deposition of lignocellulosic material in the manufacture of pressed comminuted products having directional properties
US4323338A (en) * 1979-12-26 1982-04-06 Morrison-Knudsen Forest Products Company, Inc. Apparatus for orientation and deposition of discrete lignocellulosic materials
US4415324A (en) * 1981-02-02 1983-11-15 Morrison-Knudsen Forest Products, Inc. Apparatus for producing a mat of directionally oriented lignocellulosic particles having cross-machine orientation
SU1071452A1 (ru) 1981-11-19 1984-02-07 Всесоюзный Научно-Исследовательский Институт Деревообрабатывающей Промышленности Способ производства строительных элементов из древесного волокна
US4432916A (en) * 1982-01-15 1984-02-21 Morrison-Knudsen Forest Products Company, Inc. Method and apparatus for the electrostatic orientation of particulate materials
JPH0631708B2 (ja) * 1985-02-08 1994-04-27 株式会社日立製作所 蓄熱装置
SU1747294A1 (ru) 1989-05-03 1992-07-15 Всесоюзный Научно-Исследовательский Институт Деревообрабатывающей Промышленности Конструкционный брус
RU2017597C1 (ru) 1991-06-27 1994-08-15 Белорусский технологический институт им.С.М.Кирова Способ изготовления древесностружечных плит
RU2016760C1 (ru) * 1991-07-22 1994-07-30 Белорусский технологический институт им.С.М.Кирова Способ изготовления древесностружечных плит
JPH0631708A (ja) * 1992-07-20 1994-02-08 Okura Ind Co Ltd 軽量パーティクルボード
JP3544260B2 (ja) 1995-12-06 2004-07-21 大建工業株式会社 繊維板
BE1010487A6 (nl) 1996-06-11 1998-10-06 Unilin Beheer Bv Vloerbekleding bestaande uit harde vloerpanelen en werkwijze voor het vervaardigen van dergelijke vloerpanelen.
DK172432B1 (da) 1997-12-23 1998-06-15 Carsten Andersen Formerkasse for apparat til tørforming af et fibrøst væv.
JP2000280208A (ja) * 1999-03-29 2000-10-10 Sumitomo Forestry Co Ltd 木質繊維板及びその製造法
DE19930525A1 (de) * 1999-07-01 2001-01-04 Basf Ag Faserplatten aus Polyaminen oder Polyamin-haltigen Aminoplastharzen als Bindemittel
JP2001179111A (ja) 1999-10-14 2001-07-03 Fuji Heavy Ind Ltd 自動車排気ガス浄化触媒用金属担体及びその製造方法
CN1348853A (zh) 2000-10-12 2002-05-15 深圳市福英达工业技术有限公司 一种用中密度纤维板作为基材制造纤维模压制品的方法
AU4158402A (en) * 2000-12-06 2002-06-18 Complastik Corp Hybrid composite articles and methods for their production
US20040212367A1 (en) 2001-06-22 2004-10-28 Dougherty Thomas J. Battery characterization system
DE10163054B4 (de) 2001-12-21 2004-01-08 G. Siempelkamp Gmbh & Co. Streugutanlage zum Streuen von Streugut, insbesondere beleimten Holzspänen, Holzfasern oder dergleichen, auf einen Streubandförderer
WO2003076146A1 (en) * 2002-03-04 2003-09-18 Valspar Sourcing, Inc. Precure consolidator
DE10315997A1 (de) 2003-04-07 2004-12-02 Fritz Egger Ges. m.b.H. & Co. Spanplatte sowie Verfahren zur Herstellung einer Spanplatte
DE10326181B4 (de) 2003-06-06 2008-04-30 Cvp Clean Value Plastics Gmbh Holzwerkstoffplatte und Verfahren zu ihrer Herstellung
AU2004253673B2 (en) 2003-07-07 2010-03-04 Cvp Clean Value Plastics Gmbh Method for producing a fibrous material
EP1680264B1 (en) 2003-11-07 2009-03-25 Formfiber Denmark ApS A fibre distribution device for dry forming a fibrous product
CN100445502C (zh) 2003-12-22 2008-12-24 葛跃进 热压型强化木地板以及热压机的上模钢板
CN1993212B (zh) * 2004-06-15 2010-11-24 约翰·S·弗吉 干燥成型的三维木制纤维网
DE102006001862A1 (de) 2006-01-13 2007-07-19 Fraunhofer-Gesellschaft zur Förderung der angewandten Forschung e.V. Treibmittelfreier Aminoharzschaum, Verfahren zu dessen Herstellung und dessen Verwendung
EP2026968A2 (en) 2006-06-13 2009-02-25 Flooring Industries Limited, SARL Method for manufacturing coated panels and coated panel
JP3999250B1 (ja) * 2006-09-28 2007-10-31 ニチハ株式会社 アルデヒドを捕捉分解する繊維板
US8551604B2 (en) * 2006-10-02 2013-10-08 Awi Licensing Company Flooring product having regions of different recycle or renewable content
EP1914052B1 (de) * 2006-10-19 2017-06-28 Basf Se Leichte Holzwerkstoffe
US9783996B2 (en) * 2007-11-19 2017-10-10 Valinge Innovation Ab Fibre based panels with a wear resistance surface
WO2010018142A1 (de) 2008-08-15 2010-02-18 Basf Se Leichte holzwerkstoffe mit guten mechanischen eigenschaften
US8927085B2 (en) * 2010-05-31 2015-01-06 Lignor Limited. Cross laminated strand product

Patent Citations (9)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB1267917A (en) * 1968-07-23 1972-03-22 Amos Roy Paske Improvements in or relating to particle board
US20050145327A1 (en) * 1997-04-25 2005-07-07 Maurice Frankefort Method and device for the molding of wood fiber board
DE20002744U1 (de) * 1999-12-27 2000-08-03 Kunnemeyer Hornitex Platte aus lignozellulosehaltigem Werkstoff
WO2004058465A1 (de) * 2002-12-23 2004-07-15 IHD Institut für Holztechnologie Dresden gGmbH Kombinationswerkstoff sowie verfahren zu seiner herstellung
EP1469140A1 (de) * 2003-04-16 2004-10-20 E.F.P. Floor Products Fussböden GmbH Fussbodenpaneel aus zwei verschiedenen Holz-Werkstoffen und Verfahren zu dessen Herstellung
DE10344598B3 (de) * 2003-09-25 2005-03-03 Fraunhofer-Gesellschaft zur Förderung der angewandten Forschung e.V. Nachformbare Holzwerkstoffplatte und Verfahren zu deren Herstellung
WO2005033204A1 (de) * 2003-10-01 2005-04-14 Fritz Egger Gmbh & Co. Holz-kunststoff-compound
WO2005046950A1 (en) * 2003-11-13 2005-05-26 Swedwood International Ab Particle board
WO2007081685A2 (en) * 2006-01-04 2007-07-19 Masonite Corporation Method of forming a core component

Also Published As

Publication number Publication date
WO2009050565A1 (en) 2009-04-23
US10118311B2 (en) 2018-11-06
CA2702712A1 (en) 2009-04-23
US20190047172A1 (en) 2019-02-14
EP2200794A1 (en) 2010-06-30
RU2471619C2 (ru) 2013-01-10
CN101827691A (zh) 2010-09-08
CN101827691B (zh) 2015-01-07
US20100311854A1 (en) 2010-12-09
RU2010119460A (ru) 2011-11-27

Similar Documents

Publication Publication Date Title
Youngquist Wood-based composites and panel products
US7926234B2 (en) Floorboards with decorative grooves
US7378044B1 (en) Method for manufacturing wood-based composite panel having foil overlay
US8349235B2 (en) Recycling of laminate floorings
US5985397A (en) Coated synthetic resin board tiles
US7757452B2 (en) Mechanical locking system for floorboards
US7473457B2 (en) Wood flooring composed of WPL, base and soundproof layer
US3793125A (en) Method of making wood-chip boards
US8397456B2 (en) Panel with a sound insulation layer and production method
Maloney The family of wood composite materials
DE69936870T2 (de) Verfahren zum dampfpressen einer platte aus verbundwerkstoff mit mindestens einer bearbeiteten oberfläche
EP1165903B1 (en) Composite building components, and method of making same
EP2763850B1 (en) Floor panel
BE1019501A5 (nl) Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.
CN104002356B (zh) 具有耐磨表面的基于纤维的镶板
ES2459293T3 (es) Procedimiento para la fabricación de un panel de decoración laminado
EP1088652B1 (en) Particle board and method of making the same
US4569873A (en) Composite wood panel
CN1095736C (zh) 制造带肋板件的方法及所制的板件
US6254301B1 (en) Thermoset resin-fiber composites, woodworking dowels and other articles of manufacture made therefrom, and methods
ES2693125T3 (es) Método de fabricación de un tablero de suelo basado en fibra de madera
RU2595661C2 (ru) Способ производства слоя
EP1498241A2 (en) Method for manufacturing a shaped body and a shaped body
US20050011605A1 (en) Composite building components, and method of making same
CA2448731A1 (en) Decorative skirting (base) board or crown molding