NL1024232C2 - Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht. - Google Patents

Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht. Download PDF

Info

Publication number
NL1024232C2
NL1024232C2 NL1024232A NL1024232A NL1024232C2 NL 1024232 C2 NL1024232 C2 NL 1024232C2 NL 1024232 A NL1024232 A NL 1024232A NL 1024232 A NL1024232 A NL 1024232A NL 1024232 C2 NL1024232 C2 NL 1024232C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
light
light source
test
stray light
compensation
Prior art date
Application number
NL1024232A
Other languages
English (en)
Inventor
Thomas Joannes Theodorus Berg
Joris Eduard Coppens
Original Assignee
Konink Nl Akademie Van Wetensc
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Konink Nl Akademie Van Wetensc filed Critical Konink Nl Akademie Van Wetensc
Priority to NL1024232A priority Critical patent/NL1024232C2/nl
Priority to US10/570,676 priority patent/US7673991B2/en
Priority to EP04774876.9A priority patent/EP1659929B1/en
Priority to PCT/NL2004/000569 priority patent/WO2005023103A1/en
Priority to JP2006525285A priority patent/JP4823062B2/ja
Application granted granted Critical
Publication of NL1024232C2 publication Critical patent/NL1024232C2/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A61MEDICAL OR VETERINARY SCIENCE; HYGIENE
    • A61BDIAGNOSIS; SURGERY; IDENTIFICATION
    • A61B3/00Apparatus for testing the eyes; Instruments for examining the eyes
    • A61B3/02Subjective types, i.e. testing apparatus requiring the active assistance of the patient
    • A61B3/06Subjective types, i.e. testing apparatus requiring the active assistance of the patient for testing light sensitivity, e.g. adaptation; for testing colour vision
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A61MEDICAL OR VETERINARY SCIENCE; HYGIENE
    • A61BDIAGNOSIS; SURGERY; IDENTIFICATION
    • A61B3/00Apparatus for testing the eyes; Instruments for examining the eyes
    • A61B3/10Objective types, i.e. instruments for examining the eyes independent of the patients' perceptions or reactions
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A61MEDICAL OR VETERINARY SCIENCE; HYGIENE
    • A61BDIAGNOSIS; SURGERY; IDENTIFICATION
    • A61B3/00Apparatus for testing the eyes; Instruments for examining the eyes
    • A61B3/02Subjective types, i.e. testing apparatus requiring the active assistance of the patient
    • A61B3/028Subjective types, i.e. testing apparatus requiring the active assistance of the patient for testing visual acuity; for determination of refraction, e.g. phoropters
    • A61B3/032Devices for presenting test symbols or characters, e.g. test chart projectors
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A61MEDICAL OR VETERINARY SCIENCE; HYGIENE
    • A61BDIAGNOSIS; SURGERY; IDENTIFICATION
    • A61B3/00Apparatus for testing the eyes; Instruments for examining the eyes
    • A61B3/10Objective types, i.e. instruments for examining the eyes independent of the patients' perceptions or reactions
    • A61B3/12Objective types, i.e. instruments for examining the eyes independent of the patients' perceptions or reactions for looking at the eye fundus, e.g. ophthalmoscopes
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A61MEDICAL OR VETERINARY SCIENCE; HYGIENE
    • A61BDIAGNOSIS; SURGERY; IDENTIFICATION
    • A61B5/00Measuring for diagnostic purposes; Identification of persons
    • A61B5/16Devices for psychotechnics; Testing reaction times ; Devices for evaluating the psychological state
    • A61B5/18Devices for psychotechnics; Testing reaction times ; Devices for evaluating the psychological state for vehicle drivers or machine operators

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • Medical Informatics (AREA)
  • Biophysics (AREA)
  • Ophthalmology & Optometry (AREA)
  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Biomedical Technology (AREA)
  • Heart & Thoracic Surgery (AREA)
  • Physics & Mathematics (AREA)
  • Molecular Biology (AREA)
  • Surgery (AREA)
  • Animal Behavior & Ethology (AREA)
  • General Health & Medical Sciences (AREA)
  • Public Health (AREA)
  • Veterinary Medicine (AREA)
  • Eye Examination Apparatus (AREA)

Description

WERKWIJZE EN INRICHTING VOOR HET NETEN VAN RETINAAL
STROOILICHT
De onderhavige uitvinding hee£t betrekking op een ^ werkwijze en een inrichting voor het meten van retinaal strooilicht in het oog.
Een van de factoren die relevant zijn voor de op-5 tische helderheid van het oog is de hoeveelheid voorwaartse lichtverstrooiing in de optische media, in het bijzonder de kristallijne lens, van het oog. Lichtverstrooiing veroorzaakt een sluier van vals licht over de retina, het zogenoemde retinale strooilicht. Dit reduceert het contrast van het op 10 de retina door dezelfde optische refractie-elementen van het oog geprojecteerde beeld. Een verhoogd retinaal strooilicht veroorzaakt de eerste klachten wanneer cataract zich ontwikkelt. Het is de oorzaak van verblinding gedurende het rijden bij nacht, en de eerste reden om te stoppen met 15 rijden. De hoeveelheid retinaal strooilicht kan gebruikt worden als criterium voor de chirurgische procedure van cataract extractie of als criterium voor het uitgeven van een rijbewijs. Tevens kunnen coraeale en andere pathologieên bijdragen bij de hoeveelheid lichtverstrooiingen in een oog. 20 Het is daarom belangrijk om een werkwijze en een inrichting ter beschikking te hebben voor het op nauwkeurige wijze meten van een totale hoeveelheid voorwaartse lichtverstrooiing in het oog door meting van het retinale strooilichtniveau, waarbij de werkwijze ten minste geschikt is voor klinisch 25 gebruik alsmede voor rijbewijzen.
Intra-oculaire lichtverstrooiing is het fenomeen dat een deel van het licht dat de retina bereikt niet deelneemt aan de normale beeldvorming. Van een bepaald punt in de ruimte komende stralen worden geconvergeerd door de 1024232
Η I
I 2 I
I refractie-elementen van het oog tot in het brandpuntgebied in I
I het oog, de retina. Enige van de stralen worden verspreid I
I naar andere gebieden door optische imperfecties van het oog. I
I Dit treedt met name op in pathologische toestanden, zoals I
I 5 cataract, comeale dystrofie, drijvende deeltjes in de I
I kamers, etc. Deze verspreide stralen worden alle over de I
I retina verdeeld, maar met afnemende dichtheden op afstanden I
I verder weg van het originele brandpuntgebied. Door dit effect I
I is de retina lichtverdeling in een willekeurige visuele I
I 10 omgeving opgebouwd uit twee delen: het beeld van de externe I
I wereld gebaseerd op de gefocusseerde stralen, gesuperponeerd I
I qp een meer of minder homogeen verdeelde achtergrond, I
I veroorzaakt door de verspreide stralen. Als resultaat hiervan I
I gaat contrast in het van belang zijnde beeld verloren. De I
I 15 mate van dit verlies aan contrast hangt af van de I
I illuminantieverhouding tussen de achtergrond en het beeld. De I
I extreme situatie wordt gerepresenteerd door de klassieke I
I verblindingstoestand: sterk licht ergens in het visuele veld I
I terwijl een zwak verlicht object geobserveerd dient te I
I 20 worden. Afhankelijk van de hoekafstand tussen I
I verblindingsbron en object kan deze situatie leiden tot I
I complete verblinding. De kenmerkende situatie is verblinding I
I door tegemoetkomend nachtelijk verkeer. I
I Het belang van intra-oculaire lichtverstrooiing wordt I
I 25 reeds lang erkend en verscheidene technieken zijn voorgesteld I
I voor de beoordeling van het belang daarvan voor individuele I
I individuen. Gewoonlijk beoordelen deze technieken niet het I
I retinale strooilicht of lichtverstrooiing zelf, maar enig I
I afgeleid effect. Het toestel is bijvoorbeeld voor het testen I
I 30 van_de drempelintensiteit voor een Landolt C doel in de I
I aanwezigheid van een verblindingsbron. Tevens zijn I
I verblindingestesters ontwikkeld die in meer of mindere mate I
I een verkeerssituatie simuleren. Een van de problemen behorend I
I 1024281 t k 3 bij de bekende indirecte technieken is dat de resultaten zeer onbetrouwbaar zijn. De bestaande indirecte verblindingstesttechnieken verschaffen slechts indirecte informatie van waaruit de hoeveelheid verstrooiing afgeleid 5 moet worden op basis van soms gecompliceerde theoretische ^ aannames.
In het artikel "Clinical Assessment of intraocular stray light", Applied Opties, deel 31, nr. 19, 1 juli 1992 beschrijft de uitvinder van de onderhavige uitvinding de 10 zogenoemde directe compensatiewerkwijze voor het op directe wijze van de hoeveelheid retinaal strooilicht voor elke geteste hoekafstand. Tegenwoordig wordt de directe compensatiewerkwij ze door experts in het vakgebied beschouwd als de standaard voor meting van de intra-oculaire 15 lichtverstrooiing. De directe compensatiewerkwijze werkt als volgt. Een heldere lichtbron op een bepaalde hoekafstand van een testveld wordt al flikkerend gepresenteerd. Wegens intra-oculaire verstrooiing zal een deel van het licht van de heldere lichtbron afgebeeld worden op de retina op de locatie 20 van het testveld, waardoor een zwakke flikkering in het testveld wordt opgewekt. De hoeveelheid flikkerend strooilicht in het testveld is direct gerelateerd aan de hoeveelheid verstrooiing van de oogmedia. Teneinde de hoeveelheid strooilicht te meten, wordt een variabel, 25 relatief zwak, compensatielicht in het testveld gepresenteerd. Dit compensatielicht flikkert in tegenfase met de heldere verstrooiingslichtbron. Door aanpassing van de hoeveelheid compensatielicht (d.w.z. door verandering van de modulatiediepte of amplitude van het compensatielicht in het 30 testveld, vergelijk fig. 5) kan de flikkerperceptie in het testveld uitgedoofd worden. Op deze wijze wordt de door verstrooiing van de verblindingsbron veroorzaakte modulatie op directe wijze gecompenseerd. Het punt van directe 1024232
I 4 I
I compensatie is het minimum van een in het algemeen V-vormige I
I curve (vergelijk fig. 5) die het verloop van de intensiteit I
I van de fysieke flikkering op de retina - en dus de I
I subjectieve flikkeringsperceptie - als functie van de I
I 5 intensiteit van het compensatielicht weergeeft. , I
I Alhoewel een op de directe compensatiewerkwij ze I
I gecompenseerde strooilichtmeter beschouwd wordt als zijnde I
I geschikt voor klinische beoordeling van intraoculair I
I verstrooiingslicht, is deze meting niet zeer goed geschikt I
I 10 voor routinematig klinisch gebruik in de handen van niet- I
I experts. Perceptie van de zwakke flikkering in het testveld I
I blijkt moeilijk te zijn voor ongetrainde individuen in het I
I bijzonder in de aanwezigheid van sterke flikkering van de I
I verstrooiingslichtbron. De moeilijkheid voor het individu om I
I 15 een exacte instelling te maken frustreert het gebruik voor I
I routinedoeleinden. Gewoonlijk zijn visuele testen gebaseerd I
I op wat individuen daadwerkelijk zien. In de directe I
I compensatiewerkwijze is het tegenovergestelde het geval: een I
I aantal dient uitgevoerd te worden om de perceptie van I
I 20 flikkering te laten verdwijnen. Verder werkt de continu I
I flikkering van de verstrooiingslichtbron duidelijk zeer I
I verstorend bij het uitvoeren van die aanpassing. Vele normale I
I individuen zijn niet gewend om dergelijke nauwkeurige I
I aanpassingen uit te voeren, die noodzakelijk zijn voor de I
I 25 directe compensatiewerkwij ze. Nauwkeurigheid van de meting is I
I afhankelijk van de juiste uitweg van de test en de juiste I
I aanpassingsstrategie. Als resultaat hiervan is de directe I
I compensatiewerkwij ze minder goed bruikbaar voor een I
I routinematig gebruik. I
I 30 Het is daarom een doel van de onderhavige uitvinding I
I een werkwijze en inrichting te verschaffen voor het meten van I
I retinaai strooilicht, waarin de bezwaren van de bestaande I
I werkwijze en inrichting in het algemeen en de werkwijze en I
I 1024232 5 inrichting van directe compensatie in het bijzonder ondervangen zijn.
Volgens een eerste aspect van de uitvinding wordt dit doel bereikt om een werkwijze voor het meten van retinaal 5 strooi licht in het oog van een individu, omvattende: - het presenteren aan het individu van een flikkerend strooilicht van een strooi lichtbron die gepositioneerd is op een voorafbepaalde hoekafstand van een testgebied, waarbij een deel van het flikkerende strooilicht op de retina op een 10 met de positie van het testgebied overeenstemmende positie af geheeld wordt; - aan het individu presenteren van compensatielicht van een op de positie in het testgebied gerangschikte compensatielichtbron, waarbij het compensatielicht in fase of 15 in tegenfase is met de strooilichtbron en voorzien is van een modulatiediepte, waaronder een modulatiediepte van nul, teneinde het genoemde deel van het op de retina op de positie corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde flikkerende strooilicht te ondercompenseren, 20 - het aan het individu presenteren van compensatielicht van een op de positie van het testgebied gerangschikte compensatielichtbron, waarbij het conpensatielicht flikkert met een modulatiediepte om uiteindelijk het genoemde deel van het op de retina op de 25 positie corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde flikkerende licht te overcompenseren; - het ontvangen van een invoersignaal dat representatief is voor het resultaat van een vergelijking tussen de resulterende retina lichtflikkering zoals 30 waargenomen door het individu voor het ondergecompenseerde testgebied en de resulterende flikkeringintensiteit voor het uiteindelijk overgecompenseerde testgebied; 1024232
I 6 I
I - het variëren van de waarde (n) van één of meer van I
I de parameters die één of meer van het licht van de I
I verstrooiingslichtbron en het licht van de I
compensatie1ichtbronnen definieert; I
I 5 het herhalen van de bovengenoemde stappen voor ^ I
I verschillende waarden van de parameters; I
I - het bepalen, door gebruik te maken van de I
I resultaten van de herhalingen en gebaseerd op de I
invoereignalen, van de modulatiedieptes van de I
I 10 verstrooiingslichtbron, het ondergecompenseerde testgebied en I
I het overgecompenseerde testgebied waarin de waargenomen I
I retinale lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en I
overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn; I
I - het berekenen uit de bepaalde modulatiediepte van I
I 15 een strooilichtparameter die representatief is voor het door I
I de strooilichtbron opgewekte retinale strooilicht. I
I In plaats van compensatie van de opgewekte flikkering I
I in het testgebied totdat geen flikkering in het testgebied I
I waargenomen kan worden, wordt de flikkering in het testgebied I
I 20 over en/of ondergecompenseerd, zodat een flikkering nog I
I steeds waargenomen wordt. Het is belangrijk te benadrukken I
I dat de plek van de retina waar de testgebieden op I
I geprojecteerd worden niet alleen licht van de testgebieden I
I zelf ontvangt, maar tevens binnen het oog verstrooid licht I
I 25 van de strooilichtbron. Deze flikkerende lichten van I
I onverschillig welk testgebied en de strooilichtbron worden op I
I de retina opgeteld. De retina ''weet* niet dat het hierdoor I
I ontvangen licht van verschillende bronnen afkomstig is. De I
I twee flikkerende lichten worden gecombineerd tot een nieuw I
I 30 flikkerend licht, afhankelijk van de intensiteitswaarden I
I tussen de twee lichten. Deze nieuwe flikkering wordt I
I vergeleken met de hoeveelheid flikkering in het andere I
I testveld, afkomstig van de over- of ondercompensatie van het I
I 1024232 I
7 andere testgebied en de strooilichtbron. Het resultaat van de vergelijking (sterker, zwakker, hetzelfde) verschaft een goede schatting voor het in het oog opgewekte retinale strooilicht.
5 In een voorkeursuitvoering omvat de werkwijze, na Jiet invoersignaal te hebben ontvangen, de stappen van het variëren van de modulatie diepte van het licht van de strooilichtbron na het invoersignaal te hebben ontvangen; en het herhalen van de stappen van het presenteren en de stap 10 van het ontvangen door gebruik te maken van de gevarieerde modulatiediepte van het licht van de strooilichtbron totdat die modulatiediepte van de strooilichtbron bepaald is waarin de waargenomen retinale lichtintensiteit daarvan het ondergecompenseerde en het overgecompenseerde testgebied in 15 hoofdzaak gelijk zijn. Bij voorkeur start het strooilicht met relatief lage luminantienivèaus, waarbij het licht geleidelijk helderder wordt. Door herhaling van de vergelijkingen van verschillende modulatiediepten van het door de strooilichtbron uitgezonden strooilicht kan een 20 betere schatting van het retinale strooilicht tot stand worden gebracht.
In een andere voorkeursuitvoering omvat de werkwijze, na het invoersignaal te hebben ontvangen, de stappen van het variëren van de modulatiediepte van het compensatielicht voor 25 ten minste een van de ondergecompenseerde en overgecompenseerde testgebieden, en het herhalen van de stappen van het presenteren en de stap van het ontvangen, waarbij ten minste een gevarieerde modulatiediepte gebruikt wordt doordat ten minste een modulatiediepte bepaald is 30 waarin de waargenomen retinale lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn. In deze uitvoeringsvorm heeft het perifere licht van de omgeving van de lichtbron bij voorkeur 10 24232 I Η
I I
een luminantie die in hoofdzaak gelijk is aan de luminantie I
I van de strooilichtbron. Bij voorkeur ie de luminantie in I
I hoofdzaak gelijk aan de gemiddelde luminantie of maximale I
I luminantie van dé strooilichtbron. I
I 5 In sommige voorkeursuitvoeringsvormen worden de I
I
I eerste en tweede compensatiel ichten achtereenvolgens I
I gepresenteerd, bij voorkeur in een testgebied. I
I In andere voorkeursuitvoeringsvormen worden echter de I
I eerste en tweede compensatielichten tegelijkertijd I
I 10 gepresenteerd. In deze uitvoeringsvormen omvat het testgebied I
I bij voorkeur ten minste een spatieel gescheiden eerste en I
I tweede testveld waarbij een compensatielichtbron gerangschikt I
I is op de positie van het eerste testveld en het tweede I
I compensatielicht gerangschikt is op de positie van het tweede I
I 15 testveld. I
I In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm omvat de I
I werkwijze, na het invoersignaal te hebben ontvangen, de I
I stappen van het variëren van het invoersignaal, de stappen I
I van het variëren van de gesommeerde modulatiediepte van het I
I 20 compensatielicht van het ondergecompenseerde testveld en het I
I overgecompenseerde testveld, terwijl een constant verschil I
I gehouden wordt tussen de modulatiediepten van de I
I ondergecompenseerde en overgecompenseerde testvelden; en het I
I herhalen van de stappen van het presenteren en de stap van I
I 25 het ontvangen waarbij gebruik wordt gemaakt van de I
I gevarieerde gesommeerde modulatiediepte totdat de I
I modulatiediepte bepaald wordt waarin de waargenomen retinale I
I lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en I
I overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn. I
I 30 In een verdere voorkeursuitvoering wordt een I
I verschuiving in hetzij het ondergecompenseerde testveld of I
I het overgecompenseerde testveld toegevoegd, waarbij de I
I verschuiving afhangt van de hoeveelheid onder- en I
I 1024232 I
• I
9 overcompensatie voor een bepaalde stimulus. Dit is om te verzekeren dat het individu geen clue krijgt om een verschil tussen de twee testvelden te detecteren anders dan het verschil in de hoeveelheid flikkering.
5 In een verdere voorkeursuitvoering, wordt de gemiddelde luminantie van het ondergecompenseerde testveld zodanig ingesteld dat deze correspondeert met de gemiddelde luminantie van het op hetzelfde tijdstip gepresenteerde overgecompenseerde testveld.
10 In een verdere voorkeursuitvoering omvat de werkwijze de stap van het presenteren van compensatielicht in één van de testvelden zonder licht te presenteren van de strooilichtbron teneinde de detectiedrempel van het flikkerende licht van het individu te bepalen. In een nog 15 verdere voorkeursuitvoering omvat de werkwijze de stap van het presenteren van compensatielicht in beide testvelden zonder het presenteren van licht van de strooilichtbron teneinde de onderscheidingsdrempel van flikkerend licht van het individu te bepalen. De werkwijze omvat dan bij voorkeur 20 de stappen van: - het presenteren van compensatielicht van variërende modulatiediepteverschillen in de testvelden zonder het presenteren van de licht van de strooilichtbron; en - het bepalen van de waarde van het minimale 25 modulatie diepteverschil dat door het individu kan worden waargenomen.
In een verdere voorkeursuitvoering omvat de werkwij ze: - het bepalen van een eerste schatting van de 30 strooilichtparameter door gebruik te maken van de werkwijze van het variëren van het licht van de strooilichtbron; - het bepalen van de tweede schatting van de strooilichtparameter door gebruik te maken van de werkwij ze 1024232
10 I
voor het variëren van de modulatiediepte van ten minste een I
van de testvelden, waarin de gepresenteerde modulatiediepten I
gebaseerd zijn op de eerste schatting van de I
strooilichtparameter. I
5 In een verdere voorkeursuitvoering presenteert de I
strooilichtbron een flikkerend licht met een maximale I
intensiteit. I
In een verdere voorkeursuitvoering wordt een I
ringvormige lichtbron die het testgebied omgeeft, verschaft I
10 voor het isoleren van het testgebied van de omgeving. I
In een verdere voorkeursuitvoering worden de I
testvelden en/of de strooilichtbron gepresenteerd met I
verschillende kleuren teneinde de strooilichtparameter in I
afhankelijkheid van de golflengte van het strooilicht te I
15 bepalen. I
In de meeste gevallen zal de werkwijze toegepast I
worden op een oog per keer (monoculair gebruik). In een ver- I
dere voorkeursuitvoering wordt echter het retinale I
strooilicht in beide ogen van een individu tegelijkertijd I
20 bepaald (binoculair gebruik). I
In een verdere voorkeursuitvoering wordt een beeld I
gepresenteerd tussen opeenvolgende presentaties van I
strooilicht en compensatielicht. In een voorkeursuitvoering I
heeft het beeld een gemiddelde luminantie die correspondeert I
25 met de luminantie van de gemiddelde luminantie gedurende de I
presentaties. I
In een verdere voorkeursuitvoering is het testgebied I
voorzien van versmeerde randen. Dit is gedaan om het effect I
van Mac banden te reduceren. I
30 _ In een verdere voorkeursuitvoering worden variabele I
verschuivingen in de testvelden van de test verschaft. Daarom I
kan rekening worden gehouden met de Brücke-Bartley effect. I
Dit is het effect dat de waargenomen luminantie van het I
10 24232 I
11 constante signaal niet gelijk, is aan de waargenomen luminantie van het flikkerendé signaal met dezelfde gemiddelde luminantie.
In een verdere voorkeursuitvoering worden de 5 ondercompensatie en overcompensatie van de testvelden spatieel gemoduleerd, bijvoorbeeld met een spatiële modulatie van ongeveer 2-4 cycli/graad.
In een verdere voorkeursuitvoering is het licht van de strooilichtbron gericht op de blinde vlek in het oog.
10 Volgens een tweede aspect wordt het doel van de uitvinding bereikt in een inrichting voor het meten van de op-tische helderheid van het oog van een individu, omvattende: - eerste afbeeldmiddelen voor het aan een individu 15 presenteren van een flikkerend strooilicht van een strooilichtbron die gepositioneerd is op een voorafbepaalde hoekafstand van een testgebied, waarbij een deel van het flikkerende strooilicht op de retina op een positie corresponderend met de positie van het testgebied afgebeeld 20 wordt; - tweede afbeeldmiddelen voor het aan een individu presenteren van compensatielicht van een compensatielichtbron die gerangschikt is op de positie in het testgebied, waarbij het compensatielicht in fase of in tegenfase met de 25 strooilichtbron is en voorzien is van een modulatiediepte, waaronder een modulatiediepte van nul, teneinde het genoemde deel van het op de positie corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde flikkerende strooilicht onder compenseren; 30 - derde afbeeldmiddelen voor het asui het individu presenteren van compensatielicht van een compensatielichtbron die gerangschikt is op.de positie van het testgebied, waarbij het compensatielicht flikkert met een modulatiediepte 1024232
I 12 I
I teneinde het genoemde deel van het pp de retina op de positie I
I corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde I
I flikkerende licht te overcompenseren; I
I - invoermiddelen voor het ontvangen van een I
I 5 invoersignaal dat representatief is voor het resultaat van de I
I vergelijking tussen de resulterende retinale I
I flikkeringsintensiteit zoals waargenomen door het individu I
I voor het ondergecompenseerde strooilicht en de resulterende I
I retinale flikkeringsintensiteit voor het overgecompenseerde I
I 10 strooilicht; I
I - eerste verwerkingsmiddelen voor het variëren van de I
I waarde of waarden van één of meer van de parameters die ten I
I minste één van het licht van de eerste, tweede en derde I
I afbeeldmiddelen definiëren, I
I 15 tweede verwerkingsmiddelen voor het bepalen, I
I waarbij gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de I
I herhaling en het invoersignaal, van de modulatiediepten van I
I de strooilichtbron, het ondergecompenseerde testgebied en het I
I overgecompenseerde testgebied, waarin de waargenomen retinale I
I 20 lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en I
I overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn,- I
I - derde verwerkingsmiddelen voor het berekenen uit de I
I bepaalde modulatiediepten van een strooilichtparameter die I
I representatief is voor het door de strooilichtbron opgewekte I
I 25 retinale strooilicht. I
I In voorkeursuitvoeringsvormen omvattende
I afbeeldmiddelen en Kathode Straal Buis (Cathode Ray Tube; I
I CRT) of een Digitale Lichtverwerkings Eenheid (Digital Light I
I Processing; DLP) inrichting. I
I 30 __ Verdere voordelen, kenmerken en details van de I
I onderhavige uitvinding zullen worden verduidelijkt op basis I
I van de beschrijving van voorkeursuitvoeringsvormen daarvan. I
I In de beschrijving wordt verwezen naar de figuren, waarin: I
1024238 I
13 . fig. 1 een schematische dwarsdoorsnede toont van het menselijk oog, waarin de vier primaire bronnen van strooilicht getoond zijn; fig. 2 een schematische representatie toont van een 5 strooilicht meetinrichting volgens een eerste uitvoeringsvorm van de onderhavige uitvinding,
Fig. 3 een vooraanzicht van een voorkeursuitvoeringsvorm van de stimulus veldlayout die gerepresenteerd wordt op de afbeeldinrichting; 10 fig. 4 een aanzicht in perspectief toont van de geometrische rangschikking van de voorkeursuitvoeringsvorm van de stimulus veld layout die gerepresenteerd wordt op de in fig. 3 getoonde afbeeld inrichting.
Fig 5 een grafiek toont van de retinale 15 flikkeringsintensiteit als functie van de flikkeringsintensiteit van het testveld in het geval van de bekende directe compensatiewerkwijze,
Fig. 6A een grafiek toont van de retina flikkeringsintensiteit als functie van de 20 flikkeringsintensiteit van het testveld in het geval van de flikkering-afstemwerkwij ze (flicker matching method) volgens de onderhavige uitvinding waarin drie verschillende niveaus van over-/ondercompensatie gebruikt worden.
Fig. 6B de psychometrische functie toont voor het 25 type beslissing zoals geïllustreerd is in fig. 6A, waarin de ondercompensatietoestand P2 van fig 6A gebruikt wordt, dat wil zeggen geen compensatie;
Fig. 7 toont experimentele curves wanneer verschillende hoeveelheden compensatie (s=l, s=5 en s=8) 30 gegeven zijn aan een halfveld (half veld b);
Fig. 8 een vooraanzicht toont van de geometrische rangschikking van een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de 1024232
14 I
stimulus veld layout die gerepresenteerd wordt op de I
afbeeldinrichting. I
Alhoewel de onderhavige uitvinding voor het meten van I
voorwaartse lichtverstrooiing in een oog beschreven zal I
5 worden in verband met verscheidene _ I
voorkeursuitvoeringsvormen, is het niet de bedoeling om de I
werkwijze te beperken tot die uitvoeringsvorm. Het doel is I
daarentegen om alle alternatieven, modificaties en I
equivalenten binnen het bereik en de geest van de werkwijze I
10 zoals gedefinieerd door de bijgevoegde conclusies te I
bestrijken. I
Vanwege hun biologische oorsprong bevattende optische I
media in het oog optische imperfecties die in optische zin I
resulteren in niet-ideaal gedrag van het oog. De imperfecties I
15 in het oog geven aanleiding tot verscheidene aberraties, I
waarvan één het optreden van strooilicht is. Een overzicht I
van vier belangrijke bronnen van strooilicht wordt gegeven in I
fig. 1. Cornea en lens bevatten bijvoorbeeld refractaire I
structuur zoals celmembraan, collageen vezels en proteïne, I
20 die geen perfecte kristallijne rangschikking hebben. Tevens I
zijn de grenzen van cornea en lens enigszins onregelmatig. I
Dit resulteert in een aanzienlijke lichtverstrooiing in het I
oog. Bovendien is de oogwand (d.w.z. de iris en de sclera- I
choroide-RPE) niet perfect lichtdicht. Tevens wordt een deel I
25 van het licht dat de fundus van het oog bereikt, I
gereflecteerd. De bijdragen van deze effecten aan de totale I
lichtverstrooiing in het oog hangen onder meer af van de I
leeftijd en pigmentatie (huidskleur en oogkleur) van de I
persoon. Zoals eerder genoemd, is de hoeveelheid strooilicht I
30 belangrijk bij bepaling van de kwaliteit van het zicht. Het I
licht dat verstrooid wordt wegens de verschillende I
strooilichtbronnen is niet uniform over de gehele retina I
verdeeld. Er is een hogere dichtheid nabij de vlek op de I
1024232 I
15 retina waar de beelden gevormd worden. De verdeling van de intensiteit op de retina die veroorzaakt wordt door een puntvormige lichtbron wordt de Punt Verspreidings Punctie (Point Spread Function, PSP) genoemd. De vorm van de PSF is 5 direct gerelateerd aan-de hoeveelheid strooilicht. Indien de intensiteit hoger is in het midden waar het beeld gevormd wordt, wordt minder licht ontvangen in andere delen van de retina. Teneinde de vorm van de PSP te bepalen, moet de verdeling van de intensiteit van het waargenomen licht 10 gemeten worden.
Strooilicht kan gedefinieerd worden door middel van de equivalente luminantie (L^) die gedefinieerd wordt als de achtergrondluminantie (in cd/ma) die hetzelfde visuele effect heeft (bijv. hetzelfde adaptieve effect op de visuele 15 gevoeligheid) als de sluier die veroorzaakt wordt door respectievelijke strooi lichtbronnen op een bepaalde hoekafstand Θ (fig. 3 of fig. 4). voor minimalisatiedoeleinden wordt de equivalente luminantie verdeeld door de illuminantie Egl (in lm/m2) in het vlak van 20 de pupil welke afkomstig is van de strooilichtbron. Deze genormaliseerde waarde is de Punt Verspreidings Functie PSF(0) eLeq/Egi. De PSF is een functie van de hoek tussen de verbindingsbron en testveld. Voor hoeken groter dan 1 graad is deze functie ongeveer evenredig met l/θ3 (Stiles-Holladay 25 benadering). Teneinde afwijkingen in hoekgedrag van de
Stiles-Holladay benadering van de Punt Verspreidings Functie beter aan te duiden, wordt de zogenoemde strooilichtparameter (s) geïntroduceerd als s (θ)Een van de voordelen van deze definitie van de strooilichtparameter is dat deze 30 slechts zeer zwak afhankelijk is van de afstand tussen het oog en de strooilichtbron (bijv. een afbeeldinrichting van een strooilichtmeter). Een uitgebreidere discussie over de definitie van de strooilichtparameter s wort gegeven in het 1024231
I 16 I
I artikel "Analysis of intraocular stray light , especially in I
I relation to age', T.J.T.P. van den Berg, Optometry and Vision I
I science, 1995, deel 72, nr. 2, blz. 52-59, waarvan de inhoud I
I hier ter verwijzing is opgenomen. I
I 5 Teneinde een maat te verschaffen voor het in het oog I
I door een strooilichtbron opgewekte strooilicht wordt een I
I meetinrichting verschaft, waarbij een eerste I
voorkeursuitvoeringsvorm is getoond in fig. 2. Fig. 2 toont I
een computer 1, omvattende een verwerkingseenheid 2, een I
I 10 opslagmiddel 17, bijv. een harde schijf of een geheugen, een I
I eerste invoerterminal 3 voor het testindividu en een tweede I
I invoerterminal 4 voor de bedieningspersoon en een I
I afbeeldeenheid 5 voor presentatie van stimuli aan een I
I individu. De afbeeldeenheid is voorzien van een onthulling 6 I
15 voor het doel van het af schermen van de afbeeldeenheid 5 van I
I omgevingslicht. De omhulling 6 heeft een hoofdsteun 7 I
I teneinde een constante afstand tussen oog en afbeeldeenheid 5 I
I te verzekeren. I
I In de in fig. 2 getoonde uitvoeringsvorm worden de I
I 20 stimuli gepresenteerd op een CRT of een equivalente I
I afbeeldinrichting. De stimuli worden gegenereerd door een I
I verwerkingseenheid en gepresenteerd op de afbeeldeenheid 5. I
I Tevens is een tweede afbeeldinrichting 8 beschikbaar voor de I
I bedieningspersoon. De eerste invoerterminal omvat twee I
I 25 beantwoordingsknoppen 9, 10 voor het verzamelen van I
I antwoorden van het individu op de verschafte stimuli. Deze I
I knoppen die zijn verbonden met de personal computer via een I
I geschikte interface (bijv. een Universal Serial Bus I
I interface). De antwoorden kunnen aldus verzonden worden naar I
I 30 de verwerkingseenheid. Gebaseerd op de ontvangen antwoorden I
I van het individu en de op de afbeeldeenheid getoonde stimuli I
I is de verwerkingseenheid in staat de strooilichtparameter s I
I te bepalen, zoals hierna zal worden beschreven. I
I 1024232 17
Allereerst is kalibratie van de meetinrichting 1 benodigd. Omdat de luminantie (d.w.z. de fysieke maat voor de hoeveelheid door een object uitgezonden licht) van een afbeeldinrichting, bijvoorbeeld een CRT, niet lineair 5 verloopt ten opzichte van de luminantie RGB-code (welke code een nummer tussen 0 en 255 voor een 8-bits DAC is) gebruikt worden door een computer teneinde de kleur en helderheid van elk beeldpunt te definiëren, is kalibratie van de afbeeldinrichting noodzakelijk.
10 Kalibratie van de luminantie van de stimulusafbeeld-
eenheid ten opzichte van de luminantiecode wordt uitgevoerd met een fotodiode. Een voor dit doel geschikte fotodiode is een UDT PIN-10AP, die is vervaardigd door United Detector Technology, Ine., Santa Monica, Califomiê, Verenigde Staten 15 van Amerika. De fotodiode is dichtbij op de afbeeldinrichting gerangschikt teneinde externe invloeden, bijv. omgevingslicht,, zoveel raogelijk te vermijden. De luminantie van de afbeeldinrichting wordt gemeten door het integreren van de stroom van de fotodiode gedurende een raster van de 20 afbeeldinrichting. Een voor dit doel geschikte integrator is de TI IVC102, die is vervaardigd door Texas Instruments (Burr Brown). De gedurende een raster verzamelde lading wordt gemeten en omgezet naar elk raster naar een 16-bits digitale code. De corresponderende digitale luminantiecode wordt 25 overgebracht naar de personal computer 1 via de USB
interface. Voor dit doel kan een parallelle interface worden gebruikt. Gedurende de calibratieprocedure worden stimuli die identiek zijn aan die stimuli die gebruikt worden gedurende het testen afgebeeld teneinde identieke omstandigheden 30 gedurende kalibratie en meting van een oog te verzekeren. Op deze wijze kan impliciet rekening worden gehouden met gebreken, in de afbeeldinrichting zoals interne verstrooiing.
1024238
18 I
Teneinde in staat te zijn stimuli te creëren met meer I
dan 256 intensiteitswaarden (maximaal bereikbaar met een 8- I
bits DAC (Digital to Analog Converter) in de grafische kaart I
van de computer) wordt ruis onafhankelijk toegevoegd aan de I
5 luminantiecode van elk beeldpunt. Het is van belang om meer I
dan 256 intensiteitswaarden te creëren, omdat het strooilicht I
correspondeert met ongeveer 1% van de maximale luminant ie van I
de af beeldeenheid in het geval van jonge individuen met I
normale niveaus van strooilicht. I
10 De kalibratie is gebaseerd op de volgende beschou- I
wing. In een van de voorkeursuitvoeringsvormen (zoals is I
bijvoorbeeld getoond in fig. 3) is de strooilichtbron een I
ring. De fractie f, van licht van ring die verstrooid naar I
het centrale testveld, voor een oog met s=l, als volgt I
berekend wordt: /e2^55j)^0^ waarin θχ de binnenste I
straal van de ring en θ2 de buitenste straal van de ring is. I
Bij voorkeur is de verhouding van buitenste en binnenste I
20 stralen gelijk aan 2, hetgeen resulteert in een fractie I
π3 I
ƒ = 2-^-111(2) «0.0013. I
J 1802 ^ ’ I
Voor eenvoud van berekening kan deze formule als I
volgt tot een hoge mate van nauwkeurigheid benaderd worden. I
25 Indien een ring van θχ graden tot Θ, graden van luminant ie C I
[cd/m2] gepresenteerd wordt, dan is in het midden van die I
ring de (equivalente) luminantie L*, wegens strooilicht op de I
retina gelijk aan I
1^.» 0.0044 · s · 10log(öa/9i) · c (cd/m2) I
30 _ Indien het symmetriepunt tussen onder- en I
overcompensatie (het bekende "directe compensatie* punt) I
gevonden wordt als L*, [cd/m2] , is derhalve de strooilicht
102423* I
19 parameter s voor dat individu op die hoekafstand (effectief gelijk aan het geometrische gemiddelde (02.0^): e = L«q / 0.0044 · l°log(0a/0i) · C * f / 0.0044 · lolog(0a/0x) 5 waarbij in deze formule de fractie f = L^/c verschijnt. Deze fractie f *» L^/c is de verhouding tussen de in het midden benodigde compensatieluminantie en de luminantie van de ring. De luminantie in het midden en de luminantie van de annulus 10 dient derhalve gecalibreerd te worden. Het is voldoende om te bepalen welke fractie f van luminantie in het centrum zijn oorsprong vindt in de luminantie van de ring. Elke waarde van de fractie f kan in feite direct volgens deze formule vertaald worden in de strooilichtparameter s.
15 In fig. 5, 6a en 6b wordt langs de horizontale assen de compensatieluminantie in het testveld gevarieerd en uitgedrukt volgens deze regel als s. In de bekende directe compensatiewerkwijze, zoals is getoond in fig. 5, tast het individu de waarde van s aan ter bediening van de schakelaar 20 en door bepaling van de waarde van e waarop de waargenomen retinale flikkerintensiteit minimaal is. In de onderhavige flikkerafstemwerkwijze wordt de waarde van 2s bepaald als de som van s in de twee halfvelden, zoals hierna uiteengezet zal worden.
25 In de bovenbeschreven uitvoering is gebruik gemaakt
van een analoge kathodestraalbuis (CRT) afbeeldinrichting. In een andere voorkeursuitvoeringsvorm is de afbeeldinrichting van het Digitale Light Processing (DLP™) type, waarin digitale beelden verschaft kunnen worden. Een geschikte DLP 30 inrichting is bijvoorbeeld van Texas Instruments, type DMD
0.7 XGA DDR. In dit type afbeeldinrichting wordt gebruik gemaakt van een projectielamp en een digitale microspiegelinrichting (Digital Micro Mirror Device, DMD) 1024238 bestaande uit een rij van duizenden kleine spiegels, die elk
bevestigd zijn aan een schamierstructuur zodat deze I
individueel naar voren en naar achteren gekanteld kunnen I
worden. De a£beeldinrichting van het DLP type verwerkt het I
5 digitale invoersignaal en kantelt de spiegels om direct een I
digitaal beeld te genereren. Een van de voordelen van een DLP
is dat geen calibratiestap benodigd is. Verder is de DLP I
inrichting compacter dan een computer monitor en is deze in H
staat tot het verschaffen van hogere luminanties. I
10 Indien de meetinrichting 1 eenmaal gecalibreerd is,
kan de meting van de strooilichtparameter van een oog van het I
individu aanvangen. Om de vergelijkingen uit te kunnen I
voeren, wordt het testveld verdeeld in twee of meer spatieel I
gescheiden secties (simultane vergelijkingen) en/of in twee I
15 of meer tenporee1 gescheiden secties (sequentiële I
vergelijkingen), Voor de eenvoud worden de testveldsecties I
hierna testvelden genoemd. De testvelden worden I
overgecompenseerd of ondergecompenseerd hetgeen relatief
grote modulatiedieptes geeft, zodat de resulterende I
20 flikkering relatief eenvoudig waargenomen wordt, zelfs voor I
ongetrainde individuen.
In het volgende zal de uitvinding beschreven worden I
voor het eenvoudige geval van een vergelijking van slechts I
twee testveldsecties of testvelden, maar meervoudige I
25 testvelden vallen tevens onder de uitvinding. In het geval I
van een overgecompenseerd en het andere ondergecompenseerde I
testveld en indien deze testvelden gelijke echte retinale I
flikkeramplitude (waaronder het verstrooide licht) hebben, I
wordt het strooilicht van het oog gegeven door: I
30 8 (Lue + Loe)/(2Egl), waarbij L*. de (flikker) luminantie is I
die wordt gegeven aan het ondergecompenseerde veld en waarin I
Loc de (flikker) luminantie is die gegeven wordt aan het I
overgecompenseerde veld (L^ < Loc». Deze luminanties hebben I
1024232 I
21 een positief teken wanneer zij in tegenfase voor de verbindingebron zijn en een negatief teken wanneer zij in fase met de verbindingebron zijn.
Figuur 3 toont een voorkeursuitvoering van een 5 cirkel-symmetrische stimulus configuratie dat wordt afgebeeld op de afbeeldinrichting. Getoond is een stimulus veldlayout omvattende een buitenste ring 12 die een flikkerende strooilichtbron simuleert. In het midden van de ring 12 is een door een ring 14 omgeven testcirkel 13 gerangschikt. Dit 10 is een ringvormige lichtbron van hoge intensiteit die de testcirkel omgeeft teneinde de testcirkel te isoleren van andere delen van het afbeeldgebied en teneinde flikker invloeden van hét omgevingsgebied te onderdrukken. Het gebied naast de strooilichtbronring 12 aan de binnenzijde 15 wordt de binnenste periferie of omgeving 19 van de ring 12 genoemd, terwijl het gebied buiten de ring 12 de buitenste periferie of omgeving 18 wordt genoemd. Stabiel licht in de omgevingen (gebieden 18 en 19) wordt geleverd om flikkerstimulatie in deze gebieden te onderdrukken. De 20 intensiteit is bij voorkeur van dezelfde orde van grootte als die van de strooilichtring.
De testcirkel 13 is in de onderhavige uitvoeringsvorm in een linker halfcirkel of linker testveld 15 en een rechter halfcirkel of rechter testveld 16. Aan het individu wordt 25 simultaan een ondergecompenseerd testveld en een overgecompenseerd testveld gepresenteerd. Het ondergecompenseerde testveld kan hetzij het linkertestveld 15 hetzij het rechtertestveld 16 zijn. In het geval dat het ondergecompens e e r de veld het linkertestveld 15 is, wordt het 30 rechter testveld 16 overgecompenseerd, terwijl indien het ondergecompenseerde testveld het rechter testveld 16 is, het linker testveld 16 overgecompenseerd wordt..
1024232 I 22
In een verdere voorkeursui tvoeringsvorm worden de
ondergecompenseerde en overgecornpenseerde testvelden I
I willekeurig verwisseld gedurende de presentatie van I
I opeenvolgende stimuli, dat wil zeggen dat het I
I 5 ondergecompenseerde veld en het overgecompenseerde veld ^ I
willekeurig in het linker testveld 15 of in het rechter I
I testveld 16 vertoond kunnen worden. Dit zal het risico verder I
I reduceren dat een voorkeur van een testpersoon voor hetzij I
het linker hetzij het rechter testveld onbedoeld de uitkomst I
I 10 van de metingen zal beïnvloeden. Wanneer in de figuren en de I
I beschrijving de testvelden het linker testveld 15 en het I
I rechter testveld 16 genoemd worden, wordt in feite verwezen I
naar een eerste testveld (a) en een tweede testveld (b) die I
I willekeurig het linker en het rechter testveld kunnen zijn. I
I 15 De stimuli worden, gepresenteerd met een frequentie I
I van bij voorkeur 8-10 Hz (aangezien mensen relatief gevoelig I
I lijken te zijn voor flikkering bij deze frequentie). en met I
I een eindige duur, kenmerkend tussen 0,5 en 5 seconden, bij I
voorkeur ongeveer 1 seconde. Een willekeurig of pseudo- I
I 20 willekeurig algoritme bepaalt welke zijde van het veld het I
I overgecompenseerde testveld en welke zijde van het veld het I
I ondergecompenseerde testveld representeert. Stimuli worden I
I gestimuleerd beginnend bij een voorafbepaalde I
I overcompensatie, kenmerkend een overcompensatie van log(s) = I
25 2,5. Opvolgende proefnemingen hebben een lagere I
I overcompensa t ie, bij voorafbepaalde afnames, bijvoorbeeld I
I afhankelijke afnames van 0,3 log(s) en later 0,1 log(s) I
I eenheden. I
I Gedurende of na presentatie van de stimuli dient het I
I 30 individu te antwoorden welke van de twee testvelden 15, 16 I
het meest flikkert of heeft geflikkerd door intoetsing van I
I een van de beantwoordingsknoppen 9, 10 van de eerste I
I invoerterminal 3. Een keuze voor het overgecompenseerde veld I
I 10 24231 23 wordt geregistreerd als 1 en een keuze voor het ondergecompenseerde veld als 0. Dit is een meetopzet volgens de welbekende gedwongen keus uit twee alternatieven (two-altemative forced choice, 2AFC) .
5 Een maximale waarschijnlijkheidsalgoritme wordt gebruikt om een omkéring te detecteren, dat wil zeggen wanneer er een statische significantie is dat het individu de snelle overgang heeft bereikt die gelokaliseerd is op tweemaal de s waarde van het oog, en dè afname in de 10 overcompensatie wordt beëindigd. Op dit moment is er een initiële schatting van de s waarde van het oog. Gebaseerd op deze waarde wordt de meting verfijnd door het presenteren van stimuli nabij het omkeringspunt.
Het in deze tweede fase van de test gepresenteerde 15 aantal stimuli, alsmede de lengte van het geteste interval, kan voor de test gekozen worden. In de tweede fase wordt de volgorde waarin de stimuli gepresenteerd worden, willekeurig gekozen in overeenstemming met de werkwijze van constante stimuli. Het is duidelijk dat de meetnauwkeurigheid toeneemt 20 met het aantal proefnemingen in de tweede fase. Na de presentatie van de proefnemingen in de tweede fase, worden alle gegevens van de test gebruikt in een maximale waarschijnlijkheids "fit*. Deze fit geeft de uiteindelijke schatting van omkeerpunt. Bovendien geeft de maximale 25 waarschijnlijkheidsprocedure een schatting van de nauwkeurigheid van de verkregen s waarde. Deze schatting van de nauwkeurigheid wordt gerapporteerd aan de bedieningspersoon als terugkoppeling zodat, in het geval dat een individu de visuele taak niet geheel begrepen heeft, de 30 test beter uiteengezet kan worden. Alle relevante gegevens, zoals de antwoorden van een individu, de datum/tijd, de tijd gedurende welke het systeem aan is geweest, en de 1024232
I 24 I
I calibratiegegevens worden automatisch opgeslagen op de I
I opslagmiddelen 17 van de computer 1. I
I In een voorkeursuitvoeringsvorm wordt het I
I ondergecompenseerde testveld op een compensatie van 0 I
I 5 gehouden, terwijl het overgecompenseerde testveld een ^ I
I variabele overcompensatie heeft. De ringvormige I
I strooilichtbron flikkert met een maximaal bereikbare I
I modulatiediepte. Deze metingsopzet wordt getoond in P2 in I
I fig. 6A. Fig. 6Ά toont de retinale flikkering in het oog I
I 10 gedurende een flikkervergelijkingsmeting. De markeringen I
I tonen gelijke retinale flikkering voor dit niveau van over- I
I /ondercompensatie. Punten van gelijke retinale flikkering I
I worden aangeduid met pijlen. Het symmetriepunt - waarin de V- I
I vorm haar minimale, in dit geval 0, waarde heeft - I
I 15 correspondeert met de. strooilicht s waarde van het gemeten I
I oog. I
I In de onderhavige uitvoeringsvorm wordt het I
I linker test veld 15, of, wegens hetgeen hiervoor uiteengezet I
I is, beter gezegd een testveld (a), ondergecompenseerd met een I
I 20 compensatie van nul en heeft dit daarom een retinale I
I flikkerintensiteit Ij. In het rechter testveld 16, of beter I
I gezegd het testveld (b) wordt de compensatie gevarieerd. Het I
I punt waarop de retinale flikkerintensiteit van het rechter I
I testveld 16 gelijk is aan de retinale flikkerintensiteit Ij. I
I 25 van het niet-gecompenseerde linker testveld 15 definieert I
I twee keer de waarde van de strooilichtparameter s zoals I
I duidelijk kan worden opgemaakt uit fig. 6A. I
I Bovenstaande uitvoeringsvormen zijn besproken waarin I
I testveld (b) niet gecompenseerd wordt, hetgeen in feite I
I 30 slechts een vorm van ondercompensatie is. Andere vormen zijn I
I meer of minder ondercompensatie. De algemene regel voor I
I interpretatie van het punt langs de s schaal waar de twee I
I halfwaarden gelijk lijken, is dat s voor het respectievelijke I
1024232 I
25 individu gelijk ie aan de helft van de som van s in twee halfvelden. Dit kan worden opgemaakt uit fig. 6A. In het geval van niet-compensatie in een halfveld b, sb = 0, en op het punt van gelijkheid 8.. 8e.
5 In andere uitvoeringsvormen kan het 1inkertestveld^15 ondergecompenseerd worden, bijvoorbeeld zoals is getoond bij PI in het geval van een in-fase modulatie in halfveld (b), of minder ondergecompenseerd worden, bijvoorbeeld zoals is getoond bij P3 in het geval van een 0,5 s tegenfase modulatie 10 in halfveld (b). Vervolgens kunnen de waarden van gelijke retinale flikkering hoger of lager zijn dan de intensiteit Ix zoals is getoond in fig. 6A. De waarde van de strooilichtparameter s kan op een soortgelijke wijze afgeleid worden van de V-vormige curve door bepaling van het 15 symmetriepunt van de curve. Dit punt zal de waarde geven van de strooilichtparameter s.
De waarneming van het retinale flikkerverschil wordt beheerst door zogenoemde psychometrische functies. Een psychometrische functie beschrijft de kans op een bepaald 20 antwoord van het individu (bijv. "de linkerhelft van het testveld flikkert sterker dan de rechterhelft") op een gepresenteerde stimulus. In het geval van twee (onafhankelijke) compensatiestimuli is de overspannen psychometrische ruimte tweedimensioneel. In een 25 voorkeursuitvoeringsvorm is echter van de stimuli constant en kan elk paar van de stimuli behandeld worden als een stimuluswaarde door slechts de variabele modulatiediepte te beschouwen.
Fig. 6B toont een voorbeeld van deze psychometrische 30 functie, die de waarschijnlijkheid bevat van het antwoord dat "veld a sterker flikkert dan veld b" voor het geval dat in veld (b) geen compensatie aanwezig. Voor meer exacte toepassingen of complexere uitvoeringsvormen, zijn 1024232
26 I
gecompliceerdere psychofysische functies van toepassing. De I
psychometrische functie resulteert in een "fit* die in dit I
geval een uiteindelijke schatting geeft van een omkeerpunt I
dat gelokaliseerd is op twee keer de s van het oog, zoals I
5 duidelijk kan worden afgeleid uit fig. 6a en 6b. I
Deze psychometrische curve heeft enige overeenkomst I
en enige bijzondere verschillen met de psychometrische I
functies die bekend zijn uit ander visuele testen, bijv. de I
curve correspondeert met een ja-nee taak bij een visueel I
10 veldtest. De curve heeft een hoge waarde voor een grote I
overcompensatie en een snelle overgang naar een lage waarde I
bij een overcompensatie van 2 keer s van het oog. Deze snelle I
overgang wordt gebruikt om de hoeveelheid licht verschenen in I
een oog te meten. In het geval dat het bedoelde overgecompen- I
15 seerde veld in feite (zwaar) ondergecompenseerd is, toont de I
curve opnieuw een overgang naar hoge waarden. De vorm van de I
psychometrische curve is duidelijk in fig. 6B weergegeven. I
In fig. 7 zijn voorbeelden getoond van experimentele I
curves wanneer verschillende hoeveelheden compensatie gegeven I
20 Werd in halfveld (b) voor een individu met s 14. De waarde I
s = 14 is getekend als de oorsprong (modulatie = 0). De I
(vaste) waarden voor sb waren 8, 5 en 1. Men kan zien dat de I
modulatie die benodigd is voor gelijkheid (50% kans a > b) I
respectievelijk ongeveer 6 (+14), 9 (+14) en 13 (+14) is I
25 corresponderend met de bovengenoemde regel dat de som van de I
twee compensaties gelijk is aan s. Deze figuur toont dat de I
psychometrische curven dichter bij het punt van "directe I
compensatie* (de oorsprong waarin s = 14 en de retinale I
modulatie.is nul) kruipt. Op hetzelfde moment worden de I
30 hellingen van de psychometrische curven steiler. Beide I
effecten verzekeren dat een hogere meetnauwkeurigheid I
I verkregen wordt . I
1024281 I
27
In een andere voorkeursuitvoeringsvorm wordt een trap-procedure in plaats van de bovenbeschreven tweefase meettechniek gebruikt teneinde te bepalen welk stimulus niveau gepresenteerd moet worden. Bij voorkeur heeft deze 5 trap-procedure (staircase procedure) een initiële stapgrootte van 0,3 log(s) eenheden en krijgt een kleinere stapgrootte na elke omkering. Het algoritme dat het volgende stimulusniveau bepaalt, wordt beschreven in de literatuur als de "Versnelde stochastische benadering" ("Accelerated Stochastic 10 Approximation") (zie bijv. het artikel "Minireview Adaptive Psychological Procedures" door Berahard Treutwein, Vision Res., deel 35, nr. 17, blz. 2503-2522, 1995).
In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm wordt een verschuiving in hetzij het ondergecompenseerde testveld 15 hetzij het overgecompenseerde testveld, welke afhangt van de hoeveelheid onder- en overcompensatie voor die bepaalde stimulus, toegëvoegd teneinde te verzekeren dat de individuen geen clue krijgt omtrent de detectie van een verschil tussen de twee testvelden andere dan het verschil in de hoeveelheid 20 flikkering. De parameters in de twee testvelden, in het bijzonder de gemiddelde luminantie van de testvelden worden met andere woorden zoveel mogelijk hetzelfde gehouden. Door toevoeging van een verschuiving in hetzij het onder-compensatie of het overcompensatie testveld, die afhangt van 25 de hoeveelheid onder- en overcompensatie voor die bepaalde stimulus, verandert de gemiddelde luminantie van de testvelden gedurende een test, maar is deze altijd dezelfde voor de óp dat moment gepresenteerde ondercompensatie- en overcompènsatie velden. In een andere voorkeursuitvoering 30 worgt tevens de verandering in gemiddelde luminantie gedurende een test weggenomen door toevoeging van een geschikte hoeveelheid verschuiving.
1024232
I 28 I
I In feite, kan de exacte strategie voor de I
I vergelijkingen, de wijze waarop zij leiden tot schattingen I
I van het retinale strooilicht en de keus van de over- en/of I
I ondercompensaties variëren, afhankelijk van de toepaseing. I
I 5 Voor sommige toepassingen zullen hieronder I
I voorkeursuitvoeringsvormen beschreven worden. I
I De daadwerkelijke keuze voor compensaties kan I
I uitgevoerd worden volgens verscheidene bekende psychologische I
I procedures, zoals maar niet beperkt tot: I
I 10 Werkwijze van aanpassing (Method of adjustment). I
I Volgens deze werkwijze heeft het individu de besturing over I
I de stimulusintensiteit. Het individu moet het gelijke I
I flikkeringspunt vinden door het draaien van een knop of het I
I indrukken van knoppen of toetsen. Een voordeel van de I
I 15 werkwijze van aanpassing is dat deze relatief snel is. I
I . - Werkwijze van constante stimuli (Method of constant I
I stimuli) . Volgens deze werkwijze is de volgorde van de I
I presentatie van de stimuli in elke willekeurige proefneming I
willekeurig zodat het individu geen manier kent om de I
I 2Θ intensiteit van de stimulus te anticiperen. Het zijn niet de I
I stimuli die constant zijn, het is wat het individu verwacht I
I dat van proefneming tot proefneming niet zal veranderen. Het I
I resultaat van deze werkwijze is psychometrische functie, van I
I waaruit de strooilichtparameter afgeleid kan worden. I
I 25 - Vaste stap trap werkwijze (de gepresenteerde I
I stimulus hangt af van het eerdere antwoord, maar de I
I stapgrootte is constant). I
I - Stochastische benadering (gepresenteerde stimulus I
I hangt af van het eerdere antwoord, de stapgrootte wordt I
I 30 kleiner bij élke stimulus). I
I - Versnelde stochastische benadering (hetzelfde als I
I de stochastische benadering, maar de stapgrootte verandert I
I slechts bij omkering). I
I 1024232 I
29 - Maximale waarschijnlijkheidsprocedures (stimulus hangt af van alle eerdere antwoorden) .
In een andere voorkeursuitvoeringsvorm (tevens bekend 5 als "donkere" versie van de werkwijze en inrichting volgens de uitvinding) de hoeveelheden overcompensatie en ondercompensatie in de respectievelijke testvelden op een constant niveau gehouden, terwijl de hoeveelheid waargenomen flikkering gevarieerd wordt door verandering van de 10 intensiteit van de flikkerende strooilichtbron. De omgevingen van de strooilichtbron (de periferie genoemd) hebben een luminantie gelijk aan het niveau van de strooilichtbron. In een voorkeursversie van deze uitvoeringsvorm start de test bij lage luminantieniveaus (strooilichtbron alsmede de 15 periferie) en wordt geleidelijk helderder, waardoor de vergelijkingstaak moeilijker wordt. Dit zou in overeenstemming zijn met de reële situaties, waarin een helderder strooilichtbron de detectie van een doelobject van laag niveau moeilijker zal maken.
20 In een andere voorkeursuitvoeringsvorm wordt de meting gestart met een flikkeringsvergelijkingstaak, zoals in eerdere uitvoeringsvormen, maar zonder een flikkerende strooilichtbron. In deze zogenoemde flikkerdetectiedrempelmeting is het mogelijk om het vermogen 25 van het individu om flikkering (flikkergevoeligheid) te detecteren. De tweede fase van de test lijkt op de tweede fase in de "donkere" versie uitvoeringsvorm. Dit deel wordt gebruikt om het omkeerpunt te vinden, zoals is beschreven in de uitvoeringsvorm van de l,ichte versie. De derde fase van de 30 test is de tweede fase van de lichte versie uitvoeringsvorm, die presentatie van stimuli rondom het omkeerpunt met zich meebrengt volgens de werkwijze van constante stimuli, waarbij een strooilichtbron met maximale intensiteit flikkert.
1024232
30 I
In een andere voorkeursuitvoeringsvorm hebben de I
testvelden en/of de strooilichtbron en/of de periferie I
verschillende kleuren, in het bijzonder de kleuren, blauw, I
groen en rood. De kleuren kunnen verschaft worden in elke I
5 willekeurige combinatie (bijv. groen strooilichtbron, groene I
testvelden, witte periferie). Op deze wijze kan de I
strooilichtparameter in afhankelijkheid van de I
respectievelijke golflengten van het compensatielicht en/of I
het strooilicht bepaald worden. De strooilichtparameter in I
10 afhankelijkheid van de golflengte kam bruikbare informatie I
geven over het functioneren van het oog. I
Verschillende delen van het oog die bijdragen bij het I
strooilicht hebben verschillende spectrale afhankelijkheden. I
Vergelijking van het strooilicht resultaat van verschillende I
15 kleuren verschaft derhalve informatie over het relatieve I
gewicht van verschillende delen van het oog wat betreft hun I
bijdrage bij het totale strooilicht. Dit kan relevant zijn I
voor klinische diagnose of voor het meer nauwkeurige bepaling I
welke strooilichthinder in bepaalde situaties kern. worden I
20 verwacht. Ben lage zon is bijvoorbeeld roodachtig, zodat de I
hinder meer afhangt van het strooilicht aan het roodachtige I
einde van het spectrum. De meest directe wijze van meting zou I
zijn om complete rode, groene of blauwe strooilichtmeters te I
gebruiken. Dit kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld I
25 gebruik te maken van dezelfde computermonitor gebaseerd I
instrument, maar waarbij hetzij de rode, groene of blauwe I
fosfor exclusief gebruikt wordt. Combinaties van kleuren I
kunnen echter daar van belang zijn om op directe wijze de I
verhoudingen daartussen tot stand te brengen. Indien bijv. I
30 het rode fosfor van de strooilichtring gemoduleerd wordt in I
tegenfase met het groene fosfor binnen dezelfde ring, geeft I
de relatieve balans tussen de modulaties die benodigd zijn om I
1024232 I
31 de in het midden waargenomen flikkering uit te doven direct de verhouding in strooilichtparameter tussen de twee kleuren.
In de bovenbeschreven uitvoeringsvormen wordt het individu altijd gedwongen een keuze te maken, dat wil zeggen 5 hij /zij moet kiezen welke van de testvelden aangenomen wordt «b als hebbende hoogste (of laagste) retinale flikkerintensiteit (gedwongen keuze werkwijze of "forced choice method"). In een andere uitvoeringsvorm wordt de invoerterminal 3 voorzien van een derde beantwoordingsknop. De inrichting van deze 10 beantwoordingsknop kan het individu aangeven dat het resultaat van de vergelijking onbeslist (geen-keuze mogelijkheid) was.
In een andere voorkeursuitvoeringsvorm kan de hoek theta van de strooilichtbron veranderd worden, bijvoorbeeld 15 van 10 graden tot 3 graden. In het bijzonder voor doeleinden van het testen van een chauffeur lijkt een theta van 3 graden het relevantst. Verschillende delen van het oog die bijdragen bij het strooilicht hebben verschillende hoekafhankelijkheden. Een vergelijking van het 20 strooilichtresultaat voor verschillende hoeken verschaft derhalve informatie over de relatieve weging van verschillende delen van het oog wat betreft hun bijdrage aan het totale strooilicht. Dit kan relevant zijn voor klinische diagnose of voor het nauwkeuriger bepalen welke 25 strooilichthinder in bepaalde situaties verwacht kan worden. Een tegemoetkomende auto bevindt zich bijvoorbeeld onder een hoek van kenmerkend drie graden, zodat de hinder daarvan meer afhangt van strooilicht onder de drie graden. Het is bekend, als ander , voorbeeld, dat de hoekafhankelijkheid van de 30 strooilichtbijdrage van de transparantie van de oogwand (component iris/sclera in fig. 1) isotroop is in tegenstelling tot de andere componenten. Een meting van de hoekafhankelijkheid kem aldus gebruikt worden om de relatieve 1024232
32 I
bijdrage van een dergelijke component te schatten. De meest I
duidelijke wijze van meting zou zijn om een strooilicht ring I
die gelokaliseerd is onder de van belang zijnde hoek te I
gebruiken. In een op een computermonitor gebaseerd instrument I
5 kan de hoek van de ring eenvoudigweg gevarieerd worden en kan
de strooilichtparameter voor verschillende hoeken I
afzonderlijk gemeten worden, combinaties van hoeken kunnen I
echter van belang zijn teneinde op directe wijze de I
verhouding tot stand te brengen. Indien bijvoorbeeld een ring I
10 onder drie graden op hetzelfde moment en op hetzelfde I
beeldscherm gemoduleerd wordt in tegenfase met een ring onder
tien graden, geeft de relatieve balans tussen twee modulaties I
die nodig zijn om de in het midden waargenomen flikkering te I
uit de doven, op directe wijze de verhouding in de
15 strooilichtparameter tussen de twee hoeken. I
In het bovenstaande wordt een flikkerfrequentie van 8 I
Hz genoemd aangezien mensen het gevoeligst zijn voor I
flikkering op deze frequentie. In een andere I
voorkeursuitvoeringsvorm worden echter verschillende I
20 flikkerfrequenties gebruikt. Afhankelijk van het gebruik, in I
het bijzonder wat betreft de subgroep van de populatie, I
kunnen verschillende flikkerfrequenties voor nauwkeurigheid I
geschikt zijn. Het is bekend dat met retinale ziekte en I
ouderdom de flikkerwaameming verandert. Wanneer andere I
25 parameters zoals kleur, hoek, annulaire breedte, etc. I
gebruikt worden, verandert tevens de frequentie voor de beste I
prestaties. I
In de plaats van het tot nog toe beschreven blokgolf I
flikkersignaal, kan de vorm van het flikkersignaal in wezen I
30 aangepast worden. Een sinusoidale of driehoekige golfvorm kan I
voordelig zijn voor bepaalde specifiekè toepassingen, zoals I
zojuist uiteengezet is, aangezien deze golfvormen I
verschillende frequenties omvatten. I
1024232 I
33
In een andere voorkeursuitvoeringsvorm worden de stimuli temporeel gescheiden in tegenstelling tot de tot nog toe beschreven uitvoeringsvormen die een spatiêle scheiding toepas een. In deze uitvoeringsvorm worden de overcompensatie 5 en ondercompeneatie testvelden achter elkaar op hetzelfde complete circulaire testveld plek gepresenteerd in plaats van de presentatie in twee half cirkelvormige plekken op hetzelfde moment. Flikkerende gevoeligheid hangt af van de grootte van het testveld. Met de twee halfvelden gaat de 10 gevoeligheid verloren vergeleken met een enkel volledig cirkelvormig veld. Afhankelijk van de toepassing van het voordeel van simultane vergelijking door dit effect zwaarder wegen.
De geometrie van de strooilichtbron kan aangepast 15 worden afhankelijk van het specifieke doel van de strooilichtmeting. Fig. 8 toont een andere voorkeursuitvoeringsvorm waarin een of meer heldere puntbronnen gebruikt worden in plaats van een ringvormige bron. Dit zou beter kunnen overeenstemmen met specifieke 20- hindersituaties zoals gedurende het rijden in de nacht.
Tevens kan de strooilichtring in de vorm aangepast worden, in het bijzonder in breedte verkleind worden. Dit is van belang indien een betere hoekresolutie benodigd is. In de onderhavige uitvoeringsvormen is de buitenste straal twee 25 keer zo groot als de binnenste straal van de ring. Een voorbeeld van dergelijke toepassing is de meting van de zogenoemde lenticulaire halo. Dit fenomeen dat relevant is als een voorfase van cataract, wordt gekenmerkt door een scherpe piek in strooilicht onder een paar graden visuele 30 hoek. Tevens kunnen verschillende typen strooilichtbronnen gebruikt worden, zoals bijvoorbeeld LED's, en/of kunnen andere typen compensatielichtbronnen gebruikt worden.
1024232
I 34 I
I In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm wordt het I
I licht van de strooilichtbron gericht op de blinde vlek in het I
I oog. Het strooilicht wordt in dit geval niet of ten minste I
I minder waargenomen en is minder verstorend voor de I
I 5 testpersoon en daarom voor de uitkomst van de meting. . I
I De grootte van het teetveld zelf kan de uitkomst van I
I de bepaling van de strooilichtparameter beïnvloeden. De I
I grootte van het testveld beïnvloedt de gevoeligheid alsmede I
I de hoekresolutie. Bij vergroting van de grootte, neemt de I
I 10 gevoeligheid toe maar neemt de resolutie af. Afhankelijk van I
I de toepassing kan een optimale balans tuseen deze twee I
I effecten verkregen worden. I
I Tot zover is de gedwongen keuze uit twee I
I alternatieven (two altemative forced choice, 2AFC) meting I
I 15 beschreven. Het aantal alternatieven kam echter vergroot I
I worden tot drie, vier of meer (3AFC, 4AFC, etc.) . In het I
I algemeen geldt dat hoe meer alternatieve keuzee er zijn, des I
I te lager de verwachte score voor het gokken maar tevens des I
I te groter de kans dat het individu verward wordt of de I
I 20 stimulus mist omdat het moeilijk is om rekening te houden met I
I zoveel testvelden. I
I In een andere voorkeursuitvoeringsvorm worden daarom I
I twee of meer testvelden gepresenteerd op de afbeeldinrichting I
I teneinde drie of meer alternatieve keuzes aan het individu te I
I 25 presenteren voor spatieel alsmede temporeel gescheiden I
I stimuli. De psychometrische benadering bepaalt de snelheid en I
I de nauwkeurigheid van de meting. De snelheid van meting kan I
I groter worden door meervoudige simultane vergelijking. Maar I
I deze taak zal meer van de individuen vergen. Deze I
I 30 uitvoeringsvorm zal derhalve slechts gebruikt worden voor I
I specifieke in groepen individuen. I
I In een andere voorkeursuitvoeringsvorm wordt de duur I
I van stimulus gevarieerd, bijvoorbeeld vanaf een voorkeursduur I
I 1024232 I
35 van ongeveer 1 seconde tot bijvoorbeeld 10 seconden o£ meer.
De beantwoordingstijd binnen welke het individu dient te antwoorden, kan eveneens gevarieerd worden. Deze variatie kan gebruikt worden om de prestaties van het individu te 5 optimaliseren. Sommige individuen kunnen hun prestaties verbeteren wanneer de presentatietijd verlengd wordt, terwijl anderen hun prestaties laten afnemen. Individuele aanpassing van de presentatie en beantwoordingstijden kan op dynamische wijze tot stand worden gebracht, geleid door de 10 daadwerkelijke gemeten prestaties van het individu.
Het tussen metingen gepresenteerde beeld kan dezelfde gemiddelde luminantie hebben als de gedurende de test gepresenteerde luminantie. Άΐβ alternatief kan het beeld zwart of een maximale intensiteit hebben. Dit bepaalt de pre-15 aanpassingstoestand voor de presentatie. Dit kan geoptimaliseerd worden voor de beste prestaties gedurende de presentatie. Een niet-uniform compensatieveld kan gebruikt worden om meer nauwkeurige wijze de strooilichtverdeling in het testveld na te bootsen. Aangezien het strooilicht sterk 20 afhangt van de hoek, toont de strooilichtverdeling in het testveld tevens enige niet-uniformiteit afhankelijk van de geometrie van de strooilichtbron.
De onderhavige uitvinding beoogt tevens alle combinaties van de boven beschreven 25 voorkeursuitvoeringsvormen. Bijvoorbeeld combinaties van hetzij de lichte of donkere versie uitvoeringsvormen met alle typen verschillende psychofysische meettechnieken (bijvoorbeeld werkwijze van aanpassing, werkwijze van constante stimuli, vaste stap trap, stochastische benadering, 30 versnelde stochastische benadering en maximale waarschijnlijkheidsprocedures) zijn uitvoerbaar. De uitvinding omvat tevens alle bovenstaande met verschillende variaties van over- en ondercompensatie. Bijvoorbeeld: 1024232
36 I
- een constant ondergecompenseerd testvelddeel en I
variabel overcompensatie testvelddeel zoals bijvoorbeeld I
beschreven in de eerste uitvoeringsvorm van een testveld van I
een compensatie van nul, I
5 - constant verschil tussen ondergecompenseerd en __ I
overgeconpenseerd testveld en variabele som van deze twee in I
het geval van de "lichte versie* of variabele strooilichtbron I
in het geval van de "donkere versie*. I
De onderhavige uitvinding is niet beperkt tot de I
10 bovenbeschreven voorkeursuitvoeringsvormen; de gevraagde I
rechten worden veeleer bepaald door de volgende conclusies, I
binnen de strelcking waarvan velerlei modificaties denkbaar I
zijn. I
H
HO24232 I

Claims (42)

1. Werkwijze voor het meten van het retinale strooilicht in het oog van een individu, omvattende: - het presenteren aan het individu van een flikkerend % strooilicht van een strooilichtbron die gepositioneerd is op 5 een voorafbepaalde hoekafstand van een testgebied, waarbij een deel van het flikkerende strooilicht op een met de positie van het testgebied overeenstemmende positie op de retina afgeheeld wordt; - aan het individu presenteren van compensatielicht 10 van een op de positie in het testgebied gerangschikte compensatielichtbron, waarbij het compensatielicht in fase of in tegenfase is met de strooilichtbron en voorzien is van een modulatiediepte, waaronder een modulatiediepte van nul, teneinde het genoemde deel van het op de retina op de positie 15 corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde flikkerende strooilicht te ondercompenseren, - het aan het individu presenteren van compensatielicht van een op de positie van het testgebied gerangschikte, compensatielichtbron, waarbij het 20 compensatielicht flikkert met een modulatiediepte om uiteindelijk het genoemde deel van het op de retina op de positie corresponderend met de positie van het testgebied afgebeelde flikkerende licht te overcompenseren; - het ontvangen van een invoersignaal dat 25 representatief is voor het resultaat van een vergelijking tussen de resulterende retinale lichtflikkering zoals waargenomen door het individu voor het ondergecompenseerde testgebied en de resulterende retinale flikkeringintensiteit voor het uiteindelijk overgecompenseerde testgebied; 30. het variëren van de waarde (n) van één of meer van de parameters die één of meer van het licht van de 1024238
2. Werkwijze volgens conclusie 1, waarin de . I gevarieerde parameter de modulatiediepte van het licht van de I strooilichtbron is. I
3. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, I waarin de gevarieerde parameter de modulatiediepte van het I 20 compensatielicht voor ten minste één van het ondergecompen- I seerde en overgecompenseerde testgebied is. I
4. Werkwijze volgens conclusie 3, waarin het perifere I licht van de omgevingen (18, 19) van de strooilichtbron een I luminantie heeft die hoofdzakelijk gelijk is aan de I 25 luminantie van de strooilichtbron. I
5. Werkwijze volgens één der conclusies 1-4, waarin I de eerste en tweede compensatielichten achtereenvolgens I gepresenteerd worden. I
6. Werkwijze volgens één der conclusies 1-4, waarin I 30 de .eerste en tweede compensatielichten simultaan I gepresenteerd worden. I
7. Werkwijze volgens conclusie 6, waarin het I testgebied ten minste een eerste en een tweede spatieel I 1024232 I gescheiden testveld omvat en waarin een eerste compensatielichtbron is gerangschikt op de positie van het eerste testveld en de tweede compensatielichtbron is gerangschikt op de positie van het tweede testveld.
8. Werkwijze volgens conclusie 7, omvattende na het invoersignaal ontvangen te hebben: - het variëren van de gesommeerde modulatiediepte van het compensatielicht van het ondergecompenseerde test veld en het overgecompenseerde testveld, terwijl een constant 10 verschil tussen de modulatiedieptes van de ondergecontpenseerde en overgecompenseerde testvelden behouden blijft; het herhalen van de stappen van het presenteren en het ontvangen door gebruik te maken van de gevarieerde 15 gesommeerde modulatiediepte totdat die modulatiediepte bepaald is waarin de waargenomen retinale lichtintensiteiten van het ondergecompensèerde en overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn.
9. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, 20' waarin een verschuiving in hetzij het ondercompensatie testveld hetzij het overcompensatie testveld toegevoegd wordt en waarbij de verschuiving afhangt van de hoeveelheid ondercompensatie en overcompensatie voor een bepaalde stimulus.
10. Werkwijze volgens conclusie 9, waarin de gemiddelde luminantie van het ondergecompenseerde testveld zodanig wordt ingesteld, dat deze overeenstemt met de gemiddelde luminantie van het overgecompenseerde testveld dat op hetzelfde moment gepresenteerd wordt.
11. Werkwijze volgens één van de voorafgaande conclusies, omvattende de stap van het presenteren van compensatielicht in één of meer van de testvelden zonder het presenteren van licht van de strooilichtbron teneinde de 1024232
12. Werkwijze volgens conclusie 11, waarin het I bepalen van de flikkerend-licht-detectiedrempel van het I 5 individu omvat: I - het presenteren van compensatielicht voor het va- I riêren van de verschillen in modulatiediepte in de testvelden I zonder het presenteren van licht van de strooilichtbron; en I - het bepalen van de waarde van het minimale I 10 modulatie diepteverschil dat door het individu kan worden I waargenomen. I
13. Werkwijze volgens een der voorafgaande I conclusies, omvattende: I - het bepalen van een eerste schatting van de I 15 strooilichtparameter door gebruik te maken van de werkwijze I van het variëren van het licht van de strooilichtbron; I - het bepalen van de tweede schatting van de I strooilichtparameter door gebruik te maken van de werkwijze I voor het variëren van de modulatiediepte van ten minste een I 20 van de testvelden, waarin de gepresenteerde modulatiediepten I gebaseerd zijn op de eerste schatting van de I strooilichtparameter. I
14. Werkwijze volgens conclusie 3 en 13, waarin de I de strooilichtbron een flikkerend licht met een maximale I 25 intensiteit presenteert. I
15. Werkwijze volgens een der voorafgaande I I conclusies, waarin de strooilichtbron ringvormig is. I
16. Werkwijze volgens een der conclusies 1-15, waarin I I de strooilichtbron één of meer puntbronnen omvat. I I 30
17. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusie, I I waarin het testgebied een cirkelvorm heeft, bij voorkeur I I verdeeld in twee gelijke delen. I I 1024232 I
18. Werkwijze volgens conclusie.17, waarin het testgebied gesitueerd is in het midden van de ring en de strooi lichtparameter s gedefinieerd is als: 5 s - Le, / (0,004 . l0log(ea/ex) . c) waarin de compensatieluminantie is die benodigd is in het testveld en c de luminantie is van een ringvormig strooilichtbron met een binnenste hoekradius van en een 10 buitenste hoekradius van θ2.
19. Werkwijze volgens één van de voorafgaande conclusies, waarin een ringvormige lichtbron van hoge intensiteit welke het testgebied omgeeft, voorzien wordt voor het isoleren van het testgebied van de omgeving.
20. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarih de strooilichtbron omgeven wordt door lichte gebieden, zoals een buitenste gebied 18 en een binnenste gebied 19, teneinde flikkering in deze gebieden te onderdrukken.
21. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarin de testvelden en/of de strooilichtbron gepresenteerd worden met verschillende kleuren teneinde de strooi lichtparameter in afhankelijkheid van de golflengte van het strooilicht te bepalen.
22. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarin het retinale strooilicht in beide ogen van een individu bepaald wordt.
23. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarin tussen opeenvolgende presentaties van 30 strooilicht en compensatielicht een beeld wordt gepresenteerd voor pre-adaptatie. t , 1024281
42 I
24. Werkwijze volgens conclusie 23, waarbij het beeld I een gemiddelde luminantie heeft die overeenstemt met de I gemiddelde luminantie gedurende de genoemde presentaties. I
25. Werkwijze volgens één van de voorafgaande 5 conclusies, verder omvattende de stap van het opslaan van I relevante gegevens, zoals de invoer van het individu, datum I en tijd. I
26. Werkwijze volgens één der voorafgaande I conclusies, waarin het testgebied voorzien wordt van I 10 versmeerde randen. I
27. Werkwijze volgens één der voorafgaande I conclusies, waarin variabele verschuivingen in de testvelden I van de test worden verschaft. I
28. Werkwijze volgens één der voorafgaande I 15 conclusies, waarin de óndercompensatie en overcompensatie van I de testvelden spatieel gemoduleerd worden. I
29. Werkwijze volgens conclusie 28, waarin de spa- I tiêle modulatie ongeveer 2-4 cycli per graad is. I
30. Werkwijze volgens één der voorafgaande I 20 conclusies, waarin het licht van de strooilichtbron gericht I wordt op de blinde vlek in het oog. I
31. Werkwijze volgens één der voorafgaande I conclusies, waarin de duur van de presentatie van het licht I van de strooilichtbron ten minste één compensatielichtbron I 25 gevarieerd wordt. I
32. Werkwijze volgens één der voorafgaande I conclusies, waarin de responstijd gevarieerd wordt binnen I welke het individu het resultaat van de vergelijking dient te I verschaffen. I 30
^ 33. Werkwijze volgens één der voorafgaande I conclusies, waarin de hoek (Θ) van de strooilichtbron I gevarieerd wordt. I 1024211 I
34. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarin de flikkerfrequentie van de compensatielichtbron en/of de strooilichtbron gevarieerd wordt.
35. Werkwijze volgens één der voorafgaande conclusies, waarin het testveld een niet-uniform testgebied is.
36. Inrichting voor het meten van de optische helderheid van het oog van een individu, omvattende: 10. eerste afbeeldmiddelen voor het presenteren aan het individu van een flikkerend strooilicht van een strooilichtbron die gepositioneerd is op een voorafbepaalde hoekafstand van een testgebied, waarbij een deel van het flikkerende strooilicht op een positie corresponderend met de 15 positie van het testgebied op de retina afgebeeld wordt; - tweede afbeeldmiddelen voor het aan een individu presenteren van compensatie licht van een compensatielichtbron die gerangschikt is op de positie in het testgebied, waarbij het compensatielicht in fase of in tegenfase met de 20 strooilichtbron is en voorzien is van een modulatiediepte, waaronder een modulatiediepte van nul, teneinde het genoemde deel van het op de retina op de met de positie van het testgebied overeenstemmende positie afgeheelde flikkerende strooilicht te ondercompenseren; 25. derde afbeeldmiddelen voor het aan het individu presenteren van compensatielicht van een compensatielichtbron die gerangschikt is op de positie van het testgebied, waarbij het compensatielicht flikkert met een modulatiediepte teneinde het genoemde deel van het op de met de positie van 30 het testgebied overeenstemmende positie afgeheelde flikkerende licht te overcompenseren; - invoermiddelen voor het ontvangen van een invoersignaal dat representatief is voor het resultaat van de 1024232 I 44 I I vergelijking tussen de resulterende retinale I I flikkeringsintensiteit zoals waargenomen door het individu I I voor het ondergecompenseerde strooilicht en de resulterende I I retinale flikkeringsintensiteit voor het overgecompenseerde I I 5 strooilicht; I I - eerste verwerkingsmiddelen voor het variëren van de I I waarde of waarden van één of meer van de parameters die ten I I minste één van het licht van de eerste, tweede en derde I I afbeeldmiddelen definiëren, I I 10 tweede verwerkingsmiddelen voor het bepalen, I I gebruik makend van de resultaten van de herhaling en het I I invoersignaal, van de modulatiediepten van de I I strooilichtbron, het ondergecompenseerde testgebied en het I I overgecompenseerde testgebied, waarin de waargenomen retinale I 15 lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en I I overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn; I I - derde verwerkingsmiddelen voor het berekenen uit de I bepaalde modulatiediepten van een strooilichtparameter die I I representatief is voor het door de strooilichtbron opgewekte I I 20 retinale strooilicht. I
37. Inrichting volgens conclusie 36, waarin de I I af beeldmiddelen een omhulling omvatten die de af beeldeenheid I I van omgevingslicht afschermt. I
38. Inrichting volgens conclusie 34, waarin de I I 25 invoermiddelen ten minste twee beantwoordingsknoppen omvatten I I voor het verzamelen van antwoorden van het individu op de I I gepresenteerde stimuli. I
38 I strooilichtbron en het licht van de compensatielichtbronnen I definiëren; I - het herhalen van de bovengenoemde stappen voor I verschillende waarden van de parameters; I 5. het bepalen, door gebruik te maken van de I resultaten van de herhalingen en gebaseerd op de I invoersignalen, van de modulatiedieptes van de I strooilichtbron, het ondergecompenseerde testgebied en het I overgecompenseerde testgebied waarin de waargenomen retinale I 10 lichtintensiteiten van het ondergecompenseerde en I overgecompenseerde testgebied in hoofdzaak gelijk zijn; I - het berekenen uit de bepaalde modulatiediepte van I een strooilichtparameter die representatief is voor het door I de strooilichtbron opgewekte retinale strooilicht. I
39. Inrichting volgens één der conclusies 36-38 I I waarin de eerste en tweede verwerkingsmiddelen gevormd worden I I 30 door een computer. I
40. Inrichting volgens één der conclusies 36-39, I I waarin de afbeeldmiddelen een kathodestraalbuis (Cathode Ray I I 1024232 I « « Tube, CRT) inrichting of een aantal licht uitzendende dioden (Light Emitting Diode, LED) inrichtingen omvatten.
40 I detectiedrempel van het flikkerende licht van het individu te I bepalen. I
41. Inrichting volgens één der conclusies 36-40, waarin de afbeeldmiddelen een digitale lichtverwerkings- 5 (Digital Light Processing, DLP) inrichting omvatten.
42. Inrichting volgens één der voorafgaande conclusies 36-41, waarin de afbeeldmiddelen, invoermiddelen en verwerkingsmiddelen geschikt zijn voor het uitvoeren van de werkwijze volgens één der conclusies 1-35. 10 1024282
NL1024232A 2003-09-05 2003-09-05 Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht. NL1024232C2 (nl)

Priority Applications (5)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1024232A NL1024232C2 (nl) 2003-09-05 2003-09-05 Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht.
US10/570,676 US7673991B2 (en) 2003-09-05 2004-08-12 Method and device for measuring retinal stray light
EP04774876.9A EP1659929B1 (en) 2003-09-05 2004-08-12 Method and device for measuring retinal stray light
PCT/NL2004/000569 WO2005023103A1 (en) 2003-09-05 2004-08-12 Method and device for measuring retinal stray light
JP2006525285A JP4823062B2 (ja) 2003-09-05 2004-08-12 網膜迷光を測定するための方法および装置

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1024232A NL1024232C2 (nl) 2003-09-05 2003-09-05 Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht.
NL1024232 2003-09-05

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL1024232C2 true NL1024232C2 (nl) 2005-03-08

Family

ID=34270801

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL1024232A NL1024232C2 (nl) 2003-09-05 2003-09-05 Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht.

Country Status (5)

Country Link
US (1) US7673991B2 (nl)
EP (1) EP1659929B1 (nl)
JP (1) JP4823062B2 (nl)
NL (1) NL1024232C2 (nl)
WO (1) WO2005023103A1 (nl)

Families Citing this family (18)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US9248047B2 (en) * 2006-01-23 2016-02-02 Ziemer Holding Ag System for protecting tissue in the treatment of eyes
CN100587443C (zh) * 2006-11-07 2010-02-03 中国科学院西安光学精密机械研究所 基于计算机全息光学元件的大口径杂光系数测试方法及其系统
JP2009031441A (ja) * 2007-07-25 2009-02-12 Sony Corp 投射型表示装置
RU2348343C1 (ru) * 2007-08-14 2009-03-10 Государственное учреждение "Курганский областной госпиталь ветеранов войн" Способ ранней диагностики изменений в сетчатке при метаболическом синдроме
WO2011091804A1 (en) 2010-01-29 2011-08-04 Tartu Ülikool (University Of Tartu) An apparatus for quantitative cataract diagnostics
JP5646870B2 (ja) * 2010-04-14 2014-12-24 一夫 市川 色覚検査装置、制御プログラム、及び前記色覚検査装置の制御方法
US9030657B2 (en) * 2010-07-14 2015-05-12 William P. Kuhn, Ph.D., Llc Device and method for subaperture stray light detection and diagnosis
ES2391192B2 (es) * 2011-04-28 2013-06-18 Universidad De Murcia Procedimiento y sistema para la medida de la difusión intraocular.
JP6411757B2 (ja) * 2014-03-17 2018-10-24 国立大学法人豊橋技術科学大学 表面欠陥検査員の検査能力判定装置および検査能力判定方法
JP6586597B2 (ja) * 2015-02-04 2019-10-09 株式会社トーメーコーポレーション 眼科検査装置
WO2017121466A1 (de) * 2016-01-12 2017-07-20 Deutsche Augenoptik AG Verfahren zur sehzeichendarstellung, sehzeichengerät, und rahmen zur befestigung an einem sehzeichengerät
EP3685131B1 (en) 2017-09-19 2022-09-07 Beckman Coulter, Inc. Analog light measuring and photon counting in chemiluminescence measurements
FR3083975B1 (fr) * 2018-07-20 2020-10-16 Univ Sorbonne Dispositif d'observation oculaire
CN110420009B (zh) * 2019-08-30 2021-09-21 北京大学第三医院(北京大学第三临床医学院) 一种针对不同感光细胞动态视觉刺激视标测试系统
CN111035358B (zh) * 2019-12-28 2022-03-11 重庆贝奥新视野医疗设备有限公司 一种眼底照相机的消杂光系统及其工作方法
EP3881752B1 (en) * 2020-03-20 2025-08-13 Essilor International System for determining a subjective value of an optical feature of at least a corrective lens adapted to an eye of a subject and associated method
DE102021105586B3 (de) 2021-03-09 2022-05-19 Technische Universität Ilmenau Verfahren und Vorrichtung zur objektiven elektrophysiologischen Bestimmung des wahrgenommenen Streulichts des menschlichen Auges
CN115147293B (zh) * 2022-05-25 2025-03-25 国家卫星气象中心(国家空间天气监测预警中心) 一种晨昏轨道卫星微光通道杂散光去除方法及装置

Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4854692A (en) * 1987-08-31 1989-08-08 Kowa Company Ltd. Ophthalmic examination apparatus
EP0366421A1 (en) * 1988-10-28 1990-05-02 Kowa Company Ltd. Ophtalmic measuring method and apparatus
US5284149A (en) * 1992-01-23 1994-02-08 Dhadwal Harbans S Method and apparatus for determining the physical characteristics of ocular tissue
EP0724858A1 (en) * 1995-02-02 1996-08-07 Nidek Co., Ltd Ophthalmic measuring apparatus
US5632282A (en) * 1993-07-20 1997-05-27 Hay; S. Hutson Ocular disease detection apparatus
US5671039A (en) * 1992-10-19 1997-09-23 Leica Inc. Glare tester
US20030038921A1 (en) * 2001-03-15 2003-02-27 Neal Daniel R. Tomographic wavefront analysis system and method of mapping an optical system

Family Cites Families (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JP3396554B2 (ja) * 1995-02-02 2003-04-14 株式会社ニデック 眼科測定装置
KR100237686B1 (ko) * 1997-11-06 2000-01-15 윤종용 플리커 레벨 측정 방법 및 장치

Patent Citations (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4854692A (en) * 1987-08-31 1989-08-08 Kowa Company Ltd. Ophthalmic examination apparatus
EP0366421A1 (en) * 1988-10-28 1990-05-02 Kowa Company Ltd. Ophtalmic measuring method and apparatus
US5284149A (en) * 1992-01-23 1994-02-08 Dhadwal Harbans S Method and apparatus for determining the physical characteristics of ocular tissue
US5671039A (en) * 1992-10-19 1997-09-23 Leica Inc. Glare tester
US5632282A (en) * 1993-07-20 1997-05-27 Hay; S. Hutson Ocular disease detection apparatus
EP0724858A1 (en) * 1995-02-02 1996-08-07 Nidek Co., Ltd Ophthalmic measuring apparatus
US20030038921A1 (en) * 2001-03-15 2003-02-27 Neal Daniel R. Tomographic wavefront analysis system and method of mapping an optical system

Also Published As

Publication number Publication date
US7673991B2 (en) 2010-03-09
US20070273833A1 (en) 2007-11-29
EP1659929B1 (en) 2015-07-22
JP2007533352A (ja) 2007-11-22
JP4823062B2 (ja) 2011-11-24
WO2005023103A1 (en) 2005-03-17
EP1659929A1 (en) 2006-05-31

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL1024232C2 (nl) Werkwijze en inrichting voor het meten van retinaal strooilicht.
JP4464726B2 (ja) 眼科装置
CA2514807C (en) Ophthalmic data measuring apparatus, ophthalmic data measurement program and eye characteristic measuring apparatus
Marcos et al. On the symmetry between eyes of wavefront aberration and cone directionality
US8210681B2 (en) Method and device for assessing the field of vision
EP3223679B1 (en) Photobleaching device and method and dark adapted perimetry device and dark adapted perimetry method
JP6471403B2 (ja) 検眼装置
EP1330979A2 (en) Contrast sensitivity measuring device &amp; method
US20130321764A1 (en) Systems and methods for imaging the fundus of the eye
JP4318463B2 (ja) 矯正データ測定装置、矯正データ測定プログラム、矯正データ測定プログラムを記録した記録媒体及び眼特性測定装置
JP2002233502A (ja) コントラストチャート装置
JP2006034744A (ja) 眼科装置
Miller et al. Quantification of the Brückner test for strabismus.
EP2710950B1 (en) Method and system for measuring intraocular scattering
US7058212B2 (en) Arrangement and method for determining the two-dimensional distribution of fundus pigments, particularly of the macular pigment xanthophyll
JP2004337236A (ja) 眼科データ測定装置、眼科データ測定プログラム、眼科データ測定プログラムを記録した記録媒体
CN120282744A (zh) 确定测试对象的视觉锐度特性的方法、经适配的视标的用途和装置
US10165943B2 (en) Ophthalmic method and apparatus for noninvasive diagnosis and quantitative assessment of cataract development
US20080231804A1 (en) Vivo Spatial Measurement of the Density and Proportions of Human Visual Pigments
Barbur et al. Methods for the measurement and analysis of light scattered in the human eye
Sánchez et al. Transmittance measurement of the in vivo human eye with a double-pass system
US10413171B2 (en) Ophthalmic method and apparatus for noninvasive diagnosis and quantitative assessment of cataract development
Citek Contrast sensitivity function
Labhishetty Accommodative lags and leads: Fact or fiction
Ayama et al. Estimation of straylight in the eye and its relation to visual function

Legal Events

Date Code Title Description
PD2B A search report has been drawn up
UD Registration of licences with regard to patents

Effective date: 20051124

MM Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20191001