<Desc/Clms Page number 1>
Elektrodynamische inrichting
EMI1.1
De uitvinding heeft betrekking op een elektrodynamische inrichting omvattende een beweegbaar permanent magnetisch deel (rotor) en een elektromagnetische stator omvattende een drager zoals een plaat of folie, een aantal wikkelingen bestaande uit serieel via doorverbindingen elektrisch doorverbonden spiraalvormige eerste en tweede spoelen op respectievelijk de eerste en de tegenovergelegen tweede zijde van de drager, alsmede een aantal fasen ieder omvattende minstens één wikkeling.
In overeenstemming met een veel voorkomend gebruik wordt onder "rotor" bewegende deel van de inrichting verstaan. Dit hoeft dus niet een roterend deel te zijn hoewel het dat wel kan zijn. Behalve roterend kan de rotor translerend zijn of een gecombineerde translerende en roterende beweging uitvoeren. De rotor kan schijfvormig of cilindrisch zijn. Vormt de inrichting een elektrische motor dan kan deze van het type met axiaal veld of radiaal veld zijn.
Het is bekend (WO 90/07220, herewith incorporated by reference) om een inrichting van de in de aanhef vermelde soort te voorzien van een stator die is opgebouwd uit een aantal op elkaar gestapelde dragers, waarbij iedere drager is voorzien van een aantal in serie staande spoelen die gezamenlijk een der fasen van de inrichting vormen. Het betreft een elektronisch gecommuteerde axiaal-veld motor in platte uitvoering. Dit soort motoren wordt in toenemende mate toegepast, bijvoorbeeld voor het aandrijven van contactloos uitleesbare informatieschijven zoals optische schijven of magneetschijven van magneetschijfgeheugens met aërodynamisch zwevende magneetkoppen (zogenaamde Winchester drives).
Het aantal gestapelde dragers is bij de bekende inrichting altijd gelijk aan, of een veelvoud van, het aantal toegepaste fasen. Ter vermijding van ruimteverlies worden de spoelen op iedere drager in een zo compact mogelijk regelmatig patroon op de dragers aangebracht. Het is noodzakelijk dat dit patroon overeenstemt met het patroon van de magnetische polen van de rotor. De tot een fase behorende spoelen worden immers steeds allen tegelijk ingeschakeld. Het is zodoende bij de bekende
<Desc/Clms Page number 2>
inrichting niet mogelijk om zonder ruimteverlies het aantal spoelen per fase te doen afwijken van het aantal polen van de rotor. Dit is niettemin in vele gevallen gewenst met het oog op het minimaliseren van pulsaties in het op de rotor uitgeoefende koppel om de optredende snelheidsvariaties in de beweging van de rotor zo veel mogelijk te reduceren.
Dit is vooral bij kleine motoren met een rotor van geringe massa van belang ter garandering van de gewenste gelijkloopeigenschappen van de inrichting.
Vooral bij een rotor van kleine afmetingen is de grootte van de tot de Lorentzkrachten bijdragende component van het magnetische veld sterk afhankelijk van de afstand tot de rotor. Bij de bekende inrichting zal daarom per fase, afhankelijk van de afstand van de betreffende drager tot de rotor, bij een fasestroom van dezelfde grootte per fase een andere aandrijvende kracht op de rotor worden uitgeoefend. Ook hierdoor ontstaat een nadelig effect op de gelijkloopeigenschappen.
De uitvinding beoogt een inrichting van de in de aanhef vermelde soort te verschaffen die een goed gebruik van de beschikbare ruimte combineert met goede gelijkloopeigenschappen. De inrichting volgens de uitvinding heeft daartoe tot kenmerk, dat de drager alle fasen draagt.
Het voordeel van de uitvinding is, dat het aantal dragers dat wordt toegepast niet afhankelijk is van het aantal toegepaste fasen. Alle fasen zijn immers aanwezig op iedere drager. Naar wens kunnen inrichtingen worden voorzien van een enkele drager of van een stapeling van meerdere dragers.
Per drager bevinden zich alle fasen in hetzelfde vlak en dus ook op dezelfde afstand van de rotor. Ook wanneer een stapeling van meerdere dragers wordt gebruikt geven dus alle fasen steeds dezelfde bijdrage aan de op de rotor uitgeoefende aandrijvende kracht. Iedere fase omvat immers spoelen op alle dragers van de stapeling.
Het is mogelijk de inrichting volgens de uitvinding, in tegenstelling tot de genoemde bekende inrichting, te voorzien van een rotor met acht of tien polen in combinatie met een stator met drie fasen en twee spoelen per fase, dus met zes spoelen aan iedere zijde van een drager. Op dezelfde wijze kunnen bijvoorbeeld twaalf polen worden gecombineerd met negen spoelen.
Een voordelige uitvoeringsvorm van de uitvinding heeft tot kenmerk, dat de wikkelingen bestaan uit elektrisch geleidende sporen op de drager, dat de doorverbindingen ten minste een elektrisch geleidend verbindend spoor omvatten en dat elk
<Desc/Clms Page number 3>
verbindend spoor voor een eerste deel aan de eerste en voor een tweede deel aan de tweede zijde van de drager is gelegen. Deze uitvoeringsvorm maakt het mogelijk om de inrichting te vervaardigen met behulp van moderne methoden voor het aanbrengen van sporen op een drager, zoals etsprocédés of fotolithografische methoden.
Door de verbindende sporen steeds voor een deel aan de ene zijde en voor een ander deel aan de andere zijde van de drager te laten verlopen kunnen zeer compacte en ruimtesparende patronen worden toegepast, hetgeen bij de bespreking van de tekening verder duidelijk zal worden.
Elke spoel met zijn verbindende sporen en doorverbindingen naar de andere zijde van de drager is identiek aan elke andere spoel met zijn verbindende sporen en doorverbindingen. Per fase zijn dus tijdens gebruik identieke stroompatronen aanwezig. Zelfs de doorverbindingen voldoen aan de eisen met betrekking tot de ruimtelijke verschuiving tussen de fasen.
Een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding heeft tot kenmerk, dat de rotor roteerbaar is om een as, dat de spoelen in een gelijkmatig patroon gelijkmatig rondom de as verdeeld zijn, dat de eerste en tweede spoelen in een projectie parallel aan de as in hoofdzaak op elkaar vallen, dat ieder verbindend spoor voor de helft aan de eerste zijde en voor de helft aan de tweede zijde is gelegen en dat de verbindende sporen een regelmatig patroon vormen dat in aanzicht op de eerste en tweede zijden van de drager identiek is.
Een zodanig uitgevoerde inrichting heeft een aantal belangrijke voordelen voor kleine platte elektrische motoren bijvoorbeeld ten gebruike in magnetische schijfgeheugens. Een dergelijk schijfgeheugen is eerder voorgesteld in de eerdere nog niet gepubliceerde Europese octrooiaanvrage 92201654. 8 (PHN 14. 087, herewith incorporated by reference). Door de regelmatige verdeling van de spoelen is een compacte motor mogelijk met gunstige gelijkloopeigenschappen. Doordat ieder verbindend spoor voor de helft aan de ene zijde en voor de helft aan de andere zijde van de drager loopt hoeven nergens op de drager de verbindende sporen die aan een zelfde zijde van de drager zijn gelegen naast elkaar te lopen. Dit betekent dat op de drager voor de verbindende sporen slechts ruimte hoeft te worden gereserveerd voor het aanbrengen van een enkel verbindend spoor.
Ook dit zal duidelijker worden bij de bespreking van de tekening.
Een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding heeft tot kenmerk, dat
<Desc/Clms Page number 4>
verdere elektrisch geleidende sporen aanwezig zijn en dat de verdere elektrisch geleidende sporen aansluitsporen omvatten aan de uiteinden van de fasen voor de afzonderlijke aansluiting van elk der fasen aan externe elektrische stroomvoedingsmiddelen.
Bij deze uitvoeringsvorm staan de uiteinden van elk der fasen ter beschikking voor elektrische aansluitingen. Worden de wikkelingen bijvoorbeeld in een sterschakeling opgenomen, dan kan het sterpunt door externe doorverbinding van de wikkelingen gerealiseerd worden. Het is evenwel mogelijk de wikkelingen naar wens op
EMI4.1
andere wijze te schakelen. Nog een andere mogelijkheid is om met behulp van geschikte C > externe middelen de schakeling omschakelbaar te maken, bijvoorbeeld van een driehoek naar een sterschakeling. Desgewenst wordt elke spoel voorzien van een aansluitspoor voor externe verbinding. Deze vrijheid kan van belang zijn voor een inrichting die bij starten vanuit stilstand initieel een hogere aandrijvende kracht moet leveren dan in een later stadium waarin de inrichting reeds een bepaalde snelheid heeft overschreden.
Dit kan bijvoorbeeld van groot belang zijn voor een motor voor de aandrijving van een magnetisch schijfgeheugen voorzien van een fluidum dynamische lagering en aerodynamisch van de schijf gescheiden magneetkoppen.
Een voorkeursuitvoering van de uitvinding heeft tot kenmerk, dat de stator een stapeling van meerdere in hoofdzaak identieke dragers omvat, dat per drager de uiteinden van de genoemde aansluitsporen aan verschillende zijden van de drager liggen en in een projectie parallel aan de as samenvallen en dat de uiteinden van de gelijksoortige aansluitsporen op de naar elkaar toegerichte zijden van de dragers op elkaar vallen en elektrisch met elkaar zijn doorverbonden zodat alle spoelen per fase serieel zijn doorverbonden.
Bij deze uitvoeringsvorm kunnen de patronen op de dragers geheel identiek zijn zodat alle dragers met optische middelen vervaardigd kunnen worden met behulp van slechts een enkel maskerontwerp. Daar de aansluitsporen boven elkaar zijn gelegen werken de magnetische stoorvelden afkomstig van de elektrische stromen in de aansluitsporen elkaar tegen. Uitwendig is dus geen effectieve bijdrage aan storende velden aanwezig.
Desgewenst kan een variant van deze voorkeursuitvoeringsvorm worden gebruikt met het kenmerk, dat de stator een stapeling van meerdere in hoofdzaak identieke dragers omvat, dat de stapeling bestaat uit een aantal deelstapelingen, dat per
<Desc/Clms Page number 5>
EMI5.1
drager de uiteinden van de genoemde aansluitsporen aan verschillende zijden van de drager liggen en in een projectie parallel aan de as samenvallen, dat per deelstapeling de uiteinden van de gelijksoortige aansluitsporen op de naar elkaar toegerichte zijden van de dragers op elkaar vallen en elektrisch met elkaar zijn doorverbonden zodat in de deelstapeling alle spoelen per fase serieel zijn doorverbonden en dat de deelstapelingen extern met elkaar elektrisch zijn verbonden.
De deelstapelingen kunnen, al dan niet tijdelijk, parallel geschakeld worden ter verkrijging van een, al dan niet tijdelijke, hogere aandrijvende kracht. Om praktische redenen kan het daarbij van voordeel zijn om de elektrische aansluitingen van de deelstapelingen ruimtelijk gezien op enige afstand van elkaar te situeren.
De uitvinding zal nu, uitsluitend ter nadere verduidelijking, worden toegelicht aan de hand van de tekening die betrekking heeft op mogelijke uitvoeringsvormen waartoe echter de uitvinding niet beperkt is en waarin Figuur 1 een schematische langsdoorsnede is van een uitvoeringsvorm van de uitvinding bestaande uit een data-opslageenheid, Figuur 2 een doorsnede is volgens III-III in Fig. l, Figuur 3 een aanzicht is van een drager in de vorm van een folie met een schematische weergave van een geleiderpatroon, Figuur 4 een aanzicht is op een folie met een geleiderpatroon volgens het schema van Fig. 3, Figuur 5 een aanzicht is op de andere zijde van de folie van Fig. 4, Figuur 6 een schema is van een stator opgebouwd uit drie deelstapelingen I-M van dragers, Figuur 7 een aanzicht is op een folie met een afwijkend geleiderpatroon en Figuur 8 een schema als Fig.
3 van een afwijkend geleiderpatroon.
De in de figuren 1 en 2 weergegeven data-opslageenheid omvat een behuizing 1 die is voorzien van twee parallelle hoofdwanden 3 en 4 en vier de hoofdwanden verbindende zijwanden 5, 6, 7 en 8. De behuizing 1 vormt een althans nagenoeg geheel gesloten cassette, waarin zich een om een rotatie-as 9a roteerbare
<Desc/Clms Page number 6>
informatieschijf 9, een elektrische aandrijfeenheid 11 voor het roterend aandrijven van de informatieschijf 9 en een aftastinrichting voor het aftasten van de informatieschijf 9 bevinden.
De aandrijfeenheid 11 is uitgevoerd als een axiaal-veld motor, die is voorzien van een rotor 14 met een permanent gemagnetiseerde meerpolige rotormagneet
EMI6.1
15, bij voorkeur een high-energy magnet, bijvoorbeeld uit NdFeB. De stator 16 bestaat b uit twee delen 17 en 18. De rotormagneet 15, die roteerbaar is om een met de rotatie-as 9a samenvallende rotoras 15a, is axiaal gemagnetiseerd en tegenover elk van de statordelen 17 en 18 voorzien van magnetische polen, in dit voorbeeld acht. De statordelen 17 en 18 werken over een luchtspleet 19 respectievelijk 20 met de rotormagneet 15 samen en zijn op de hoofdwanden 3 respectievelijk 4 aangebracht.
De informatieschijf 9 is in dit voorbeeld een zogenaamde harde magneetschijf met een drager waarop aan twee zijden een magnetische laag aanwezig is waarin informatie is opgeslagen of kan worden opgeslagen. De informatieschijf is voorzien van een centrale opening waardoorheen de rotormagneet 15 steekt. Om de rotormagneet 15 is een ringvormig lichaam 21 aanwezig, bijvoorbeeld uit materiaal zoals ijzer, waarop de informatieschijf 9 is gecentreerd en met behulp van een ring 23 is bevestigd. Het zacht-magnetische lichaam 21 schermt de informatieschijf 9 af tegen strooiflux van de aandrijfeenheid 11.
De aftastinrichting omvat in dit voorbeeld aan weerszijden van de
EMI6.2
informatieschijf 9 een aftasteenheid 13. Elke aftasteenheid 13 bevindt zich in een ruimte i 25 of 27 tussen de informatieschijf 9 en een van de hoofdwanden 3 respectievelijk 4 en omvat een op een zwenkarm 29 aangebrachte magneetkop voor het inschrijven en/of uitlezen van informatie.
De data-opslageenheid bezit van een lagering voor het ten opzichte van
EMI6.3
de behuizing 1 laa de van de rotor 14 en de daaraan bevestigde informatieschijf 9. De lagering omvat een tweetal hydrodynamische spiraalgroeflagers 31 en 32 die elk zijn voorzien van een bolsegmentvormig lagerdeel 31a respectievelijk 32b. De lagerdelen 31a en 32a hebben elk een glad lageroppervlak en zijn bevestigd aan de rotor 14. De lagerdelen 31b en 32b zijn elk voorzien van een lageroppervlak met een groevenpatroon en zijn bevestigd aan de hoofdwanden 3 respectievelijk 4. Tijdens rotatie van de rotor 14 brengen de groevenpatronen een drukopbouwwerking in een zich tussen de lageroppervlakken van de onderscheidenlijke spiraalgroeflagers 31 en 32 bevindend medium,
<Desc/Clms Page number 7>
zoals vet of olie, teweeg.
Elk deel 17 of 18 van de stator 16 omvat een aantal dragers zoals een folie 41 zoals schematisch is weergegeven in figuur 3 in een uitvoeringsvorm met een van figuur 2 afwijkend aantal wikkelingen.
De schematische wijze van weergeven van figuur 3 heeft het voordeel dat de uitvinding makkelijker kan worden toegelicht. In werkelijkheid zal de folie voorzien van wikkelingen de gedaante hebben van figuur 4. Aangezien beide figuren 3 en 4 dus betrekking hebben op hetzelfde onderdeel, de ene maal in een schematische weergave en de andere maal in een werkelijkheidsgetrouwe weergave, worden in de beide figuren 3 en 4 dezelfde verwijzingscijfers gebruikt.
De folie 41 bestaat uit elektrisch isolerend materiaal, bijvoorbeeld uit polyimide. De folie is aan beide zijden voorzien van een goed geleidende metaallaag, bijvoorbeeld uit koper. Met behulp van een masker en een geschikte fotolythografische werkwijze is een spoelenpatroon gegenereerd door het gewenste patroon eerst over te brengen in een laklaag, opgebracht op de metaallagen, waarna de patronen daarin worden uitge tst. De elektromagnetische stator omvat een aantal wikkelingen die ieder bestaan uit serieel via doorverbindingen elektrisch doorverbonden spiraalvormige eerste spoelen 43 op een eerste zijde van de drager 41 en daar tegenovergelegen, in de tekening nauwelijks zichtbare tweede spoelen 45 op de tegenovergelegen tweede zijde van de drager. Figuur 5 toont een aanzicht op de eerste zijde van de drager 41.
Elke spoel 43 spiraliseert van buiten naar binnen en is via een centrale doorverbinding 47 verbonden met het centrum van een tweede spoel 45 aan de tweede zijde van de drager 41 die van binnen naar buiten spiraliseert. Het patroon van de tweede spoel valt in projectie praktisch samen met het patroon van de eerste spoel. Elke eerste spoel 43 is zodoende serieel doorverbonden met een tweede spoel 45 aan de andere zijde. De bij elkaar behorende eerste en tweede spoelen vormen samen wikkelingen.
In figuur 3, die zoals reeds eerder gezegd een schematische voorstelling is van het deel van de stator dat in figuur 4 wordt getoond, zijn de wikkelingen genoemd Wh W2, W3, Uj, U2, U3 en Vt V2, V3. De wikkelingen U, tot en met U3 zijn serieel met elkaar doorverbonden en vormen een eerste fase. Op dezelfde wijze vormen de wikkelingen V, tot en met V3 en W, tot en met W3 een tweede respectievelijk een derde fase. Iedere fase kan door twee op de drager 41 aanwezige aansluitsporen met externe stroomtoevoermiddelen worden verbonden. In figuur 3 zijn de geleiders die aanwezig zijn op de eerste zijde van de
<Desc/Clms Page number 8>
EMI8.1
drager 41 aangegeven met ononderbroken lijnen.
Geleiders aanwezig op de tegenovergelegen tweede zijde van de drager worden voorgesteld door onderbroken streeplijnen.
De aansluitsporen voor de eerste fase omvattende de wikkelingen Ui, U2 en U3 worden gevormd door de sporen u respectievelijk u*. De fasen gevormd door de wikkelingen V, tot en met worden aangesloten via de aansluitsporen v, v* respectievelijk w, w*. In het vervolg zal gemakshalve gesproken worden van de drie fasen U, V en W.
Uitgaande van dragers 41 voorzien van met elkaar doorverbonden, fasen vormende, wikkelingen kan een stator van een elektromotor worden opgebouwd bestaande uit een of meer op elkaar gestapelde dragers 41. Zo kan dezelfde drager voorzien van eenzelfde spoelenpatroon voor verschillende motoren gebruikt worden met verschillende vermogens. Hiervoor is het niet van belang dat de wikkelingen worden gevormd door elektrisch geleidende sporen. Het is voor de uitvinding ook mogelijk om uit te gaan van draadgewonden wikkelingen en draadvormige verbindingsspoelen.
Zoals reeds vermeld heeft de figuur 4 betrekking op een uitvoeringsvorm waarbij de wikkelingen bestaan uit elektrisch geleidende sporen op de drager 41. Ook de doorverbindingen worden gevormd door elektrisch geleidende verbindende sporen waarbij in de getoonde uitvoeringsvorm elk verbindend spoor voor een eerste deel aan de eerste en voor een tweede deel een de tweede zijde van de drager 41 is gelegen.
Aansluitspoor U is verbonden met de buitenzijde van de spoel 45 van de wikkeling U1.
De centrale doorverbinding 47 verbindt de spoel 43 met een spoel aan de andere zijde. De buitenzijde van deze tweede tot de wikkeling U1 behorende spoel is aan de buitenzijde via een doorverbinding 49a, 49b elektrisch doorverbonden met de eerste spoel aan de eerste zijde van de drager 41 van de wikkeling U2. Het gedeelte 49a van de doorverbinding ligt aan de tweede zijde van de drager 41, het gedeelte 49b aan de eerste zijde. De beide delen 49a en 49b zijn met elkaar doorverbonden via een door de drager 41 aangebrachte elektrisch geleidende doorverbinding 51.
De spoelen behorende tot de wikkelingen U2 en U3 zijn op soortgelijke wijze met elkaar doorverbonden, terwijl de buitenzijde van de aan de tweede zijde van de drager 41 gelegen tweede spoel van de wikkeling U3 via een doorverbinding 53a, 53b via een tweetal dwars door de drager gaande doorverbindingen 55 en 57 elektrisch geleidend is verbonden met het aansluitspoor u*. De wikkelingen behorende tot de fasen v en w zijn op soortgelijke wijze met elkaar elektrisch geleidend doorverbonden en ook met de aansluitsporen v, v*
<Desc/Clms Page number 9>
en w, w*.
Dragers 41 voorzien van de in figuur 4 getoonde spoelenpatronen en geleiderpatronen zijn bedoeld voor motoren met een rotor die om een as door het centrum 59 roteerbaar is. De spoelen zijn in een gelijkmatig patroon rondom het centrum 59 verdeeld. De eerste en tweede spoelen 43 respectievelijk 45 vallen in een projectie parallel aan een as door het centrum 59 en loodrecht op de drager in hoofd-
EMI9.1
zaak op elkaar. De verbindende sporen 49a, 49b enz. liggen aan verschillende zijden i van de drager en zijn in hoofdzaak even lang, zodat de verbindende sporen voor de helft aan de eerste zijde en voor de helft aan de tweede zijde zijn gelegen. De twee delen zijn met elkaar doorverbonden door een dwars door de drager gaande elektrische doorverbinding zoals de doorverbinding 51 of 55. Ook de verbindende sporen vormen een regelmatig patroon.
Deze regelmatige patronen zijn zodanig gekozen dat ze in aanzicht op de eerste en tweede zijde van de drager identiek zijn. Ter illustratie hiervan is in figuur 5 de tweede zijde van de drager 41 met de daarop aanwezige spoelenpatroon en patroon van geleiders weergegeven.
De dragers zoals weergegeven in de figuren 3 tot en met 5 voorzien van de betreffende patronen zijn zeer geschikt voor het vormen van een stator voor een elektrodynamische inrichting waarbij de stator een stapeling van meerdere identieke of althans in hoofdzaak identieke dragers omvat. Per drager vallen de uiteinden van de aansluitsporen u, v en w aan de eerste zijde van de drager in een projectie parallel aan een as loodrecht op de tekening in projectie samen met de uiteinden van de aansluitsporen u*, v* en w*. Hierdoor is het heel eenvoudig om alle spoelen per fase op de verschillende dragers serieel met elkaar door te verbinden, namelijk door de uiteinden van de gelijksoortige aansluitsporen op de naar elkaar toegerichte zijden van de dragers op elkaar te laten vallen en elektrisch met elkaar door te verbinden.
Zo is een aansluitspoor U van de ene drager direct onder een spoor u* van een tweede drager te positioneren waarna ook de sporen v en w respectievelijk v* en w* op de twee dragers tegenover elkaar zijn gelegen en makkelijk direct elektrisch met elkaar zijn te verbinden. Hierdoor ontstaat een stator waarvan elk van de fasen spoelen omvat in elk van de op elkaar gestapelde dragers en wel op volkomen symmetrische wijze.
Een andere mogelijkheid ontstaat door een stator te vormen wederom uit een stapeling van meerdere in hoofdzaak identieke dragers 41, waarbij de stapeling evenwel bestaat uit een aantal deelstapelingen. Figuur 6 geeft een schema weer van een
<Desc/Clms Page number 10>
EMI10.1
dergelijke stator die is opgebouwd uit drie deelstapelingen I, n en TITI. Net als bij de hiervoor besproken uitvoeringsvorm liggen per drager de uiteinden van de aansluitsporen naar verschillende zijden in projectie parallel aan de as van de rotor boven elkaar.
Per deelstapeling zijn net als eerder besproken de uiteinden van de gelijksoortige aansluitsporen op de naar elkaar toegerichte zijden van de dragers boven elkaar aangebracht en elektrisch met elkaar doorverbonden zodat in de deelstapeling alle spoelen per fase serieel zijn doorverbonden. In het schema van figuur 6 wordt ervan uitgegaan dat elk van de deelstapelingen twee dragers A en B omvat. De wikkelingen U van de drager A zijn serieel met elkaar doorverbonden tot een fase UA. Op dezelfde wijze is op drager B een fase Voor de wikkelingen V en W geldt hetzelfde zodat in de stapeling I fasen VA, VB zijn. Hetzelfde geldt voor de stapelingen n en III. Extern zijn de deelstapelingen I tot en met m serieel door middel van de symbolisch door stippellijnen aangegeven aansluitingen 79-81 met elkaar elektrisch doorverbonden.
Figuur 7 toont een andere uitvoeringsvorm van een van een spoelenpatroon voorziene drager voor een inrichting volgens de uitvinding, waarbij de spoelen op soortgelijke wijze als in figuur 6 op tegenovergelegen zijden van de drager 61 met elkaar zijn doorverbonden en verder verbindende sporen aanwezig zijn om de spoelen met elkaar serieel te verbinden tot fasen U, V en W, elk omvattende een tweetal wikkelingen. Het aansluitspoor u is verbonden met de spoel 63 die centraal via een dwars door de drager gaande elektrische doorverbinding 65 is verbonden met het centrum van een andere zijde van de drager 61 gelegen niet in de tekeningen zichtbare tweede spoel. Deze tweede spoel van de wikkeling U is via een doorverbinding 67 doorverbonden met de eerste spoel 69 van de wikkeling U2.
De verbinding vindt plaats via een dwars door de drager aangebrachte doorverbinding 71 die via een aan de tegenoverliggende zijde van de drager aanwezig verder verbindingsspoor is verbonden e > met de tweede spoel van de wikkeling Ul. aan de tegenovergelegen zijde van de drager gelegen tweede tot de wikkeling U2 behorende niet in de tekening zichtbare spoel is op soortgelijke wijze via een aan de tweede zijde liggend geleidend spoor via een doorverbinding 73 en een verbinding 75 en een volgende doorverbinding 77 verbonden t > met het tegenover het aansluitspoor u aan de andere zijde van de drager gelegen aansluitspoor. De wikkelingen behorende tot de fasen V en W zijn op soortgelijke wijze met de aansluitsporen v, w en de daar tegenover aan de andere zijde van de drager 61
<Desc/Clms Page number 11>
gelegen sporen verbonden.
Ook bij de uitvoeringsvorm volgens figuur 7 geldt weer dat de spoelen zowel als de doorverbindingen en de aansluitsporen regelmatige patronen vormen zodat de dragers van figuur 7 op soortgelijke wijze kunnen worden gebruikt in uitvoeringsvormen zoals hiervoor zijn besproken aan de hand van het voorbeeld van figuur 4.
Ter illustratie dat met gebruikmaking van de inzichten van de uitvinding ook elektrodynamische inrichtingen zijn te vervaardigen die afwijken van de hiervoor beschreven voorbeelden is in figuur 8 zeer schematisch getoond dat ook gebruik gemaakt kan worden van dragers waarop twee fasen U en V aanwezig zijn elk omvattende vier wikkelingen U, tot en met U4 respectievelijk V, tot en met V4. Ook hierbij is het mogelijk om zeer regelmatige patronen te realiseren zowel van de spoelen als van de elektrisch geleidende verbindende sporen.
Verdere nog niet eerder genoemde voordelen van de uitvinding kunnen zich voordoen afhankelijk van de gebruikte uitvoeringsvorm en het toepassingsgebied.
Ook kunnen verdere voordelen duidelijk worden bij vergelijking van de uitvinding met andere dan de genoemde bekende stand van de techniek.
Hoewel in het voorgaande de uitvinding is toegelicht aan de hand van de tekening, dient te worden vastgesteld dat de uitvinding geenszins tot de in de tekening getoonde uitvoeringsvormen is beperkt. De uitvinding strekt zich mede uit tot alle van de tekening afwijkende uitvoeringsvormen binnen het door de conclusies gedefinieerde kader die gebruik maken van het basisidee van de uitvinding, dat inhoudt dat bij een elektrodynamische inrichting met een permanent magnetische rotor en op n of meer dragers aangebrachte wikkelingen er voor gezorgd wordt dat per drager alle fasen aanwezig zijn.
Zo is het, bij wijze van voorbeeld, mogelijk om in afwijking van wat in de tekening wordt getoond, de uitvinding te gebruiken in een translerende motor. Ook is het mogelijk geheel afwijkende spoelpatronen te gebruiken en andere aantallen wikkelingen.
In afwijking van wat in Figuur 4-5 wordt getoond kunnen de verbindende sporen in plaats van aan de van de rotatie-as afgelegen zijde juist aan de naar de rotatieas toegekeerde zijde zijn gesitueerd.