NL7908037A - Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloei- stofstroom. - Google Patents

Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloei- stofstroom. Download PDF

Info

Publication number
NL7908037A
NL7908037A NL7908037A NL7908037A NL7908037A NL 7908037 A NL7908037 A NL 7908037A NL 7908037 A NL7908037 A NL 7908037A NL 7908037 A NL7908037 A NL 7908037A NL 7908037 A NL7908037 A NL 7908037A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
measuring chamber
liquid
valve
channel
discharge
Prior art date
Application number
NL7908037A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Foss Electric As N
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Foss Electric As N filed Critical Foss Electric As N
Publication of NL7908037A publication Critical patent/NL7908037A/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01JMANUFACTURE OF DAIRY PRODUCTS
    • A01J5/00Milking machines or devices
    • A01J5/007Monitoring milking processes; Control or regulation of milking machines
    • A01J5/01Milkmeters; Milk flow sensing devices
    • GPHYSICS
    • G01MEASURING; TESTING
    • G01FMEASURING VOLUME, VOLUME FLOW, MASS FLOW OR LIQUID LEVEL; METERING BY VOLUME
    • G01F13/00Apparatus for measuring by volume and delivering fluids or fluent solid materials, not provided for in the preceding groups
    • GPHYSICS
    • G01MEASURING; TESTING
    • G01FMEASURING VOLUME, VOLUME FLOW, MASS FLOW OR LIQUID LEVEL; METERING BY VOLUME
    • G01F15/00Details of, or accessories for, apparatus of groups G01F1/00 - G01F13/00 insofar as such details or appliances are not adapted to particular types of such apparatus
    • G01F15/08Air or gas separators in combination with liquid meters; Liquid separators in combination with gas-meters
    • GPHYSICS
    • G01MEASURING; TESTING
    • G01FMEASURING VOLUME, VOLUME FLOW, MASS FLOW OR LIQUID LEVEL; METERING BY VOLUME
    • G01F3/00Measuring the volume flow of fluids or fluent solid material wherein the fluid passes through the meter in successive and more or less isolated quantities, the meter being driven by the flow
    • G01F3/36Measuring the volume flow of fluids or fluent solid material wherein the fluid passes through the meter in successive and more or less isolated quantities, the meter being driven by the flow with stationary measuring chambers having constant volume during measurement
    • G01F3/38Measuring the volume flow of fluids or fluent solid material wherein the fluid passes through the meter in successive and more or less isolated quantities, the meter being driven by the flow with stationary measuring chambers having constant volume during measurement having only one measuring chamber
    • GPHYSICS
    • G01MEASURING; TESTING
    • G01NINVESTIGATING OR ANALYSING MATERIALS BY DETERMINING THEIR CHEMICAL OR PHYSICAL PROPERTIES
    • G01N1/00Sampling; Preparing specimens for investigation
    • G01N1/02Devices for withdrawing samples
    • G01N1/10Devices for withdrawing samples in the liquid or fluent state
    • GPHYSICS
    • G01MEASURING; TESTING
    • G01NINVESTIGATING OR ANALYSING MATERIALS BY DETERMINING THEIR CHEMICAL OR PHYSICAL PROPERTIES
    • G01N33/00Investigating or analysing materials by specific methods not covered by groups G01N1/00 - G01N31/00
    • G01N33/02Food
    • G01N33/04Dairy products

Landscapes

  • Physics & Mathematics (AREA)
  • General Physics & Mathematics (AREA)
  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Fluid Mechanics (AREA)
  • Hydrology & Water Resources (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Animal Husbandry (AREA)
  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Analytical Chemistry (AREA)
  • Biochemistry (AREA)
  • General Health & Medical Sciences (AREA)
  • Immunology (AREA)
  • Pathology (AREA)
  • Measuring Volume Flow (AREA)

Description

* ^ ' T/tj/lh/2
Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloeistof-stroom.
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het meten van vloeistofstroom die door een inlaatkanaal in een vlottermiddelen omvattende afpas- of meetkamer wordt geleid, waarbij de vloeistof in porties uit de meetkamer wordt 5 afgevoerd door een uitlaatkanaal, de afvoer van elke portie aanvangt in reaktie op de beweging van de vlottermiddelen tot een bepaald bovenste niveau, en waarbij het aantal afgevoerde porties wordt geteld.
Het Amerikaanse octroorschrift 4.030.356 beschrijft 10 een continu weegmechanisme, waarbij de te wegen vloeistof- . stroom toegevoerd wordt aan een vloeistofontvanginrichting die twee vloeistof ontvangende bakken omvat welke gemonteerd zijn op een gemeenschappelijke tuimelaaras. Wanneer één bak gevuld is met vloeistof, roteert de as, waardoor de andere 15 bak tot in een vloeistofvulpositie wordt bewogen terwijl de eerste bak geledigd wordt. De massa van de vloeistof welke de vloeistofontvanginrichting gepasseerd is wordt berekend op de basis van het aantal tuimelende bewegingen, die geregistreerd worden door een electrische schakeling. De meetnauw-20 keurigheid van deze bekende inrichting is echter minder bevredigend wanneer de te meten vloeistof stroom varieert, omdat een variërende vloeistofstroom tot gevolg heeft dat de tuimelende vloeistofontvangende bakken beïnvloed zullen worden door variërende draagheidskrachten.
25 De Amerikaanse octrooischriften 2.853.877 en 3.937.083 en het Britse octrooischrift 1.089.159 beschrijven vloeistofmeetinrichtingen welke een meet- of afpaskamer omvatten met een daarin aangebracht vlotterorgaan. De meetkamer heeft een inlaat en een uitlaat met resp. inlaat- en uitlaat-30 kleppen. De te meten vloeistof wordt in de meetkamer geleid door de inlaat, terwijl de uitlaat afgesloten wordt door de uitlaatklep. Wanneer de naar de meetkamer toegevoerde vloeistof het vlotterorgaan tot een bepaald-bovenste niveau heeft bewogen, wordt de inlaatklep gesloten en de uitlaatklep geopend 35 zodat de vloeistof uit de meetkamer kan stromen door de uit- 7908037 * * \ l -2- laat, onder invloed van de zwaartekracht. Wanneer het vlotter-orgaan naar beneden bewogen is naar een bepaald de onderste positie, wordt de uitlaatklep gesloten terwijl de inlaatklep geopend is, en de hierboven beschreven werking wordt daarna 5 herhaald. Vanwege het feit dat de vloeistof afgevoerd wordt uit de meetkamer door de uitlaatklep uitsluitend onder invloed van het eigen gewicht, is de capaciteit van deze bekende meetinrichtingen tamelijk beperkt.
De werkwijze overeenkomstig de uitvinding wordt 10 gekenmerkt doordat de afvoer van elk portie wordt verkregen door het kanaal af te sluiten, en de meetkamer onder gasdruk te brengen die aanzienlijk hoger is dan de druk van het af-voereinde van het uitlaatkanaal.
Vanwege het drukverschil dat tussen de meetkamer 15 en het afvoereinde van het buitenste kanaal wordt gevormd, kan de afvoerwerking worden versneld en kan de gasdruk in de meetkamer gebruikt worden voor hierna uiteen te zetten verdere doeleinden.
In het geval dat het afvoereinde van het uitlaat— 20 kanaal blootgesteld is aan de atmosferische druk, kan het drukverschil tijdens de afvoerwerking worden verkregen door onder druk staande lucht of gas in de meetkamer te brengen.
In een voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze overeenkomstig de uitvinding wordt de meetkamer evenals het afvoereinde ..... 25 van het uitlaatkanaal echter onder vacuum gebracht wanneer vloeistof in de meetkamer is gebracht door de inlaat daarvan, terwijl de afvoerwerking wordt aangevangen door atmosferische druk in de meetkamer toe te laten. Een in het inlaatkanaal aangebrachte inlaatklep en/of de toevoer van gasdruk naar de 30 meetkamer kan geregeld worden door de stand van de vlotter-middelen in de meetkamer. De toevoer van de gasdruk kan dus aanvangen en de inlaatklep kan dus gesloten worden wanneer de vlottermiddelen een bepaalde bovenste stand in de meetkamer bereiken.
35 De inlaatklepmiddelen omvatten bijvoorkeur een inlaatkleporgaan dat beweegbaar is tussen geopende en gesloten standen, en het inlaatkleporgaan kan dan bij voorkeur tot in de gesloten stand bewegen door middel van de gasdruk in de 7908037
£ I
-3- meetkamer.
Wanneer de werkwijze volgens de uitvinding gebruikt wordt voor het meten van een stroom van melk of een andere vloeistof, die gemakkelijk schuimt, kan de vorming van schuim 5 in de meetkamer een bepaalde meetonnauwkeurigheid veroorzaken.
Het is daarom gewenst de schuimvorming in de meetkamer zo goed als mogelijk is te onderdrukken en te verminderen. Het inlaatkanaal kan dus schuim afscheidende of verminderende middelen omvatten. Bovendien kan elke afvoer van vloeistof 10 uit de meetkamer een eerste schuimverminderende fase omvatten.
De af voer van vloeistof uit de meetkamer onder invloed van persgas of atmosferische druk, die daaraan wordt toegevoerd,· kan dus eerst plaatsvinden via een kleine omloopopening welke in verbinding staat met het vloeistofinlaatkanaal, terwijl 15 het uitlaatkanaal gesloten is, bijvoorbeeld door middel van geschikte, daarin aangebrachte klepmiddelen. Wanneer een bepaalde kleinere hoeveelheid vloeistof afgevoerd is door de omloopopening, zodat de vlottermiddelen een bepaald tweede niveau hebben bereikt enigszins onder het eerste niveau waar-20 op de toevoer van gasdruk naar de meetkamer wordt aangevangen, wordt de uitlaatklep geopend en wordt de in de meetkamer achtergebleven vloeistofportie welke tenminste nagenoeg vrij van schuim is, door het uitlaatkanaal afgevoerd. Vanwege de onderdrukking van schuim in de meetkamer en omdat de vlotter-25 middelen zeer langzaam naar beneden zullen bewegen uit het eerste naar het tweede, enigszins lagere niveau, kan dit tweede niveau met een grote nauwkeurigheid worden bepaald zodat het gewicht op. de massa van de afgevoerde vloeistof-porties door het uitlaatkanaal, tenminste nagenoeg identiek 30 zal zijn, waardoor een grote meetnauwkeurigheid wordt bereikt.
Wanneer een gemeten vloeistofstroom stopt, zal de hoeveelheid vloeistof die nog aanwezig is in de meetkamer slechts een fraktie vormen van de vloeistofportie die normaal uit de meetkamer wordt afgevoerd. De vlottermiddelen bereiken 35 dus niet het niveau waarop de vloeistofafvoer wordt aangevangen. De afvoer van deze laatste fraktie aan vloeistof kan dus met de hand worden verzorgd, en de hoeveelheid of het gewicht van deze laatste fraktie van een vloeistofportie kan bepaald 7908037
Jt * -4- worden op basis van de tijd die nodig is voor het afvoeren van die fraktie. Om een relatief lange afvoerperiode te bereiken en, daardoor, een grotere meetnauwkeurigheid wordt de fraktie bij voorkeur afgevoerd door een opening of kanaal met 5 een relatief kleine doorsnede. In de voorkeursuitvoeringsvorm van de uitvinding wordt deze laatste fraktie afgevoerd door de bovengenoemde omloopopening.
De werkwijze volgens de huidige uitvinding kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor het meten van de melk welke 10 uit de speenkappen van een melkmachine stroomt. Aanzienlijke variaties in het vacuum nabij de speenkappen van de melkmachine kunnen de afgifte van de koeien welke worden gemolken ongunstig beinvloeden. Het optreden van melkkolommen in de leidingen tussen de vacuumleiding en de speenkappen kan dergelij-15 ke variaties in het vacuum veroorzaken, om de vorming van dergelijke melkkolommen te vermijden is normaal een ontluch-tingsopening aanwezig voor het aanzuigen van "valse lucht" bij de speenkappen. Zoals boven uiteengezet, wordt de schuim-vorming bij voorkeur onderdrukt of verminderd voordat de 20 vloeistof of melk in de meetkamer wordt gebracht, hetgeen betekent dat de door de vloeistof meegesleepte .lucht daarvan wordt gescheiden. Om de vorming van kolommen benedenstrooms van de meetkamer te vermijden, kan lucht worden gemengd met melk die uit de meetkamer wordt afgevoerd.
25 De werkwijze volgens de uitvinding maakt het moge lijk een representatief monster van de totale vloeistofstroom te maken. Een kleine monsterfraktie van elke melkportie die uit de meetkamer wordt afgevoerd, kan worden afgenomen door een monsterleiding die aftakt van het uitlaatkanaal. Een 30 dergelijk monster dat uit verschillende monsterfrakties bestaat zal representief zijn voor de totale hoeveelheid vloeistof die het uitlaatkanaal van de meetkamer gepasseerd is, en de beschreven monstermethode zal vrijwel ongevoelig zijn voor de stand van hét uitlaatkanaal.
35 De uitvinding verschaft ook een inrichting voor· het meten van een vloeistofstroom en omvat een meet- of af-paskamer met een de stroom opnemend vloeistofinlaatkanaal, in de kamer beweegbaar aangebrachte vlottermiddelen, afvoer- 7908037 A * -5- middelen voor het afvoeren van vloeistof uit de meetkamer door een vloeistofuitlaatkanaal in reaktie op bewegingen van de vlottermiddelen naar een bepaald bovenste niveau, en middelen voor het tellen van het aantal vloeistofporties dat uit 5 de meetkamer wordt af gevoerd, en de inrichting volgens de uitvinding wordt gekenmerkt doordat de afvoermiddelen middelen omvatten voor het afsluiten van het inlaatkanaal en middelen voor het blootstellen van de meetkamer aan een gasdruk die aanzienlijk hoger is dan de druk aan het afvoereinde van 10 het uitlaatkanaal.
De uitvinding zal nu verder worden beschreven aan de hand van de tekeningen waarin: figuren 1-3 schematische doorsneden zijn van een uitvoeringsvorm van de inrichting overeenkomstig de uitvin-15 ding, waarbij de delen van de inrichting in verschillende stadia van de werking worden getoond, figuur 4 een schematische doorsnede is van een tweede uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de uitvinding, 20 figuur 5 een zijaanzicht en een gedeeltelijke door snede volgens de lijn V-V in figuur 7 is van een derde uitvoeringsvorm van de inrichting volgens de uitvinding, getoond op grotere schaal, figuur 6 een doorsnede is volgens de lijn VI-VI 25 in figuur 7, van de in'figuur 5 getoonde inrichting, figuur 7 een dwarsdoorsnede is volgens de lijn VII-VII in figuur 5, figuur 8 een bovenaanzicht is van een ophangorgaan voor het beweegbaar ophangen van de vlotterorganen van de 30 inrichting, figuur 9 een andere uitvoeringsvorm is van het ophangorgaan, figuur 10 een gedeeltelijke doorsnede is van de in figuur 5 getoonde inrichting, waarin een rietschakelaar en 35 een daarmee samenwerkende schakelaar-activerende magneet wordt getoond, figuur 11 een zijaanzicht en gedeeltelijke doorsnede is van een vierde uitvoeringsvorm van de inrichting 7908037 » 4» -6- volgens de uitvinding, figuur 12 een gedeeltelijke doorsnede is van de in figuur 11 getoonde inrichting, waarbij een terugslagklep wordt getoond, 5 figuur 13 een doorsnede is op grotere schaal van een gasklepinrichting, en figuur 14 een gedeeltelijk zijaanzicht, gedeeltelijk in doorsnede is, dat een modificatie van de in figuur 11 getoonde inrichting toont.
10 De in de tekeningen getoonde meet- of afpasinrich tingen kunnen de massa op het gewicht van de door de leidingen van een melksysteem stromende melkstroom meten of af passen.
De getoonde inrichtingen kunnen dus bijvoorbeeld aangebracht worden tussen een stel tepelkappen en de melktransportleiding 15 van het melksysteem, in welke leiding op op zich bekende wijze een vacuum wordt gezogen.
De in figuur 1-3 getoonde inrichting omvat een huis 10 met een vloeistofinlaatleiding of kanaal 11 dat met het bovenste gedeelte daarvan is verbonden. Wanneer de inrich-20 ting gebruikt wordt voor het meten van de melkgiften van een melkkoe, kan de vloeistofinlaatleiding in verbinding staan met de speenkappen die gebruikt worden voor het melken van de koe. Het onderste gedeelte van het huis 10 is verbonden met een vloeistofuitlaatleiding of -kanaal 12, dat zich omhoog uit-25 strekt naar een houder 13 of een houderachtige vergroting van een vacuumleiding 14, die in verbinding staat met een melktransportleiding (niet getoond) van het melksysteem, en ook met het bovenste gedeelte van het huis 10. Een buisvormig of klokvormig kleplichaam 15, dat vertikaal beweegbaar in hét 30 huis 10 is aangebracht heeft een veerkrachtig onderste rand-gedeelte 16 dat samen kan werken en stevig in kontakt kan komen met een naar beneden gerichte ringvormige klepzitting 17 in het huis 10. Het kleplichaam 15 heeft ook een bovenste randgedeelte 18 dat samen kan werken met en af kan dichten 35 op een ringvormige, veerkrachtige klepzitting 19. Het klok-vormige kleplichaam 15 en het gedeelte van het huis 10, dat zich onder de klepzitting 17 bevindt, bepalen een meet- of afpaskamer 20 waarin een tamelijk langwerpig bovenste vlotter- 7908037 *. * -7- orgaan 21 en een korter, onderste vlotterorgaan 22 zijn gemonteerd. De vlotterorganen 21 en 22 hebben ringvormige dwarsdoorsneden en omgeven een geleidingsstang 23 die zich centraal en tenminste nagenoeg vertikaal in de meetkamer 20 uitstrekt, 5 waarbij de vlotterorganen binnen bepaalde grenzen vrij vertikaal kunnen bewegen langs die geleidingsstang. De onderste stand van het bovenste vlotterorgaan 21 wordt bepaald door een steunorgaan 24, dat ten opzichte van het huis 10 vast ligt, en een aan een ondereinde van het vlotterorgaan 21 ge-10 vormde flens kan in kontakt komen met het steunorgaan zoals getoond wordt in figuur 1 en 3. Het onderste vlotterorgaan 22, dat een magneetorgaan 25 omvat, wordt in de onderste stand ondersteund door de bodem van het huis 10, d.w.z., wanneer er geen vloeistof aanwezig is in de meet- of afpaskamer 20.
15 De geleidingsstang 23, die van een niet-magnetiseerbaar materiaal is, omvat twee vertikaal op een afstand van elkaar liggende schakelaars of relays 26, bijvoorbeeld zogenaamde riet-schakelaars. Deze schakelaars kunnen via electrische geleiders 27 en versterkingsmiddelen 28 een klep 29 besturen door mid-20 del waarvan de meetkamer 20 in verbinding gebracht kan worden met de atmosfeer.__^ __
De hierboven beschreven meet- of afpasinrichting werkt als volgt:
In de aanvangsstand van de inrichting, zoals ge-25 toond in figuur 3, bevindt het klokvormige kleplichaam 15 zich in de onderste stand, en kan vloeistof of melk uit het vloeistof inlaatkanaal 11 in het huis 10 stromen, langs de ringvormige klepzitting 17, en in de meetkamer 20 naar binnen.
De vlotterorganen 21 en 22 bevinden zich in de onderste stand 30 waarin deze vertikaal op een afstand van elkaar zijn. De klep 29 is gesloten, en omdat de meetkamer 20, evenals het andere gedeelte van de binnenruimte van het huis 10 in verbinding staat met de vacuumleiding 14, staat de totale binnenruimte van het huis 10 onder vacuum. Wanneer het vloeistofniveau 35 in de meet- of afpaskamer 20 rijst, zal het onderste vlotterorgaan 22 uiteindelijk in de vloeistof gaan drijven en dan omhoog bewogen worden totdat het tegen het ondereinde van het bovenste vlotterorgaan 21 aankomt, zoals in figuur 1 wordt 7908037 -8- getoond en de twee vlotterorganen 21 en 22 zullen nu als ëën samenhangend vlotterorgaan werken. Dit samenhangende vlotter-orgaan zal niet omhoog bewegen totdat het vloeistofniveau in ' de meetkamer 20 aanzienlijk verder gestegen is, namelijk tot 5 op een zodanig niveau dat het door de vlotterorganen 21 en 22 verplaatste vloeistofvolume hetzelfde gewicht heeft als dat van deze twee vlotterorganen tezamen. Wanneer het bovenste vlotterorgaan 21 een kleine afstand omhoog bewogen is vanaf het ondersteuningsorgaan 24, zoals getoond in figuur 2, zal 10 het magneetorgaan 25 in het onderste vlotterorgaan zich op hetzelfde niveau bevinden als de bovenste schakelaar 26, die daardoor geactiveerd wordt, om zo het overbrengen van een signaal naar de versterkingsmiddelen 28 te veroorzaken, waardoor weer de klep 24 opent, zodat de meetkamer 20 in verbin-15 ding komt de atmosfeer. De plotselinge druksteiging in de meet- of af paskamer 20 heeft tot gevolg dat het klokvormige kleplichaam 15 omhoog beweegt zodat de randgedeelten 16 en 18 daarvan stevig in kontakt komen de respectieve klepzittingen 17 en 19. Wanneer de vloeistoftoevoer naar de meetkamer 20 20 gestopt is, zoals getoond in figuur.2, zal de toenemende druk _in de meetkamer 20 de vloeistof snel uit de meetkamer 20 drukken naar buiten door de uitlaatleiding 12 en in de houder 13 van waaruit de vloeistof of melk afgevoerd wordt door de melktransportleiding van het melksysteem. Wanneer tijdens de 25 afvoerwerking het vloeistofniveau in de meetkamer 20 geleidelijk daalt, keert de vlotterorganen 21 en 22 terug in de beginstanden. Eerst zal het bovenste vlotterorgaan 21 weer in kontakt komen met en ondersteund worden door het ondersteuningsorgaan 24, en wanneer tenminste nagenoeg alle vloei-30 stof uit de meetkamer is geperst, zal ook het onderste vlotterorgaan 22 de onderste stand bereiken waarin dit wordt ondersteund door de bodem van het huis 10. In deze stand omgeeft het magneetorgaan 25 de onderste van de schakelaars 26, die daardoor wordt geactiveerd zodat de klep 29 wordt gesloten.
35 Het kleplichaam 15 keert terug in de onderste stand waardoor een gedeelte van de in het huis 10 buiten de meetkamer 20 verzamelde vloeistof in de meetkamer naar binnen zal stromen. Wanneer een hoeveelheid vloeistof overeenkomende met die welke 7908037 * Jr -9- juist afgevoerd is weer in de meetkamer 20 is verzameld, zal de afvoerwerking worden herhaald.
Het zal duidelijk zijn dat de toevoer van vloeistof melk door de vloeistofinlaatleiding 11 naar de beschreven 5 inrichting verdeeld wordt in een aantal porties met tenminste nagenoeg hetzelfde gewicht ondanks de mogelijke variaties in het specifieke gewicht van de vloeistof, bijvoorbeeld tengevolge van een variërende hoeveelheid luchtbellen daarin. De electrische schakeling welke de klep 20 regelt kan middelen 10 omvatten voor het tellen van het aantal afvoerwerkingen en de totale hoeveelheid afgevoerde vloeistoffen kan op elk moment worden berekend door het aantal afvoerwerkingen te vermenigvuldigen met de massa of het gewicht van de portie die telkens uit de meetkamer wordt af gevoerd. Dit totale gewicht of deze 15 totale massa kan natuurlijk worden berekend door de electrische schakeling en direkt worden aangegeven door een geschikte uitlees of aangeefinrichting.
Figuur 4 toont een vereenvoudigde uitvoeringsvorm waarin de twee vlotterorganen vervangen zijn door ëën enkel 20 vlotterorgaan 30 waarop het kleplichaam 15 is gemonteerd. De klep 29 en de electrische besturingsschakeling zijn weggelaten en vervangen door luchttoevoerleidingen 31 met een relatief kleine doorsnede welke een konstante verbinding vormt tussen de meetkamer 20 en de buitenlucht. Wanneer melk of een andere 25 vloeistof in het huis 10 naar binnen stroomt door de vloeistof inlaatleiding 11, zal het vloeistofniveau in de meetkamer 20 en het inwendige van het huis 10 rijzen. Wanneer het vloeistofniveau een bepaald niveau heeft bereikt waarop het vlotterorgaan 30 en het daarop gemonteerde kleplichaam 15 tezamen 30 een hoeveelheid vloeistof verplaatsen met een gewicht dat overeenkomt met de het totale gewicht van het vlotterorgaan 50 en het kleplichaam 15, begint het kleplichaam 15 tezamen met het vlotterorgaan 30 omhoog te bewegen. Wanneer de rand-gedeelten 16 en 18 van het kleplichaam 15 de respectieve 35 zittingen 17 en 19 bereiken zal de druk in de meetkamer 20, die in verbinding staat met de atmosfeer door de leiding 31, ten opzichte van het vacuum in het resterende gedeelte van het huis 10 zodanig toenemen dat het kleplichaam 15 plotseling 7908037 -lost evig tegen de klepzittingen 17 en 19 aangedrukt wordt, waarna de hoeveelheid in de meetkamer 20 verzamelde vloeistof naar buiten wordt gedrukt door de uitlaatleiding 12, als eerder werd beschreven Ha het afvoeren van de vloeistof zullen 5 het vlotterorgaan 30 en het daarop gemonteerde kleplichaam 15 terugbewegen naar de beginstanden, maar na een volgende vloei-stofportie in de meet- of afpaskamer 20 kan stromen.
De in figuur 5 getoonde uitvoeringsvorm werkt volgens hetzelfde principe als de in figuur 1-4 getoonde uit-10 voeringsvormen, en om het begrip van in figuur 5 getoonde inrichting te vergemakkelijken zijn de onderdelen die overeenkomen met de onderdelen van de in figuur 1-4 getoonde uitvoeringsvormen aangegeven met overeenkomende referentienummers.
In de in figuur 5 getoonde uitvoeringsvorm is de 15 vloeistofinlaatleiding of het kanaal 11 verbonden met een ringvormige vloeistofinlaatruimte 32 in het bovenste gedeelte van het huis 10, op een zodanige wijze dat de vloeistofstroom tangentiaal wordt toegevoerd in de inlaatruimte en gedwongen wordt daarin te roteren. Radiaal binnenwaarts wordt de ring-20 vormige ruimte 32 bepaald door een ringvormige geleide plaat 33 met naar buiten gerichte, onder een hoek staande flens 33a die tezamen met een aangrenzend deel van de huiswand een relatief smalle ringvormige ruimte 34 bepaald die als filtersleuf dienst doet. In figuur 5 heeft de afvoerhouder 13 de vorm van 25 een afvoerruimte die in het bovenste gedeelte van het huis 10 is gevormd, en de vloeistofuitlaatleiding 12, die het onderste . gedeelte van de meetkamer 20 met de afvoerruimte verbindt strekt zich centraal omhoog uit door de meetkamer en door de daarin aangebrachte vlotterorganen 21 en 22. De afvoerbuis 12 30 is dus op overeenkomstige wijze aangebracht als de geleidings-stang 23 in de hierboven beschreven uitvoeringsvorm. De klep 29 voor het in verbinding brengen van de meetkamer 20 met de atmosfeer is onder de meetkamer gemonteerd en verbonden met een luchtinlaatbuis 35, die zich vertikaal omhoog strekt door 35 de meetkamer. Een steunplaat 37 voor het ondersteunen van het kleplichaam 15 in de onderste stand, zoals getoond in figuur 5 is aan de boveneinde van de luchtinlaatbuis 35 gemonteerd en een overeenkomstige buis 36 is diametraal tegenover deze 7908037 * r -11- buis 35 gemonteerd.
De schakelaars 26 zijn in de buis 36 gemonteerd en worden door middel van electrische geleiders 27 verbonden met een electrische schakeling die in een electronische een-5 heid 38 van de inrichting is aangebracht en onder andere dient voor het regelen van de klep 29. De electronische eenheid omvat een digitale indicatie-inrichting 39 die direkt het gewicht van de hoeveelheid vloeistof welke de inrichting gepasseerd is aan kan geven. De electronische eenheid omvat ook 10 een in-uitschakelaar 40 en controlelampen 41 voor het aangeven van de werkomstandigheden van de inrichting, evenals een af-voeraanzetkontakt 42 waarvan de funktie hierna beschreven zal worden.
De vlotterorganen 21 en 22 worden niet door een 15 centrale geleidingsstang geleid zoals in de eerder beschreven uitvoeringsvormen, maar worden beweegbaar opgehangen door middel van ophangorganen 43 die op de buis 35 en 36 zijn gemonteerd en welke het mogelijk maken dat de vlotterorganen vertikaal, maar niet horizontaal bewegen zoals gedetaileerder 20 beschreven zal worden in combinatie met figuur 8 en 9. Een hryrlng- strekt- vi ah ni.t door de wand van_.de vloeistofuitlaat-buis 12 aan het boveneind daarvan en is verbonden met een monsterreservoir 46 via een monsterbuis 44 en een monsterafvoerbuis 45 en het monsterreservoir 46 is voorzien van een met 25 de hand te bedienen afvoerklep 47 aan de bodem daarvan. De gehele inrichting kan op een geschikte plaats worden opgehangen, bijvoorbeeld aan de melktransportleiding van een melk-systeem, door middel van ophanghaken 48. Om uniforme drukomstandigheden in de afvoerruimte 13 te verzekeren en in het 30 gedeelte van de binnenruimte van het huis 10 buiten het klep-lichaam 15, zijn deze ruimten onderling verbonden via een klepinrichting 53 die in de afvoerruimte 13 uitmondt via openingen 54 in een uitsparing in de bovenste eindwand van het huis 10.
35 Tengevolge van de opstelling volgens een raak lijn van de inlaatbuisleiding 11, wordt de daardoorheen in de inlaatruimte 32 naar binnen stromende melk of vloeistof gedwongen te roteren en naar beneden te stromen door de 7908037 -12- filtersleuf 34 als een ringvormig vloeistofgordijn. De hoe- . veelheid in de ruimte 32 roterende vloeistof wordt beinvloed door een schuin naar beneden en naar buiten gerichte kracht, die het gevolg is van de zwaartekracht en centrifugaalkracht.
5 De genoemde schuingerichte kracht heeft tot gevolg dat het deel van de vloeistof met het grootste specifieke gewicht - dat wil zeggen de vloeistof met de kleine relatieve hoeveelheid lucht - geconcentreerd wordt bij de sleuf 34. Door de beweging van de vloeistof door de sleuf 34 wordt een mogelijke schuim-10 neiging onderdrukt en de sleuf 34 dient ook om mogelijk grotere verontreinigingen, zoals haar en dergelijke tegen te houden. Wanneer het vloeistofniveau in het huis 10 en daardoor ook in de meetkamer 20 stijgt, wordt het onderste vlotteror-gaan 22 omhoog bewogen totdat de beweging daarvan wordt ge-15 stopt vanwege het kontakt met het bodemoppervlak van het bovenste vlotterorgaan 21. De twee vlotterorganen zullen niet tezamen omhoog bewegen totdat het vloeistofniveau in de meetkamer 20 zover gerezen is dat het totale drijfvermogen van de vlotterorganen 21 en 22 voldoende is, gedeeltelijk om het 20 totale gewicht van de vlotterorganen te neutraliseren en gedeeltelijk om de tamelijk kleine weerstand van het ophang-orgaan 43 tegen de vertikale beweging van de vlotterorganen te overwinnen. De vlotterorganen worden over een kleine afstand omhoogbewogen totdat het magneetorgaan 25 in het boven-25 ste vlotterorgaan 21 op éën lijn komt te liggen met de bovenste schakelaar 26. Deze schakelaar zal dan worden geactiveerd en een signaal afgeven waardoor de klep 29 wordt geopend, zodat de meetkamer 22 in verbinding komt met de atmosfeer via de luchtinlaatbuis 35. De relatieve overdruk die daardoor 30 wordt gevormd in de meetkamer 20 zal het klokvormige klep-lichaam 15 snel omhoog bewegen zodat de onderste en bovenste randgedeelte 16 resp. 18 in stevig kontakt wordt gebracht met de respectieve klepzittingen 17 en 19. De meetkamer 20 is nu stevig afgesloten ten opzichte van het resterende gedeelte 35 van de binnenruimte van huis 10, en de atmosferische druk in de meetkamer zal daardoor snel de hoeveelheid vloeistof in de meetkamer omhoog afvoeren door de centrale vloeistofuitlaat-buis 12 in de afvoerruimte 13. Een kleiner, maar representa- 7908037 -13- tief deel van de hoeveelheid door de buis 12 afgevoerde vloeistof, zal in de monsterbuis 44 worden gedrukt vanwaar het door de afvoerbuis 45 naar beneden stroomt in het monsterreservoir 46. Van een uitsparing 55 in de bodem van de afvoerruimte 13 5 wordt melk of vloeistof'omhoog gezogen door de vacuumleiding 14 in de melktransportleiding van het melksysteem, in combinatie waarmee de meetinrichting gebruikt kan worden. Het einde van de vacuumleiding 14 die zich in de ruimte 13 uitstrekt, wordt omgeven door een gedeeltelijk cilindrische beschermings-10 plaat 56 zoals te zien in figuur 6 en 7, waarvan de zijranden op een zodanige afstand van de omtrekswand 57 van de ruimte 13 liggen dat smalle sleuven 58 overblijven tussen de zijranden van de beschermingsplaat 56 en de omtrekswand 57. Wanneer een gedeelte van de vloeistof' afgevoerd wordt uit de 15 meetkamer 20 door de vloeistofuitlaatbuis 12 stroomt de vloeistof door de sleuven 58 in de uitsparing 55 met een stroomsnelheid die kleiner is dan de afzuigcapaciteit van de vacuumleiding 14. Het gevolg is dat een aanzienlijke hoeveelheid lucht in de vacuumleiding 14 wordt gezogen tezamen met de 20 vloeistof en daarmee wordt gemengd. Wanneer de vloeistof door de vacuumleiding opgezogen zou worden als coherente vloeistof-kolommen, zou dit ongunstige tijdelijke verminderingen van het vacuum ter plaatse van de speenkappen veroorzaken wanneer de inrichting gebruikt wordt in combinatie met een melkmachine 25 of melksysteem.
Wanneer het vloeistofniveau in de meet- of afpaskamer 20 daalt tengevolge van de bovenbeschreven afvoer door de vacuumleiding 14, bewegen de filterorganen 21 en 22 tezamen naar beneden totdat het bovenste vlotterorgaan 21 de onderste 30 stand bereikt, waarna het onderste vlotterorgaan 22 verder naar beneden beweegt naar diens onderste stand. Wanneer het maqneetorgaan 25 in het vlotterorgaan 22 de onderste schakelaar 26 passeert, zal deze schakelaar worden geactiveerd en een signaal leveren waardoor de klep 29 sluit en de verbinding 35 tussen de meetkamer 20 en de atmosfeer verbreekt. Daarna valt het kleplichaam 15 terug in de onderste stand zodat de meetkamer 20 gevuld kan worden met een volgende portie melk of een andere vloeistof.
7908037 -14-
In de uitvoeringsvormen zoals getoond in de figuren 5-7 wordt de massa of het gewicht van de door de inrichting gestroomde vloeistof in feite ook gemeten door het aantal porties te tellen dat uit de meetkamer 20 wordt afgevoerd.
5 Wanneer de meten vloeistofstroom stopt,bijvoorbeeld omdat het melken van een koe beëindigd wordt, zal de meetkamer 20 normaal een bepaalde hoeveelheid vloeistof bevatten die onvoldoende is om de bovenbeschreven normale afvoerwerking in gang te stellen. Wanneer deze resthoeveelheid niet uit de meetkamer 10 wordt afgevoerd, zal de meetnauwkeurigheid van de eerste evenals van de volgende afpassing van een vloeistofstroom worden verminderd. Bovendien kan het mengen van de resthoeveelheid van een voorgaande meting met de nieuwe hoeveelheid te meten vloeistof in een volgende meting ongewenst om ver-15 scheidene.redenen. In de in figuur 5 getoonde uitvoeringsvorm kan de resthoeveelheid worden afgevoerd door middel van de klepinrichting 53. Deze klepinrichtlng heeft een klephuis 59 met een klepzitting 60 aan het boveneinde, en een beweegbaar kleporgaan 61 met een zich naar beneden uitstrekkende cilin-20 drische mantel, die een vertikale luchtinlaatbuis 62 omgeeft .
......'welke verbonden is met de magneetklep 63 door middel van een verbindingsleiding 64. Wanneer het’ gewenst is een resthoeveelheid vloeistof, welke verzameld Is in de meet- of afpaskamer 20 af te voeren, wordt het afvoer-aanvangskontakt 25 42 met de hand geactiveerd waardoor de magneetklep 63 geopend wordt, zodat de verbindingsleiding 64 en de luchtinlaatbuis 62 in verbinding worden gebracht met de atmosfeer. Dan zal lucht door de luchtinlaatbuis 62 stromen waardoor het kleporgaan 61 omhooggeblazen wordt tegen.de zitting 60 aan. Wan-30 neer de ruimte boven‘de klepzitting blootgesteld wordt aan vacuum, terwijl het bodemoppervlak van het kleporgaan 61 blootgesteld is aan een druk. die tenminste nagenoeg gelijk is aan de atmosferische druk, zal het kleporgaan 61 tegen de klepzitting 60 aangezogen blijven. De atmosferische druk 35 verspreidt zich van de inlaatbuis 62 naar de meetkamer 20 en de binnenruimte van het huis, met uitzondering van de afvoerruimte 13 die aan vacuum is blootgesteld. De verschil-druk heeft tot gevolg dat de totale resthoeveelheid van vloei- 7908037 * i -15- stof uit de meetkamer 20 en de omgevende kamer van het huis omhoog door de uitlaatbuis 12 wordt geperst in de afvoerruimte 13. Wanneer de vloeistof geheel uit de meetkamer 20 is afgevoerd, is het onderste vlotterorgaan 21 tot het niveau gedaald 5 waarop de onderste schakelaar 26 wordt geactiveerd, waardoor de magnetische klep 63 wordt gesloten. De drukomstandigheden zullen dan weer uniform worden in de gehele binnenruimte van de inrichting, en het kleporgaan 61 zal daardoor terugvallen in de begins tand, waarin het wordt ondersteund door de lucht-10 inlaatbuis 62, zoals getoond in figuur 5. Het gewicht of de massa van de afgevoerde resterende hoeveelheid vloeistof kan worden bepaald op basis van de tijdsduur die verloopt vanaf het moment waarop het kontakt 42 met de hand geactiveerd wordt, tot het moment waarop het magneetorgaan 25 van het 15 onderste vlotterorgaan 22 de onderste schakelaar 26 activeert, waarbij de emperisch bepaalde reaktietijden van de klepinrich-ting 53 en andere delen van de inrichting in beschouwing worden genomen. Een berekening van het gewicht op de massa van de resthoeveelheid op basis van deze afvoertijd wordt op ge-20 schikte wijze uitgevoerd door de electronische eenheid 38 van de inrichting, die ook automatisch, op geschikte wijze het gewicht van die resterende hoeveelheid op kan tellen bij het gewicht van de vloeistof welke werd bepaald door het aantal afgevoerde vloeistofporties te tellen.
25 Figuur 8 toont een eerste uitvoeringsvorm van de ophangorganen 43 die gebruikt worden, voor het beweegbaar ophangen van de vlotterorganen 21 en 22 langs de buizen 35 en 36, in de in figuur 5 getoonde inrichting. Het ophangorgaan 43 dat, bijvoorbeeld uitgeponst kan worden uit een dunne 30 veerkrachtige staalplaat of een plaat van ander materiaal, heeft een ongeveer cirkelvorm die voorzien is van twee van sleuven voorziene montage-ogen '49 welke elk éên van de buizen 35 en 36 omgeven in gemonteerde toestand van het ophangorgaan.
Het ponspatroon is zodanig gekozen dat het ophangorgaan 43 35 uit een ringvormige buitenste gestelgedeelte 50 dat voorzien is van de ogen 49, en twee tegengesteld gerichte, cirkelvormige gekromde ophangarmen 51 bestaat die zich uitstrekken van de ogen 49 en "vrije" einden hebben welke onderling zijn verbonden 7908037 -16- door middel van een binnenste, van sleuven voorziene montagering 52, welke aan de eindgedeelte van de vlotterOrganen gemonteerd kunnen worden. Het zal duidelijk zijn dat de armen 51 een grote weerstand hebben tegen verbuiging in het vlak 5 van het ophangorgaan 43, terwijl deze tenminste nagenoeg geen weerstand tegen verbuiging in een richting loodrecht op dat vlak zullen hebben.
Figuur 9 toont een andere uitvoeringsvorm van de ophangorganen 43. Het ringvormige buitenste gestelgedeelte 10 50 is weggelaten en de ogen 49 evenals de montagering 52 zijn niet van sleuven voorzien. Daarentegen is de montagering 52 voorzien van een paar diametraal tegenoverelkaar aangebrachte kleine cirkelvormige openingen 65 voor het opnemen van de schroeven of·andere bevestigingsmiddelen, om de montagering 15 aan een vlotterorgaan te bevestigen.
Gebleken is dat aanzienlijk grotere nauwkeurigheid in de niveaudetectie door de rietschakelaars 26 en daarmee samenwerkende magneetorgaan 25 bereikt kan worden, wanneer elke schakelaar.omgeven wordt door .. , magnetiseerbaar materi-20 aal, zoals een ijzeren blok 66, dat door een tenminste nagenoeg horizontale, 'smalle sleuf 67 wordt gescheiden, zie figuur 10. Het magnetiseerbare blok 66 en de kontakten van de schakelaar 26,. die ook. van magnet is eerbaar materiaal zijn, hebben dan tot gevolg dat het door h.et magneetorgaan 25 opgewekte 25 magnetische veld een zodanige vorm verkrijgt om de schakelaar 26,· dat de schakelaar alleen geactiveerd en gesloten.zal worden wanneer het magneetorgaan 25 de- stand inneemt die in gestippelde lijnen is weergegeven, waarin het magneetorgaan nauwkeurig op één lijn ligt. met de sleuf 67.
30 Figuur 11-14 tonen de uitvoeringsvorm van-de inrich ting overeenkomstig de uitvinding, welke op dit moment de sterkste voorkeur heeft. Daar de werking van deze voorkeurs-uitvoeringsvorm in veel opzichten overeenkomt met de werking van de in figuur 5-10. getoonde uitvoeringsvorm, zijn overeen-35 komende onderdelen met overeenkomende referentienummers aangegeven. In de in figuur 11-14 getoonde uitvoeringsvorm heeft de ringvormige geleide plaat 33 een cilindrische mantal 68, die zich naar beneden uitstrekt vanaf de flens 33a en een 7908037 -17- getand onderste randgedeelte 69 heeft dat in aangrijping is met de buitenwand van het huis 10. Een ringvormig patroon van schuimopeningen 70 in de cilindrische mantel 68 bevindt zich direkt onder de flens 33a/ en tussen de rand van de 5 geleide plaat 33 en een aangrenzende wand 72 van het huis is een luchtsleuf 71 bepaald. De klep 29 is een driewegklep die verbonden is met leidingen 73 en 74 die resp. in verbinding staan met de atmosfeer en een vacuumbron, zoals de vacuum-léiding van een melksysteem. De luchtinlaatbuis 35 verbindt 10 de klep 29 met een ringvormige ruimte 75 tussen het bovenoppervlak van het ondersteuningsorgaan 37 en een uitzetbaar ringvormig kanaalorgaan 76 dat in kontakt is met de bovenwand van het kleplichaam 15. Zie figuur 12. De bovenwand van het kleplichaam 15 omvat een verbindingsboring 77 en door de boven-15 wand 72 van het huis 10 loopt een zich vertikaal uitstrekkende verbindingsbuis 78 met een beschermingskap 79 aan het bovenste vrije einde in de afvoerruimte 13. Het ondersteuningsorgaan 37 omvat een terugslagklep 80 met een kleporgaan 81 en-een vee’rorgaan 82 dat het kleporgaan 81 in de gesloten stand 20 tracht te drukken, zie.figuur 12. De buis 36 die van een niet-magnetiseerbaar materiaal, zoals roestvast staal is vervaardigd, omvat drie schakelaars 26, bijvoorbeeld rietschakelaars. De twee bovenste schakelaars 26 bevinden zich. in vertikale richting dicht nabij elkaar en kunnen bijvoorbeeld een verti-25 kale afstand hebben van ongeveer 7 mm, voor een hierna te beschrijven doel.
In de in figuur 11-14 getoonde uitvoeringsvorm is de klepinrichting 53 in figuur 5 vervangen door een klep-inrichting 83 met behulp waarvan het ondereinde van de vloei-30 stofultlaatbuis 12 geopend en gesloten kan worden. De klepinrichting 83 omvat een kleporgaan 84 dat zodanig gemonteerd is dat dit beweegbaar is in een vertikale richting door middel van veerkrachtige diafragma's 85 en 86. Het kleporgaan 84 omvat de geleidingskegel 87 en een veerkrachtige schuif 35 88 die samenwerkt met de onderrand 89 van de uitlaatbuis 12, welke dienst doet als ringvormige klepzitting. De beweging van het kleporgaan 84 wordt geregeld door een driewegklep 90, die van hetzelfde type kan zijn als de klep 29 en welke in 7908037 τ * -18- verbinding staat met de atmosfeer resp. met vacuumbron, zoals de vacuumleiding van een melksysteem. De klep 90 kan dus naar keuze vacuum of atmosferische druk naar een klepkamer 93 toevoeren waarin de bovenwand gevormd wordt door hèt onderste 5 diafragma 86. Het bovenste diafragma 85 vormt de onderwand van een vloeistofkamer 94, en het ondereinde van de uitlaat-buis 12 strekt zich naar beneden uit in een uitsparing 95, die gevormd is in het onderste gedeelte van het huis 10. De vloeistofkamer 94 staat in verbinding met de uitsparing 95 10 via een omloopkanaal 96, wanneer het kleporgaan 84 zich in de bovenste stand bevindt, waarin het het ondereinde van de uitlaatbuis 12 afsluit, zoals in. figuur 11 wordt getoond, terwijl de omloopschakelaar 96 gesloten is wanneer het kleporgaan 84 zich in de onderste stand bevindt. De vloeistof-15 kamer 94 staat in verbinding met de vloeistofinlaatruimte 32 door een terugvöerleiding 97.
Het huis 10 is opgenomen in buitenste houder 98 die voorzien is van de ophanghaak.48 en de electronische eenheid 38 en de kleppen 29 en 90 omvat. Elk van deze kleppen 20 heeft een buisdeel 99 dat afgedicht opgenomen is in een ring- .........vormige afdichtingsbal 100 of een andere geschikte afdichtings- inrichting, wanneer het huis 10 in de buitenste houder 98 wordt gestoken, waaraan het demontabel bevestigd kan worden door middel van losmaakbare bevestigingsinrichting 101. Wanneer 25 het huis 10 is opgenomen in de houder 98 wordt een electrische verbinding gevormd tussen de schakelaar 26 en de electronische eenheid 38, door middel van electrische kontaktorganen 1Q2.
Een deksel 103, dat de bovenwand van de afvoerruimte 13 vormt, evenals andere onderdelen van het huis 10, kunnen 30 onderling worden verbonden door middel van losmaakbare grendel-organen 104, waardoor de binnenruimte van het huis gemakkelijk toegankelijk is voor reiniging etc.
De funktie van de in figuur 11 getoonde inrichting zal nu worden beschreven. In de beginstand van de inrichting, 35 verbindt de driewegsklep 90 de klepkamer 93 met de atmosfeer via de leiding 91, zodat de klepkamer 93 in verbinding staat met atmosferische druk, welke het veerkrachtige onderste diafragma 86 omhoog drukt zodat de veerkrachtige schijf 88 van 7908037 -19- het kleporgaan 84 in stevig kontakt wordt gedrukt met de onderrand 89 van de afvoerbuis 12, zoals in figuur 11 wordt getoond. De klep 29 verbindt de luchtinlaatbuis 35 met de vacuuraleiding 74, zodat de door het veerkrachtige kanaalorgaan 5 76 bepaalde ringvormige ruimte 75 om de vacuum wordt gebracht, waardoor het kanaalorgaan zich in de in figuur 11 getoonde samengedrukte toestand bevindt. Daar het kleplichaam 15 wordt ondersteund door het kanaalorgaan 76, bevindt het kleplichaam 15 zich in de in figuur 11 getoonde openstand. De binnenruimte 10 van het huis 10 buiten het kleplichaam 15 wordt door de mantel 68 resp. in binnenste en buitenste ringvormige kamers 105 en. 106 verdeeld. De binnenste kamer 105 staat konstant in verbinding met de afvoerruimte 13 en de vacuumleiding 14 via de verbindingsbuis 78, en de binnenste en buitenste kamers 105 15 en 106 worden zowel door de luchtsleuf 71 als door de schijf-openingen 70 onderling met elkaar verbonden. Bovendien staat in de openstand van het kleplichaam 15 de meet- of afpaskamer 20 in verbinding met de binnenste kamer 105 door een onderste klepsleuf die wordt bepaald tussen het randgedeelte 16 en de 20 klepzitting 17, en door een andere klepsleuf, die wordt bepaald tussen het randgedeelte 18 en de klepzitting 19. Het gevolg is dat alle kamers 20, 105, en 106 onder vacuum staan wanneer het. kleplichaam 15 zich in de in figuur 11 getoonde openstand bevindt.
25 Een vloeistof- of melkstroom, die tangentiaal in de vloeistofinlaatruimte 32 wordt gebracht door de vloeistof-inlaatbuis of leiding 11, stroomt naar beneden door de filter-sleuf 34 als een vloeistofgordijn, zoals hierboven werd beschreven in verband met de uitvoeringsvorm van figuur 5. De 30 binnenstromende vloeistof beweegt verder naar beneden langs het getande randgedeelte 69 van de mantel 68 en langs de ringvormige klepzitting 17 in de meetkamer 20 naar binnen. Wanneer het vloeistofniveau in de meetkamer stijgt zal het vlotterorgaan 30 omhoog worden bewogen. Wanneer het vlotter-35 orgaan een bovenste stand bereikt waarin het magneetorgaan 25 zich op hetzelfde niveau bevindt als de bovenste van de riet-schakelaar 26, wordt deze schakelaar geactiveerd om een uitgangssignaal te leveren waardoor de driewegsklep 29 de ver- 7908037 -20- binding met de vacuumleiding 74 verbreekt en een verbinding instelt met de atmosfeer via de leiding 73. Op de ringvormige ruimte 75 wordt dus een atmosferische druk gebracht via de buis 35, waardoor het inlaatorgaan 76 uitzet, zoals in figuur 5 12 wordt getoond, en het door het kanaalorgaan 76 ondersteunde kleplichaam 15 wordt in de gesloten stand opgetild waarin zowel de bovenste klep 18, 19 als de onderste klep 16,17 worden gesloten. De terugslagklep 80 wordt dan blootgesteld aan de atmosferische druk en geopend, zodat ook de meet- of af-10 paskamer 20 in verbinding komt met de atmosferische druk. De uitlaatbuis 12 wordt gesloten door de klepinrichting 83, terwijl het omloopkanaal 96 de meetkamer 20 met de vloeistof— kamer 94 verbindt, die onder vacuum staat. Het gevolg is dat vloeistof 'of melk uit de meetkamer geperst zal worden door 15 het omloopkanaal met een kleine doorsnede, en dat vloeistof uit de kamer 94 gezogen zal worden en teruggevoerd zal worden naar de inlaatruimte door de terugvoerleiding 97. Deze langzame aanvangsafvoerwerking, waarbij de vloeistof of melk blootgesteld staat aan de atmosferische druk, draagt bij tot 20 het onderdrukken van schuim. Tijdens deze beginafvoer zal het vloeistofniveau in de doseerkamer 20 en dus het vlotter-órgaan 30 langzaam dalen. Wanneer het magneetorgaan 25 hetzelfde niveau heeft bereikt als dat van de volgende riet-schakelaar 26, wordt deze schakelaar geactiveerd om een_uit-25 gangs signaal op te wekken waardoor de klep 00 de verbinding verbreekt tussen het kleporgaan 93 en de atmosfeer,: ;zodat een verbinding wordt gevormd met de vacuumleiding 92. Daardoor wordt het kleporgaan 84 in de open stand bewogen en wordt het resterende gedeelte van de vloeistof in de meet-30 kamer 20 afgevoerd door de uitlaatleiding 12. Wanneer het vlotterorgaan 30 de in figuur 11 getoonde stand heeft bereikt, waarin het magneetorgaan 25 zich op hetzelfde niveau bevindt als de onderste rietschakelaar 26, zal deze riet-schakelaar worden geactiveerd om een uitgangssignaal op te 35 wekken waardoor de klep 29 vacuum naar de ringvormige ruimte 75 voert, waardoor het kanaalorgaan 76. in de samengedrukte stand wordt bewogen, zoals getoond in figuur 11- Daar het kleplichaam 15 wordt ondersteund door het kanaalorgaan 76, 7908037 » * -21- wordt het kleporgaan in de onderste,openstand bewogen en verzekerd de boring 77 dat de gasdruk in de ruimte tussen het kanaalorgaan 76 en de bovenwand van het kleplichaam 15 gelijk is aan die van de ringvormige kamer 105. Het uitgangssignaal 5 van de onderste schakelaar 26 heeft ook tot gevolg dat de klep 90 de klepkamer 93 in verbinding brengt met de atmosferische druk, zodat de uitlaatbuis 12 gesloten wordt door de klepinrichting 82. De inrichting is nu in de beginstand, en de hierboven beschreven werking kan dus worden herhaald.
10 Het zal duidelijk zijn dat de beschreven inrichting dient om vloeistof uit de meetkamer 20 in nauwkeurig afgepaste porties af te voeren, met tenminste nagenoeg hetzelfde gewicht of dezeèfde massa. Het gevolg is dat de totale massa van de door de inrichting gepasseerde vloeistof berekend kan worden 15 door het aantal porties te tellen en dit aantal met het gewicht op de massa van elke portie te vermeningvuldigen. Wanneer de vloeistofstroom naar de inrichting echter stopt, kan de inrichting een resthoeveelheid vloeistof bevatten die niet voldoende is om het vloeistofniveau in de meetkamer 2Q te bereiken 20 waarop de afvoerwerking aanvangt. De afvoer van een dergelijke --xestvloef sfofhoeveelheid uit de meetkamer kan worden verwezenlijkt door het kontakt 42 met de hand te bedienen. Een derge-lijke bediening van het kontakt 42 heeft tot gevolg dat de klep 29 atmosferische druk naar de ringvormige ruimte 75 voert, 25 terwijl de klepinrichting 83 in de gesloten stand blijft.
De restvloeistofhoeveelheid in de meetkamer 20 zal dus afgevoerd worden door het omloopkanaal 96, en de hoeveelheid van de vloeistof die afgevoerd wordt uit de meetkamer evenals die welke achterblijft in de kamers 105 en 106, kan worden bepaald 30 door de electronische eenheid 38 op basis van de tijd die verloopt vanaf het moment waarop het kontakt 42 wordt bedient tot het moment waarop de onderste rietschakelaar 26 door het magneetorgaan 25 wordt geactiveerd. Om de restvloeistof uit de kamers 105 en 106 te verwijderen kan de inrichting daarna 35 automatisch in aantal, bijvoorbeeld 6, opeenvolgende afvoer-werkingen uitvoeren. De totale hoeveelheid van de vloeistof-stroom die de inrichting gepasseerd is kan worden aangegeven door de digitale aanwijsinrichting 39, en de inrichting is 7908037 -22- nu gereed voor een volgende meting.
De inrichting van figuur 11 kan worden voorzien van een monsteri'nrichting zoals in figuur 14 wordt getoond, en welke op tenminste nagenoec dezelfde wijze werkt als de 5 monsterinrichting zoals beschreven in combinatie met in figuur 5 getoonde uitvoeringsvorm.
De kleppen 29 en 90 kunnen van het in figuur 13 getoonde type zijn. Het getoonde klepmechanisme omvat een huis 107 dat een binnenste klepkamer 108 bepaald die in verbinding 10 staat met het door het buisgedeelte 99 bepaalde kanaal. Het huis heeft ook een vacuumkanaal 109 dat verbonden is met de vacuumleiding 74, en een kanaal 110 dat in verbinding staat met de atmosfeer via de leiding 73, zoals getoond in figuur 11. De kanalen 109 en 110 komen in tegengestelde richtingen 15 uit in de klepkamer 108 en worden omgeven door klepzittingen 110 resp. 112. Een kleporgaan 113 is opgehangen in een diafragma 114 en een veerorgaan 115 zodanig dat dit beweegbaar is tussen een in figuur 13 getoonde, openstand en een gesloten stand waarin een veerkrachtige afdichtschijf 116 stevig in 20 kontakt is met de klepzitting 111, en het vacuumkanaal 109 afsluit. Op overeenkomstige wijze wordt de klepzitting 112 geregeld door een kleporgaan 117 dat ondersteund wordt door een diafragma 118 en in de gesloten positie wordt gedwongen door een schroef 219, in welke stand een afdichtschijf 120 25 stevig in kontakt is met de klepzitting 112 en het kanaal 110 afsluit. Het kleporgaan 117 kan in een openstand (in figuur 13 rechts) worden bewogen door een magneetspoel 121 in te schakelen, en het kleporgaan 1.13 wordt gelijktijdig in de gesloten stand bewogen onder invloed van het veerorgaan 30 115. Wanneer de magneetspoel 121 wordt uitgeschakeld zal het kleporgaan 117 terugkeren in een gesloten stand onder invloed van de werking van de schroefveer 119, en het kleporgaan zal gelijktijdig in de openstand worden bewogen tegen de veerkracht van het veerorgaan 115 in, omdat axiaal beweegbare 35 afstandspennen 122 een konstante axiale tussenruimte verzekeren tussen de kleporganen 113 en 117.
Het zal duidelijk zijn dat. verschillende modificaties en wijzigingen van de beschreven uitvoeringsvormen kunnen 7908037 -23- « worden vervaardigd binnen het kader van de huidige uitvinding. Bijvoorbeeld kunnen verschillende soorten klepinrichtingen worden gebruikt voor het regelen van de afvöer van de vloeistof uit de meetkamer 20 in porties met tenminste nagenoeg 5 hetzelfde gewicht. Het zal ook duidelijk zijn dat/ hoewel de uitvinding in het bijzonder beschreven is in verband met het meten van een stroommelk in een melksysteem, de uitvinding ook gebruikt kan worden voor het meten van een stroom van een andere soort vloeistof. Bovendien kan de vloeistof uit de 10 meetkamer worden afgevoerd door middel van persgas zodat de inrichting niet noodzakelijkerwijze hoeft aangedreven te worden door van een vacuumbron toegevoerd vacuum.
7908037

Claims (31)

1. Werkwijze voor het meten van een vloeistofstroom die door een inlaatklep tot in een meet- of afpaskamer, die vlottermiddelen omvat wordt geleid, waarbij die vloeistof van de meetkamer in porties door een uitlaatkanaal wordt afgevoerd, 5 en de afvoer van elke portie aanvangt in reaktie op de beweging van de vlottermiddelen totaan een bepaald bovenste niveau, en het aantal afgevoerde porties wordt geteld, met het kenmerk, dat de afvoer van elke portie wordt veroorzaakt door het in-laatkanaal (11) te sluiten en de meetkamer (20) aan een gas- 10 druk bloot te stellen die aanzienlijk hoger is dan de druk ter plaatse van het afvoereinde van het uitlaatkanaal.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de afvoer wordt veroorzaakt door de meetkamer (20) bloot te stellen aan atmosferische druk, terwijl het afvoereinde 15 van het uitlaatkanaal (12) aan vacuum is blootgesteld.
3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2, waarbij het 'inlaatkanaal wordt geregeld door een inlaatklep die beweegbaar is tussen geopende en gesloten standen, met het kenmerk, dat het inlaatkleporgaan (15) in de gesloten stand wordt 20 bewogen onder invloed van de naar de meetkamer (20) toegevoerde gasdruk.
4. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-3, waarbij de toevoer van gasdruk naar de· 'meetkamer wordt aangevangen wanneer de vlottermiddelen omhoog bewogen zijn tot een 25 bepaald eerste niveau, met het kenmerk, dat daarna vloeistof eerst wordt afgevoerd uit de meetkamer.door een kleine om-loopopening (96), die in verbinding staat met de vloeistof-inlaatleiding, waarbij de verbinding gevormd wordt tussen de meetkamer en het afvoereinde van het' uitlaatkanaal wanneer 30 de vlottermiddelen een bepaald onderste tweede niveau hebben bereikt, waardoor het in de meetkamer achterblijvende vloeistof gedeelte door dat uitlaatkanaal wordt afgevoerd.
5. Werkwijze volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat de funktie van een uitlaatkleporgaan (84) in het vloei- 35 stofuitlaatkanaal (12) dat beweegbaar is tussen geopende en gesloten stand ook geregeld wordt door de- stand van de vlottermiddelen (30) in de meetkamer (20.) , waarbij de ver- 7908037 -25- binding wordt gevormd door het uitlaatkleporgaan uit de gesloten in de geopende stand bewegen.
6. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-5, met het kenmerk, dat de hoeveelheid van een mogelijk laatste 5 fraktie van een vloeistofportie in de meetkamer bepaald wordt op basis van de tijd die nodig is voor het afvoeren van die laatste fraktie uit de meetkamer.
7. Werkwijze volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat die laatste fraktie van een vloeistofportie afgevoerd 10 wordt door de omloopopening (96).
8. Werkwijze volgens conclusie 6 of 7, met het kenmerk, dat de afvoer van die laatste fraktie met de hand wordt in gang gezet.
9. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-8, 15 met het kenmerk, dat de vloeistof uit de meetkamer wordt afgevoerd door een uitlaatkanaal dat zich uitstrekt naar een afvoereinde op een niveau boven het maximum vloeistofniveau in de meetkamer.
10. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-9, 20 met het kenmerk, dat een monster van elke vloeistofportie welke uit de meetkamer wordt afgevoerd door een monsterleidincr (44). wordt af genomen, welke leiding aftakt van het uitlaatkanaal (121.
11. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-IQ, 25 met het kenmerk, dat lucht wordt afgescheiden van de naar de meetkamer toegevoerde vloeistof, terwijl lucht wordt gemengd met de daaruit afgevoerde vloeistof.
12. Werkwijze volgens één van de conclusies 1-11, met het kenmerk, dat de vloeistof melk is welke van de speen- 30 kappen van een melkmachine toestroomt.
13. Inrichting voor het meten van een vloeistof-stroom en omvattende een meet- of afpaskamer (201 met een vloeistofinlaatkanaal (11) voor het ontvangen van de stroom, in de kamer beweegbaar aangebrachte vlottermiddelen(21, 22, 35 30), afvoermiddelen (15, 29, 83, 90) voor het afvoeren van de vloeistof uit de meetkamer door een vloeistofuitlaatkanaal (121 in reaktie op de beweging van de vlottermiddelen tot een bepaald bovenste niveau, en middelen (28, 381 voor het 7908037 -26- tellen van het aantal vloeistofporties dat uit de meetkamer wordt afgevoerd, met het kenmerk, dat de afvoermiddelen middelen (15) omvat voor het sluiten van het inlaatkanaal en middelen (29, 83, 90) voor het blootstellen van de meetkamer 5 (20) aan een gasdruk die de druk nabij het afvoereinde van het uitlaatkanaal (12) belangrijk overschrijdt.
14. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de sluitmiddelen een kleplichaam (15) omvatten voor het regelen van het inlaatkanaal en welke beweegbaar zijn in een 10 het inlaatkanaal afsluitende stand door de aan de meetkamer (20) toegevoerde gasdruk waarbij de blootstellende middelen gasklepraiddelen (29, 83, 90) omvatten die geregeld worden door de vlottermiddelen (21, 22, 30), om de gasdruk naar de meetkamer toe te voeren wanneer de vlottermiddelen een bepaal-15 de bovenste stand hebben bereikt.
15.Inrichting volgens conclusie 14, met het kenmerk., dat het inlaatkleplichaam (15) een zodanige vorm heeft dat dit het bovenste deel. van de meetkamer (20) bepaald, waarbij een onderste ringvormig gedeelte (16) van het kleplichaam samen 20 kan werken met een naar beneden gerichte ringvormige klep-zittlng (17). ______________________________
16. Inrichting volgens één van de conclusies 13-15, gekenmerkt door electrische relays of schakelaars (26), die geactiveerd kunnen worden door magnetische krachten en die 25 op verschillende niveaus zijn aangebracht langs de meetkamer (20) voor het regelen van de werking van de afvoermiddelen, waarbij de vlottermiddelen magnetische middelen (25) omvatten voor het activeren van de schakelaars of relays.
17. Inrichting volgens conclusie 16, met het kenmerk, 30 dat elke schakelaar of elk relay (25) omgeven wordt door een magnetiseerbaar materiaal (66) dat gescheiden wordt door een aanzienlijke horizontale smalle sleuf (67).
18. Inrichting volgens één van de conclusies 13-17, gekenmerkt door geleidingsmiddelen (23, 35, 36, 43) om de 35 vlottermiddelen vertikaal te laten bewegen en de horizontale beweging daarvan tenminste nagenoeg geheel te verhinderen.
19. Inrichting volgens conclusie 18,.met het kenmerk, dat de geleidingsmiddelen geleidingskolommen (23, 35, 36) om- 7908037 -27- vatten die zich axiaal uitstrekken in de meetkamer en het kleplichaam (15) in de onderste, de inlaatopenende stand ondersteunen.
20. Inrichting volgens conclusie 19, met het kenmerk, 5 dat tenminste ëën .(35} van de kolommen buisvormig is, en de holle binnenruimte daarvan een deel vormt van een gasstroomkanaal van de gasklepmiddelen (29) naar de meetkamer (20).
21. Inrichting volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat het gasstroomkanaal een klepinrichting (37, 76) omvat die 10 het stromingskanaal afsluit wanneer het kleplichaam (15) zich in de onderste, de inlaatopenende stand bevindt, en het stromingskanaal opent wanneer het kleplichaam zich in de bovenste, de inlaatsluitende stand bevindt.
22. Inrichting volgens conclusie 21, met het kenmerk, 15 dat het stromingskanaal verder een terugslagklep (80) benedenstrooms van de klepinrichting (37, 76) omvat.
23. Inrichting volgens ëën van de conclusies 13-22, gekenmerkt door een klein omloopkanaal (96) dat het onderste deel van de meetkamer (20) met het vloeistofinlaatkanaal (11) 20 verbindt, dat de afvoermiddelen verder een uitlaatkleporgaan (84). omvatten voor het regelen van het uitlaatkanaal (12) en welke beweegbaar is tussen een geopende en een gesloten stand, en middelen (25, 26) voor het bewegen van het uitlaatkleporgaan in de geopende stand gedurende een korte periode nadat de 25 gasdruk in de meetkamer is toegevoerd door middel van de gasklep.
24. Inrichting volgens ëën van de conclusies 13-23, met het kenmerk, dat het uitlaatkanaal zich. uitstrekt naar een afvoereinde daarvan op een niveau boven het maximale vloeistof- 30 niveau in de meetkamer.
25. Inrichting volgens ëën van de conclusies 13-24, gekenmerkt door met de hand bedienbare middelen (40) voor het in gang stellen van de afvoer van een mogelijk laatste fraktie van een vloeistofportie uit de meetkamer, en door middelen 35 (28, 38) voor het bepalen van de hoeveelheid van die fraktie op basis van de tijd die nodig is voor het afvoeren van die fraktie.
26. Inrichting volgens conclusie 25, met het kenmerk, 7908037 -28- dat de met de hand bedienbare middelen de afvoer van de laatste fraktie door het omloopkanaal in gang kunnen zetten.
27. Inrichting volgens één van de conclusies 13-26, gekenmerkt door een van het uitlaatkanaal (12) afgetakte 5 monsterleiding (44).
28. Inrichting volgens één van de conclusies 13-27, met het kenmerk, dat het inlaatkanaal verbonden kan worden met speenkappen van een melkmachine, terwijl het uitlaatkanaal verbonden kan worden met een vacuumleiding van de melkmachine.
29. Inrichting volgens één van de conclusies 13-28, gekenmerkt door middelen (18, 19) voor het verbinden van de meetkamer (20) met de vacuumleiding wanneer het vloeistof-inlaatkanaal (11) open is.
30. Inrichting volgens één van de conclusies 13-29, 15 gekenmerkt door bovenstrooms van de meetkamer (20) aangebrachte. middelen (34, 69) voor het scheiden van lucht van melk, en middelen (58) benedenstrooms van de meetkamer voor het mengen van lucht in de door uitlaatkanaal afgevoerde melk.
31. Inrichting volgens één van de conclusies 13-30, 20 met het kenmerk, dat het inlaatkanaal een de meetkamer (20) omgevende ringvormige ruimte (105, 106) omvat, waarbij de luchtafscheidende middelen in de ringvormige· ruimte zijn aangebracht. 7908037
NL7908037A 1978-11-03 1979-11-02 Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloei- stofstroom. NL7908037A (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
DK492378 1978-11-03
DK492378 1978-11-03

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL7908037A true NL7908037A (nl) 1980-05-07

Family

ID=8137887

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL7908037A NL7908037A (nl) 1978-11-03 1979-11-02 Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloei- stofstroom.

Country Status (5)

Country Link
US (1) US4306454A (nl)
JP (1) JPS55104722A (nl)
DE (1) DE2944386A1 (nl)
NL (1) NL7908037A (nl)
SE (1) SE7909054L (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0332829A3 (de) * 1988-03-10 1991-01-16 Vegyimüveket Epitö Es Szerelö Vallalat Vorrichtung zur Messung der Ergiebigkeit von Ölbrunnen

Families Citing this family (38)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE3176287D1 (en) * 1980-11-14 1987-08-06 Kummer Electronics Bv Milkmeter measuring the weight of the quantity of milk issued by a cow, and device for taking samples adapted for use with said milkmeter
DE3118865A1 (de) * 1981-05-13 1982-12-02 Helmut 5204 Lohmar Lemmer "verfahren und vorrichtung zur bestimmung der milchleistung von kuehen waehrend des melkens mit hilfe einer melkvorrichtung"
DE4027936A1 (de) * 1990-09-04 1992-03-05 Rota Yokogawa Gmbh & Co Kg Massedosierautomat
US5720236A (en) * 1996-01-16 1998-02-24 Dec International, Inc. Milk meter
US6202483B1 (en) * 1997-05-05 2001-03-20 Richard D. Barcus Volumetric flow metering apparatus
KR20000071990A (ko) * 2000-06-07 2000-12-05 윤충섭 공압장치를 이용한 착유 용적식 유량기
RU2271520C1 (ru) * 2004-08-06 2006-03-10 Федеральное государственное унитарное предприятие "Научно-исследовательский институт полимерных материалов" Объемный дозатор жидкости
RU2433377C1 (ru) * 2010-06-07 2011-11-10 Виктор Васильевич Непримеров Дозатор жидкости
RU2433378C1 (ru) * 2010-06-07 2011-11-10 Виктор Васильевич Непримеров Дозатор жидкости
US9161511B2 (en) 2010-07-06 2015-10-20 Technologies Holdings Corp. Automated rotary milking system
ES2390547B1 (es) * 2010-08-05 2013-10-02 Consejo Superior De Investigaciones Científicas (Csic) Dispositivo para la medicion de la cantidad de liquido que fluye y el procedimiento para su medicion
US10111401B2 (en) 2010-08-31 2018-10-30 Technologies Holdings Corp. System and method for determining whether to operate a robot in conjunction with a rotary parlor
US8800487B2 (en) 2010-08-31 2014-08-12 Technologies Holdings Corp. System and method for controlling the position of a robot carriage based on the position of a milking stall of an adjacent rotary milking platform
US8707905B2 (en) 2010-08-31 2014-04-29 Technologies Holdings Corp. Automated system for applying disinfectant to the teats of dairy livestock
US9149018B2 (en) 2010-08-31 2015-10-06 Technologies Holdings Corp. System and method for determining whether to operate a robot in conjunction with a rotary milking platform based on detection of a milking claw
CN102207399B (zh) * 2011-04-02 2012-07-04 中国科学院广州地球化学研究所 电机驱动翻板阀式海底冷泉渗漏流量测量排水集气系统
US8885891B2 (en) 2011-04-28 2014-11-11 Technologies Holdings Corp. System and method for analyzing data captured by a three-dimensional camera
US9043988B2 (en) 2011-04-28 2015-06-02 Technologies Holdings Corp. Milking box with storage area for teat cups
US8746176B2 (en) 2011-04-28 2014-06-10 Technologies Holdings Corp. System and method of attaching a cup to a dairy animal according to a sequence
US9357744B2 (en) 2011-04-28 2016-06-07 Technologies Holdings Corp. Cleaning system for a milking box stall
US9215861B2 (en) 2011-04-28 2015-12-22 Technologies Holdings Corp. Milking box with robotic attacher and backplane for tracking movements of a dairy animal
US8683946B2 (en) 2011-04-28 2014-04-01 Technologies Holdings Corp. System and method of attaching cups to a dairy animal
US9681634B2 (en) 2011-04-28 2017-06-20 Technologies Holdings Corp. System and method to determine a teat position using edge detection in rear images of a livestock from two cameras
US10127446B2 (en) 2011-04-28 2018-11-13 Technologies Holdings Corp. System and method for filtering data captured by a 2D camera
US9107378B2 (en) 2011-04-28 2015-08-18 Technologies Holdings Corp. Milking box with robotic attacher
US9107379B2 (en) 2011-04-28 2015-08-18 Technologies Holdings Corp. Arrangement of milking box stalls
US10357015B2 (en) 2011-04-28 2019-07-23 Technologies Holdings Corp. Robotic arm with double grabber and method of operation
US8903129B2 (en) 2011-04-28 2014-12-02 Technologies Holdings Corp. System and method for filtering data captured by a 2D camera
US9258975B2 (en) 2011-04-28 2016-02-16 Technologies Holdings Corp. Milking box with robotic attacher and vision system
US9265227B2 (en) 2011-04-28 2016-02-23 Technologies Holdings Corp. System and method for improved attachment of a cup to a dairy animal
US9049843B2 (en) 2011-04-28 2015-06-09 Technologies Holdings Corp. Milking box with a robotic attacher having a three-dimensional range of motion
US9161512B2 (en) 2011-04-28 2015-10-20 Technologies Holdings Corp. Milking box with robotic attacher comprising an arm that pivots, rotates, and grips
US9058657B2 (en) 2011-04-28 2015-06-16 Technologies Holdings Corp. System and method for filtering data captured by a 3D camera
US8671885B2 (en) 2011-04-28 2014-03-18 Technologies Holdings Corp. Vision system for robotic attacher
NL2015620B1 (nl) * 2015-10-15 2017-05-08 N V Nederlandsche Apparatenfabriek Nedap Melkmeter.
NL2017992B1 (nl) * 2016-12-14 2018-06-26 Lely Patent Nv Melksysteem
CN112212933B (zh) * 2020-09-10 2024-05-28 宁波水表(集团)股份有限公司 一种湿式水表
RU202513U1 (ru) * 2020-10-21 2021-02-20 Федеральное государственное бюджетное образовательное учреждение высшего образования "Белгородский государственный аграрный университет имени В.Я. Горина" Доильный аппарат

Family Cites Families (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US1433870A (en) * 1920-11-03 1922-10-31 Bowden William Liquid-fuel-supply apparatus for internal-combustion engines
US1592968A (en) * 1923-03-23 1926-07-20 Francis R Daly Registering apparatus
US1548166A (en) * 1923-12-03 1925-08-04 George Y Peters Liquid-measuring device
US3040576A (en) * 1958-07-16 1962-06-26 Shell Oil Co Pressure-operated metering apparatus

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0332829A3 (de) * 1988-03-10 1991-01-16 Vegyimüveket Epitö Es Szerelö Vallalat Vorrichtung zur Messung der Ergiebigkeit von Ölbrunnen

Also Published As

Publication number Publication date
SE7909054L (sv) 1980-05-04
JPS55104722A (en) 1980-08-11
DE2944386A1 (de) 1980-05-14
US4306454A (en) 1981-12-22

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL7908037A (nl) Werkwijze en inrichting voor het meten van een vloei- stofstroom.
DK144542B (da) Fremgangsmaade og apparat til maaling af en vaeskestroem
JP5117622B2 (ja) 搾乳プロセス中に動物によって産生されるミルクの量を測定する装置および方法
EP1781148B1 (en) Equipment for the preparation of a hot beverage
CN107847073B (zh) 用于制备饮料的相关容器、系统、设备及方法
DK158162B (da) Apparat til maaling af den i en malkning udmalkede totale maelkemaengde fra en ko
EP1781149B1 (en) Equipment for the preparation of a hot beverage
EP0163483A2 (en) Automatic milking apparatus
US1705293A (en) Teat cup for milking machines
DE60101484D1 (de) Filterträger für eine kaffeemaschine vom espressotyp
US3045493A (en) Milk measuring and sampling device for milking machines
US2917926A (en) Means for extracting true proportionate samples of fluid material
US2829774A (en) Apparatus for separating liquids of different densities
US1887918A (en) Air eliminator for liquid pump equipment
US3305927A (en) Catch receptacle for evacuative suction apparatus
US1963501A (en) Device for applying insecticides to mill elevators
EP0047555B1 (en) Apparatus for measuring and/or sampling the milk-yield of a cow during milking
US3163047A (en) Fluid measuring apparatus
US3832970A (en) Flow indicator
US1684834A (en) Deaerating apparatus
EP3197271B1 (en) Double chamber volumetric milk meter
US20170172349A1 (en) Single Use, Pliable, Foldable Gravy or Sauce Separator Container
WO2004042329A1 (en) Liquid flow measuring apparatus
US2934024A (en) Diaphragm pump and milk transfer apparatus
US2466573A (en) Gravity flow interval timer

Legal Events

Date Code Title Description
A85 Still pending on 85-01-01
BV The patent application has lapsed