Conclusies
1. Draadkabelklem (1) voor klemmen van een draadkabel, omvattende: - een houder (2) welke is voorzien van een kabelopening (3) voor ontvangen van een kabel en verder is voorzien van een kabelklemkanaal (4); - een kabelwig (5) opgesteld in het kabelklemkanaal (4), de kabelwig (5) omvattende een kabelklemoppervlak (6) en een wigoppervlak (7), waarin het wigoppervlak (7) weg is gekeerd van het kabelklemoppervlak (6) en zich uitstrekt onder een kabelwighoek (a) ten opzichte van het kabelklemoppervlak (6), de houder (2) zijnde verder voorzien van een kabelondersteuningsoppervlak (8) en met een wig-tegenoppervlak (9); waarin het kabelondersteuningsoppervlak (8) van de houder (2) welke zich langs het kabelklemoppervlak (6) van de kabelwig (5) wtstrekt om een tussenruimte (10) daartussen te vormen waarin in gebruik een kabeldeel (11), in het bijzonder een uiteinde van een kabel, zich wtstrekt welke uitsteekt door de kabelopening (3) het kabelwigkanaal (4) van de houder (2) in, waarin het wig-tegenoppervlak (9) van de houder (2) zich wtstrekt langs het wigoppervlak (7) van de kabelwig (5) om in gebruik samen te werken met het wigoppervlak (7) van de kabelwig (5), waarm het kabelklemoppervlak (6) van de kabelwig (5) is ingericht om op wrijving het kabeldeel (11) aan te grijpen met een eerste hoeveelheid wrijving, en waarin het wigoppervlak (7) van de kabelwig (5) is mgericht om op wrijving het wig-tegenoppervlak (9) aan te grijpen met een tweede hoeveelheid wrijving, de tweede hoeveelheid wrijving zijnde lager dan de eerste hoeveelheid wrijving.
2. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 1, waarin de kabelwighoek (a) waarmee het wigoppervlak (7) zich uitstrekt ten opzichte van het kabelklemoppervlak (6) tussen 3° en 9° 1s, en bij voorkeur 7° is.
3. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 1 of 2, waarin het wigoppervlak (7) en/of het wig-tegenoppervlak (9) voorzien is als een lageroppervlak van een glijlagerstructuur (12).
4. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 3, waarin de glijlagerstructuur (12) is voorzien op een lichaamsdeel (13) van de kabelklem
(5).
5. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 3 of 4, waarin de glijlagerstructuur (12) ten minste een van een plastic, bij voorkeur PTFE of Nylon, een composiet materiaal, brons, of gietijzer omvat.
6. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin een lichaamsdeel (13) van de kabelwig (5) hoge sterkte staal omvat of daaruit bestaat, bij voorkeur S690.
7. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin een lichaamsdeel (14) van de houder zacht staal omvat of daaruit bestaat, bij voorkeur S355.
8. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin het wigoppervlak (7) en het wig-tegenoppervlak (9) samenwerken via een wrijvingsreductietussenstructuur, bij voorkeur een lagerplaat of een rollenset (15).
9. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 1-8, waarin het klemoppervlak (6) van de kabelwig (5) voorzien is van een groef (22) welke in gebruik een deel van een manteloppervlak van het kabeldeel (11) ontvangt.
10. Draadkabelklem volgens conclusie 9, waarin een oppervlak van de groef voorzien is met een profiel (16) om in gebruik het manteloppervlak van het kabeldeel (11) aan te grijpen.
11. Draadkabelklem volgens een van de conclusies 1-10, waarin het kabelondersteuningsoppervlak (8) glad is ten opzichte van het klemoppervlak (6) om slip te faciliteren van de kabel ten opzichte van het kabelondersteunmgsoppervlak (8) terwijl de kabel het wigoppervlak (7) in aangrijping trekt met het weg-tegenoppervlak (9).
12. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin het weg-tegenoppervlak (9) voorzien is op een oppervlak van de houder (2).
18. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies 1- 11, waarin de houder (2) een losmaakbare hulpwig (17) omvat, en het tegenoppervlak (9) voorzien is op de hulpwig (17), welke hulpwig opgesteld is tussen de kabelwig (5) en een hulpwigtegenoppervlak (9°) van de houder (2).
14. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 13, waarin de hulpwig (17) een hulpwigoppervlak (18) omvat welke zich wtstrekt langs het hulpwigtegenoppervlak (9°) van de houder (2) om in gebruik samen te werken met dit hupwigtegenoppervlak (9% van de houder (2).
15. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 13 of 14, waarm het hulpwigoppervlak (18) weg gekeerd is van het wigtegenoppervlak (9) en onder een hulpwighoek (B) uitstrekt ten opzichte van het wigtegenoppervlak (9).
16. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 15, waarin de hulpwighoek (B) waaronder het hulpwigoppervlak (18) uitstrekt ten opzichte van het wigtegenoppervlak (9) tussen 7° en 20° 1s, en bij voorkeur 12° is.
17. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 13-16, waarin de kabelwig (5) en de hulpwig (17) beide ten minste deels taps toelopen richting de kabelopening (3).
18. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 13-17, waarin deel (17°) van de hulpwig (17) uit de kabelingangsopening (3) van de houder (2) steekt.
19. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin de kabelwig (5) en/of de hulpwig (17) vastgezet is aan de houder (2) via een losmaakbare vastzetstructuur (23).
20. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin de kabelwig (5) een kabelwigpassage (28) omvat door welke ten minste deel van het kabeldeel (11) kan uitstrekken, welke kabelwigpassage onder een hoek (6) is georiënteerd ten opzichte van het kabelklemoppervlak (6), in het bijzonder een hoek tussen 5° en 60°.
21. Draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, voor zover afhankelijk van conclusie 13, verder omvattende een koppelingsdeel (70) welke de hulpwig (17) koppelt met de houder (2).
22. Draadkabelklem (1) volgens conclusie 21, waarm het koppellichaam (70) zich uitstrekt door de houder (2) en de hulpwig (17) in.
23. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 21-22, waarin het koppellichaam (70) verbonden is met de hulpwig door een fixatiedeel (71), zoals een bout.
24. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 21-23, waarin het koppellichaam (70) zich uitstrekt door het hulpwigtegenoppervlak (9°) van de houder (2).
25. Draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 21-24, waarin het koppellichaam (70) ten minste deels uitsteekt buiten de houder in een richting in hoofdzaak weg van het kabelklemkanaal (4).
26. Draadkabel omvattende een draadkabelklem (1) volgens een van de voorgaande conclusies, waarin een kabeldeel (11), in het bijzonder een uiteinde van de kabel, zoals een recht uiteinde van de kabel, door de kabelopening (3) steekt het kabelwigkanaal (4) van de houder (2) in en is geklemd in de tussenruimte tussen het kabelwigoppervlak (7) van de kabelwig (5) en het kabelsteunoppervlak (8) van de houder (2) en waarin het kabelklemoppervlak (6) van de kabelwig (5) op wrijving het kabeldeel (11) aangrijpt met een eerste hoeveelheid wrijving, en waarin het wigoppervlak (7) van de kabelwig (5) is ingericht om op wrijving het wig-tegenoppervlak (9) aan te grijpen met een tweede hoeveelheid wrijving, de tweede hoeveelheid wrijving zijnde lager dan de eerste hoeveelheid wrijving.
27. Draadkabel volgens conclusie 26, waarin een deel van het kabeldeel welke zich uitstrekt voorbij de kabelwig (5) voorzien is met een hulpklem om de kabelwig (5) op te sluiten en om het kabeldeel in aangrijping te trekken wanneer de kabel door de kabelingangsopening (3) wordt teruggetrokken.
28. Draadkabel volgens een van de conclusies 26-27, waarin een deel van de kabel welke uitstrekt door de kabelwig of door het kabelwigkanaal gebogen is, in het bijzonder onder een hoek ten opzichte van het kabelklemoppervlak (6).
29. Werkwijze voor klemmen van een draadkabelklem (1) op een draadkabel gebruik makend van een draadkabelklem (1) volgens een van de conclusies 1-25, waarin een deel van de kabel, in het bijzonder een uiteinde van de kabel, door de kabelingangsopening (3) van de houder (2) van de kabelklem (1) is gestoken in het kabelwigkanaal (4) zodanig dat een deel van de kabel zich uitstrekt door de tussenruimte (10) tussen het kabelklemoppervlak (6) van de kabelwig (5) en het kabelondersteunmgsoppervlak (8) van de houder (2), en waarin de kabel teruggetrokken wordt zodanig dat de kabel de kabelwig (5) aangrijpt via het kabelklemoppervlak (6) en de kabelwig (5) zodanig opsluit dat het klemoppervlak (7) van de kabelklem in aangrijping wordt getrokken met het kabeltegenoppervlak (9) en het kabelklemoppervlak (6) van de kabelwig (5) het kabel deel op het kabelondersteuningsoppervlak (8) van de houder (2) klemt.
30. Werkwijze volgens conclusie 29, verder omvattende de kabel door een kabelwigpassage (28) van de kabelwig (5) steken en buigen van de kabel ten opzichte van het kabelklemoppervlak (6), in het bijzonder voordat de kabel wordt teruggetrokken.
31. Werkwijze volgens conclusie 29 of 30, verder omvattende, na door de kabelingangsopening (3) steken van de kabel, en voorafgaand aan terugtrekken van de kabel, koppel van de kabel met de kabelwig (5), en daarna buigen van de kabel richting de kabelwig.
32. Werkwijze volgens conclusie 31, waar de kabel gekoppeld is met de kabelwig door middel van een restrictiedeel (60) verbonden met of gevormd door een achterste deel (61) van de kabelwig.
33. Werkwijze volgens conclusie 32, waarin de kabel in een passage (65) van het restrictiedeel wordt gestoken voor buigen van kabel richting de kabelwig.
34. Werkwijze volgens een van de conclusies 29-33, verder omvattende positioneren van een hulpwig (17) welke het tegenoppervlak (9) voorziet tussen de kabelwig (5) en een hulpwigtegenoppervlak (9°) van de houder (2) voorafgaand aan terugtrekken van de kabel.
35. Werkwijze volgens conclusie 34, verder omvattende koppelen van de hulpwig (17) met de houder (2) gebruik makend van een losmaakbaar koppellichaam (70).
36. Werkwijze volgens conclusie 35, verder omvattende verbinden van het koppellichaam (70) met de hulpwig (17) gebruik makend van een fixatiedeel (71), zoals een bout.
37. Werkwijze voor losmaken van een draadkabelklem (1) van een draadkabel (11), waarin de draadkabel geklemd is tussen een kabelondersteuningsoppervlak (8) van een houder (2) van de draadkabelklem en een draadklemoppervlak (6) van een kabelwig (5), welke kabelwig ten minste deel gepositioneerd is in een kabelwigkanaal (4) van de houder samen met een hulpwig (17), de werkwijze omvattende stappen van: - losmaken van een klemverbinding tussen de hulpwig, de houder, en de kabelwig; en - verwijderen van de draadkabel uit het kabelwigkanaal.
38. Werkwijze volgens conclusie 37, waarin de draadkabelklem geklemd was op de draadkabel gebruik makend van een werkwijze volgens een van de conclusies 34-36.
39. Werkwijze volgens een van de conclusies 37-38, verder omvattende verwijderen van de hulpwig en de kabelwig uit de kabelwigkanaal.
40. Werkwijze volgens een van de conclusies 37-39, waarin de draadkabelklem een draadkabelklem volgens een van de conclusies 1-25 1s.
41. Werkwijze volgens een van de conclusies 37-40, verder omvattende losmaken van een koppellichaam (70) welke de hulpwig koppelt met de houder voorafgaand aan losmaken van de klemverbinding tussen de hulpwig, de houder, en de kabelwig.
42. Werkwijze volgens een van de conclusies 37-41, verder omvattende met kracht slaan op de hulpwig, in het bijzonder een deel (17°) van de hulpwig welke uit de houder (2) steekt, om de klemverbinding tussen de hulpwig, de houder, en de kabelwig los te maken.