NL2007331C2 - Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. - Google Patents
Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2007331C2 NL2007331C2 NL2007331A NL2007331A NL2007331C2 NL 2007331 C2 NL2007331 C2 NL 2007331C2 NL 2007331 A NL2007331 A NL 2007331A NL 2007331 A NL2007331 A NL 2007331A NL 2007331 C2 NL2007331 C2 NL 2007331C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- ear tag
- series
- parts
- ear
- tong
- Prior art date
Links
- 238000005520 cutting process Methods 0.000 claims description 76
- 241000283690 Bos taurus Species 0.000 claims description 18
- 238000011144 upstream manufacturing Methods 0.000 claims description 12
- 244000144972 livestock Species 0.000 claims description 9
- 238000003466 welding Methods 0.000 claims description 9
- 239000000463 material Substances 0.000 claims description 7
- 238000000034 method Methods 0.000 claims description 7
- 210000005069 ears Anatomy 0.000 claims description 6
- 230000008878 coupling Effects 0.000 description 12
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 description 12
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 description 12
- 230000008018 melting Effects 0.000 description 4
- 238000002844 melting Methods 0.000 description 4
- 230000000903 blocking effect Effects 0.000 description 3
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 description 3
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 2
- 230000003313 weakening effect Effects 0.000 description 2
- 238000005336 cracking Methods 0.000 description 1
- 229920003023 plastic Polymers 0.000 description 1
- 239000004033 plastic Substances 0.000 description 1
- 229920002635 polyurethane Polymers 0.000 description 1
- 239000004814 polyurethane Substances 0.000 description 1
- 238000007711 solidification Methods 0.000 description 1
- 230000008023 solidification Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01K—ANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
- A01K11/00—Marking of animals
- A01K11/001—Ear-tags
- A01K11/002—Pliers specially adapted for fixing ear-tags to ears
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Birds (AREA)
- Zoology (AREA)
- Animal Husbandry (AREA)
- Biodiversity & Conservation Biology (AREA)
- Labeling Devices (AREA)
Description
NLP189580A
Oormerkinrichting voor het oormerken van vee
ACHTERGROND VAN DE UITVINDING
De uitvinding heeft betrekking op oormerkinrichting voor het oormerken van vee.
5 Bekend is een oormerkinrichting met een tangge- deelte en een toevoergedeelte voor het toevoeren van een reeks aaneengesloten mannelijke oormerkdelen en vrouwelijke oormerkdelen naar het tanggedeelte van de oormerkinrichting. Het toevoergedeelte is voorzien van messen voor het los 10 snijden van de mannelijke oormerkdelen en de vrouwelijke oormerkdelen uit de betreffende reeks. De mannelijke oormerkdelen en de vrouwelijke oormerkdelen worden vervolgens los voortgeduwd door de betreffende reeksen om vanuit het toevoergedeelte te worden aangevoerd naar het tanggedeelte. 15 Het tanggedeelte bestaat uit een aanlegvlak en een daartegenover opgestelde steekpen die naar elkaar toe bewogen worden. Door het naar elkaar toe bewegen van de steekpen en het aanlegvlak worden de losse mannelijke en vrouwelijke oormerkdelen bij elkaar gebracht aan weerszijden van een oor 20 van vee.
De los gesneden mannelijke oormerkdelen kunnen door het aanvoeren daarvan vanuit het toevoergedeelte naar het tanggedeelte over elkaar heen schuiven. De positie van de mannelijke oormerkdelen is daardoor onbepaald, waardoor 2 de uitlijning met de steekpen onbetrouwbaar is. Bij onjuiste uitlijning van het mannelijke oormerkdeel met de steekpen kan het mannelijke oormerkdeel beschadigd raken. Hierbij kan de unieke identificatiecode op het mannelijke oormerkdeel 5 beschadigd worden waardoor het vee niet meer juist wordt geïdentificeerd. In het ergste geval kan de oormerkinrich-ting geblokkeerd raken, waardoor het aanbrengen van oormerken tijdelijk moet worden onderbroken om de blokkade weg te nemen.
10 Het is een doel van de uitvinding om een oor- merktang voor het oormerken van vee te verschaffen, waarbij onjuiste positionering van oormerkdelen voor oren van vee kan worden tegengegaan.
15
SAMENVATTING VAN DE UITVINDING
De uitvinding verschaft vanuit een eerste aspect een oormerkinrichting voor het oormerken van oren van vee, 20 omvattende een toevoergedeelte en een tanggedeelte, waarbij het toevoergedeelte is voorzien van een eerste geleidings-baan die een eerste toevoertraject bepaalt en een tweede geleidingsbaan die een tweede toevoertraject bepaalt voor het aan het tanggedeelte toevoeren van respectievelijk een 25 eerste reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden eerste oormerkdelen en een tweede reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden tweede oormerkdelen, waarbij de opeenvolgende eerste oormerkdelen platen omvatten, waarbij de platen van twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen langs een 30 gedeelte van de omtrek met elkaar verbonden zijn, waarbij het tanggedeelte is voorzien van een eerste tangdeel en een tweede tangdeel die in een eerste stand op afstand van elkaar staan voor het daartussen aanbrengen van respectievelijk het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks en 35 het voorste tweede oormerkdeel van de tweede reeks, waarbij de tangdelen in een tweede stand dichter bij elkaar staan voor het bij elkaar brengen en via het oor van vee met 3 elkaar koppelen van het eerste oormerkdeel en het tweede oormerkdeel, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een ten opzichte van het eerste tangdeel stroomopwaarts in het eerste toevoertraject gelegen eerste snij-inrichting, 5 waarbij de eerste snij-inrichting een snij gereedschap en een aandrijving omvat, waarbij de aandrijving is ingericht voor het aandrijven van het snij gereedschap over een snijtraject, waarbij het snijtraject het gedeelte waarover de platen van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen voorafgaand 10 aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn slechts gedeeltelijk bestrijkt.
De twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen kunnen ondanks de snede met elkaar verbonden blijven en kunnen het verband in de eerste reeks houden, totdat het één 15 van de twee van de eerste reeks wordt afgescheurd. Hiermee kan worden voorkomen dat de eerste oormerkdelen over elkaar schuiven.
In een uitvoeringsvorm bestrijkt het snijtraject het gedeelte waarover de platen van de twee direct opeenvol-20 gende eerste oormerkdelen voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn maximaal vijfennegentig procent, bij voorkeur maximaal negentig procent, bij meeste voorkeur maximaal tachtig procent. De twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen kunnen ondanks de snede met elkaar 25 verbonden blijven en kunnen het verband in de eerste reeks houden, totdat het één van de twee van de eerste reeks wordt afgescheurd.
In een uitvoeringsvorm is de snede een voorsnede. De voorsnede kan de voorspelbaarheid bevorderen van de 30 plaats waar de eerste oormerkdelen afscheuren van de eerste reeks, waardoor de positie van de unieke identificatiecode zodanig gekozen kan worden dat beschadiging ervan door het afscheuren kan worden tegengegaan.
In een uitvoeringsvorm vormt het resterende 35 materiaal dat de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen na het aanbrengen van de snede met elkaar verbindt een streefbreukverbinding tussen de twee direct opeenvolgende 4 eerste oormerkdelen. De twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen kunnen ter plaatse van het resterende materiaal met elkaar verbonden blijven en kunnen het verband in de eerste reeks houden, totdat het één van de twee van de 5 eerste reeks wordt afgescheurd. De streefbreukverbinding kan de voorspelbaarheid bevorderen van de plaats waar de eerste oormerkdelen afscheuren van de eerste reeks, waardoor de positie van de unieke identificatiecode zodanig gekozen kan worden dat beschadiging ervan door het afscheuren kan worden 10 tegengegaan.
In een uitvoeringsvorm strekt het snijtraject zich evenwijdig aan het hoofdvlak van de platen uit. De eerste snij-inrichting verplaatst via het snijtraject zijwaarts of dwars ten opzichte van het hoofdvlak van de platen en brengt 15 in die richting een snede aan in het materiaal dat zich in het hoofdvlak van de platen uitstrekt. Bij het snijden in een andere richting zouden de platen teveel kunnen weg buigen, waardoor geen betrouwbare snede kan worden verkregen .
20 In een uitvoeringsvorm zijn de platen van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen ter plaatse van hun onderlinge verbinding met elkaar versmolten met behulp van ultrasoonlassen. Bij ultrasoonlassen ontstaat een smeltbad dat na stolling daarvan de eerste oormerkdelen in de eerste 25 reeks onderling met elkaar verbindt. De ultrasone verbinding kan leiden tot onvoorspelbaar scheurgedrag het smeltbad niet gelijkmatig gestold is, waardoor het smeltbad niet overal dezelfde materiaaleigenschappen heeft. In een dergelijk geval kan een door een snede gevormde streefbreukverbinding 30 het voorspelbaar afscheuren van het eerste oormerkdeel van de eerste reeks bevorderen.
In een uitvoeringsvorm omvat het eerste tangdeel een steekpen die ten opzichte van de eerste reeks oormerkdelen neerwaarts in de richting van het tweede tangdeel be-35 weegbaar is, waarbij de steekpen is ingericht voor het in de neergaande beweging meenemen en het bij de snede afscheuren van het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks. De 5 steekpen bewerkstelligt in de neerwaartse beweging daarvan het afscheuren van het voorste eerste oormerkdeel, waarbij de streefbreukverbinding tussen het voorste eerste oormerkdeel en het direct opeenvolgende eerste oormerkdeel verbro-5 ken wordt.
In een uitvoeringsvorm is de aandrijving van de eerste snij-inrichting een pneumatische aandrijving. De oormerkinrichting kan eenvoudig worden aangesloten op een luchtbron welke in de meeste gevallen in een veestal aanwe-10 zig is.
In een uitvoeringsvorm is de aandrijving van de eerste snij-inrichting operationeel verbonden met een pneumatische schakelaar. De pneumatische schakelaar kan bekrachtigd worden door de bediener of kan zelfstandig de aanwezig-15 heid van een oor van vee in de oormerkinrichting detecteren. Door de schakelaar te bekrachtigen kan de werkingscyclus van de oormerkinrichting pneumatisch opgestart worden, welke vervolgens zonder elektrische aansturing door de pneumatisch aangedreven eerste snij-inrichting kan worden uitgevoerd.
20 In een uitvoeringsvorm is de oormerkinrichting voorzien van een ten opzichte van het tweede tangdeel stroomopwaarts in het tweede toevoertraject gelegen tweede snij-inrichting voor het aanbrengen van een snede tussen twee opeenvolgende tweede oormerkdelen binnen de tweede 25 reeks. Door de snede tussen de tweede oormerkdelen kunnen tweede oormerkdelen van de tweede reeks worden losgenomen om vervolgens door het tanggedeelte te worden samengebracht met de van de eerste reeks afgescheurde eerste oormerkdelen.
In een uitvoeringsvorm is het tweede tangdeel 30 voorzien van een aambeeld voor het daarop houden van een oor van vee en een houder voor het aan de van het eerste tangdeel afgekeerde zijde houden van een tweede oormerkdeel uit de tweede reeks. De houder kan het tweede oormerkdeel onder het aambeeld op zijn plaats houden totdat het afgescheurd 35 eerste oormerkdeel het oor doorboort en zich vastzet in het tweede oormerkdeel.
In een draagbare uitvoeringsvorm is de oormerkin- 6 richting voorzien van een handvat voor het met de hand dragen, verplaatsen of in positie houden van de oormerkin-richting.
De uitvinding verschaft vanuit een tweede aspect 5 een werkwijze voor het oormerken van oren van vee met een oormerkinrichting oormerken van oren van vee, waarbij de oormerkinrichting een toevoergedeelte en een tanggedeelte omvat, waarbij het toevoergedeelte is voorzien van een eerste geleidingsbaan die een eerste toevoertraject bepaalt 10 en een tweede geleidingsbaan die een tweede toevoertraject bepaalt voor het aan het tanggedeelte toevoeren van respectievelijk een eerste reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden eerste oormerkdelen en een tweede reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden tweede oormerkdelen, waarbij de 15 opeenvolgende eerste oormerkdelen platen omvatten, waarbij de platen van twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen langs een gedeelte van de omtrek met elkaar verbonden zijn, waarbij het tanggedeelte is voorzien van een eerste tangdeel en een tweede tangdeel die in een eerste stand op afstand 20 van elkaar staan voor het daartussen aanbrengen van respectievelijk het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks en het voorste tweede oormerkdeel van de tweede reeks, waarbij de tangdelen in een tweede stand dichter bij elkaar staan voor het bij elkaar brengen en via het oor van vee met 25 elkaar koppelen van het eerste oormerkdeel en het tweede oormerkdeel, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een ten opzichte van het eerste tangdeel stroomopwaarts in het eerste toevoertraject gelegen eerste snij-inrichting, waarbij de eerste snij-inrichting een snij gereedschap en een 30 aandrijving omvat, waarbij de aandrijving is ingericht voor het aandrijven van het snij gereedschap over een snijtraject, waarbij het snijtraject het gedeelte waarover de platen van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn 35 slechts gedeeltelijk bestrijkt, waarbij de werkwijze de stappen omvat van het met de aandrijving bewegen van het snij gereedschap over het snijtraject voor het aanbrengen van 7 de snede tussen de twee direct opeenvolgende eerste oormerk-delen binnen de aaneengesloten eerste reeks, het vanuit het toevoergedeelte via het eerste toevoertraject en het tweede toevoertraject naar het tanggedeelte toevoeren van respec-5 tievelijk eerste oormerkdelen uit de eerste reeks en tweede oormerkdelen uit de tweede reeks, waarbij het voorste eerste oormerkdeel van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen tussen het eerste tanggedeelte en het tweede tanggedeelte komt te liggen, het aanbrengen van een oor van vee in 10 de oormerkinrichting tussen het voorste eerste oormerkdeel en het tweede tanggedeelte, het brengen van het eerste tanggedeelte en het tweede tanggedeelte vanuit de eerste stand naar de tweede stand, waarbij het voorste eerste oormerkdeel vanaf de eerste reeks in de bewegingsrichting 15 van het eerste tanggedeelte door het eerste tanggedeelte wordt meegenomen en bij de aangebrachte snede wordt afgescheurd van de eerste reeks.
De twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen kunnen ondanks de snede met elkaar verbonden blijven en 20 kunnen het verband in de eerste reeks houden, totdat het één van de twee van de eerste reeks wordt afgescheurd. Hiermee kan worden voorkomen dat de eerste oormerkdelen over elkaar schuiven.
In een uitvoeringsvorm is de oormerkinrichting 25 voorzien van een of meer van de in de bij gevoegde beschrijving omschreven en/of in de bij gevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen.
In een uitvoeringsvorm is de werkwijze voorzien van een of meer van de in de bij gevoegde beschrijving om-30 schreven en/of in de bij gevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen.
De in deze beschrijving en conclusies van de aanvrage beschreven en/of de in de tekeningen van deze aanvrage getoonde aspecten en maatregelen kunnen waar 35 mogelijk ook afzonderlijk van elkaar worden toegepast. Die afzonderlijke aspecten kunnen onderwerp zijn van daarop gerichte afgesplitste octrooiaanvragen. Dit geldt in het 8 bijzonder voor de maatregelen en aspecten welke op zich zijn beschreven in de volgconclusies.
5 KORTE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
De uitvinding zal worden toegelicht aan de hand van een aantal in de bij gevoegde schematische tekeningen weergegeven voorbeelduitvoeringen. Getoond wordt in: 10 figuur 1 een isometrisch aanzicht van een oormerk- inrichting volgens een uitvoeringsvorm van de uitvinding; figuren 2A-C, 3A-C en 4A-F aanzichten waarin steeds enkele onderdelen van de oormerkinrichting volgens figuur 1 zijn weggenomen teneinde daaronder gelegen onderde-15 len bloot te leggen, waarbij getoond wordt in: figuur 2A een isometrisch aanzicht van de oormerkinrichting volgens figuur 1, figuur 2B een zijaanzicht van de oormerkinrichting volgens figuur 2A; 20 figuur 2C een bovenaanzicht van de oormerkinrich ting volgens de lijn IIC-IIC in figuur 2B; figuur 3A een aanzicht van de oormerkinrichting volgens figuur 1, waarin de werkzame onderdelen van de oormerkinrichting zonder behuizing zijn getoond; 25 figuur 3B een aanzicht in dwarsdoorsnede volgens de lijn IIIB-IIIB in figuur 3A; figuur 3C een aanzicht in dwarsdoorsnede volgens de lijn IIIC-IIIC in figuur 3A; en figuren 4A-F schematische weergaven van de werking 30 van de oormerkinrichting volgens figuur 1.
GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE TEKENINGEN
35 Figuren 1, 2A-C en 3A-C tonen een draagbare oor merkinrichting 1 voor het oormerken van vee volgens een uitvoeringsvorm van de uitvinding. De oormerkinrichting 1 is 9 voorzien van een tanggedeelte 2, een toevoergedeelte 5 en een draagplaat 7 waaraan het tanggedeelte 2 en het toevoergedeelte 5 zijn bevestigd. Het tanggedeelte 2 is ingericht voor het één voor één aanbrengen van oormerken in oren van 5 vee, zoals het oormerk 10 in figuur 4F dat in dit voorbeeld is aangebracht in een oor 11 van een verder niet weergegeven varken, in het bijzonder een big. Het oormerk 10 omvat een mannelijk oormerkdeel 8 en een vrouwelijk oormerkdeel 9. Het toevoergedeelte 5 is ingericht voor het vanuit een eerste 10 toevoertraject P en een tweede toevoertraject R één voor één naar het tanggedeelte 2 toevoeren van een eerste reeks 80 mannelijke oormerkdelen 8 en een tweede reeks 90 vrouwelijke oormerkdelen 9. De draagplaat 7 is voorzien van een opening 70 die een handgreep vormt voor het dragen van de oormerkin-15 richting 1.
De oormerkdelen 8, 9 zijn vervaardigd van kunst stof, in dit voorbeeld poly-urethaan. Zoals in figuur 1 is weergegeven omvat het mannelijke oormerkdeel 8 een schijfvormige oormerkplaat 81, een van de oormerkplaat 81 uitste-20 kende holle koppelstift 82 en een kegelvormig borglichaam 83 aan een distaai uiteinde van de koppelstift 82. Het mannelijke oormerkdeel 8 is voorzien van een unieke identificatiecode, in de vorm van een barcode of een code in een RFID-transponder, waarmee de biggen geïdentificeerd kunnen wor-25 den.
Het vrouwelijke oormerkdeel 9 omvat een schijfvormige bevestigingsplaat 91 en een daarvan uitstekende opneem-bus 92. De bevestigingsplaat 91 heeft een diameter die in hoofdzaak gelijk is aan de diameter van de oormerkplaat 81 30 van het mannelijke oormerkdeel 8. De opneembus 92 is voorzien van een holte 93 voor het opnemen van de koppelstift 82 van het mannelijke oormerkdeel 8 en een eindrand 94 voor het borgen van het kegelvormige borglichaam 83 van het mannelijke oormerkdeel 8. De diameter van de koppelstift 82 is 35 kleiner dan die van de holte 93 en de diameter van het kegelvormige borglichaam 83 is groter dan de diameter van de holte 93.
10
Zoals in figuur 2A is weergegeven omvat de eerste reeks 80 in dit voorbeeld vijftien identiek gevormde, mannelijke oormerkdelen 8 die zijn afgescheurd van een grotere reeks mannelijke oormerkdelen 8 die in theorie oneindig kan 5 zijn. De oormerkplaten 81 van de vijftien mannelijke oormerkdelen 8 in de eerste reeks 80 zijn met de hoofdvlakken in eikaars verlengden aansluitend of in overlap in een rij geplaatst. Ter plaatse van de aansluiting of de overlap tussen de opeenvolgende oormerkplaten 81 zijn de mannelijke 10 oormerkdelen 8 met behulp van een niet weergegeven lasin- richting met elkaar versmolten, waarbij het ontstane smelt- bad is gestold tot een eerste lasverbinding 85. De tweede reeks 90 omvat in dit voorbeeld vijftien identiek gevormde, vrouwelijke oormerkdelen 9 die zijn afgenomen van een grote-15 re reeks vrouwelijke oormerkdelen 9 die in theorie oneindig kan zijn. De bevestigingsplaten 91 van de vijftien vrouwelijke oormerkdelen 9 in de tweede reeks 90 zijn met de hoofdvlakken in eikaars verlengden aansluitend of in overlap in een rij geplaatst. Ter plaatse van de aansluiting of de 20 overlap tussen de opeenvolgende bevestigingsplaten 91 zijn de vrouwelijke oormerkdelen 9 met behulp van de niet weergegeven lasinrichting met elkaar versmolten, waarbij het ontstane smeltbad is gestold tot een tweede lasverbinding 95.
25 Zoals in figuur 2A en 2B is weergegeven is het tanggedeelte 2 van de oormerkinrichting 1 voorzien van een eerste pneumatische aandrijfcilinder 20 die aan de draagplaat 7 bevestigd is. De eerste aandrijfcilinder 20 is voorzien een niet weergegeven zuiger en een daaraan gekop-30 pelde eerste zuigerstang met een stootkop 21. Aan het uiteinde van de stootkop 21 is het tanggedeelte 2 voorzien van een steekpen 22. De eerste aandrijfcilinder 20 is ingericht voor het over een eerste steektraject Z pneumatisch, rechtlijnig en in een verticale heen- en weer bewegen van de 35 steekpen 22 ten opzichte van de draagplaat 7. Het eerste steektraject Z strekt zich loodrecht uit op en snijdt met het verlengde van het eerste toevoertraject P.
11
Het tanggedeelte 2 omvat een aambeeld 25 dat recht onder of tegenover de eerste aandrij fcilinder 20 en in het verlengde van het steektraject Z gelegen is en aan de draagplaat 7 bevestigd is. Het aambeeld 25 is voorzien van een 5 oplegvlak 26 voor het daarop plaatsen van het oor 11 van de big. Het aambeeld 25 is aan de van de eerste aandrij f cilinder 20 afgekeerde zijde van het oplegvlak 26 voorzien van een opsluitblok 27 met een prismatisch doorvoerkanaal 28 dat zich in het verlengde van het tweede toevoertraject R uit-10 strekt. Het prismatische doorvoerkanaal 28 bezit een dwarsdoorsnede die nauw aansluit op de dwarsdoorsnede van het vrouwelijke oormerkdeel 9. Het oplegvlak 2 6 is in het verlengde van het steektraject Z voorzien van een doorsteekope-ning 29 die uitmondt in het onder het oplegvlak 26 gelegen 15 doorvoerkanaal 28. Het eerste steektraject Z dat de stootkop 21 overbrugt is zodanig groot dat de steekpen 22 in een onderste positie tot in de doorsteekopening 29 van het oplegvlak 26 steekt. Het oplegvlak 26 is stroomopwaarts ten opzichte van de doorsteekopening 29 voorzien van een door-20 steeksleuf 24 die zich dwars op het tweede toevoertraject R uitstrekt.
Zoals in figuur 1 is weergegeven omvat het toe-voergedeelte 5 van de oormerkinrichting 1 een eerste behui-zingsdeel 51, een tweede behuizingsdeel 52 en een derde 25 behuizingsdeel 53. Het eerste behuizingsdeel 51 en het tweede behuizingsdeel 52 omsluiten gezamenlijk ten minste gedeeltelijk de in de toevoertrajecten P, R toegevoerde reeksen 80, 90. Het eerste behuizingsdeel 51 en het derde behuizingsdeel 53 omsluiten gezamenlijk een groot deel van 30 het steektraject Z dat de stootkop 21 en de in figuur 1 aan het zicht ontrokken steekpen 22 afleggen vanaf de eerste aandrijfcilinder 20 tot op korte afstand van het oplegvlak 26 van het aambeeld 25. Hierdoor kan worden tegengegaan dat een bediener van de oormerkinrichting 1 zich verwondt aan de 35 steekpen 22.
In de figuren 2A en 2B zijn het tweede behuizingsdeel 52 en het derde behuizingsdeel 53 weggelaten, zodat de 12 inwendige vormgeving van het eerste behuizingsdeel 51 zichtbaar is. Het tweede behuizingsdeel 52 en het derde behuizingsdeel 53 zijn in hoofdzaak spiegelsymmetrisch gevormd aan de inwendige vormgeving van het eerste behuizingsdeel 51 5 waar zij op aansluiten.
Het toevoergedeelte 5 is voorzien van een eerste prismatische geleidingsbaan 54 en een tweede prismatische geleidingsbaan 55 voor het in respectievelijk het eerste toevoertraject P en het tweede toevoertraject R geleiden en 10 toevoeren van respectievelijk de eerste reeks 80 van mannelijke oormerkdelen 8 en de tweede reeks 90 van vrouwelijke oormerkdelen 9 naar het tanggedeelte 2. De eerste geleidingsbaan 54 bezit een dwarsdoorsnede die nauw aansluit op de dwarsdoorsnede van het mannelijke oormerkdeel 8. De 15 tweede geleidingsbaan 55 bezit een dwarsdoorsnede die nauw aansluit op de dwarsdoorsnede van het vrouwelijke oormerkdeel 9. De geleidingsbanen 54, 55 zijn aan de invoerzijde van de oormerkinrichting 1 op een eerste afstand van elkaar gelegen, om vervolgens via flauwe bochtencombinaties 56, 57 2 0 tot op een tweede, kleinere afstand van elkaar te komen. De geleidingsbanen 54, 55 strekken zich tussen de bochtencombi-naties 56, 57 en het tanggedeelte 2 in hoofdzaak evenwijdig aan elkaar uit.
Het toevoergedeelte 5 omvat aan de invoerzijde van 25 de oormerkinrichting 1, waar de geleidingsbanen 54, 55 op de eerste afstand van elkaar staan, een tweede pneumatische aandrijfcilinder 58 die tussen de geleidingsbanen 54, 55 aan de draagplaat 7 bevestigd is. De tweede aandrijfcilinder 58 is voorzien van een niet weergegeven zuiger en een daaraan 30 gekoppelde tweede zuigerstang 59 die zich in de richting van het tanggedeelte 2 uitstrekt. Aan het uiteinde van de tweede zuigerstang 59 is het toevoergedeelte 5 voorzien van een weerhaaksamenstel 60 dat zich uitstrekt tussen de geleidingsbanen 54, 55 in het gedeelte waar zij zich op de twee- 35 de, kleinere afstand van elkaar bevinden.
De tweede aandrijfcilinder 58 is ingericht voor het over een slagtraject X pneumatisch aandrijven van de 13 tweede zuigerstang 59 teneinde een heen- en weergaande beweging van het weerhaaksamenstel 60 in een voortbewee-grichting V en een terughaalrichting W ten opzichte van de draagplaat 7 te bewerkstelligen. De voortbeweegrichting V en 5 de terughaalrichting W strekken zich evenwijdig uit aan de toevoertrajecten P, R. Het slagtraject X dat de tweede zuigerstang 59 overbrugt is in afstand in hoofdzaak gelijk aan de diameter van de oormerkplaat 81 en de bevestigings-plaat 91 van respectievelijk het mannelijke oormerkdeel 8 en 10 het vrouwelijke oormerkdeel 9.
Zoals in figuur 3A is weergegeven is het weerhaaksamenstel 60 voorzien van een eerste basisplaat 61 en een tweede basisplaat 62 die zijn gekoppeld met het uiteinde van de tweede zuigerstang 59. De basisplaten 61, 62 strekken 15 zich aan weerszijden van de tweede zuigerstang 59 evenwijdig aan elkaar en de draagplaat 7 uit. De eerste basisplaat 61 en de tweede basisplaat 62 zijn gelegen aan weerszijden van de eerste geleidingsbaan 54 en de tweede geleidingsbaan 55. De basisplaten 61, 62 zijn op een tussenafstand van elkaar 2 0 gelegen die groter is dan de diameters van de oormerkplaat 81 en de bevestigingsplaat 91 van respectievelijk het mannelijke oormerkdeel 8 en het vrouwelijke oormerkdeel 9.
Zoals in figuur 3B is weergegeven is het weerhaaksamenstel 60 ter hoogte van de koppelstif ten 82 van de 25 mannelijke oormerkdelen 8 in de eerste reeks 80 voorzien van een eerste weerhaak 63 die roteerbaar aan de eerste basisplaat 61 is gekoppeld. De eerste weerhaak 63 is voorzien van een kom 64 voor het in de voortbeweegrichting V aangrijpen van één van de koppelstiften 82. De eerste weerhaak 63 omvat 30 een blokkeerdeel 65 dat bij een beweging in de voortbeweegrichting V in aanliggend contact is met de eerste basisplaat 61. In de terughaalrichting W kan de eerste weerhaak 63 echter vrij roteren in een eerste rotatierichting M.
Zoals in figuur 3C is weergegeven is het weerhaak-35 samenstel 60 ter hoogte van de opneembussen 92 van de vrouwelijke oormerkdelen 9 in de tweede reeks 90 voorzien van een tweede weerhaak 66 die roteerbaar aan de tweede basis- 14 plaat 62 is gekoppeld. De tweede weerhaak 66 is voorzien van een kom 67 voor het in de voortbeweegrichting V aangrijpen van één van de opneembussen 92. De tweede weerhaak 66 omvat een blokkeerdeel 68 dat bij een beweging in de voortbewee-5 grichting V in aanliggend contact is met de tweede basisplaat 62. In de terughaalrichting W kan de tweede weerhaak 66 echter vrij roteren in een tweede rotatierichting N.
De eerste geleidingsbaan 54 mondt uit in of sluit aan op een zich loodrecht op de eerste geleidingsbaan 54 10 uitstrekkend, rechtcilindrisch steekkanaal 57 waarin de zuigerstang 21 met aan het uiteinde daarvan de steekpen 22 zijn opgenomen. De diameter van het steekkanaal 57 is groter of gelijk aan de diameter van de zuigerstang 21 van de eerste aandrijfcilinder 20, zodat de zuigerstang 22 door het 15 steekkanaal 57 kan worden bewogen. De diameter van het steekkanaal 57 is tevens groter of gelijk aan de diameter van de oormerkplaat 81 van het mannelijke oormerkdeel 8.
De tweede geleidingsbaan 55 mondt uit in of sluit aan op het prismatische doorvoerkanaal 28 van het aambeeld 20 25, teneinde de in het tweede toevoertrajeet R toegevoerde tweede reeks 90 van vrouwelijke oormerkdelen 9 in te voeren in het opsluitblok 27 van het aambeeld 25.
Zoals in figuur 3A is weergegeven is de oormerkin-richting 1 voorzien van een eerste snij-inrichting 30 die 25 ten opzichte van de steekpen 22 stroomopwaarts in het eerste toevoertrajeet P gelegen is en een tweede snij-inrichting 35 die is aangebracht onder het aambeeld 25.
Zoals in figuur 2C is weergegeven is de eerste snij-inrichting 30 voorzien van een derde pneumatische 30 aandrijfcilinder 31 die ten opzichte van het toevoergedeelte 5 aan de tegenovergelegen zijde van de draagplaat 7 loodrecht op en aan de draagplaat 7 bevestigd is. De derde aandrijfcilinder 31 is voorzien een niet weergegeven zuiger en een daaraan gekoppelde derde zuigerstang 32 die zich door 35 een opening 73 in de draagplaat 7 uitstrekt, in de richting van de zich aan de andere zijde van de draagplaat 7 uitstrekkende eerste geleidingsbaan 54. Aan het uiteinde van de 15 derde zuigerstang 32 is de eerste snij-inrichting 30 voorzien van een eerste mes 33.
De derde aandrijfcilinder 31 is ingericht voor het pneumatisch rechtlijnig bewegen van de derde zuigerstang 32 5 teneinde een heen- en weergaande beweging van het eerste mes 33 in een eerste, zijwaarts snijtraject K, loodrecht ten opzichte van de draagplaat 7 en de eerste geleidingsbaan 54 te bewerkstelligen. Het snijtraject K van het eerste mes 33 strekt zich in dit voorbeeld op een afstand van tweeënhalf 10 maal de diameter van de oormerkplaat 81 van het mannelijke oormerkdeel 8 vanaf de hartlijn van de steekpen 22 dwars uit op het eerste toevoertraject P. Zodoende komt het eerste mes 33 met een snijbeweging in het eerste snijtraject K zij waarts in aanraking met de lasverbinding 85 tussen het derde 15 mannelijke oormerkdeel 8 en het vierde mannelijke oormerk deel 8 vanaf de voorzijde van de in het eerste toevoertraject P toegevoerde eerste reeks 80, voor het gedeeltelijk voorsnijden van die lasverbinding 85.
Zoals in figuur 3A is weergegeven is de tweede 20 snij-inrichting 35 voorzien van een vierde pneumatische aandrijfcilinder 36 die aan de draagplaat 7 bevestigd is. De vierde aandrijfcilinder 36 is voorzien een niet weergegeven zuiger en een daaraan gekoppelde vierde zuigerstang 37. Aan het uiteinde van de vierde zuigerstang 37 is de tweede snij-25 inrichting 35 voorzien van een tweede mes 38. De vierde aandrijfcilinder 35 is ingericht voor het pneumatisch aandrijven van de vierde zuigerstang 37 teneinde een heen- en weergaande beweging van het tweede mes 38 in een tweede, opwaarts snijtraject L, loodrecht ten opzichte van het 30 oplegvlak 26 van het aambeeld 25 te bewerkstelligen. Het tweede snijtraject L snijdt met het tweede toevoertraject R en eindigt tot in de doorsteeksleuf 24 van het aambeeld 25. Het snijpunt is in dit voorbeeld gelegen op een afstand van een half maal de diameter van de bevestigingsplaat 91 van 35 het vrouwelijke oormerkdeel 9 vanaf de hartlijn van de steekpen 22. Zodoende komt het tweede mes 38 bij een snijbeweging in het tweede snijtraject L in aanraking met de 16 lasverbinding 95 tussen het eerste vrouwelijke oormerkdeel 9 en het tweede vrouwelijke oormerkdeel 9 van de in het tweede toevoertraject R toegevoerde tweede reeks 90, voor het volledig voorsnijden van die lasverbindingen 95.
5 Zoals in figuur 2B is weergegeven is de oormerkin- richting 1 verder voorzien van een eerste ventielblok 12 op het oplegvlak 26 van het aambeeld 25 en een tweede ventielblok 13 op de eerste behuizing 51 nabij het einde van de terughaalslag van het weerhaaksamenstel 60 in de terughaal-10 richting W. Het eerste ventielblok 12 en het tweede ventielblok 13 zijn elk voorzien van een ingang 14, een uitgang 15 en een tussen de ingang 14 en de uitgang 15 geplaatste, niet weergegeven schakeling voor het selectief doorlaten van lucht van de ingang 14 naar de uitgang 15, en een pneumati-15 sche voeler 16 voor het detecteren van een aanslag van respectievelijk een oor 11 van een big op het oplegvlak 26 of de basisplaat 61 van het weerhaaksamenstel 60. Het eerste ventielblok 12 kan de werking van de oormerkinrichting 1 vrijgeven zodat de bediener de werkingscyclus van de oor-20 merkinrichting 1 kan starten. Alternatief kan het eerste ventielblok 12 ook zelfstandig de werkingscyclus van de oormerkinrichting 1 starten.
Figuren 4A-F tonen de stappen van de werkwijze voor het oormerken van vee met de hiervoor beschreven oor-25 merkinrichting 1 volgens een eerste uitvoeringsvorm van de uitvinding.
In figuren 4A en 4B is respectievelijk in zijaanzicht en in bovenaanzicht de situatie weergegeven waarin de oormerkinrichting 1 door een bediener aan het handvat 71 van 30 de draagplaat 7 wordt gedragen en in positie wordt gehouden. De eerste reeks 80 van vijftien mannelijke oormerkdelen 8 en de tweede reeks 90 van vijftien vrouwelijke oormerkdelen 9 zijn in respectievelijk het eerste toevoertraject P en het tweede toevoertraject R tot dezelfde diepte ingevoerd in de 35 oormerkinrichting 1 teneinde gelijktijdig of synchroon te worden toegevoerd aan het tanggedeelte 2. In de situatie zoals die is weergegeven in figuren 4A en 4B is de oormerk- 17 inrichting 1 gereed voor het uitvoeren van een cyclus van stappen. In de oormerkinrichting volgens de hiervoor beschreven uitvoeringsvorm van de uitvinding wordt elke cyclus van stappen gestart wanneer een oor 11 van een big in aan-5 slag komt met de voeler 16 van het eerste ventielblok 12. Om tot deze situatie te komen waarin het de eerste big geoormerkt kan worden zijn echter reeds een aantal opstartcyclus-sen doorlopen, waarbij enkele lasverbindingen 85 tussen opeenvolgende mannelijke oormerkdelen 8 in de eerste reeks 10 80 reeds zijn voorgesneden door de eerste snij-inrichting 30. Deze opstartcyclussen zijn niet weergegeven, maar komen overeenkomen met de normale werking van de oormerkinrichting 1. Figuren 4A-F tonen daarom de eerste cyclus van stappen nadat de opstartcyclussen voltooid zijn en de eerste big 15 geoormerkt kan worden.
In de situatie zoals die in figuren 4A en 4B is weergegeven zijn de stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 met daaraan respectievelijk de steekpen 22, de eerste snij-inrichting 30 en de tweede snij-20 inrichting 35 teruggetrokken in de richting van hun overeenkomstige aandrij fcilinders 20, 31, 36. De steekpen 22 is zodanig teruggetrokken in de richting van de eerste aandrij fcilinder 20, dat de steekpen 22 zich buiten het verlengde van de eerste geleidingsbaan 54 bevindt. Het voorste 25 mannelijke oormerkdeel 8 uit de eerste reeks 80 van mannelijke oormerkdelen 8 is vanuit de eerste geleidingsbaan 54 tot in het verlengde van de steekpen 22 in het steekkanaal 57 geschoven. In het bijzonder is de koppelstift 82 van het mannelijke oormerkdeel 8 in lijn gelegen met de hartlijn van 30 de steekpen 22. De lasverbinding 85 tussen het voorste mannelijke oormerkdeel 8 en het direct daaropvolgende mannelijke oormerkdeel 8 van de eerste reeks 80 is op een nader te beschrijven wijze reeds voorgesneden door de eerste snij-inrichting 30 teneinde aldaar een verzwakking of streef-35 breukverbinding te vormen.
De tweede zuigerstang 59 van de tweede aandrijfcilinder 58 bevindt zich in de uitgeschoven positie in de 18 voortbeweegrichting V aan het einde van de slagafstand X en staat gereed om te worden teruggetrokken in de richting van de tweede aandrijfcilinder 58.
De bediener brengt de handgedragen oormerkinrich-5 ting 1 naar de big in de situatie zoals die is weergegeven in figuren 4A en 4B. Vervolgens wordt slechts een uiteinde van het oor 11 van de big op het oplegvlak 26 van het aambeeld 25 gelegd.
In figuren 4C en 4D is respectievelijk in zijaan-10 zicht en bovenaanzicht de situatie weergegeven waarin het oor 11 van de big in aanslag is gekomen met de voeler 16 van het eerste ventielblok 12. Hierdoor is een persluchtstroom door de ingang 14 en de uitgang 15 van het eerste ventielblok 12 op gang gekomen, welke door niet weergegeven pneuma-15 tische leidingen naar de van de zuigerstangen afgekeerde zijden van de eerste aandrijfcilinder 20, de derde aandrijf-cilinder 31 en de vierde aandrij f cilinder 36 en naar de zuigerstangzijde van de tweede aandrijfcilinder 58 geleid worden.
2 0 De stoot kop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 met daaraan respectievelijk de steek-pen 22, de eerste snij-inrichting 30 en de tweede snij-inrichting 35 zijn tengevolge van de bekrachtiging van hun overeenkomstige aandrijfcilinders 20, 31, 36 in hoofdzaak 25 gelijktijdig uitgeschoven. De steekpen 22 is daarbij in de daarmee uitgelijnde koppelstift 82 van het voorste mannelijke oormerkdeel 8 gestoken en heeft het voorste mannelijke oormerkdeel 8 in de neergaande beweging van de steekpen 22 meegenomen. De voorgesneden lasverbinding 85 tussen het 30 voorste mannelijke oormerkdeel 8 en het direct opeenvolgende mannelijke oormerkdeel 8 uit de eerste reeks 80 is langs de streefbreukverbinding verbroken, waardoor het voorste mannelijke oormerkdeel 8 is losgescheurd van de eerste reeks 80.
Zoals in figuur 4D is weergegeven is de eerste 35 snij-inrichting 30 uitgeschoven langs het eerste snijtraject K en heeft het in de eerste snij-inrichting 30 opgenomen mes 33 stroomopwaarts vanaf het afgescheurde mannelijke oormerk- 19 deel 8 tussen twee direct opeenvolgende mannelijke oormerk-delen 8 binnen de eerste reeks 80 de lasverbinding 85 gedeeltelijk doorgesneden. Bij voorkeur bestrijkt het eerste snij traject K maximaal vijfennegentig procent, bij voorkeur 5 maximaal negentig procent, bij meeste voorkeur maximaal tachtig procent van de afstand waarover de oormerkplaten 80 van de twee direct opeenvolgende mannelijke oormerkdelen 8 voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn. De aangebrachte snede vormt de hiervoor al 10 kort genoemde verzwakking of streefbreukverbinding waarlangs de voorste van de twee direct opeenvolgende mannelijke oormerkdelen 8, wanneer deze na een aantal cyclussen in het verlengde is gebracht van de steekpen 22, kan worden losgescheurd van de eerste reeks 80.
15 Door het aanbrengen van de streefbreukverbinding kan worden tegengegaan dat de mannelijke oormerkdelen 8 tijdens transport door het toevoergedeelte 5 over elkaar heen schuiven. Als de mannelijke oormerkdelen over elkaar zouden schuiven, dan zou de positionering daarvan in het 20 steekkanaal 51 onzeker worden. Bij onjuiste plaatsing van het mannelijke oormerkdeel 8 binnen het steekkanaal 51 zou beschadiging van het mannelijke oormerkdeel 8 kunnen optreden. De beschadiging kan zich uitstrekken tot door bijvoorbeeld het de op het oppervlak van de oormerkplaat 81 aange-25 brachte unieke identificatiecode, waardoor het vee niet juist te identificeren is.
De eerste snij-inrichting 30 is in dit voorbeeld een aantal mannelijke oormerken 8 stroomopwaarts geplaatst ten opzichte van de steekpen 22, omdat de voorsnijding niet 30 kan plaatsvinden bij de lasverbinding 85 tussen het voorste mannelijke oormerkdeel 8 en het direct daaropvolgende mannelijke oormerkdeel 8 wanneer het voorste mannelijke oormerkdeel 8 gelijktijdig door de steekpen 22 neerwaarts wordt afgescheurd van de eerste reeks 80. Door de eerste snij-35 inrichting 30 enkele mannelijke oormerkdelen 8 stroomopwaarts ten opzichte van het voorste mannelijke oormerkdeel 8 in de eerste reeks 80 te plaatsen, kan de voorsnijding 20 onafhankelijk van het afscheuren van het voorste mannelijke oormerkdeel 8 eerste reeks 80 plaatsvinden. De snede neemt slechts gedeeltelijk het materiaal weg dat de twee direct opeenvolgende mannelijke oormerkdelen 8 voorafgaand aan de 5 snede met elkaar verbindt, waardoor het verband in de eerste reeks 80 intact blijft totdat het voorste mannelijke oormerkdeel 8 van de eerste reeks 80 wordt afgescheurd.
Zoals in figuur 4C is weergegeven is de tweede snij-inrichting 35 uitgeschoven langs het tweede snij traject 10 L en heeft het voorste vrouwelijke oormerkdeel 9 van de tweede reeks 90 volledig losgesneden van de tweede reeks 90. De vrouwelijke oormerkdelen 9 kunnen in dit voorbeeld, in tegenstelling tot hun mannelijke tegenhangers, wel volledig worden losgesneden, omdat de vrouwelijke oormerkdelen 9 in 15 het laatste deel van het tweede toevoertraject R ter plaatse van het aambeeld 25 zijn opgesloten in het doorvoerkanaal 28.
In figuur 4C is zichtbaar hoe de steekpen 22 zich in de holte van de koppelstift 82 van het voorste mannelijke 20 oormerkdeel 8 heeft geboord, waarna het voorste mannelijke oormerkdeel 8 door de steekpen 22 is afgescheurd van de eerste reeks 80 en is meegenomen in het neerwaartse steek-traject Z. De koppelstift 82 van het voorste, afgescheurde mannelijke oormerkdeel 8 heeft het oor 11 van de big, dat is 25 aangebracht op het oplegvlak 26 van het aambeeld 25, doorboord. Het kegelvormige borglichaam 83 van het voorste, afgescheurde mannelijke oormerkdeel 8 is vervolgens door de doorsteekopening 2 9 van het oplegvlak 2 6 gegaan en heeft zelfborgend vastgezet in aanliggend contact met de rand 94 30 van het daaronder gelegen, in het doorvoerkanaal 28 opgenomen voorste vrouwelijke oormerkdeel 9.
Zoals in figuren 4C en 4D is weergegeven is de tweede zuigerstang 59 met daaraan het weerhaaksamenstel 60 tengevolge van de bekrachtiging van de zuigerstangzijde van 35 tweede aandrijfcilinder 58 in hoofdzaak gelijktijdig met het uitschuiven van stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 gedeeltelijk ingeschoven in de terug- 21 haalrichting W. De tweede aandrijfcilinder 58 heeft andere eigenschappen dan de eerste aandrijfcilinder 20, de derde aandrijfcilinder 31 en de vierde aandrijfcilinder 36, of is voorzien van een niet weergegeven smoor, waardoor het in-5 schuiven van de tweede zuigerstang 59 later voltooid is dan het uitschuiven van stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37. De eerste weerhaak 63 en de tweede weerhaak 66 roteren tengevolge van de verplaatsing in de terughaalrichting W in respectievelijk de eerste rotatie-10 richting M en de tweede rotatierichting N weg van respectievelijk de mannelijke oormerkdelen 8 en de vrouwelijke oor-merkdelen 9. De weerhaken 63, 66 grijpen daardoor niet aan op de oormerkdelen 8, 9 maar glijden erlangs.
In figuur 4E is de situatie weergegeven waarin de 15 tweede zuigerstang 59, met daaraan het weerhaaksamenstel 60 het einde van het slagtraject X heeft bereikt, enige tijd nadat de stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 het einde van hun uitschuiftrajecten hebben bereikt. De eerste basisplaat 61 van het weerhaaksamenstel 20 60 is aan het einde van het slagtraject X in aanslag gekomen met de voeler 16 van het tweede ventielblok 13, waardoor een luchtstroom door de ingang 14 en de uitgang 15 van het tweede ventielblok 12 op gang is gekomen. De luchtstroom vanuit het tweede ventielblok 12 bewerkstelligt een omscha-25 keling in de toevoer van lucht naar de aandrijfcilinders 20, 31, 36, 58. Via niet weergegeven pneumatische leidingen wordt lucht aangevoerd naar de zuigerstangzijden van de eerste aandrijfcilinder 20, de derde aandrijfcilinder 31 en de vierde aandrij f cilinder 36 en naar de van de tweede 30 zuigerstang 59 afgekeerde zijde van de tweede aandrijfcilinder 58.
In figuur 4F is de situatie weergegeven waarin de stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 tengevolge van de bekrachtiging van hun overeenkom-35 stige aandrijfcilinders 20, 31, 36 zijn teruggetrokken naar de posities waarin zij zich bevonden in de situatie volgens figuren 4A en 4B. Het oor 11 van de big kan nu uit de oor- 22 merkinrichting 1 worden genomen met het daarin aangebrachte oormerk 20. Het terugtrekken van stootkop 21, de derde zuigerstang 32 en de vierde zuigerstang 37 is door de afwijkende eigenschappen of de smoor van de tweede aandrijfcilin-5 der 58 eerder voltooid dan het uitschuiven van de tweede zuigerstang 59. De steekpen 22 is zodanig teruggetrokken in de richting van de eerste aandrijfcilinder 20, dat de steekpen 22 en de stootkop 21 zich niet in het verlengde van de eerste geleidingsbaan 54 bevinden.
10 De tweede aandrijfcilinder 58 heeft de tweede zuigerstang 59 met aan het uiteinde daarvan het weerhaaksa-menstel 60 aangedreven in de voortbeweegrichting V, waarbij het weerhaaksamenstel 60 in figuur 4F ongeveer de halve afstand van het slagtraject X heeft afgelegd. De eerste 15 weerhaak 63 is met de kom 64 in aanraking gekomen met de koppelstift 82 van één van de mannelijke oormerkdelen 8 in de eerste reeks 80. Tengevolge van deze aangrijping en de verdere verplaatsing van het weerhaaksamenstel 60 in de voortbeweegrichting V is de eerste weerhaak 63 tegengesteld 20 geroteerd aan de eerste rotatierichting M, totdat het blok-keerdeel 65 in aanslag kwam met de eerste basisplaat 61. Vervolgens heeft de eerste weerhaak 63 de beweging van het weerhaaksamenstel 60 in de voortbeweegrichting V via de aangrijping op het ene mannelijke oormerkdeel 8 overgebracht 25 op de eerste reeks 80. De beweging wordt via de tussen de voorste mannelijke oormerkdelen 8 aangebrachte streefbreuk-verbinding of het resterende materiaal na het aanbrengen van de snede doorgegeven, zodat alle mannelijke oormerkdelen 8 even ver vooruit geschoven of vooruit geduwd worden. De 30 eerste reeks 80 is in figuur 4F over een deel van het slagtraject X in de voortbeweegrichting V naar voren geschoven.
Het mannelijke oormerkdeel 8 dat na het afscheuren van het voorste mannelijke oormerkdeel 8 volgens de voorgaande stappen het nieuwe voorste mannelijke oormerkdeel 8 35 van de eerste reeks 80 is geworden, wordt op deze wijze vanuit de eerste geleidingsbaan 54 in het steekkanaal 57 geschoven. Na voltooiing van de verplaatsing van het weer- 23 haaksamenstel 60 in de voortbeweegrichting V over het slag-traject X zal het nieuwe voorste mannelijke oormerkdeel 8 tot in het verlengde van de steekpen 22 geschoven zijn, zoals dat is weergegeven in figuur 4A.
5 De oormerkinrichting 1 is na het uitvoeren van de hierboven aan de hand van de figuren 4A-F beschreven stappen gereed om vanuit de situatie zoals die is weergegeven in figuur 4A een volgende big te oormerken volgens een volgende cyclus van stappen die overeen komen met de stappen zoals 10 die zijn besproken aan de hand van de figuren 4A-F.
In een alternatieve, niet weergegeven uitvoeringsvorm is de oormerkinrichting voorzien van een derde ventiel-blok of een schakelaar die kan vaststellen of het weerhaak-samenstel 60 het einde van het slagtraject X in de voortbe-15 weegrichting V heeft bereikt. Pas als het einde van het slagtraject X bereikt is, geeft het derde ventielblok of de schakelaar de werking van het eerste ventielblok 12 vrij . Hiermee kan worden tegengegaan dat het eerste ventielblok 12 in werking treedt tengevolge van aanligging door een oor 11 20 van vee, terwijl het af te nemen voorste mannelijke oormerkdeel 8 van de eerste reeks 80 nog niet volledig in lijn is gebracht met de steekpen 22.
De bovenstaande beschrijving is opgenomen om de werking van voorkeursuitvoeringen van de uitvinding te 25 illustreren, en niet om de reikwijdte van de uitvinding te beperken. Uitgaande van de bovenstaande uiteenzetting zullen voor een vakman vele variaties evident zijn die vallen onder de geest en de reikwijdte van de onderhavige uitvinding.
Claims (15)
1. Oormerkinrichting voor het oormerken van oren van vee, omvattende een toevoergedeelte en een tanggedeelte, waarbij het toevoergedeelte is voorzien van een eerste geleidingsbaan die een eerste toevoertraject bepaalt en een 5 tweede geleidingsbaan die een tweede toevoertraject bepaalt voor het aan het tanggedeelte toevoeren van respectievelijk een eerste reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden eerste oormerkdelen en een tweede reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden tweede oormerkdelen, waarbij de opeenvol-10 gende eerste oormerkdelen platen omvatten, waarbij de platen van twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen langs een gedeelte van de omtrek met elkaar verbonden zijn, waarbij het tanggedeelte is voorzien van een eerste tangdeel en een tweede tangdeel die in een eerste stand op afstand van 15 elkaar staan voor het daartussen aanbrengen van respectievelijk het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks en het voorste tweede oormerkdeel van de tweede reeks, waarbij de tangdelen in een tweede stand dichter bij elkaar staan voor het bij elkaar brengen en via het oor van vee met 20 elkaar koppelen van het eerste oormerkdeel en het tweede oormerkdeel, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een ten opzichte van het eerste tangdeel stroomopwaarts in het eerste toevoertraject gelegen eerste snij-inrichting, waarbij de eerste snij-inrichting een snij gereedschap en een 25 aandrijving omvat, waarbij de aandrijving is ingericht voor het aandrijven van het snij gereedschap over een snijtraject, waarbij het snijtraject het gedeelte waarover de platen van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn 30 slechts gedeeltelijk bestrijkt.
2. Oormerkinrichting volgens conclusie 1, waarbij het snij traject het gedeelte waarover de platen van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn maximaal vijfennegentig procent, bij voorkeur maximaal negentig 5 procent, bij meeste voorkeur maximaal tachtig procent bestri j kt.
3. Oormerkinrichting volgens conclusie 1 of 2, waarbij de snede een voorsnede is.
4. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande 10 conclusies, waarbij het resterende materiaal dat de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen na het aanbrengen van de snede met elkaar verbindt een streefbreukverbinding vormt tussen de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen .
5. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het snijtraject zich evenwijdig aan het hoofdvlak van de platen uitstrekt.
6. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de platen van de twee direct opeenvol- 20 gende eerste oormerkdelen ter plaatse van hun onderlinge verbinding met elkaar versmolten zijn met behulp van ultra-soonlassen.
7. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het eerste tangdeel een steekpen omvat 25 die ten opzichte van de eerste reeks oormerkdelen neerwaarts in de richting van het tweede tangdeel beweegbaar is, waarbij de steekpen is ingericht voor het in de neergaande beweging meenemen en het bij de snede afscheuren van het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks.
8. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de aandrijving van de eerste snij-inrichting een pneumatische aandrijving is.
9. Oormerkinrichting volgens conclusie, waarbij de aandrijving van de eerste snij-inrichting operationeel is 35 verbonden met een pneumatische schakelaar.
10. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een ten opzichte van het tweede tangdeel stroomopwaarts in het tweede toevoertraject gelegen tweede snij-inrichting voor het aanbrengen van een snede tussen twee opeenvolgende tweede oormerkdelen binnen de tweede reeks.
11. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het tweede tangdeel is voorzien van een aambeeld voor het daarop houden van een oor van vee en een houder voor het aan de van het eerste tangdeel afgekeerde zijde houden van een tweede oormerkdeel uit de tweede reeks. 10
12. Oormerkinrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een handvat voor het met de hand dragen, verplaatsen of in positie houden van de oormerkinrichting.
13. Werkwijze voor het oormerken van oren van vee 15 met een oormerkinrichting oormerken van oren van vee, waarbij de oormerkinrichting een toevoergedeelte en een tangge-deelte omvat, waarbij het toevoergedeelte is voorzien van een eerste geleidingsbaan die een eerste toevoertraject bepaalt en een tweede geleidingsbaan die een tweede toevoer-20 traject bepaalt voor het aan het tanggedeelte toevoeren van respectievelijk een eerste reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden eerste oormerkdelen en een tweede reeks van opeenvolgend met elkaar verbonden tweede oormerkdelen, waarbij de opeenvolgende eerste oormerkdelen platen omvatten, waarbij 25 de platen van twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen langs een gedeelte van de omtrek met elkaar verbonden zijn, waarbij het tanggedeelte is voorzien van een eerste tangdeel en een tweede tangdeel die in een eerste stand op afstand van elkaar staan voor het daartussen aanbrengen van respec-30 tievelijk het voorste eerste oormerkdeel van de eerste reeks en het voorste tweede oormerkdeel van de tweede reeks, waarbij de tangdelen in een tweede stand dichter bij elkaar staan voor het bij elkaar brengen en via het oor van vee met elkaar koppelen van het eerste oormerkdeel en het tweede 35 oormerkdeel, waarbij de oormerkinrichting is voorzien van een ten opzichte van het eerste tangdeel stroomopwaarts in het eerste toevoertraject gelegen eerste snij-inrichting, waarbij de eerste snij-inrichting een snij gereedschap en een aandrijving omvat, waarbij de aandrijving is ingericht voor het aandrijven van het snij gereedschap over een snij traject, waarbij het snij traject het gedeelte waarover de platen van 5 de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen voorafgaand aan het aanbrengen van de snede met elkaar verbonden zijn slechts gedeeltelijk bestrijkt, waarbij de werkwijze de stappen omvat van het met de aandrijving bewegen van het snij gereedschap over het snij traject voor het aanbrengen van 10 de snede tussen de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen binnen de aaneengesloten eerste reeks, het vanuit het toevoergedeelte via het eerste toevoertraject en het tweede toevoertrajeet naar het tanggedeelte toevoeren van respectievelijk eerste oormerkdelen uit de eerste reeks en tweede 15 oormerkdelen uit de tweede reeks, waarbij het voorste eerste oormerkdeel van de twee direct opeenvolgende eerste oormerkdelen tussen het eerste tanggedeelte en het tweede tanggedeelte komt te liggen, het aanbrengen van een oor van vee in de oormerkinrichting tussen het voorste eerste oormerkdeel 20 en het tweede tanggedeelte, het brengen van het eerste tanggedeelte en het tweede tanggedeelte vanuit de eerste stand naar de tweede stand, waarbij het voorste eerste oormerkdeel vanaf de eerste reeks in de bewegingsrichting van het eerste tanggedeelte door het eerste tanggedeelte 25 wordt meegenomen en bij de aangebrachte snede wordt af gescheurd van de eerste reeks.
14. Oormerkinrichting voorzien van een of meer van de in de bij gevoegde beschrijving omschreven en/of in de bij gevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen.
15. Werkwijze voorzien van een of meer van de in de bijgevoegde beschrijving omschreven en/of in de bijgevoegde tekeningen getoonde kenmerkende maatregelen. -o-o-o-o-o-o-o-o- RM/FG
Priority Applications (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2007331A NL2007331C2 (nl) | 2011-09-02 | 2011-09-02 | Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2007331A NL2007331C2 (nl) | 2011-09-02 | 2011-09-02 | Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. |
| NL2007331 | 2011-09-02 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2007331C2 true NL2007331C2 (nl) | 2013-03-05 |
Family
ID=44675792
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2007331A NL2007331C2 (nl) | 2011-09-02 | 2011-09-02 | Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL2007331C2 (nl) |
Cited By (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL1040021C2 (nl) * | 2013-01-25 | 2014-07-28 | Johannes Martinus Anthonius Lambertus Bevers | Inrichting voor het oormerken van dieren. |
| WO2016128332A1 (en) * | 2015-02-09 | 2016-08-18 | Shearwell Data Limited | Applicator for animal identification tags |
Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB2454474A (en) * | 2007-11-06 | 2009-05-13 | Thomas John Ewbank | Tag applicator |
| WO2009149716A1 (en) * | 2008-06-12 | 2009-12-17 | Ms2Solution Aps | Animal tagging device |
| EP2223591A2 (en) * | 2009-02-27 | 2010-09-01 | Piglet Treatment Systems | Tag application device and method of using the same |
-
2011
- 2011-09-02 NL NL2007331A patent/NL2007331C2/nl active
Patent Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB2454474A (en) * | 2007-11-06 | 2009-05-13 | Thomas John Ewbank | Tag applicator |
| WO2009149716A1 (en) * | 2008-06-12 | 2009-12-17 | Ms2Solution Aps | Animal tagging device |
| EP2223591A2 (en) * | 2009-02-27 | 2010-09-01 | Piglet Treatment Systems | Tag application device and method of using the same |
Cited By (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL1040021C2 (nl) * | 2013-01-25 | 2014-07-28 | Johannes Martinus Anthonius Lambertus Bevers | Inrichting voor het oormerken van dieren. |
| BE1021997B1 (nl) * | 2013-01-25 | 2016-02-02 | Johannes Martinus Anthonius Lambertus Bevers | Inrichting voor het oormerken van dieren |
| WO2016128332A1 (en) * | 2015-02-09 | 2016-08-18 | Shearwell Data Limited | Applicator for animal identification tags |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US7096616B2 (en) | Animal tag | |
| NL2007331C2 (nl) | Oormerkinrichting voor het oormerken van vee. | |
| JP3581042B2 (ja) | スライダーの引手組付け装置 | |
| DE60200237D1 (de) | Vorrichtung zum Kühlen eines Melktieres wie z.B. eine Kuh | |
| CN106686985B (zh) | 用于屠宰蟹的设备和方法 | |
| CA2919066A1 (en) | Method and device for attaching an ear tag | |
| US9909242B2 (en) | Automatic needle placement machine and automatic placement method | |
| EP2813146B1 (en) | Device for slaughtering fish | |
| CA2994037C (en) | System and method for automatically loosening or removing shoulder blades from shoulder of carcasses | |
| US6393693B1 (en) | Apparatus for the maintenance of the needle-bearing plates of a needle-punching machine | |
| CN214629567U (zh) | 一种虾类生产输送线 | |
| WO2010146230A1 (en) | Method for monitoring a harvester felling head | |
| EP2271198B1 (en) | Harvesting arrangement for tree harvesting | |
| CN206516887U (zh) | 端子自动装配设备 | |
| CN103940826A (zh) | 自动铆钉点焊品质检测装置 | |
| KR102780308B1 (ko) | 시료 채취 시스템 | |
| US4557045A (en) | Insulating sleeve applying apparatus | |
| CN102674067B (zh) | 一种织带自动分码及驳接机 | |
| JP2016032857A (ja) | 棒材切断機 | |
| CN210907953U (zh) | 料臂和输送设备 | |
| BE1021729B1 (nl) | Identificatiekit voor het identificeren van een levend wezen | |
| US20020066991A1 (en) | Selective tag applicator | |
| CN208483942U (zh) | 一种能连续上料的高效吊牌打孔机 | |
| NL1040021C2 (nl) | Inrichting voor het oormerken van dieren. | |
| JP2015093171A (ja) | 魚体注射装置 |