NL1001995C2 - Werkwijze en inrichting voor het telen van planten. - Google Patents

Werkwijze en inrichting voor het telen van planten. Download PDF

Info

Publication number
NL1001995C2
NL1001995C2 NL1001995A NL1001995A NL1001995C2 NL 1001995 C2 NL1001995 C2 NL 1001995C2 NL 1001995 A NL1001995 A NL 1001995A NL 1001995 A NL1001995 A NL 1001995A NL 1001995 C2 NL1001995 C2 NL 1001995C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
transport channels
plants
cultivation
channels
cultivation surface
Prior art date
Application number
NL1001995A
Other languages
English (en)
Inventor
Cornelis Jacobus Henricus Kaam
Original Assignee
Greenstar The Cyclonical Green
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Greenstar The Cyclonical Green filed Critical Greenstar The Cyclonical Green
Priority to NL1001995A priority Critical patent/NL1001995C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL1001995C2 publication Critical patent/NL1001995C2/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01GHORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
    • A01G31/00Soilless cultivation, e.g. hydroponics
    • A01G31/02Special apparatus therefor
    • A01G31/04Hydroponic culture on conveyors
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y02TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
    • Y02PCLIMATE CHANGE MITIGATION TECHNOLOGIES IN THE PRODUCTION OR PROCESSING OF GOODS
    • Y02P60/00Technologies relating to agriculture, livestock or agroalimentary industries
    • Y02P60/20Reduction of greenhouse gas [GHG] emissions in agriculture, e.g. CO2
    • Y02P60/21Dinitrogen oxide [N2O], e.g. using aquaponics, hydroponics or efficiency measures

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Hydroponics (AREA)
  • Cultivation Receptacles Or Flower-Pots, Or Pots For Seedlings (AREA)

Description

Titel: Werkwijze en inrichting voor het telen van planten.
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze en inrichting voor het telen van planten, waarbij de planten zich op een teeltoppervlak bevinden en met behulp van verplaatsingsmiddelen tijdens de teelt langs een aantal naast 5 elkaar gelegen langwerpige transportkanalen worden verplaatst tussen een toevoereinde en een afvoereinde van de transportkanalen en waarbij vanaf het toevoereinde naar het afvoereinde van de transportkanalen de tussenafstand tussen zowel naburige transportkanalen als zich in een zelfde kanaal 10 bevindende naburige planten vergroot wordt.
Een dergelijke werkwijze en inrichting is bekend uit de Nederlandse octrooiaanvrage 8502774. De Nederlandse octrooiaanvrage 8502774 beschrijft een eerste uitvoeringsvorm, waarbij op een rechthoekig bodemoppervlak 15 van een kas stellen naast elkaar, doch divergerend ten opzichte van elkaar gepositioneerde rechte transportkanalen zijn opgesteld. Opeenvolgende groepen transportkanalen divergeren steeds in tegengestelde richting. In de transportkanalen zijn planthouders geplaatst, die tijdens de 20 groeicyclus van het gewas van het ene uiteinde van de transportkanalen, waar de transportkanalen dicht naast elkaar liggen, stapsgewijs naar het andere uiteinde, waar de transportkanalen op afstand van elkaar liggen, worden getransporteerd. Het transport vindt plaats met behulp van 25 een meneemstaaf of-koord, met behulp waarvan alle zich op een vergelijkbare positie in de transportkanalen van een stel bevindende planthouders gelijktijdig worden verplaatst. De zich op vergelijkbare positie bevindende planthouders vormen in feite een rij en voor elke rij is een afzonderlijke 30 meeneemstaaf of een afzonderlijk meeneemkoord voorzien. Doordat de transportkanalen divergeren ontstaat in zijdelingse richting een steeds grotere groeiruimte voor elke plant. De transportkanalen zijn in de lengterichting in secties verdeeld, die elk van een eigen transportmechanisme 35 zijn voorzien. Elk transportmechanisme maakt een grotere slag 1001995 2 dan het transportmechanisme van een voorgaande sectie, zodat de planten ook in de bewegingsrichting meer ruimte krijgen naarmate de planten verder langs het transportkanaal zijn getransporteerd. Aan het divergerende einde, dat wil zeggen 5 het afvoereinde, van de transportkanalen worden de planten geoogst.
De kanalen zijn gevormd als goten, die enigszins hellend zijn opgesteld en waardoor in bedrijf water stroomt.
Ofschoon deze bekende opstelling een tamelijk efficiënt 10 gebruik van het beschikbare bodemoppervlak mogelijk maakt, is een bezwaar dat zowel het invoeren van de jonge plantjes als het oogsten van de volgroeide planten aan twee op afstand tegenover elkaar gelegen langszijden van het rechthoekige bodemoppervlak dient plaats te vinden.
15 Ook zijn voor elke groep transportkanalen afzonderlijke verplaatsingsmiddelen nodig.
Deze bezwaren doen zich niet of in mindere mate voor bij een tweede mogelijke opstelling die in de Nederlandse octrooiaanvrage 8502774 is getoond en waarbij de 20 transportkanalen zich radiaal vanaf nabij het middelpunt van een cirkel gelegen punten uitstrekken. De jonge plantjes worden vanuit het midden van de cirkel aan de transportkanalen toegevoerd en aan de omtrek van de cirkel geoogst. Ook in deze configuratie is nog geen sprake van een 25 optimaal gebruik van de beschikbare ruimte. In het bijzonder is het door de wigvormige ruimten tussen de transportkanalen niet mogelijk om uitgaande van de groeicurve van de planten tot een optimale benutting van de beschikbare ruimte te komen.
30 Voor beide bekende technieken geldt dat de planten gedurende een groot gedeelte van de teeltcyclus niet of zeer moeilijk bereikbaar zijn voor controle en/of bewerking.
De uitvinding beoogt een verbeterde teeltmethode voor gewassen ter beschikking te stellen, waarbij de boven 35 beschreven bezwaren zich niet of in verminderde mate voordoen. Meer in het algemeen beoogt de uitvinding een efficiënte teeltmethode ter beschikking te stellen, waarbij
1 0 δ V.r:· F
3 een optimaal gebruik van de beschikbare oppervlakte wordt gemaakt, en waarbij tussentijdse controle en/of bewerking mogelijk blijft.
Hiertoe wordt volgens de uitvinding een werkwijze van 5 de beschreven soort daardoor gekenmerkt, dat voor het verplaatsen van de planten langs de transportkanalen een bewerkingsboom wordt toegepast, die de vorm heeft van een het teeltoppervlak overspannende brugconstructie, die in bedrijf boven de planten wordt bewogen.
10 Een inrichting van de boven beschreven soort wordt volgens de uitvinding gekenmerkt door een het teeltoppervlak overspannende bewerkingsboom, die is voorzien van aandrijfmiddelen voor het over het teeltoppervlak bewegen van de bewerkingsboom, en die voorts is voorzien van 15 verplaatsingswerktuigen voor het verplaatsen van in de transportkanalen aanwezige p1anteenheden.
In het volgende zal de uitvinding nader worden beschreven met verwijzing naar de bijgevoegde tekening van een uitvoeringsvoorbeeld.
20 Figuur 1 toont schematisch een aanzicht van een kas, die geschikt is voor toepassing van de uitvinding; figuur 2 toont schematisch een praktische realisatie van een kasdek voor de kas van figuur 1; figuur 3 toont schematisch de indeling van de 25 binnenruimte van een kas volgens figuur 1; figuur 4 toont schematische en gedeeltelijke radiale doorsnede van een kas volgens figuur 1; figuur 5 toont een tweetal details van figuur 4; figuur 6 toont schematisch in bovenaanzicht een 30 voorbeeld van een transportkanaal voor toepassing in een inrichting volgens de uitvinding; figuur 7 toont schematisch in dwarsdoorsnede een voorbeeld van een goot, die als transportkanaal toegepast kan worden; 35 figuur 8 toont schematisch een complete goot voor toepassing in een inrichting volgens de uitvinding; 1 o C t. ^ 6 4 figuur 9 en figuur 10 tonen schematisch enkele details van de goot van figuur 8; figuur 11 toont schematisch in zij-aanzicht een pothouder voor toepassing in een inrichting volgens de 5 uitvinding; figuur 12 toont schematisch een bovenaanzicht van de pothouder van figuur 11; figuur 13 toont schematisch een aantal pothouders, die in transportkanalen zijn geplaatst; 10 figuur 14 toont in schematisch zij-aanzicht een planthouder voor toepassing in een inrichting volgens de uitvinding; figuur 15 toont schematisch een bewerkingsboom voor toepassing in een inrichting volgens de uitvinding; 15 figuur 16 toont schematisch in bovenaanzicht een voorbeeld van de ligging van een plaatverplaatsingswerktuig ten opzichte van de transportkanalen; figuur 17 en figuur 18 tonen schematisch in bovenaanzicht en in zij-aanzicht een voorbeeld van een in een 20 inrichting volgens de uitvinding toepasbare bewerkingsboom; figuur 19 illustreert schematisch de werking van een voorkeursuitvoeringsvorm van een plantverplaatsingswerktuig volgens de uitvinding; figuur 20 illustreert schematisch de transportstromen 25 in een inrichting volgens de uitvinding; figuur 21 toont schematisch een mogelijke configuratie van plantplaatsen; en figuur 22 toont schematisch in bovenaanzicht een voorbeeld van een stelsel van transportkanalen voor een 30 inrichting volgens de uitvinding.
Figuur 1 toont schematisch de globale vorm van een kas 1 waarin de uitvinding kan worden toegepast. De kas heeft een uitwendige vorm die lijkt op die van een tunnelkas, die ringvormig rond gebogen is, waardoor een soort tulbandvorm is 35 verkregen met een cirkelvormig open centraal gedeelte 2 met een binnenwand 3. Het kasdek 4 is gebold en de kas heeft een buitenwand 5.
5
Een aldus gevormde kas kan met behulp van bekende technieken opgebouwd worden als een netconstructie van stalen profielen 6, die ruitvormige openingen vormen, en spankabels. De ruitvormige openingen zijn weer afgedicht met panelen 7 5 van bijvoorbeeld aluminium profielen voorzien van een geschikte lichtdoorlatende folie of plaatmateriaal. Bij voorkeur is de folie of het plaatmateriaal aan weerszijden van de panelen aangebracht. Een geschikte techniek voor de opbouw van een netconstructie voor een lichtdoorlatende 10 overkapping is bijvoorbeeld beschreven in het tijdschrift
Thermisch Verzinken, September 1993 uitg. Stichting Doelmatig Verzinken, Sassenheim.
Het kasdek rust op een binnenste en buitenste cirkelvormige liggerconstructie 8,9, die weer door kolommen 15 10,11 zijn gesteund. Tussen de kolommen zijn weer lichtdoorlatende panelen gemonteerd.
Bij voorkeur zijn ventilatie-openingen in de vertikale wanden aangebracht, zoals bijvoorbeeld met pijlen VI, V2 in figuur 18 is aangegeven. Het kasdek zelf kan dan geheel 20 gesloten worden uitgevoerd.
Figuur 3 toont een gedeeltelijke plattegrond van een kas volgens de uitvinding. De binnenwand 3 en de buitenwand 5 vormen in hoofdzaak concentrische cirkels, waartussen zich een ringvormig teeltoppervlak 12 bevindt. Eén en ander is ook 25 in dwarsdoorsnede schematisch in figuur 4 getoond. Het teeltoppervlak 12 wordt zoals getoond, bij voorkeur zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde begrensd door een werkring 13,14. Via de werkringen zijn de binnenste en de buitenste uiteinden van de op het teeltoppervlak opgestelde 30 transportkanalen toegankelijk en kunnen de planten aan het teeltoppervlak toegevoerd, respectievelijk daarvan afgevoerd worden.
Het centrale cirkelvormige gebied 15, dat niet tot de eigenlijke kasruimte behoort, kan plaats bieden aan diverse 35 technische installaties, kantoorruimte, werkruimte voor het gereedmaken van planteenheden, etc. en kan desgewenst daartoe apart overdekt worden.
10 G19 9 5 6
Op het teeltoppervlak zijn zoals reeds vermeld transportkanalen voor planteenheden aangebracht. De transportkanalen zijn gootvormig en zullen in het volgende nog nader worden beschreven. Figuur 5 toont schematisch de 5 details A en B van figuur 4.
Detail A betreft een C02 bemestingssysteem. Door de niet getoonde verwarmingsinstallatie voor de kas wordt C02 geproduceerd, die via een ringleiding 16 in een in het teeltoppervlak aangebrachte goot 17 wordt toegevoerd aan 10 geperforeerde buizen 16a of dergelijke, die tussen de transportkanalen liggen. Op deze wijze kan C02-rijke lucht tussen de planten worden gebracht. Vanzelfsprekend kan desgewenst ook C02 uit een andere bron dan de verwarmingsinstallatie worden betrokken.
15 Detail B toont de buitenste werkring 14 met het uiteinde van één der transportkanalen 18. De uiteinden van de transportkanalen reiken in dit voorbeeld tot in de buitenste werkring, en zijn voorzien van een uitstroomleiding 19 voor water, die via een ringleiding 20 verbonden kan zijn met een 20 pomp, en een doorvoer voor een verwarmingsslang 21, die in dit voorbeeld op de bodem van het desbetreffende gootvormige transportkanaal ligt. De transportgoten zijn bij voorkeur naar buiten toe enigszins neerwaarts hellend opgesteld, zodat aan het binneneinde toegevoerd water, dat bijvoorbeeld ook 25 voedingsstoffen, ontsmettingsmiddelen, bestrijdingsmiddelen en dergelijke kan bevatten, vanzelf naar het buitenste buiteinde stroomt. Hiertoe kan bijvoorbeeld het teeltoppervlak, dat bijvoorbeeld van beton kan zijn, enigszins hellend zijn uitgevoerd, zoals in figuur 4 en ook 30 in figuur 18 is getoond.
Detail B toont voorts nog een buiten de buitenwand 5 van de kas liggende hemelwatergoot 22. Het niveau van het teeltoppervlak bij de buitenste werkring ligt bij voorkeur ongeveer ter hoogte van het maaiveld. Dit niveau is in figuur 35 18 met M aangegeven. De werkringen liggen bij voorkeur verdiept, zoals getoond, zodat een ergonomisch gunstige situatie ontstaat.
' · & 7
Figuur 6 toont schematisch een voorbeeld van een gebogen vorm voor de transportgoten 18. De getoonde vorm is althans deels in hoofdzaak een logaritmische kromme. De exacte vorm hangt samen met de gewenste ligging van de 5 plantplaatsen ten opzichte van elkaar en/of de groeicurve van het gewas. Een plantplaats is een voor één plant beschikbare ruimte. De plantplaatsen kunnen weergegeven worden door cirkels, die naarmate zij verder van het centrum van de kas liggen groter zijn, corresponderend met de ontwikkeling van 10 de planten tijdens de teeltcyclus. Plantplaatsen met dezelfde straal liggen evenver van het centrum en liggen derhalve in een cirkelvormige rij rond het centrum. De corresponderende plantplaatsen in opeenvolgende cirkelvormige rijen kunnen gezien vanuit het centrum van de kas recht achter elkaar 15 liggen en liggen dan op stralen R van de kas. De transportgoten dienen dan ook de vorm van deze stralen te hebben en zijn dan derhalve lineair.
Een efficiënter oppervlaktegebruik wordt echter mogelijk door de plantplaatsen in opeenvolgende rijen niet 20 recht achter elkaar, doch versprongen ten opzichte van elkaar te positioneren, zodat een plantplaats uit een rij steeds enigszins tussen twee plantplaatsen uit een voorgaande rij en tussen twee plantplaatsen uit een volgende rij ligt, zie bijvoorbeeld figuur 21. De bijbehorende transportgoten hebben 25 dan bij voorkeur een gekromde vorm. De transportgoten op het teeltoppervlak maken dan een cyclonaal patroon zichtbaar, zoals getoond in figuur 22.
Een configuratie van plantplaatsen, ook wel plantverband genoemd, waarbij de plantplaatsen van elke rij 30 een halve plantplaats langs de rij verschoven zijn ten opzichte van de voorgaande rij leidt tot een zogenaamd driehoeksverband. Bij een optimale ruimtebenutting grenzen alle plantplaatsen aan elkaar. In een driehoeksverband grenst elke plantplaats aan zes omringende plantplaatsen. De 35 middelpunten van een plantplaats op een willekeurige rij en twee aangrenzende plantplaatsen op een naburige rij vormen de hoekpunten van een gelijkbenige driehoek, die nagenoeg 1001995 8 gelijkzijdig is. Een voorbeeld van een dergelijk driehoeksverband is schematisch getoond in figuur 21. De cirkeltjes, die naar buiten toe overeenkomstig de groei van de planten in diameter toenemen representeren de 5 plantplaatsen en de pijlen geven de richting aan waarlangs de planten zich van plantplaats tot plantplaats in bedrijf voortbewegen.
De bijbehorende vorm van de transportgoten is getoond in figuur 22. In verband met deze vorm spreekt men wel van 10 een cyclonaal plantverband.
De exacte vorm van de goten hangt af van de groeicurve van de planten. Deze is meestal exponentieel, waarbij echter de groeicurve aan het begin en het einde van de teeltcyclus soms niet exponentieel is. Het gedeelte van de transportgoten 15 waar de planten zich gedurende het exponentiële deel van de groeicurve bevinden is bij voorkeur logaritmisch gekromd. De eventuele andere delen, die zich normaliter aan het begin en/of aan het eind van de transportkanalen bevinden hebben een vorm, die afhangt van de vorm van de groeicurve.
20 Figuur 7 toont schematisch een doorsnede van een geschikte transportgoot 18. De getoonde goot is U-vormig en is in dit voorbeeld aan de onderzijde voorzien van steunribben 24,25. De goten zijn bij voorkeur van een geschikte kunststof of van een al dan niet van een coating 25 voorzien metaalplaatmateriaal vervaardigd. De goten zijn voorzien van geleidingsorganen voor planteenheden. De planteenheden kunnen bestaan uit een planthouder 42, zoals getoond in figuur 14 of een pothouder 41, zoals getoond in figuur 11 en figuur 12.
30 In het getoonde voorbeeld zijn de wanden van de goten voorzien van telkens twee C-vormige geleidingsprofielen 26,27, die binnenwaarts geopend zijn en die verschuifbaar corresponderende flenzen 28,29 van de planteenheden kunnen opnemen. In dit voorbeeld is het ene C-vormige profiel 35 uitgevoerd als een naar buiten versprongen gepositioneerde C -vormi ge f 1 ens.
v 5 9
Figuur 8 toont een complete goot 18 (waaruit een deel is weggelaten) voorzien van een beginsectie 30 en een eindsectie 31. De verschillende secties van de goot 18 zijn met koppelstukken 32 aan elkaar bevestigd. Het middendeel kan 5 ook uit verschillende secties zijn samengesteld, die met koppelstukken 33 zijn gekoppeld zoals in figuur 8 getoond.
De koppelstukken kunnen desgewenst een integraal deel vormen van een bijbehorende sectie. De koppelstukken kunnen tevens voor bevestiging van de goten op het teeltoppervlak 10 zijn ingericht, doch hiervoor kunnen eventueel afzonderlijke bevestigingsstukken toegepast worden. Een wijze van bevestigen met schroeven 34 is schematisch getoond in figuur 9. De koppel- en bevestigingsstukken zijn bij voorkeur zodanig gevormd, dat de goten ter plaatse vlak op het 15 teeltoppervlak liggen. Eventueel kunnen hiertoe de steunribben plaatselijk zijn verwijderd.
In figuur 7 is te zien, dat de ene gootwand 35, die voorzien is van het buitenwaarts reikend geleidingsprofiel 26 hoger reikt dan de andere gootwand 36. Hierdoor kunnen de 20 goten aan het begin daarvan dichter bij elkaar liggen met behoud van dezelfde dwarsafmeting.
De in figuur 8 getoonde begin- en eindsecties behoeven niet noodzakelijk op dezelfde wijze gekromd te zijn als de rest van de goot. De begin- en eindsecties dienen om het in 25 de goot plaatsen respectievelijk het uit de goot verwijderen van planteenheden mogelijk te maken. Hiertoe zijn deze secties slechts deels voorzien van geleidingsprofielen, zodat de planteenheden van boven af geplaatst respectievelijk naar boven toe verwijderd kunnen worden. De uiteinden van de 30 begin- en eindsecties zijn afgesloten met eindwanden 37,38, omdat in de goten in bedrijf vloeistof kan stromen.
Figuur 10 toont schematisch een voorbeeld van een eindsectie 30 of 31, met een koppelstuk 32, een eindwand 37,38, een doorvoer 39 voor een verwarmingsslang 21 en een 35 in- of uitstroomstuk 40.
De figuren 11 en 12 tonen een pothouder 41 en figuur 14 toont en planthouder 42. De pothouder bestaat in hoofdzaak 1 o u 1 a» 5 10 uit een van geleidingsflenzen voorziene ring 43, waarin een plantpotje kan worden geplaatst, terwijl de planthouder behalve een soortgelijke ring ook nog een potgedeelte 44 omvat, waarin een stukje kweekbodem voorzien van een plantje 5 kan worden geplaatst. Het potgedeelte is van openingen voorzien, zodat de kweekbodem door het eventueel door de goot stromende water bevochtigd kan worden. Het water wordt bij voorkeur volgens een eb/vloed-principe door de goten gevoerd.
Figuur 13 toont schematisch twee dicht naast elkaar 10 liggende goten 18, 18’, waarin een aantal pothouders is geplaatst volgens het hierboven beschreven verspringende verband. Eén van de pothouders is slechts deels getekend.
Figuur 15 toont schematisch een bewerkingsboom 50, die het teeltoppervlak overbrugt en die boven het gewas over het 15 ringvormige teeltoppervlak kan bewegen. De bewerkingsboom is een werktuigdrager, die werktuigen draagt voor het transporteren van de planten. Ook kan de bewerkingsboom inrichtingen dragen voor het observeren of anderzins controleren en/of verzorgen van de planten, zoals 20 bijvoorbeeld een camera en een sproeiïnrichting of dergelijke.
De bewerkingsboom dient stevig, doch licht te zijn en kan met voordeel als een vakwerkconstructie zijn uitgevoerd zoals in zij-aanzicht in figuur 18 en in bovenaanzicht in 25 figuur 17 is te zien.
De bewerkingsboom rust met de uiteinden via geschikte steunorganen, zoals bijvoorbeeld wielen of rollen op een binnenste en een buitenste rail, die aan of nabij de binnenste en buitenste cirkelvormige liggers zijn gevormd of 30 bevestigd. Voor de aandrijving kan bijvoorbeeld van trekkabels of van één of meer op de bewerkingsboom gemonteerde elektromotoren gebruik gemaakt worden. Hiertoe kan bijvoorbeeld één der liggers van een stroomvoerende rail zijn voorzien. De constructie kan ook zodanig zijn dat de 35 wielen of rollen aan één of beide uiteinden in een werkring lopen.
* 0 ' ' β S .
11
De observatie- respectievelijk verzorgingsinrichtingen kunnen heen en weer beweegbaar aan een zich langs de bewerkingsboom uitstrekkende rail of dergelijke zijn opgehangen. De rail heeft bij voorkeur een zodanige vorm dat 5 tijdens de beweging van de bewerkingsboom opeenvolgend alle planten van een goot gecontroleerd en verzorgd kunnen worden. Figuur 16 toont schematisch een dergelijke rail bij 51.
Pijlen 52,53 geven de bewegingsrichting van de rail 51 boven het teeltoppervlak aan.
10 Een zeer belangrijke functie van de bewerkingsboom is het verplaatsen van de planten langs de goten. Hiertoe kan de bewerkingsboom zijn voorzien van hangende beugels, die aan de onderzijde zijn voorzien van horizontale duwstaven, die zich ter hoogte van de ringen 43 van de planteenheden onder een 15 hoek ten opzichte van de cirkelvormige rijen plantplaatsen uitstrekken. De beugels en de duwstaven maken deel uit van de verplaatsingswerktuigen. De duwstaven grijpen aan op de ringen 43 en kunnen tijdens de voortgang van de bewerkingsboom de planteenheden juist tot in een volgende rij 20 plantplaatsen duwen. Daar echter de volgende rijen plantplaatsen bezet zijn door zich daar al bevindende planteenheden, dienen de volgende plantplaatsen eerst vrijgemaakt te worden. Dit betekent, dat de buitenste planteenheden het eerst verschoven dienen te worden en de 25 binnenste het laatst. De buitenste duwstaaf dient derhalve het eerst op de planteenheden aan te grijpen, daarna kan de op één na buitenste duwstaaf zijn werk doen enz..
Dit kan bij een in hoofdzaak symmetrische ophanging van de duwstaven bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door de 30 ophangpunten van de duwstaven te rangschikken volgens een lijn die een hoek maakt met de goten. De duwstaven kunnen echter ook op andere wijze, bijvoorbeeld asymmetrisch aan de bewerkingsboom worden bevestigd om een soortgelijk effect te bewerkstelligen.
35 Eén en ander is schematisch in figuur 16, 17 en in figuur 19 weergegeven. De lijn door de ophangpunten van de duwstaven is in figuur 16,17 en figuur 19 aangegeven met 55.
1001995 12
Doordat de ophangpunten van de duwstaven op afstand liggen van de rail 51 is in dit voorbeeld de bewerkingsboom in bovenaanzicht tamelijk breed, zoals getoond in figuur 17. Het is natuurlijk ook mogelijk om meerdere brugconstructies 5 toe te passen, die elk een specifieke functie hebben.
Figuur 19 toont een deel van het teeltoppervlak voorzien van goten 18, waarin planteenheden 60 zijn gerangschikt in cirkelvormige concentrische rijen, gesymboliseerd door onderbroken lijnen I t/m VI door de 10 middelpunten van de planteenheden.
De duwstaven 61,62,63,64,65,66 zijn opgehangen aan door de lijn 55 gesymboliseerde punten. De hoek tussen de lijn 55 en de goten kan in een praktische situatie ± 15" bedragen.
In figuur 19 is te zien dat de duwstaaf 66 het eerst 15 aangrijpt op de bijbehorende planteenheden. De buitenste planteenheid 67 (een goot in rij VI) is bijvoorbeeld al naar buiten bewogen door de duwstaaf 66, terwijl de planteenheid 68 op dezelfde goot in rij V pas net in aangrijping is gekomen met de duwstaaf 65. De opeenvolgende duwstaven duwen 20 derhalve opeenvolgend de planteenheden van rij VI naar de niet getoonde rij VII, de planteenheden van rij V naar rij VI enz. tot de planteenheden van rij I naar rij II zijn verplaatst. Rij I kan dan met verse planteenheden gevuld worden, die na een rondgang van de bewerkingsboom weer naar 25 rij II verplaatst worden enz..
Het nieuwe plantmateriaal kan met voordeel via een tunnel 70 naar het centrum van de kas aangevoerd worden. Een dergelijke tunnel is getoond in figuur 18 en in figuur 20.
Het plantmateriaal kan vervolgens met de hand of 30 automatisch met behulp van een plaatsingsinrichting in de goten geplaatst worden.
De planteenheden van de buitenste rij kunnen met de hand of automatisch met behulp van een plantverwijderinrichting geoogst worden.
35 De geoogste planten kunnen in een mogelijke uitvoeringsvorm voor verdere verwerking en/of afvoer naar het centrum van de kas getransporteerd worden middels een aan de >b 13 bewerkingsboom of een andere brugconstructie gemonteerde transporteur, zoals bij 71 schematisch in figuur 20 is aangegeven.
Figuur 20 illustreert de in een dergelijk systeem 5 optredende transportstromen. De vanaf het centrum 2 van de kas waaiervormig buitenwaarts gerichte pijlen 72 symboliseren de cyclonale buitenwaartse transportbeweging via de goten. De pijlen 73 symboliseren de beweging van de bewerkingsboom. De dikke pijl 71 symboliseert het binnenwaartse transport van de 10 geoogste planten en de dikke pijl 74 symboliseert de afvoer van het oogstgoed door de tunnel 70.
Opgemerkt wordt dat na het voorgaande diverse modificaties voor de deskundige voor de hand liggen. Zo kunnen de planthouders en/of de pothouders anders uitgevoerd 15 zijn, bijvoorbeeld met een opstaande rand of kraag aan uitsluitend de duwzijde. Ook kan een ander plantverband gekozen worden en kan middels een aangepaste gootvorm rekening gehouden worden met een tijdens de teeltcyclus veranderend groeipatroon van een bepaald gewas. Voorts kan 20 desgewenst de afvoer van het oogstmateriaal buitenom plaatsvinden.
In het voorgaande is de uitvinding aan de hand van de toepassing daarvan in een kas beschreven. Het is echter niet strikt noodzakelijk een kas toe te passen. In warme landen 25 zou de in het voorgaande beschreven teeltmethode volgens de uitvinding ook in de open lucht kunnen plaatsvinden De voordelen van een teeltmethode volgens de uitvinding, waarbij de planten langs vooraf bepaalde banen over een ringvormig teeltoppervlak van binnen naar buiten bewegen kunnen zowel 30 bij een stapsgewijze verplaatsing van de planten als bij een in hoofdaak continue verplaatsing worden verkregen. Het ringvormige oppervlak kan aan de binnen- en buitenrand door cirkels begrensd zijn, doch de randen kunnen ook andere vormen hebben, bijvoorbeeld ellipsvormig, meerhoekig, etc..
35 Daar de groeicurve van individuele planten afwijkingen van de gemiddelde groeicurve vertonen en daar bovendien de groeicurve in het algemeen afhankelijk is van het seizoen, 1 o e: s 9 5 14 kunnen maatregelen zijn genomen om het teeltsysteem hieraan aan te passen. Afwijkingen als gevolg van seizoensinvloeden kunnen opgevangen worden door de plantplaatsen aan te passen, hetgeen betekent, dat de verplaatsingswerktuigen ten opzichte 5 van elkaar verstelbaar dienen te zijn. Variaties tussen individuele planten kunnen opgevangen worden door bijvoorbeeld van meer dan een rij langs de omtrek van het teeltoppervlak te oogsten. De observatiemiddelen kunnen desgewenst gebruikt worden om te bepalen welke planten 10 oogstrijp zijn. De hierbij optredende lege plekken in de laatste rijen kunnen dan tevens gebruikt worden om planten, die het einde van de transportgoot bereikt hebben, doch nog niet oogstrijp zijn, terug te zetten.
De in het voorgaande beschreven verplaatsingswerktuigen 15 bewerkstelligen een stapsgewijze verplaatsing van de planteenheden van plantplaats naar plantplaats. Een continue beweging van de planteenheden is echter in beginsel evenzeer mogelijk.
Deze en soortgelijke modificaties worden geacht binnen 20 het kader van de uitvinding te vallen.
Λ f . r»· ,· n

Claims (44)

1. G 1 9 9 5 zijn gepositioneerd, dat de zich het dichtst bij de afvoereinden van de transportkanalen bevindende planteenheden het eerst worden aangegrepen.
1. Werkwijze voor het telen van planten, waarbij de planten zich op een teeltoppervlak bevinden en met behulp van verplaatsingsmiddelen tijdens de teelt langs een aantal naast elkaar gelegen langwerpige transportkanalen worden verplaatst 5 tussen een toevoereinde en een afvoereinde van de transportkanalen, waarbij van het toevoereinde naar het afvoereinde van de transportkanalen de tussenafstand tussen zowel naburige transportkanalen als zich in een zelfde kanaal bevindende naburige planten vergroot wordt, met het 10 kenmerk, dat voor het verplaatsen van de planten langs de transportkanalen een bewerkingsboom wordt toegepast, die de vorm heeft van een het teeltoppervlak overspannende brugconstructie, die in bedrijf boven de planten wordt bewogen.
2. Werkwijze voor het telen van planten, waarbij de planten zich op een teeltoppervlak bevinden en met behulp van verplaatsingsmiddelen tijdens de teelt langs een aantal naast elkaar gelegen langwerpige transportkanalen worden verplaatst tussen een toevoereinde en een afvoereinde van de 20 transportkanalen, waarbij van het toevoereinde naar het afvoereinde van de transportkanalen de tussenafstand tussen zowel naburige transportkanalen als zich in een zelfde kanaal bevindende naburige planten vergroot wordt, met het kenmerk, dat de planten langs de transportkanalen worden 25 verplaatst van plantplaats tot plantplaats, welke plantplaatsen van het begin naar het eind van de transportkanalen in afmeting toenemen afhankelijk van de groeicurve van de planten en welke plantplaatsen op althans een deel van het teeltoppervlak in driehoeksverband zijn 30 gerangschikt.
3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de planten in planteenheden worden geplaatst, die vervolgens aan het toevoereinde in de kanalen worden gebracht, waarbij de planteenheden zijn voorzien van een 35 boven de kanalen uitstekende rand, waarop aan de 1001995 bewerkingsboom hangende verplaatsingswerktuigen kunnen aangrijpen om de planten langs de kanalen te verschuiven.
4. Werkwijze volgens conclusie 2 of 3, met het kenmerk, dat de planten in een kanaal opeenvolgend worden 5 verschoven, beginnend met de het dichtst bij het afvoereinde aanwezige planten.
5. Werkwijze volgens één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat voor het verzorgen en/of controleren van de planten op het teeltoppervlak gebruik wordt gemaakt 10 van boven het teeltoppervlak geplaatste middelen.
6. Werkwijze volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat de genoemde middelen in bedrijf heen en weer worden bewogen over het teeltoppervlak.
7. Werkwijze volgens één der voorgaande conclusies, 15 met het kenmerk, dat het teeltoppervlak ringvormig is en zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde wordt begrensd door een werkring.
8. Werkwijze volgens één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de bewerkingsboom boven het 20 ringvormige teeltoppervlak wordt bewogen waarbij het ene uiteinde in hoofdzaak de binnenrand en het andere uiteinde in hoofdzaak de buitenrand van het teeltoppervlak volgt.
9. Werkwijze volgens conclusie 7 of 8, met het kenmerk, dat de planthouders bij de binnenrand van het 25 teeltoppervlak in de transportkanalen worden geplaatst en bij de buitenrand van het teeltoppervlak daaruit worden verwijderd.
10. Werkwijze volgens één der conclusies 7 t/m 9, met het kenmerk, dat de binnen de binnenste werkring gelegen 30 vrije ruimte althans deels als facilitaire ruimte wordt benut.
11. Werkwijze volgens één der conclusies 7 t/m 10, met het kenmerk, dat de uit de transportkanalen verwijderde planten via een zich boven het teeltoppervlak uitstrekkende 35 transporteur naar het centrum van het teeltoppervlak worden getransporteerd voor verdere behandeling. 100:995
12. Werkwijze volgens één der conclusies 6 t/m 10, net het kenmerk, dat het centrum van het teeltoppervlak bereikbaar is via een onder het teeltoppervlak aangebrachte tunnel.
13. Werkwijze volgens één der conclusies 7 t/m 12, met het kenmerk, dat gootvormige transportkanalen worden toegepast, die zijn voorzien van geleidingsmiddelen voor het verschuifbaar opnemen van de planteenheden.
14. Werkwijze volgens conclusie 13, met het kenmerk, 10 dat de geleidingsmiddelen gevormd worden door nabij de bovenranden van de gootvormige kanalen gevormde flenzen.
15. Werkwijze volgens conclusie 14, met het kenmerk, dat de bovenranden van een gootvormig kanaal op een verschillende hoogte boven de bodem van het gootvormige 15 kanaal liggen.
16. Werkwijze volgens één der conclusies 13 t/m 15, met het kenmerk, dat speciale begin- en eindsecties voor de gootvormige kanalen worden toegepast om de planteenheden in de kanalen te kunnen plaatsen respectievelijk daaruit te 20 kunnen verwijderen.
17. Werkwijze volgens één der conclusies 7 t/m 16, met het kenmerk, dat gekromde kanalen worden toegepast.
18. Werkwijze volgens conclusie 17, met het kenmerk, dat de kanalen een volgens een logaritmische kromme gebogen 25 gedeelte bevatten.
19. Werkwijze volgens één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat planteenheden op plantplaatsen worden gepositioneerd, die in naburige rijen versprongen ten opzichte van elkaar liggen, zodat in bedrijf een planteenheid 30 in de ene kanaalrij deels tussen twee planteenheden van een naburige rij ligt.
20. Inrichting voor voor het telen van planten, waarbij de planten zich op een teeltoppervlak bevinden en met behulp van verplaatsingsmiddelen tijdens de teelt langs een aantal 35 naast elkaar gelegen langwerpige transportkanalen worden verplaatst tussen een toevoereinde en een afvoereinde van de transportkanalen en waarbij vanaf het toevoereinde naar het ; ·' “ . Γ ' - afvoereinde van de transportkanalen de tussenafstand tussen zowel naburige transportkanalen als zich in een zelfde kanaal bevindende naburige planten vergroot wordt, gekenmerkt door een het teeltoppervlak overspannende bewerkingsboom, waarbij 5 aandrijfmiddelen zijn voorzien voor het over het teeltoppervlak bewegen van de bewerkingsboom, welke bewerkingsboom is voorzien van verplaatsingswerktuigen voor het verplaatsen van in de transportkanalen aanwezige planteenheden.
21. Inrichting volgens conclusie 20, gekenmerkt door over het teeltoppervlak beweegbare controle- en/of verzorgingsinrichtingen voor de planten.
22. Inrichting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de bewerkingsboom is voorzien van een rail waarlangs de 15 controle- en/of verzorgingsinrichtingen heen en weer kunnen bewegen.
23. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 22, met het kenmerk, dat het teeltoppervlak een ringvormig oppervlak is afgedekt door een ringvormig en tunnelvormig 20 kasdek, dat rust op binnenste en buitenste cirkelvormige lichtdoorlatende wanden.
24. Inrichting volgens conclusie 23, met het kenmerk, dat aan of nabij de cirkelvormige wanden cirkelvormige geleidingsorganen zijn aangebracht voor het ondersteunen en 25 geleiden van de uiteinden van de bewerkingsboom.
25. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 24, met het kenmerk, dat de bewerkingsboom is voorzien van afhangende beugels, die aan de ondereinden elk zijn voorzien van een zich in hoofdzaak horizontaal uitstrekkende duwstaaf, 30 die kan samenwerken met een opstaande rand van een planteenheid.
26. Inrichting volgens conclusie 25, met het kenmerk, dat duwstaven zich schuin ten opzichte van de bewegingsrichting van de bewerkingsboom en schuin ten 35 opzichte van de richting van de transportkanalen uitstrekken.
27. Inrichting volgens conclusie 25 of 26, met het kenmerk, dat de duwstaven zodanig ten opzichte van elkaar
28. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 27, 5 met het kenmerk, dat de bewerkingsboom volgens een vakwerkconstructie is geconstrueerd.
29. Inrichting volgens één der conclusies 23 t/m 28, met het kenmerk, dat het kasdek een geheel gesloten kasdek is en dat ventilatie-openingen zijn aangebracht in de 10 cirkelvormige wanden.
30. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 29, met het kenmerk, dat de transportkanalen U-vormige goten zijn, waarvan de bovenranden zijn voorzien van geleidingsflenzen die verschuifbaar contraflenzen van de 15 planteenheden kunnen opnemen.
31. Inrichting volgens conclusie 30, met het kenmerk, dat de goten zijwanden met verschillende hoogten hebben.
32. Inrichting volgens conclusie 30 of 31, met het kenmerk, dat de goten zijn voorzien van aan de uiteinden 20 gesloten begin- en eindsecties, die althans deels geen geleidingsflenzen hebben om de planteenheden in de goten te kunnen plaatsen respectievelijk daaruit te kunnen verwijderen.
33. Inrichting volgens conclusie 32, met het kenmerk, 25 dat de gesloten uiteinden zijn voorzien van een doorvoer voor een verwarmingsslang.
34. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 33, gekenmerkt door tussen de kanalen uitmondende toevoermiddelen voor C02.
35. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 34, met het kenmerk, dat het kasdek is opgebouwd volgens een netconstructie met profielen en kabels, welke constructie is afgedicht met van doorzichtige folie of platen voorziene panelen.
36. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 35, met het kenmerk, dat de planteenheden een liggend gedeelte omvatten voor samenwerking met en geleiding in de ;· .. K * w transportkanalen, alsmede een opstaande rand voor samenwerking met de verplaatsingswerktuigen.
37. Inrichting volgens één der conclusies 11 t/m 36, gekenmerkt door een automatische plantaanbrenginrichting 5 voor het in de transportkanalen plaatsen van de planteenheden.
38. Inrichting volgens één der conclusies 20 t/m 37, gekenmerkt door een automatische plantverwijderinrichting voor het verwijderen van de planteenheden uit de 10 transportkanalen.
39. Inrichting volgens één der conclusies 23 t/m 38, gekenmerkt door een boven het teeltoppervlak aangebrachte transporteur voor het transporteren van aan de afvoereinden uit de transportkanalen verwijderde planteenheden naar het 15 door het teeltoppervlak omsloten centrale gebied.
40. Inrichting volgens één der conclusies 23 t/m 39, gekenmerkt door een zich onder het teeltoppervlak uitstrekkende tunnel, die toegang geeft tot het door het teeltoppervlak omsloten centrale gebied.
41. Inrichting volgens één der conclusies 23 t/m 40, met het kenmerk, dat de transportkanalen gebogen kanalen zi jn.
42. Inrichting volgens conclusie 41, met het kenmerk, dat de kanalen een volgens een logaritmische kromme gebogen 25 gedeelte hebben.
43. Inrichting volgens één der conclusies 23 t/m 42, met het kenmerk, dat langs de binnenrand en/of de buitenrand van het teeltoppervlak een werkring is aangebracht.
44. Inrichting volgens conclusie 43, met het kenmerk, dat de werkring(en) verdiept lig(liggen) ten opzichte van het teeltoppervlak. 1001095
NL1001995A 1995-12-28 1995-12-28 Werkwijze en inrichting voor het telen van planten. NL1001995C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1001995A NL1001995C2 (nl) 1995-12-28 1995-12-28 Werkwijze en inrichting voor het telen van planten.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1001995 1995-12-28
NL1001995A NL1001995C2 (nl) 1995-12-28 1995-12-28 Werkwijze en inrichting voor het telen van planten.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL1001995C2 true NL1001995C2 (nl) 1997-07-02

Family

ID=19762096

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL1001995A NL1001995C2 (nl) 1995-12-28 1995-12-28 Werkwijze en inrichting voor het telen van planten.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL1001995C2 (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0875138A1 (en) * 1997-05-01 1998-11-04 Greenstar the Cyclonical Greenhouse Company B.V. Method and apparatus for growing plants

Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4028847A (en) * 1976-02-19 1977-06-14 General Mills, Inc. Apparatus for producing plants
EP0143349A2 (en) * 1983-10-28 1985-06-05 Mitsubishi Denki Kabushiki Kaisha Apparatus for plant cultivation
EP0156749A1 (fr) * 1984-03-07 1985-10-02 Pierre Marcel Bourgogne Procédé de culture automatisée sur supports extensibles mobiles et équipements permettant sa mise en oeuvre
DE3602035A1 (de) * 1985-01-31 1986-08-07 Mitsubishi Denki K.K., Tokio/Tokyo Anlage zum anbauen und zuechten von pflanzen
NL8502774A (nl) * 1985-10-10 1987-05-04 Christ Bastiaansen Werkwijze en inrichting voor het kweken van planten volgens de hydroculture.
WO1987006094A1 (en) * 1986-04-07 1987-10-22 Sjoestrand Joergen Conveyer
US4780989A (en) * 1986-04-30 1988-11-01 Mears Structures, Inc. Hydroponic assembly
WO1989011217A1 (en) * 1988-05-25 1989-11-30 Roberts David S Method and apparatus for hydroponic gardening

Patent Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4028847A (en) * 1976-02-19 1977-06-14 General Mills, Inc. Apparatus for producing plants
EP0143349A2 (en) * 1983-10-28 1985-06-05 Mitsubishi Denki Kabushiki Kaisha Apparatus for plant cultivation
EP0156749A1 (fr) * 1984-03-07 1985-10-02 Pierre Marcel Bourgogne Procédé de culture automatisée sur supports extensibles mobiles et équipements permettant sa mise en oeuvre
DE3602035A1 (de) * 1985-01-31 1986-08-07 Mitsubishi Denki K.K., Tokio/Tokyo Anlage zum anbauen und zuechten von pflanzen
NL8502774A (nl) * 1985-10-10 1987-05-04 Christ Bastiaansen Werkwijze en inrichting voor het kweken van planten volgens de hydroculture.
WO1987006094A1 (en) * 1986-04-07 1987-10-22 Sjoestrand Joergen Conveyer
US4780989A (en) * 1986-04-30 1988-11-01 Mears Structures, Inc. Hydroponic assembly
WO1989011217A1 (en) * 1988-05-25 1989-11-30 Roberts David S Method and apparatus for hydroponic gardening

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0875138A1 (en) * 1997-05-01 1998-11-04 Greenstar the Cyclonical Greenhouse Company B.V. Method and apparatus for growing plants

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US10638678B2 (en) Vertical tiered growing systems
US20200236869A1 (en) Agricultural apparatus and method
JP2685318B2 (ja) 水耕栽培の方法および装置
ZA200306158B (en) A hydroponic apparatus.
GB2077082A (en) Method and apparatus for growing crops
GB2550186A (en) Vertical tiered growing systems
JPH0511924B2 (nl)
NL1001995C2 (nl) Werkwijze en inrichting voor het telen van planten.
GB1576010A (en) Apparatus for supporting material or containers which plants can be grown for movement along a greenhous
EP1190620A1 (en) Cultivation system
EP1763989A1 (en) Cultivation system and method for the cultivation of crops
FI67163B (fi) Anlaeggning foer odling av vaexter i programmerad miljoe
EP0875138A1 (en) Method and apparatus for growing plants
DE10214760B4 (de) Gewächshaussystem
RU2087092C1 (ru) Теплица для выращивания растений и грибов
NL8105823A (nl) Inrichting voor het telen van gewassen.
JP3257629B2 (ja) 水耕栽培施設のムービングベンチシステム
WO2007012313A1 (de) Anlage zum anbau von pflanzen
RU1824111C (ru) Гидропонна установка
RU55249U1 (ru) Устройство для выращивания растений в условиях защищенного грунта и сборно-разборный многоярусный стеллаж для выращивания растений в условиях защищенного грунта
JPH01218659A (ja) 平行移動可能のスプリンクラー
US20240237588A1 (en) Plant growing system, plant carrier and method of growing vertically grown plants
RU2062029C1 (ru) Теплица
RU2084123C1 (ru) Теплица
RU8207U1 (ru) Теплица круглая

Legal Events

Date Code Title Description
PD2B A search report has been drawn up
VD1 Lapsed due to non-payment of the annual fee

Effective date: 20000701