NL2010501C2 - Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. - Google Patents
Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2010501C2 NL2010501C2 NL2010501A NL2010501A NL2010501C2 NL 2010501 C2 NL2010501 C2 NL 2010501C2 NL 2010501 A NL2010501 A NL 2010501A NL 2010501 A NL2010501 A NL 2010501A NL 2010501 C2 NL2010501 C2 NL 2010501C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- patient
- information
- computer system
- database
- medication
- Prior art date
Links
- 239000003814 drug Substances 0.000 title claims abstract description 561
- 229940079593 drug Drugs 0.000 title claims abstract description 480
- 238000000034 method Methods 0.000 title claims abstract description 61
- 238000002483 medication Methods 0.000 claims description 32
- 238000013475 authorization Methods 0.000 claims description 27
- 230000004044 response Effects 0.000 claims description 7
- 239000002552 dosage form Substances 0.000 claims description 4
- 238000012546 transfer Methods 0.000 claims description 4
- 238000000926 separation method Methods 0.000 claims 2
- 239000004575 stone Substances 0.000 claims 1
- HEFNNWSXXWATRW-UHFFFAOYSA-N Ibuprofen Chemical compound CC(C)CC1=CC=C(C(C)C(O)=O)C=C1 HEFNNWSXXWATRW-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 18
- 229960001680 ibuprofen Drugs 0.000 description 18
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 5
- 230000003213 activating effect Effects 0.000 description 4
- 238000013459 approach Methods 0.000 description 4
- 230000008859 change Effects 0.000 description 4
- 230000009471 action Effects 0.000 description 3
- 238000002591 computed tomography Methods 0.000 description 3
- 238000002595 magnetic resonance imaging Methods 0.000 description 3
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 2
- 239000002775 capsule Substances 0.000 description 2
- HEFNNWSXXWATRW-JTQLQIEISA-N dexibuprofen Chemical compound CC(C)CC1=CC=C([C@H](C)C(O)=O)C=C1 HEFNNWSXXWATRW-JTQLQIEISA-N 0.000 description 2
- 229960003428 dexibuprofen Drugs 0.000 description 2
- 230000003203 everyday effect Effects 0.000 description 2
- 230000008676 import Effects 0.000 description 2
- 230000008569 process Effects 0.000 description 2
- 239000013589 supplement Substances 0.000 description 2
- VQJMAIZOEPPELO-KYGIZGOZSA-N (1S,2S,6R,14R,15R,16R)-5-(cyclopropylmethyl)-16-(2-hydroxy-5-methylhexan-2-yl)-15-methoxy-13-oxa-5-azahexacyclo[13.2.2.12,8.01,6.02,14.012,20]icosa-8(20),9,11-trien-11-ol hydrochloride Chemical compound Cl.CO[C@]12CC[C@@]3(C[C@@H]1C(C)(O)CCC(C)C)[C@H]1Cc4ccc(O)c5O[C@@H]2[C@]3(CCN1CC1CC1)c45 VQJMAIZOEPPELO-KYGIZGOZSA-N 0.000 description 1
- RZVAJINKPMORJF-UHFFFAOYSA-N Acetaminophen Chemical compound CC(=O)NC1=CC=C(O)C=C1 RZVAJINKPMORJF-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 1
- 230000004913 activation Effects 0.000 description 1
- 239000008280 blood Substances 0.000 description 1
- 210000004369 blood Anatomy 0.000 description 1
- 238000006243 chemical reaction Methods 0.000 description 1
- 238000004891 communication Methods 0.000 description 1
- 238000012790 confirmation Methods 0.000 description 1
- 230000036541 health Effects 0.000 description 1
- 238000002844 melting Methods 0.000 description 1
- 230000008018 melting Effects 0.000 description 1
- 229960005489 paracetamol Drugs 0.000 description 1
- 238000012360 testing method Methods 0.000 description 1
- 230000000699 topical effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- G—PHYSICS
- G16—INFORMATION AND COMMUNICATION TECHNOLOGY [ICT] SPECIALLY ADAPTED FOR SPECIFIC APPLICATION FIELDS
- G16H—HEALTHCARE INFORMATICS, i.e. INFORMATION AND COMMUNICATION TECHNOLOGY [ICT] SPECIALLY ADAPTED FOR THE HANDLING OR PROCESSING OF MEDICAL OR HEALTHCARE DATA
- G16H10/00—ICT specially adapted for the handling or processing of patient-related medical or healthcare data
- G16H10/60—ICT specially adapted for the handling or processing of patient-related medical or healthcare data for patient-specific data, e.g. for electronic patient records
-
- G—PHYSICS
- G16—INFORMATION AND COMMUNICATION TECHNOLOGY [ICT] SPECIALLY ADAPTED FOR SPECIFIC APPLICATION FIELDS
- G16H—HEALTHCARE INFORMATICS, i.e. INFORMATION AND COMMUNICATION TECHNOLOGY [ICT] SPECIALLY ADAPTED FOR THE HANDLING OR PROCESSING OF MEDICAL OR HEALTHCARE DATA
- G16H20/00—ICT specially adapted for therapies or health-improving plans, e.g. for handling prescriptions, for steering therapy or for monitoring patient compliance
- G16H20/10—ICT specially adapted for therapies or health-improving plans, e.g. for handling prescriptions, for steering therapy or for monitoring patient compliance relating to drugs or medications, e.g. for ensuring correct administration to patients
Landscapes
- Health & Medical Sciences (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Epidemiology (AREA)
- General Health & Medical Sciences (AREA)
- Medical Informatics (AREA)
- Primary Health Care (AREA)
- Public Health (AREA)
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Bioinformatics & Cheminformatics (AREA)
- Medicinal Chemistry (AREA)
- Medical Treatment And Welfare Office Work (AREA)
Description
CMJ P101015NL10
Titel: Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier.
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het met behulp van een computersysteem bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier omvattende: a. het gebruik maken van een eerste database van het 5 computersysteem waarbij door een invoerentiteit zoals een patiënt, arts of zorginstelling informatie over het gebruik van persoonlijke medicatie van de patiënt gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt in de eerste database wordt opgeslagen.
Een dergelijke werkwijze is onder meer bekend uit de Nederlandse 10 octrooiaanvrage 2007736. De uitvinding beoogt het invoeren van de informatie over de medicatie in de eerste database in sommige gevallen te ver gem akkelij ken.
Volgens de uitvinding wordt de werkwijze gekenmerkt in dat de werkwijze voorts de volgende stappen omvat: 15 xl: het aanslaan van tenminste een medicijn dat door een klant wordt gekocht bij een kassasysteem waarbij het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen; x2: het door het kassasysteem op automatische wijze doorgeven van informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen 20 medicijn aan het computersysteem; x3: het genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn; x4 het door het kassasysteem verschaffen van de gegenereerde code aan de klant;.
25 x5: het invoeren van de code die van het kassasysteem in stap x4 is 2 ontvangen in het computersysteem door een invoerentiteit zoals de klant of de patiënt; x6: het door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code aan een invoerentiteit verschaffen van 5 informatie over het bij het kassasysteem aangeslagen tenminste ene medicijn; x7: het door een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem selecteren van tenminste een identiteit van een patiënt en het tenminste ene medicijn indien deze door de tenminste ene 10 patiënt zal worden gebruikt waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld aan de geselecteerde tenminste ene identiteit van de patiënt in de eerste database, opslaat.
Volgens de werkwijze wordt het aldus vergemakkelijkt om gekochte medicijnen bij de eerste database in te voeren. Het is immers niet 15 meer noodzakelijk dat bij het invoeren van tenminste één medicijn in de database de naam van het medicijn zelf wordt ingevoerd. In plaats hiervan kan de code die is ontvangen van het kassasysteem bij het computersysteem worden ingevoerd.
Dit laatste kan bijvoorbeeld als volgt worden uitgevoerd. Stel dat 20 de tenminste ene patiënt reeds een account heeft aangemaakt bij het computersysteem. Dit betekent dat in de eerste database een identiteit van de tenminste ene patiënt reeds is opgenomen. Indien de tenminste ene patiënt reeds medicijnen gebruikt zal in het algemeen informatie over de persoonlijke medicatie, gekoppeld aan informatie over de identiteit van de 25 tenminste ene patiënt, in de eerste database zijn opgeslagen. De eerste database kan bij voorkeur via internet, bijvoorbeeld met een thuiscomputer worden benaderd door een invoerentiteit zoals de patiënt of een andere persoon bijvoorbeeld nadat behalve de identiteit van de patiënt ook een speciaal hieraan gekoppeld password wordt ingegeven.
3
De werkwijze kan bijvoorbeeld als volgt worden uitgevoerd. Een klant koopt tenminste één medicijn bij bijvoorbeeld een drogist, supermarkt, tankstation, of een andere winkel. De klant kan bijvoorbeeld de patiënt zijn of iemand die voor de patiënt het tenminste ene medicijn koopt. De klant 5 gaat vervolgens met het tenminste ene medicijn naar het kassasysteem waar het tenminste ene medicijn wordt aangeslagen. Het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen. De klant betaalt op gebruikelijke wijze voor het tenminste ene medicijn bij het kassasysteem. Het kassasysteem zal vervolgens op automatische wijze informatie over het 10 tenminste ene medicijn dat bij het kassasysteem is aangeslagen doorgeven aan het computersysteem. Tevens wordt een code gegenereerd die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn. Het genereren van de code kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door het computersysteem in reactie op de ontvangst van de informatie over 15 het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen medicijn. Het computersysteem kan deze code vervolgens toezenden aan het kassasysteem. Het kassasysteem kan vervolgens de betreffende code afgeven aan de klant. Het afgeven van de code aan de klant kan bijvoorbeeld gebeuren door deze te printen op een bon, in het bijzonder de kassabon. Het 20 computersysteem kan dus in een stap x3.1 een code genereren die wordt geassocieerd met de informatie die in stap x2 is ontvangen van het kassasysteem over het aangeslagen tenminste ene medicijn. Een gevolg is dus dat na het uitvoeren van stap x2 en stap x3.1 het computersysteem de code en de daarmee geassocieerde informatie over het tenminste ene bij het 25 kassasysteem aangeslagen medicijn omvat. In een stap x3.2 wordt dan door het computersysteem de gegenereerde code aan het kassasysteem toegevoerd. In de stap x4 wordt dan door het kassasysteem de van het computersysteem ontvangen code aan de klant verschaft. Het is echter ook mogelijk dat het kassasysteem een code genereert die wordt geassocieerd 30 met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn. Het 4 kassasysteem kan deze code dan vervolgens toevoeren aan het computersysteem. Het computersysteem heeft in dat geval van het kassasysteem informatie ontvangen over het tenminste ene medicijn alsmede de hiermee geassocieerde code. In dat geval zal het kassasysteem 5 de door het kassasysteem gegenereerde code aan de klant verschaffen, bijvoorbeeld door deze op een bon te printen zoals de kassabon. Het resultaat is dat de klant in het bezit komt van de code terwijl het computersysteem eveneens is voorzien van de code alsmede de hiermee geassocieerde informatie over het tenminste ene medicijn dat bij de kassa is 10 aangeslagen. Dit geldt dus voor beide hiervoor genoemde gevallen.
De klant gaat bijvoorbeeld vervolgens naar huis. De klant kan dan de code aan de tenminste ene patiënt geven. Ook is het mogelijk dat de klant zelf de patiënt betreft. Ook kan de klant de code aan een andere invoerentiteit geven die is voorzien van het genoemde password om bij de 15 gegevens van de patiënt te komen. De invoerentiteit, zoals bijvoorbeeld de klant of de patiënt, kan bijvoorbeeld vervolgens op gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld via internet, contact maken met behulp van bijvoorbeeld zijn thuiscomputer met het computersysteem. Hierna kan bijvoorbeeld een webpagina worden benaderd die is ingericht voor het invoeren van de code. 20 Het computersysteem kan bijvoorbeeld vervolgens in reactie op het invoeren van de code op het scherm van de thuiscomputer informatie tonen van het tenminste ene medicijn dat geassocieerd is met de code. Meer in het bijzonder wordt een veelvoud van medicijnen getoond die elk geassocieerd is met de code. Indien bijvoorbeeld de invoerentiteit weet dat een bepaalde 25 eerste patiënt één van de getoonde medicijnen die zijn gekocht gaat gebruiken, kan hij op gebruikehjke wijze dit medicijn bijvoorbeeld met een muiskhk selecteren. Tevens kan de invoerenteit de identiteit van de eerste patiënt invoeren die behoort bij het geselecteerde medicijn. Hiermee is dan ook de identiteit van de eerste patiënt geselecteerd. Hierna zal het 30 betreffende geselecteerde medicijn, gekoppeld aan de geselecteerde 5 identiteit van de eerste patiënt, in de eerste database worden opgeslagen. Indien de invoerentiteit weet dat het zelfde medicijn ook door een andere tweede patiënt zal worden gebruikt, kan hij ook de identiteit van deze tweede patiënt invoeren zoals beproken voor de eerste patiënt. Hierna zal 5 het betreffende geselecteerde medicijn, gekoppeld aan de geselecteerde identiteit van de tweede patiënt, in de eerste database worden opgeslagen. De eerste en tweede patiënt kunnen bijvoorbeeld een moeder en dochter zijn van een zelfde gezin. Indien bijvoorbeeld de invoerentiteit voorts weet dat een bepaalde andere derde patiënt één of meer van de andere getoonde 10 medicijnen die zijn gekocht gaat gebruiken, kan hij op gebruikelijke wijze dit medicijn of deze medicijnen bijvoorbeeld met een muisklik selecteren. Tevens kan de invoerenteit de identiteit van deze andere derde patiënt invoeren die behoort bij het geselecteerde medicijn of de geselecteerde medicijnen. Hiermee is dan ook de identiteit van de andere derde patiënt 15 geselecteerd. Hierna zal het betreffende geselecteerde andere medicijn of de betreffende geselecteerde andere medicijnen, gekoppeld aan de geselecteerde andere identiteit van de derde patiënt, in de eerste database worden op geslagen. Ook kan bij voorkeur de invoerentiteit aangeven dat een medicijn van de lijst niet door nog meer patiënten zal worden gebruikt dan 20 al is aangegeven, zodat het betreffende medicijn van de lijst verdwijnt.
Volgens de uitvinding kan één en ander ook anders worden uitgevoerd.
Zo kan de invoerentiteit wederom het computersysteem met zijn thuiscomputer via internet benaderen en thans een webpagina selecteren 25 waarmee toegang kan worden verkregen tot informatie over het gebruik van medicaties door patiënten waarvan het gebruik van medicaties reeds in de eerste database is opgeslagen. Hiervoor wordt bijvoorbeeld de identiteit van een eerste patiënt tezamen met een password ingevoerd. Hierna wordt dan toegang verkregen tot de reeds in de eerste database opgeslagen informatie 30 over het gebruik van medicaties door de eerste patiënt. Hierna kan 6 bijvoorbeeld de code worden ingevoerd waarna het tenminste ene medicijn dat geassocieerd is met de code, wordt getoond op het scherm van de thuiscomputer. Hierna kan worden aangeven dat het betreffende medicijn wordt gebruikt waarna het betreffende medicijn, gekoppeld aan de identiteit 5 van de eerste patiënt, in de eerste database wordt opgeslagen. Indien een veelvoud van medicijnen is geassocieerd met de ingevoerde code zullen deze elk worden afgebeeld op het scherm. Hierna kan worden aangegeven welke van deze medicijnen zullen worden gebruikt. Elk van de geselecteerde medicijnen zal dan gekoppeld aan de identiteit van de eerste patiënt in de 10 eerste database worden opgeslagen.
Vervolgens kan bijvoorbeeld de invoerentiteit wederom het computersysteem met zijn thuiscomputer via internet benaderen en de webpagina selecteren waarmee toegang kan worden verkregen tot informatie over het gebruik van medicaties door patiënten waarvan het 15 gebruik van medicaties reeds in de eerste database is opgeslagen. Hierna wordt bijvoorbeeld de identiteit van een tweede patiënt tezamen met een password ingevoerd. Hierna wordt dan toegang verkregen tot de reeds in de eerste database opgeslagen informatie over het gebruik van medicaties door de tweede patiënt. Hierna kan bijvoorbeeld dezelfde code worden ingevoerd 20 die was ingevoerd voor de eerste patiënt waarna het tenminste ene medicijn dat geassocieerd is met de code wordt getoond op het scherm van de thuiscomputer. Hierna kan worden aangegeven dat het betreffende medicijn wordt gebruikt waarna het betreffende medicijn, gekoppeld aan de identiteit van de tweede patiënt, in de eerste database wordt opgeslagen. Indien een 25 veelvoud van medicijnen is geassocieerd met de ingevoerde code zullen deze elk worden afgebeeld op het scherm. Hierna kan worden aangegeven welke van deze medicijnen zullen worden gebruikt. Elk van de geselecteerde medicijnen zal dan, gekoppeld aan de identiteit van de tweede patiënt, in de eerste database worden opgeslagen. In elk van de gevallen, en in het 30 algemeen, geldt dus dat een medicijn gekoppeld aan tenminste een 7 identiteit van een patiënt of gekoppeld aan een veelvoud (ook meer dan twee) van identiteiten van patiënten in de eerste database kan worden opgeslagen.
Volgens de werkwijze wordt dus bij het computersysteem een 5 identiteit van de tenminste ene patiënt geselecteerd, bijvoorbeeld doordat de identiteit van een patiënt tezamen met een password wordt ingevoerd waarna toegang wordt verkregen tot informatie van de patiënt die in de eerste database is opgeslagen. Tevens wordt door de invoerentiteit het tenminste ene medicijn, indien deze door de patiënt zal worden gebruikt, 10 geselecteerd. Anders gezegd, het door de invoerentiteit van stap x7. bij het computersysteem selecteren van een identiteit van tenminste een patiënt en het tenminste ene medicijn, indien deze door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt, wordt door de invoerentiteit uitgevoerd waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld 15 aan de identiteit van de tenminste ene patiënt, in de eerste database opslaat. Het selecteren van de identiteit van een patiënt is in dat voorbeeld gekoppeld aan het toegang verschaffen tot het computersysteem aan de hand van de identiteit van de patiënt en het password. Uiteraard is het ook denkbaar dat de indentiteit van de patiënt op andere wijze zoals hierboven 20 al is aangegeven tezamen met het tenminste ene medicijn wordt geselecteerd. Ook is het mogelijk dat op een website van het computersysteem de code wordt ingegeven alsmede de identiteit van de tenminste ene patiënt tezamen met het password waarna het computersysteem de informatie over het medicijn, gekoppeld aan de 25 identiteit van de patiënt, in de eerste database opslaat. Ook is mogelijk dat na het toegang verschaffen tot het computersysteem met behulp van de identiteit van de tenminste ene patiënt en het password, zoals hiervoor besproken, door het vervolgens invoeren van de code het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld aan de identiteit 30 van de tenminste ene patiënt, in de eerste database opslaat. De aanname is 8 dan dat zodra de code wordt ingevoerd, het tenminste ene medicijn ook door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt. Het selecteren van de tenminste ene patiënt in stap x7 is dan uitgevoerd door het genoemde toegang verschaffen tot het computersysteem met behulp van de identiteit 5 van de tenminste ene patiënt en het password. Dergelijke varianten vallen binnen het kader van de uitvinding. Uit het hiervoor gaande blijkt ook dat in het algemeen geldt dat in de stap x6 door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code en de in stap x2 ontvangen informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem 10 aangeslagen medicijn aan een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x5, informatie wordt verschaft over het bij het kassasysteem aangeslagen tenminste ene medicijn.
Een groot voordeel van de uitvinding is dat de code ook kan zijn of kan worden gekoppeld aan een veelvoud van medicijnen. Het is dus mogelijk 15 dat de klant tegelijkertijd een veelvoud van medicijnen koopt. Er geldt dan in stap xl dat een veelvoud medicijnen in het kassasysteem wordt aangeslagen. Er geldt dan voor stap x2 dat het kassasysteem op automatische wijze informatie doorgeeft aan het computersysteem over het veelvoud van medicijnen die bij het kassasysteem zijn aangeslagen. Het 20 computersysteem ontvangt deze informatie en kan dan bijvoorbeeld een code genereren die geassocieerd is met de informatie over het aangeslagen veelvoud van medicijnen. Deze code wordt vervolgens weer verzonden door het computersysteem naar het kassasysteem. Het kassasysteem verschaft wederom de code aan de klant. Het voordeel is dan dat de enkele code is 25 geassocieerd met een veelvoud van medicijnen. Wanneer vervolgens de invoerentiteit bijvoorbeeld op zijn thuiscomputer zichzelf toegang verschaft tot het computersysteem zoals bijvoorbeeld volgens één van de wijzen zoals hiervoor besproken, kan de invoerentiteit uit het veelvoud van medicijnen die medicijnen selecteren die hij en/of de betreffende patiënt(en) 30 daadwerkelijk gaan gebruiken waarna het computersysteem deze 9 medicijnen, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, in de eerste database zal opslaan.Volgens een praktische variant kan het zo zijn dat het computersysteem allereerst weer een lijst genereert en/of toont waarin het veelvoud van medicijnen staat die zijn geassocieerd met de ingevoerde code.
5 De invoerentiteit kan dan uit deze lijst die medicijnen selecteren die hij en/of de betreffende patiënt(en) gaan gebruiken. Dit kunnen bijvoorbeeld één of meer medicijnen zijn. Na selectie wordt dat medicijn dat wordt geselecteerd om te worden gebruikt, gekoppeld aan de identiteit van de tenminste ene patiënt, in de eerste database opgeslagen. Het medicijn dat 10 dan wordt gebruikt, wordt uit de genoemde lijst verwijderd, bijvoorbeeld wanneer wordt aangegeven dat er niet nog meer patiënten of geen patiënten zijn die het medicijn gaan gebruiken. Hierbij is het ook mogelijk dat wanneer de patiënt later besluit ook andere medicijnen die zijn aangeschaft en die in de lijst staan, te gaan gebruiken dat ook deze medicijnen uit de 15 hjst worden geselecteerd om vervolgens, gekoppeld aan de identiteit van de tenminste ene patiënt of gekoppeld aan de identiteiten van een veelvoud van patiënten, in de eerste database te worden opgeslagen. Ook dan geldt dat, zodra een medicijn is geselecteerd, het betreffende medicijn uit de betreffende lijst wordt verwijderd. De lijst omvat immers medicijnen die zijn 20 gekocht maar nog niet worden gebruikt.
Indien een veelvoud van medicijnen wordt gekocht is het ook mogelijk dat stap x3 de volgende stappen omvat. In een stap x3.1 wordt door het kassasysteem een code gegenereerd die wordt geassocieerd met informatie over het aangeslagen veelvoud van medicijnen. In een stap x3.2 25 wordt door het kassasysteem de gegenereerde code toegevoerd aan het computersysteem, dusdanig dat het computersysteem deze code kan associëren met de in stap x2 toegevoerde informatie over de gekochte medicijnen. In de stap x4 wordt dan de door het kassasysteem gegenereerde code aan de klant verschaft. Wanneer de klant eenmaal de code heeft, kan 30 een invoerentiteit die de code van de klant verkrijgt, dan wel wanneer de 10 invoerentiteit de klant zelf is, vervolgens zoals hiervoor besproken de code invoeren in het computersysteem. Het computersysteem kan dan aan de invoerentiteit, op grond van de ingevoerde code, informatie verschaffen over de bij het kassasysteem aangeslagen veelvoud van medicijnen. De 5 invoerentiteit kan dan bij het computersysteem uit het veelvoud van medicijnen die medicijnen of het enkele medicijn selecteren waarvan bekend is dat deze door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt. De identiteit van de tenminste ene patiënt is bijvoorbeeld al geselecteerd doordat de invoerentiteit zich contact heeft verschaft met het computersysteem aan de 10 hand van de identiteit van de patiënt en het eerder genoemde password. Het computersysteem kan vervolgens de geselecteerde informatie over de medicijnen of het enkele medicijn dat zal worden gebruikt, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, in de eerste database opslaan. Zoals gezegd kan het selecteren van de identiteit van de tenminste ene patiënt plaatsvinden 15 aan de hand van het toegang verschaffen tot het computersysteem aan de hand van de identiteit van de patiënt en het bijbehorende password (inloggen). Ook is het mogelijk dat op bijvoorbeeld een webpagina van het computersysteem in één keer de identiteit van de tenminste ene patiënt, eventueel het password en de bijbehorende code worden ingevoerd waarna 20 eventueel nog moet worden aangegeven welke medicijnen zullen worden gebruikt zodat deze medicijnen, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, in de eerste database worden opgeslagen. Het is echter eveneens mogelijk dat door het invoeren van de code direct wordt aangenomen dat de betreffende medicijnen worden gebruikt waarna de betreffende medicijnen 25 allemaal gekoppeld aan een geselecteerde identiteit van de tenminste ene patiënt in de eerste database worden opgeslagen. Dergelijke varianten vallen binnen het kader van de uitvinding.
Een bijzondere variant volgens de uitvinding wordt dienovereenkomstig gekenmerkt in dat de werkwijze voorts omvat: 11 b. het gebruik maken van een tweede database van het computersysteem waarin standaard informatie van bekende medicaties is op geslagen waarbij in stap a de patiënt gebruik maakt van informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste 5 database.
Doordat de patiënt bij het invoeren van informatie over het gebruik van zijn persoonlijke medicatie tevens gebruik maakt van informatie die in de tweede database is opgeslagen, kan worden bewerkstelligd dat de informatie die de gebruiker opslaat in de eerste database correct en eenduidig is. Voor 10 de volledigheid wordt opgemerkt dat onder informatie over gebruik van persoonlijke medicaties ook wordt verstaan informatie over het gebruik van persoonlijke medicaties uit het verleden en welke medicaties thans niet meer worden gebruikt (historie).
In het bijzonder geldt hierbij dat in stap a. informatie over het 15 gebruik van een medicatie door de patiënt volgens standaardinformatie uit de tweede database over de in te voeren medicatie in de eerste database wordt op geslagen. Meer in het bijzonder geldt hierbij dat bij het invoeren van de informatie over het gebruik van de medicatie door de patiënt, het computersysteem aan de hand van een door de patiënt bij het 20 computersysteem ingevoerde trefwoord een lijst met mogelijke medicaties genereert en toont aan de patiënt, waarna de patiënt uit de lijst een medicatie kiest die overeenkomt met de medicatie die hij gebruikt waarna de geselecteerde informatie over de medicatie gekoppeld aan de identiteit van de patiënt in de vorm van standaard informatie in de eerste database 25 wordt op geslagen. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat correcte en eenduidige informatie over het gebruik van medicaties door de patiënt wordt ingevoerd.
In het bijzonder geldt hierbij dat de patiënt van een gebruikte medicatie ook informatie invoert over de frequentie van inname van een 30 medicijn volgens de medicatie, de toedieningsvorm van het medicijn, de 12 sterkte van het medicijn, het gebruik van het medicijn (bijvoorbeeld de periode van inname van het medicijn), de herkomst van het medicijn (leverancier), het merk van het medicijn, informatie over een houdbaarheidsperiode van het medicijn, en/of een identiteit van een persoon 5 zoals een dokter of apotheker, zorginstelling, apotheek en/of ziekenhuis die de medicatie heeft voorgeschreven. Onder medicatie wordt hier verstaan een voorgeschreven medicijn tezamen met een gewenste wijze van toediening van het medicijn zoals een frequentie van inname, een wijze van innamen, een periode van inname etc.
10 Volgens een zeer geavanceerde uitvoeringsvorm van de werkwijze geldt dat het computersysteem een waarschuwing genereert voor de patiënt wanneer na het invoeren van nieuwe informatie over een gebruikte medicatie in stap a. uit de eerste database blijkt dat de nieuwe informatie niet samengaat met informatie uit de eerste database over het gebruik van 15 een medicatie die de patiënt al gebruikt.
In het hiervoor gaande is er vanuit gegaan dat de patiënt reeds toegang heeft tot zijn informatie in de eerste database. Het initiatief voor het opslaan van informatie van de patiënt in de eerste database en het verschaffen van toegang tot de eerste database aan de patiënt kan 20 bijvoorbeeld liggen bij een eerste entiteit. Bij voorkeur geldt dan dat de eerste database in een stap c. initieel wordt gevuld met informatie van de patiënt door een eerste entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling waarna de eerste entiteit toegang verschaft aan de patiënt tot zijn informatie in de eerste database. Ook is het 25 mogelijk dat de patiënt als eerste het initiatief toont om informatie over de patiënt op te slaan in de eerste database. In dat geval wordt de eerste database in een initiële stap c. als eerste gevuld door de patiënt. Het door de eerste entiteit en/of de patiënt initieel vullen van de database met informatie van de patiënt kan ook slechts het vullen van de database met 30 informatie over de identiteit van de patiënt omvatten. Informatie over het 13 gebruik van medicijnen en/of andere informatie over de patiënt kan dan later, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, worden ingevoerd bij de eerste database door de eerste entiteit en/of de patiënt. Het toegang verschaffen door de eerste entiteit aan de patiënt kan gebeuren wanneer de 5 patiënt heeft aangegeven dat hij hiervoor belangstelling heeft. Heeft de patiënt geen belangstelling dan kan de eerste entiteit de eerste database zelf gebruiken en wordt geen toegang verschaft tot de eerste database aan de patiënt. In het bijzonder wordt de eerste database in een stap d. door de eerste entiteit gevuld met informatie over de identiteit van de patiënt.
10 Vervolgens kan in een stap e. door de eerste entiteit en/of door de patiënt informatie over het gebruik van de persoonlijke medicatie, gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt, in de eerste database wordt opgeslagen. Ook kan in de stap e. andere informatie over de patiënt worden opgeslagen die gekoppeld is aan de identiteit van de patiënt. Deze andere 15 informatie kan bijvoorbeeld resultaten van onderzoeken die bijvoorbeeld door de eerste entiteit bij de patiënt zijn uitgevoerd, omvatten zoals röntgenfoto’s MRI-scans, CT-scans en labuitslagen. Indien de eerste entiteit de patiënt toegang heeft verschaft tot de eerste database kan de patiënt vanaf dat moment zijn informatie in de eerste database inzien. Wanneer de 20 patiënt zelf geen toegang heeft tot de eerste database kan de patiënt wanneer deze zich bij de eerste entiteit bevindt de eerste database inzien. Dan kan de eerste entiteit samen met de patiënt de database inzien en in overleg met de patiënt de informatie van de patiënt in de eerste database aanvullen en/of aanpassen. Wanneer bijvoorbeeld de patiënt aangeeft 25 bepaalde medicijnen te gebruiken of niet meer te gebruiken, kan de eerste database dienovereenkomstig worden aangepast.
In het bijzonder wordt in stap e. door de eerste entiteit gebruik gemaakt van de standaard informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database. Bij voorkeur wordt hierbij in stap e.
30 informatie over het gebruik van een medicatie door de patiënt volgens 14 standaardinformatie uit de tweede database over de in te voeren medicatie, in de eerste database wordt opgeslagen.
De patiënt kan desgewenst besluiten aan een tweede entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling 5 toegang te verschaffen tot zijn informatie in de eerste database. Hierbij krijgt bij voorkeur de tweede identiteit geen toegang tot de volledige eerste database, maar slechts toegang tot dat deel van de eerste database dat informatie bevat over de betreffende patiënt. In het bijzonder kan, na het toegang verschaffen aan de tweede entiteit tot de eerste database, 10 informatie over de patiënt uit de eerste database per e-mail of soortgelijk bericht aan de tweede entiteit wordt verstuurd en/of wordt de tweede entiteit de gelegenheid geboden om informatie van de patiënt uit de eerste database te verkrijgen of te raadplegen, bijvoorbeeld door downloaden, printen of lezen vanaf een display. Bij voorkeur wordt aan de tweede entiteit 15 alleen toegang verschaft tot informatie van de patiënt die in de eerste database is opgeslagen wanneer de patiënt aan de tweede identiteit toegang heeft verschaft waarbij in het bijzonder de patiënt ook aangeeft tot welke informatie de patiënt toegang verschaft aan de betreffende tweede entiteit. De patiënt kan de tweede entiteit bijvoorbeeld voor onbepaalde tijd toegang 20 verschaffen, voor bepaalde tijd toegang verschaffen of eenmalig toegang verschaffen tot informatie van de patiënt die in de eerste database is opgeslagen. In uitzonderlijke omstandigheden kan de tweede entiteit toch toegang verkrijgen tot informatie van de patiënt in de eerste database, ook wanneer de tweede entiteit hiervoor geen toestemming heeft gekregen van 25 de patiënt. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de patiënt in levensgevaar is en niet in staat is toegang te verschaffen aan de tweede entiteit. In dat geval wordt echter bij voorkeur het feit dat de tweede entiteit informatie over de patiënt in de eerste database heeft geraadpleegd opgeslagen in bijvoorbeeld de eerste database 30 zodat later kan worden geverifieerd dat de tweede entiteit geen misbruik 15 heeft gemaakt van de verkregen toegang. Ook kan de patiënt de toegang die hij heeft verschaft aan de tweede entiteit weer intrekken. De patiënt is en blijft dan heer en meester over de informatie die over hem in de eerste database is opgeslagen.
5 Bij voorkeur geldt dat de tweede database gevuld is met informatie over medicijnen volgens de G-standaard. De patiënt gebruikt dan in stap a. deze gestandaardiseerde informatie voor het vullen van de eerste database met informatie over zijn gebruik van medicijnen (medicaties).
Een doel van het systeem en de werkwijze volgens de uitvinding is 10 dus het bewerkstelligen dat iedere zorgverlener (één van de genoemde entiteiten) uit het netwerk van de patiënt over dezelfde informatie beschikt 24/7/365; uiteraard alleen met toestemming van de patiënt. Die toestemming kan machtiging betekenen op verschillende niveaus en is continu te veranderen door de patiënt. Alles wordt gelogd met inzage voor 15 de patiënt.
Voor de patiënt is het voordeel dat er dan zo min mogelijk misverstanden ontstaan over de behandeling en de mogelijkheid het eigen gebruik te toetsen, informatie gericht op te zoeken, en daarover gericht te communiceren (b.v. met voorkeurszorgverlener).
20 In een bijzondere uitvoeringsvorm van het systeem en de werkwijze volgens de uitvinding kan dit als volgt verlopen:
In het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A wordt een afspraak gepland met zorginstelling B (een van de genoemde entiteiten). Die afspraak komt tot stand doordat het medicatiedossier van patiënt A, dat wil 25 zeggen de bijzondere uitvoeringsvorm van het systeem volgens de uitvinding dat de eerste database omvat, op instructie van de patiënt A aan het planningssysteem van zorginstelling B of aan iemand van zorginstelling B (uit de lijst van zorginstellingen waarmee patiënt A zaken doet) gevraagd heeft om een afspraak. Het systeem volgens de uitvinding is hiertoe dus 30 communicatief verbonden met het planningssysteem van de zorginstelling 16 B. Het planningssysteem van de zorginstelling of iemand van de zorginstelling zelf stuurt een datum/tijd terug aan het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A. Na ontvangst door patiënt A, via het systeem volgens de uitvinding, van het datum/tijdsvoorstel van 5 zorginstelling B accepteert patiënt A via het systeem volgens de uitvinding bij het planningssysteem van de zorginstelling B, of bij iemand van zorginstelling B, de afspraak en staat de afspraak in het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A. Indien de patiënt A dit bij zijn persoonlijk medicatiedossier accepteert, stuurt zijn persoonlijk medicatiedossier de 10 geplande afspraak ter bevestiging retour naar zorginstelling B en in het bijzonder door naar Google agenda of Outlook van patiënt A. De afspraak kan echter ook op verzoek van zorginstelling B tot stand komen doordat zorginstelling B aan het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A gevraagd heeft of patiënt A wil komen voor een bezoek aan de zorginstelling. 15 Patiënt A start dan de cyclus als hierboven.
In het bijzonder stuurt voor de afspraak (ingesteld/default) het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A automatisch een verzoek om informatie naar het systeem van zorginstelling B. Bij dat verzoek kan een eenmalige toestemming meegestuurd worden voor zorginstelling B om bij 20 andere zorginstellingen (andere entiteiten) eenmalig via het Landelijk Schakel Punt informatie over patiënt A op te vragen. Afhankelijk van de toestemming kan het systeem van zorginstelling B de beschikbare dan wel verzamelde informatie naar het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A sturen. Het persoonlijk medicatiedossier ontvangt de informatie en, bij 25 voorkeur, matched automatisch die ontvangen informatie met de informatie uit het “actueel” overzicht van patiënt A in de eerste database. Eventuele verschillen leveren een vraag op aan patiënt A die door het systeem dat de eerste database omvat wordt gegenereerd en in het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A wordt op geslagen. Patiënt A lost die vraag 30 op of niet. Indien “niet” dan komt de vraag in het overzicht met 17 bespreekpunten van patiënt A te staan in zijn persoonlijk medicatiedossier. Bij het bezoek aan zorginstelling B kan patiënt A die punten doornemen met de zorgverlener B. Bijvoorbeeld wordt verder het dan bestaande overzicht door patiënt A geaccordeerd en als definitief overzicht voor 5 eenmalig gebruik door zorginstelling B naar het systeem van zorgverlener B gestuurd alsmede wordt dit toegevoegd aan het persoonlijk medicatiedossier van Patiënt A. Het consult / de behandeling kan beginnen.
In het bijzonder creëert zorginstelling B na de behandeling of aan het einde van het consult, een elektronisch recept met behandelplan voor 10 patiënt A en stuurt dat recept en behandelplan via het systeem volgens de uitvinding naar het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A. In het bijzonder kan daarna patiënt A een apotheek C selecteren waar het recept naar toegestuurd wordt (patiënt A kan het recept niet wijzigen). Met het recept gaat bij voorkeur een actueel medicatieoverzicht mee en eventueel 15 een eenmalige toestemming om bij andere zorgverleners (entiteiten) informatie op te halen. Het recept wordt na verzending naar apotheek C, toegevoegd in het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A aan de lijst “voorgestelde medicijnen van patiënt A” en het recept zelf is gewist uit het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A na het versturen naar apotheek 20 C. Apotheek C levert/stuurt de medicijnen naar patiënt A en bij voorkeur een bericht van levering naar het persoonlijk medicatiedossier van patiënt A. Patiënt A start na ontvangst van de medicijnen het gebruik daarvan fysiek en vult het echte gebruik in bij zijn persoonlijk medicatiedossier, waarbij de status van het medicijn verandert in “actueel” met een echt 25 gebruik.
Over het ophalen van andere informatie bij andere zorginstellingen zoals hierboven besproken kan nog het volgende worden opgemerkt. In principe kan apotheek C geen verschillen vinden indien zorginstelling B ook al een search heeft gedaan. Maar stel dat patiënt A in de tussentijd 30 drogistenmedicijnen of internetmedicijnen is gaan gebruiken, dan kan er 18 een verschil optreden tussen wat patiënt A en zorginstelling B geaccordeerd hebben en apotheek C vindt. Bij voorkeur stuurt daarom apotheek C een overzicht van de gebruikte medicijnen naar het persoonhjk medicatiedossier van patiënt A. Het systeem volgens de uitvinding vergelijkt dan bij voorkeur 5 deze ontvangen informatie met de actuele informatie zoals deze in het persoonlijk medicatiedossier van patiënt Ais opgeslagen en genereert bij afwijkingen een vraag bij de patiënt A, en/of de zorginstelling B en/of de apotheek C. De uitvinding heeft verder betrekking op een registratiesysteem omvattende een computersysteem voor het aanmaken 10 en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier voorzien van een eerste database waarbij het computersysteem dusdanig is ingericht dat de volgende stap kan worden uitgevoerd: a door een invoerentiteit zoals een patiënt, een andere persoon en/of instelling wordt informatie over het gebruik van persoonlijke medicatie van 15 de patiënt, gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt, in de eerste database opgeslagen, met het kenmerk, dat het registratiesysteem verder is voorzien van een kassasysteem waarbij het registratiesysteem is ingericht om het kassasysteem communicatief met het computersysteem te verbinden, waarbij het registratiesysteem is ingericht om, in gebruik, met 20 behulp van het registratiesysteem de volgende werkwijze stappen te kunnen uitvoeren: xl: het aanslaan van tenminste een medicijn dat door een klant wordt gekocht bij het kassasysteem waarbij het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen; 25 x2: het door het kassasysteem op automatische wijze doorgeven van informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen medicijn aan het computersysteem; x3: het door het registratiesysteem genereren van een code die door het registratiesysteem wordt geassocieerd met de informatie over het 30 aangeslagen tenminste ene medicijn; 19 x4: het door het kassasysteem verschaffen van de gegenereerde code aan de klant; x5: het invoeren van de code die van het kassasysteem in stap x4 is ontvangen in het computersysteem door een invoerentiteit zoals de klant of 5 de patiënt; x6: het door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code aan een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x5 verschaffen van informatie over het bij het kassasysteem aangeslagen tenminste ene medicijn; 10 x7: het door een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem selecteren van tenminste een identiteit van een patiënt en het tenminste ene medicijn indien deze door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt, waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de geselecteerde 15 identiteit van de tenminste ene patiënt in de eerste database opslaat.
Verder geldt nog het volgende:
Overal waar “patiënt A” staat kan een gemachtigde met het juiste niveau van machtiging de acties van patiënt A ondernemen.
Hieromheen kunnen allerlei diensten ontwikkeld worden op het gebied van 20 communicatie tussen patiënt A en/of zorginstelling B en/of apotheek C en/of andere entiteiten zoals reminderservices, skype contacten, en dergelijke.
De uitvinding zal thans nader worden toegelicht aan de hand van de tekening.
Hierin toont: 25 Figuur 1 een computersysteem volgens de uitvinding voor het uitvoeren van een werkwijze volgens de uitvinding;
Figuur 2 een eerste invulscherm voor het uitvoeren van een stap a. van een mogelijke werkwijze volgens de uitvinding;
Figuur 3 een tweede invulscherm voor het uitvoeren van stap a.
30 van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze; 20
Figuur 4 een derde invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 5 een vierde invulscherm voor het uitvoeren van een stap a. van een mogelijke werkwijze volgens de uitvinding; 5 Figuur 6 een vijfde invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 7 een zesde invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze
Figuur 8 een scherm met door een patiënt ingevoerde informatie 10 over het gebruik van een bepaalde medicatie;
Figuur 9 een zevende invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 10 een achtste invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze; 15 Figuur 11 een negende invulscherm voor het uitvoeren van een stap a. van een mogelijke werkwijze volgens de uitvinding;
Figuur 12 een tiende invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 13 een elfde invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van 20 een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 14 een twaalfde invulscherm voor het uitvoeren van een stap a. van een mogelijke werkwijze volgens de uitvinding;
Figuur 15 een dertiende invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze; 25 Figuur 16 een veertiende invulscherm voor het uitvoeren van stap a. van een mogelijke uitvoeringsvorm van de werkwijze;
Figuur 17 een opgewaardeerd scherm overzicht;, tevens invul scherm voor nieuwe medicatie;
Figuur 18 een invulscherm voor afdrukken van informatie; 30 Figuur 19 een invulscherm voor afdrukken van informatie; 21
Figuur 20 een mogelijke uitdraai door een patiënt over het gebruik van zijn medicaties;
Figuur 21 een invulscherm voor afdrukken van informatie
Figuur 22 een met het computersysteem gegenereerde mogelijke 5 brief aan een huisarts op basis van informatie uit de eerste database;
Figuur 23 een invulscherm voor het afdrukken van informatie;
Figuur 24 een mogelijke brief aan een apotheker op basis van informatie uit de eerste database;
Figuur 25, 26A, 26B, 27A, 27B, 27C, 28-37, 38A, 38B, 39-43 invul-10 en informatie-afbeeldingsschermen van een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding;
Figuur 44 een kassabon met daarop een code;
Figuur 45 een invulscherm;
Figuur 46 een invulscherm 15 Figuur 47 een invulscherm; en
Figuur 48 een invulscherm.
In figuur 1 is met referentienummer 1 een computersysteem aangeduid volgens de uitvinding voor het uitvoeren van een werkwijze volgens de uitvinding. Het computersysteem is in dit voorbeeld voorzien van 20 een computer 2 van een patiënt die bijvoorbeeld thuis staat op gesteld. Voorts is het computersysteem voorzien van een eerste server 4 en een tweede server 6. De computer 2 en de eerste server 4 zijn in dit voorbeeld via internet 8 met elkaar verbonden. Eveneens zijn in dit voorbeeld de eerste server 4 en de tweede server 6 via internet 8 met elkaar verbonden.
25 Op de eerste server 4 is in dit voorbeeld een eerste database opgeslagen waarin door een patiënt informatie over het gebruik van zijn persoonlijke medicatie gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt is opgeslagen. Deze eerste database is aangeduid met referentienummer 10. Voorts is in de tweede server 6 een tweede database 30 12 opgeslagen waarin standaard informatie van bekende medicaties is 22 opgeslagen. In dit voorbeeld is de tweede database gevuld met informatie over medicaties volgens de G-standaard.
Een patiënt kan via zijn computer 2 informatie over het gebruik van zijn persoonlijke medicatie gekoppeld aan informatie over zijn identiteit 5 opslaan. De eerste database omvat aldus een persoonlijk medicatiedossier voor de betreffende patiënt. Eén en ander wordt uitgelegd aan de hand van een voorbeeld waarbij de patiënt 14 informatie over medicatie die hij gebruikt, wil opslaan in zijn persoonlijke medicatiedossier. Dit gaat als volgt. Allereerst benadert de patiënt 14 met behulp van zijn computer 2 de 10 database 10. Hij kan dit bijvoorbeeld doen door zijn voor- en achternaam in te geven. De server 1 zal dan bijvoorbeeld een password vragen aan de gebruiker 14. De gebruiker 14 ziet dan op zijn computer 2 de vraag afgebeeld: “voer uw password in”. Vervolgens voert de patiënt 14 via de computer 2 het password in, welk password via de internetverbinding 8 aan 15 de eerste server 4 wordt toegevoerd. De eerste server 4 controleert aan de hand van informatie in de database 10 of het password correct is. Wanneer het password correct is, krijgt de patiënt toegang tot zijn persoonlijk medicatiedossier dat in de eerste database 10 is opgeslagen. De patiënt krijgt dan bijvoorbeeld een scherm te zien met persoonlijke informatie zoals 20 naam en adres. Indien een patiënt een nieuwe medicatie wil invoeren, kan hij op zijn scherm het tabblad “medicatie” aanklikken waarna hem een scherm volgens figuur 2 wordt getoond. Het scherm toont informatie over reeds eerder door de patiënt ingevoerde medicaties. De patiënt bekrachtigt vervolgens een knop “medicatie toevoegen” met bijvoorbeeld zijn muis.
25 Hierna krijgt hij het scherm zoals getoond in figuur 3 te zien. In het scherm kan de patiënt bij “kenmerk van de medicatie” een trefwoord van de betreffende medicatie invoeren. In dit voorbeeld vult hij als trefwoord Ibuprofen in. Vervolgens klikt hij op de knop “zoek naar medicatie”. Daarna verschijnt op zijn scherm het beeld volgens figuur 4 dat in dit voorbeeld door 30 de eerste server aan de hand van informatie uit de tweede database 12 23 wordt gegenereerd. Het gaat hier dus om gestandaardiseerde informatie. De eerste server heeft hiertoe als zoekopdracht Ibuprofen via internet aan de tweede server toegevoerd. De tweede server 6 zoekt in de tweede database 12 hits die betrekking hebben op Ibuprofen. De informatie over deze hits 5 wordt door de tweede server aan de eerste server toegezonden. De eerste server maakt op basis van deze informatie het scherm volgens figuur 4 aan dat bij het op de computer 2 van de patiënt wordt getoond. Hier ziet de patiënt dat er sprake kan zijn van twee typen Ibuprofen, namelijk Dexibuprofen en Ibuprofen. Hierbij wordt tevens aangeduid dat Ibuprofen 10 ook bekend staat onder de naam Antigrippine Ibuprofen. In dit voorbeeld selecteert de gebruiker met zijn muis de knop “kiezen” die behoort bij Ibuprofen. Op basis van de informatie uit de tweede database genereert de eerste server vervolgens een nieuw invulscherm volgens figuur 5 op de computer 2 van de patiënt. Hieruit blijkt dat de patiënt moet kiezen uit de 15 vorm waarin de medicatie wordt toegediend (zoals smelttablet, Capsule, zacht, etc.). In dit voorbeeld kiest de patiënt voor Capsule, zacht. Hierna wordt het invulscherm volgens figuur 6 gegenereerd. Hier moet worden gekozen voor de sterkte van de medicatie Ibuprofen. Hij kan kiezen tussen 200 mg. en 400 mg. In dit voorbeeld kiest de patiënt voor 200 mg. door de 20 betreffende knop die bij 200 mg hoort te bekrachtigen. Op basis van de informatie uit de tweede database, genereert de eerste server vervolgens het scherm zoals getoond in figuur 7 op de computer 2 van de patiënt. Nu moet de patiënt de leverancier kiezen indien hij dit weet. Weet hij dit niet dan kan hij kiezen voor: ”ik kan niet kiezen”. In dit voorbeeld kiest hij voor de 25 leverancier ‘’RECKITT BENCKISER HEALTHCARE B.V.”. Hierna genereert de eerste server het scherm volgens figuur 8 met informatie over de gekozen medicatie. De patiënt kan nu stoppen met invoeren indien hij dit wil. In de eerste database is informatie over het gebruik van de medicatie Ibuprofen, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt 14, opgeslagen. De 30 patiënt kan echter ook nog informatie toevoegen over het gebruik van het 24 betreffende medicament. Hij bekrachtigt hiertoe de tekst “aan te geven” in het scherm van figuur 8. Dan verschijnt het scherm volgens figuur 9 waarbij de patiënt de begindatum kan invoeren en kan aangeven of dit wel of niet een schatting is. Hij kan de ingevoerde informatie vervolgens bevestigen 5 door de knop "bevestigen” te bekrachtigen. Dan verschijnt het scherm volgens figuur 10 waarbij, indien dit bekend is, de einddatum van de gebruiksperiode kan worden ingevoerd. In dit voorbeeld wordt als datum 2010-02-18 ingevoerd. Ook kan weer worden aangegeven of dit ja of nee een schatting is. Na het invoeren van deze informatie kan de knop “einddatum 10 ingevoerd” worden bekrachtigd. Indien de einddatum nog niet bekend zou zijn, zou in plaats hiervan de knop “nog geen einddatum” kunnen worden bekrachtigd. Indien het gaat om een eenmalig medicijngebruik kan de knop eenmalig gebruik op 18-01-2010” worden bekrachtigd. Na het bekrachtigen van één van de drie knoppen, genereert de server 1 het invulscherm volgens 15 figuur 11. Hierbij kan de patiënt aangeven of het gaat om een medicatiegebruik uitsluitend op van tevoren vastgestelde tijdstippen danwel een medicatiegebruik wanneer hij dit nodig heeft, maar niet op van te voren bepaalde tijdstippen dan wel een medicatiegebruik wanneer hij dit nodig heeft en op vooraf bepaalde tijdstippen. In dit voorbeeld wordt gekozen voor 20 een medicatiegebruik volgens vastgestelde tijdstippen. Hierna verschijnt het invulscherm volgens figuur 12. Hier moet de patiënt aangeven hoe het medicatiegebruik zich herhaalt. Hij kan kiezen tussen: “wat deze medicatie betreft is elke dag hetzelfde”, “wat deze medicatie betreft is elke week hetzelfde”, “mijn gebruik per dag en week verschilt, maar elke maand ziet er 25 hetzelfde uit qua gebruik van de medicatie” of “het gebruik valt niet in bovenstaande categorieën”. In dit voorbeeld bekrachtigt de patiënt de knop die behoort bij “wat deze medicatie betreft is elke dag hetzelfde”. Hierna verschijnt het invulscherm volgens figuur 13. Hier moet worden aangegeven hoe de medicatie per dag wordt gebruikt. In dit voorbeeld vult de patiënt in 30 dat hij twee stuks ‘s middags gebruikt. Na het invullen van het getal 2 25 bevestigt hij dit door de knop “bevestigen” te bekrachtigen. Hierna verschijnt het invulscherm volgens figuur 14. Hier kan de patiënt de voorschrijver invoeren indien van toepassing. In de laatste keuzemogelijkheid wordt reeds de mogelijkheid aangegeven dat de 5 medicatie is voorgeschreven door de huisarts die in de eerste database is vermeld als zijnde geassocieerd met de betreffende patiënt. In dit voorbeeld kiest de patiënt voor de laatste mogelijkheid, namelijk dat de medicatie is voorgeschreven door dr Maatbeker van de praktijk Maakbeter te Rotterdam. In dit voorbeeld is reeds eerder in de eerste database op geslagen door de 10 betreffende patiënt wie zijn huisarts en apotheker zijn. De patiënt kan ook kiezen voor de mogelijkheid “nee, deze medicatie is mij door niemand voor geschreven”, “nee, deze medicatie is mij wel voorgeschreven maar niet door iemand uit onderstaande lijst”, of “mijn voorschrijver staat er nog niet bij, ik wil de voorschrijver toevoegen aan de lijst”. Nadat de patiënt voor de 15 laatste mogelijkheid heeft gekozen, verschijnt het invulscherm volgens figuur 15. Hier kan de patiënt, in dien van toepassing, de apotheek invoeren waar hij het betreffende medicament heeft gehaald. Hij kan kiezen tussen de mogelijkheden: “nee, deze medicatie heb ik niet via een apotheek verkregen”, “nee, ik heb de medicatie wel via een apotheek verkregen, maar 20 niet via een apotheek uit de onderstaande lijst”, “mijn apotheek staat er nog niet bij, ik wil de apotheek toevoegen aan de lijst”, of “ja, de medicatie heb ik verkregen via Pieter de Pil uit Rotterdam”.
In dit voorbeeld kiest de patiënt voor de laatste mogelijkheid. Hierna verschijnt het invulscherm volgens figuur 16 waarin nog meer 25 informatie over het medicatiegebruik wordt gevraagd. De patiënt kan kiezen tussen “ik heb inderdaad een herhaalrecept voor deze medicatie”of “ik heb geen herhaalrecept voor deze medicatie”. In dit geval kiest de patiënt voor de laatste mogelijkheid. Hierna verschijnt het overzicht volgens figuur 17 dat overeenkomt met het overzicht volgens figuur 2 met dit 30 verschil dat het gebruik van Ibuprofen is toegevoegd.
26
Alle informatie die hiervoor zijn besproken en ingevoerd aan de hand van de figuren 3-17 zijn nu toegevoegd in het persoonlijk medicatiedossier van de patiënt 14. Opgemerkt wordt dat de patiënt desgewenst ook nog andere informatie kan invoeren. Het scherm van figuur 5 2 zou bijvoorbeeld ook nog een knop ‘andere informatie’ kunnen omvatten.
Wanneer deze knop wordt bekrachtigd wordt bijvoorbeeld vervolgens een invulscherm met een vrij invulveld getoond waar deze andere informatie kan worden ingebracht. Dit kan worden uitgevoerd door de patiënt door in het veld te typen. Ook kunnen op bekende wijze bestanden (word 10 documenten, scans, foto’s e.d.) die deze andere informatie omvatten door de patiënt in het vrije veld wordt gesleept zodat deze bestanden in de eerste database worden opgeslagen. Deze andere informatie wordt wederom, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, opgeslagen. De andere informatie over de patiënt kan bijvoorbeeld resultaten van onderzoeken die 15 bijvoorbeeld door de eerste entiteit bij de patiënt zijn uitgevoerd, omvatten, zoals röntgenfoto’s MRI-scans, CT-scans en labuitslagen.
Uit figuur 17 blijkt voorts dat de betreffende patiënt reeds Dexibuprofen, Dyclophenac en Paracetamol gebruikt of heeft gebruikt. Nadere informatie (zoals gebruik heden of verleden, door wie 20 voorgeschreven e.d.) kan per medicatie worden verkregen en op het scherm van de computer 2 (PC, laptop, Ipad, etc.) worden getoond door op de betreffende medicatie te klikken. Vervolgens kan een patiënt, indien hij dit wenst, de knop “meer medicatie toevoegen” bekrachtigen wanneer hij een nieuw gebruik van een medicatie wil toevoegen. Een voordeel is dat in het in 25 figuur 6 getoonde medicatiedossier de informatie over het gebruik van de medicaties door de patiënt op correcte en eenduidige wijze is getoond en opgeslagen in de eerste database omdat de betreffende informatie met behulp van de G-standaard is aangemaakt.
Volgens de uitvinding geldt dus dat in een stap a. gebruik wordt 30 gemaakt van een eerste database van het computersysteem waarin door een 27 patiënt informatie over het gebruik van zijn persoonlijke medicatie gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt, wordt opgeslagen. Het systeem maakt gebruik van een tweede database van het computersysteem waarin standaard informatie van bekende medicatie is 5 opgeslagen waarbij in stap a. de patiënt gebruik maakt van informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database met standaard informatie van een medicatie.
Tevens is gebleken dat bij het invoeren van de informatie over het gebruik van de medicatie door de patiënt, het computersysteem aan de hand 10 van een door de patiënt bij het computersysteem ingevoerd trefwoord een bjst met mogelijke medicaties genereert en toont aan de patiënt waarna de patiënt uit de lijst een medicatie kiest die overeenkomt met de medicatie die hij gebruikt waarna de geselecteerde informatie over de medicatie gekoppeld aan de identiteit van de patiënt in de eerste database wordt 15 opgeslagen. De patiënt kan bij het invoeren van een door hem gebruikte medicatie ook informatie invoeren over de frequentie van de inname van een medicijn van de medicatie, de vorm van het medicijn, de sterkte van het medicijn, het gebruik van het medicijn (bijvoorbeeld de periode van inname van het medicijn), de herkomst van het medicijn, het merk van het medicijn, 20 informatie over de houdbaarheidsperiode van het medicijn (bijvoorbeeld niet gebruiken na 1 januari 2015), en/of een identiteit van een persoon zoals een dokter of apotheker, zorginstelling, apotheek en/of ziekenhuis die de medicatie heeft voorgeschreven en/of afgeleverd.
Het computersysteem is in dit voorbeeld dusdanig ingericht dat deze een 25 waarschuwing genereert voor de patiënt wanneer na het invoeren van nieuwe informatie over een gebruik van een medicatie in stap a. uit de eerste database blijkt dat de nieuwe informatie niet samengaat met de informatie uit de eerste database over het gebruik van een medicatie die de patiënt al gebruikt. In feite wordt deze actie uitgevoerd door de eerste 30 server. De eerste server weet welke medicaties reeds door de patiënt worden 28 gebruikt en raadpleegt bijvoorbeeld de tweede server of de nieuw in te voeren medicatie mogelijk een probleem geeft (een probleem zoals contra-indicatie) met de medicaties die reeds door de patiënt worden gebruikt.. De informatie over het niet samengaan van het gebruik van verschillende 5 medicaties kan dus door de eerste server bijvoorbeeld worden verkregen uit de tweede database van de tweede server.
In het hiervoor gaande is er vanuit gegaan dat de patiënt reeds toegang heeft tot de eerste database. Het initiatief voor het opslaan van informatie van de patiënt in de eerste database en het verschaffen van 10 toegang tot de eerste database aan de patiënt kan bijvoorbeeld liggen bij een eerste entiteit. Bij voorkeur geldt dan dat de eerste database in een stap c. initieel wordt gevuld met informatie van de patiënt door een eerste entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling waarna de eerste entiteit toegang verschaft aan de patiënt tot 15 zijn informatie in de eerste database. De eerste entiteit benadert de patiënt, bijvoorbeeld via een brief, mail of persoonlijk gesprek en vraagt of de patiënt belangstelling heeft om toegang te verkrijgen tot zijn informatie in de eerste database. Indien de patiënt aangeeft hiervoor belangstelling te hebben wordt door de eerste entiteit aan de patiënt toegang verschaft tot zijn 20 informatie in de eerste database (bijvoorbeeld middels het verschaffen van een toegangscode om via internet de eerste database te benaderen. Vanaf dat moment kan de patiënt de eerste database benaderen om deze te raadplegen en/of om informatie over zijn gebruik van medicijnen in te voeren zoals hiervoor is besproken.
25 Het toegang verschaffen kan gebeuren wanneer de patiënt heeft aangegeven dat hij hiervoor belangstelling heeft, bijvoorbeeld door middel van een brief, mail of in een persoonlijk gesprek bij de eerste entiteit. Heeft de patiënt geen belangstelling dan kan de eerste entiteit de eerste database zelf gebruiken en wordt geen toegang versschaft aan de patiënt. In het 30 bijzonder wordt de eerste database nadat deze is aangemaakt in een stap d.
29 door de eerste entiteit gevuld met informatie over de identiteit van de patiënt. Vervolgens kan in een stap e. door de eerste entiteit informatie over het gebruik van de persoonlijke medicatie, gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt, in de eerste database wordt opgeslagen.
5 Op gemerkt wordt dat de eerste entiteit desgewenst ook nog andere informatie kan invoeren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gebruik gemaakt van een invulscherm met een vrij invulveld waar deze andere informatie kan worden ingebracht. Dit kan worden uitgevoerd door de eerste entiteit door in het veld te typen. Ook kunnen op bekende wijze bestanden (word 10 documenten, scans, foto’s e.d.) die deze andere informatie omvatten door de eerste entiteit in het vrije veld worden gesleept zodat deze bestanden in de eerste database worden opgeslagen. Deze andere informatie wordt wederom, gekoppeld aan de identiteit van de patiënt, opgeslagen. De andere informatie over de patiënt kan bijvoorbeeld resultaten van onderzoeken die 15 bijvoorbeeld door de eerste entiteit bij de patiënt zijn uitgevoerd omvatten, zoals röntgenfoto’s MRI-scans, CT-scans en labuitslagen. Inchen de eerste entiteit de patiënt toegang heeft verschaft tot de eerste database kan de patiënt vanaf dat moment de database inzien. Wanneer de patiënt geen toegang heeft tot de eerste database kan de patiënt wanneer deze zich bij de 20 eerste entiteit bevindt de eerste database inzien en kan de eerste entiteit de database voor uitsluitend eigengebruik inzetten. Ook kan de eerste entiteit eventueel in aanwezigheid van de patiënt de database inzien en deze in overleg met de patiënt aanvullen en aanpassen of alleen maar inzien. Wanneer de patiënt aangeeft bepaalde medicijnen te gebruiken of niet meer 25 te gebruiken kan de eerste database bijvoorbeeld dienovereenkomstig worden aangepast,
In het bijzonder wordt in stap e. door de eerste entiteit gebruik gemaakt van de standaard informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database. Bij voorkeur wordt hierbij in stap e.
30 informatie over het gebruik van een medicatie door de patiënt volgens 30 standaardinformatie uit de tweede database over de in te voeren medicatie, in de eerste database wordt opgeslagen. Bij voorkeur geldt dat in stap e. bij het invoeren van de informatie over het gebruik van de medicatie door eerste entiteit, het computersysteem aan de hand van een door de eerste 5 entiteit bij het computersysteem ingevoerd trefwoord een lijst met informatie over mogelijke medicaties genereert en toont aan de eerste entiteit, waarna de eerste entiteit uit de lijst een medicatie kiest die overeenkomt met de medicatie die hij gebruikt waarna de geselecteerde informatie over de medicatie gekoppeld aan de identiteit van de patiënt in 10 de vorm van standaard informatie in de eerste database wordt opgeslagen. In het bijzonder geldt voorts dat de eerste entiteit in stap e. van een medicatie die de patiënt gebruikt of gebruikt heeft ook informatie invoert over de frequentie van inname van een medicijn van de medicatie, de toedieningsvorm van het medicijn, de sterkte van het medicijn, het gebruik 15 van het medicijn (bijvoorbeeld de periode van inname van het medicijn), de herkomst van het medicijn (leverancier), het merk van het medicijn, informatie over een houdbaarheidsperiode van een medicijn, en/of een identiteit van een persoon zoals een dokter of apotheker, zorginstelling, apotheek en/of ziekenhuis die de medicatie heeft voor geschreven.
20 De patiënt kan desgewenst besluiten aan een tweede entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling toegang te verschaffen tot de eerste database waarbij in het bijzonder de patiënt ook aangeeft tot welke informatie de patiënt toegang verschaft aan de betreffende tweede entiteit. In het bijzonder kan na het toegang 25 verschaffen aan de tweede entiteit tot de eerste database informatie uit de eerste database per e-mail of soortgelijke bericht aan de tweede entiteit wordt verstuurd en/of wordt de tweede entiteit de gelegenheid geboden om informatie uit de eerste database te verkrijgen of raadplegen, bijvoorbeeld door downloaden, printen of lezen vanaf een display.
31
De patiënt kan dus nog, indien hij dit wenst, via zijn computer 2 aan de eerste server laten weten dat hij toegang verschaft tot het deel van de eerste database dat betrekking heeft op zijn persoon aan bijvoorbeeld een tweede entiteit zoals een arts en/of een apotheek en/of een apotheker en/of 5 ziekenhuis en/of zorginstelling. Dit kan op bekende wijze worden gerealiseerd doordat de gebruiker zijn informatie beschermd met een password welke hij vooraf aan bijvoorbeeld de huisarts, geeft. De huisarts kan dan via zijn computer 16 de eerste server 4 benaderen (bijvoorbeeld via internet), de identiteit van de patiënt invoeren, alsmede het betreffende 10 password, waarna het medicatiedossier van de betreffende patiënt voor de computer 16 toegankelijk wordt. Het betreffende password kan een arts bijvoorbeeld eenmalig toegang verschaffen tot informatie van de patiënt, voor een bepaalde tijd toegang verschaffen tot informatie van de patiënt of voor onbepaalde tijd toegang verschaffen tot informatie van de patiënt.
15 Hierbij kan de patiënt ook aangeven per entiteit tot welke informatie hij toegang verschaft. Zo kan hij besluiten aan een bepaalde tweede entiteit alleen toegang te verschaffen tot informatie over medicaties uit een bepaalde periode, bijvoorbeeld gebruikte medicaties uit de periode 1990-2000. Hierna kan bijvoorbeeld de betreffende huisarts de gelegenheid 20 worden geboden om de betreffende informatie uit de database te downloaden. Het is echter ook mogelijk dat de patiënt bewerkstelligt dat via een e-mail of een XML-bericht, etc. informatie uit de eerste database die betrekking heeft op zijn persoonlijk medicatiedossier aan de computer 16 van bijvoorbeeld de huisarts wordt toegezonden. Ook kan aan de tweede 25 identiteit door de patiënt toegang worden verschaft om informatie over de patiënt en gekoppeld aan de identiteit van de patiënt bij de eerste database in te voeren. Deze informatie kan dezelfde informatie omvatten als die door de patiënt en/of de eerste entiteit kan worden ingevoerd in de eerste database.
32
Ook is het mogelijk dat de patiënt een identiteit (de eerste entiteit, de tweede entiteit en/of een derde entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling) verzoekt om informatie over medicaties uit de eerste database die gekoppeld zijn aan de identiteit van de 5 patiënt te controleren. Dit kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. De patiënt kan het betreffende verzoek, bijvoorbeeld invoeren bij de eerste server. Indien bij de eerste server in de eerste database informatie van bijvoorbeeld de huisarts bekend zijn, kan de eerste server vervolgens het betreffende verzoek via bijvoorbeeld internet doorsturen naar de 10 computer 14 van de huisarts. De huisarts kan dan bijvoorbeeld de informatie van de patiënt downloaden om deze te controleren en desgewenst contact opnemen met de patiënt voor overleg. Ook kan de patiënt dit verzoek rechtstreeks aan de computer 14 van de huisarts sturen, tezamen met bijvoorbeeld een password zodat vervolgens de huisarts zelf, wanneer 15 dat het hem uitkomt, de eerste server kan benaderen om de informatie van het persoonlijke medicatiedossier van de betreffende patiënt op te halen onder gebruikmaking van het betreffende password. Hierna kan de huisarts deze informatie beoordelen en kan er bijvoorbeeld telefonisch overleg plaatsvinden tussen de huisarts en de patiënt.
20 Andere manieren van toegang verschaffen zijn ook denkbaar. Stel een huisarts wenst met zijn computer 16 toegang te verkrijgen tot informatie van de betreffende patiënt die is opgeslagen in de eerste database. Indien de patiënt nog niet eerder toegang heeft verschaft aan de huisarts zal toegang aan de huisarts worden geweigerd. De patiënt kan dan de arts ook ter 25 plekke een code verschaffen waarmee de arts eenmalig toestemming krijgt om gegevens in de eerste database van de eerste patiënt te raadplegen. Ook kan de arts wanneer de patiënt bij hem is met zijn computer 16 aan de eerste database vragen een SMS met een toegangscode aan een mobiele telefoon van de patiënt te sturen. Hierbij geldt dat het mobiele 30 telefoonnummer van de patiënt bij de eerste database bekend is. Na 33 ontvangst van de SMS kan de patiënt aan de huisarts de toegangscode laten weten waarna de huisarts deze toegangscode met zijn computer 16 aan de eerste database kan toevoeren. De eerste database verschaft dan toegang tot de computer 16 wanneer de ontvangen code correspondeert met de code van 5 de SMS. Ook kan de patiënt zelf via een computer, bijvoorbeeld via de computer 16 van de arts waarbij hij aanwezig is, door invoering van een wachtwoord toegang verkrijgen tot zijn gegevens die over hem zijn opgeslagen, waaronder account gegevens. Bij toegang tot zijn patiënt account kan hij bijvoorbeeld invoeren dat de betreffende arts toegang krijgt 10 tot bepaalde of alle gegevens die van hem in de eerste database zijn opgeslagen. Deze toegang kan weer eenmalig, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd zijn.
Op welke wijze een patiënt toegang heeft verschaft aan een huisarts, of meer algemeen aan een tweede entiteit, de patiënt blijft heer en 15 meester over de informatie die over hem in de eerste database is opgeslagen. Dit blijkt in dit voorbeeld uit het volgende: Aan de tweede entiteit wordt alleen toegang verschaft tot informatie van de patiënt die in de eerste database is opgeslagen wanneer de patiënt aan de tweede identiteit toegang heeft verschaft. De patiënt kan de tweede entiteit bijvoorbeeld permanent 20 toegang verschaffen, voor bepaalde tijd toegang verschaffen, of eenmahg toegang verschaffen tot informatie van de patiënt die in de eerste database is op geslagen. In uitzon derlijke omstandigheden kan de tweede entiteit toch toegang verkrijgen tot informatie van de patiënt in de eerste database, ook wanneer de tweede entiteit hiervoor geen toestemming heeft gekregen van 25 de patiënt. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de patiënt in levensgevaar is en niet in staat is toegang te verschaffen aan de tweede entiteit. In dat geval wordt echter bij voorkeur het feit dat de tweede entiteit informatie over de patiënt in de eerste database heeft geraadpleegd opgeslagen in bijvoorbeeld de eerste database 30 zodat later kan worden geverifieerd dat de tweede entiteit geen misbruik 34 heeft gemaakt van de verkregen toegang. Ook kan de patiënt de toegang die hij heeft verschaft aan de tweede entiteit weer intrekken. De patiënt is en blijft dan heer en meester over de informatie die over hem in de eerste database is opgeslagen.
5 In dit voorbeeld zijn de informatie over de identiteit van de patiënt eveneens in de eerste database opgeslagen. De informatie over de identiteit van de patiënt kunnen behalve zijn naam, woonplaats bijvoorbeeld ook leeftijd, geslacht, bloedgroep of rhesusfactor, de naam van een huisarts en/of de naam van een apotheker omvatten. Al deze informatie zijn dan 10 opgeslagen in de eerste database op dusdanige wijze dat deze informatie geassocieerd zijn met de informatie over het gebruik van medicaties van de betreffende patiënt.
De patiënt kan tevens naar keuze voor een huisarts of voor een apotheker een standaardbrief uitdraaien op basis van informatie uit de 15 eerste database over het gebruik van medicatie en over het gebruik van medicatie in het verleden. Hiertoe bekrachtigt hij het tabblad "afdrukken”, waarna het scherm volgens figuur 18 op de computer 2 wordt gegenereerd door de eerste server. Hieruit blijkt dat de patiënt kan kiezen voor het afdrukken van informatie voor hemzelf, voor een huisarts, of voor een 20 apotheker. Wanneer de patiënt de knop bekrachtigt die betrekking heeft op “voor mijzelf’ wordt vervolgens een invulscherm volgens figuur 19 getoond. Hier kan de patiënt kiezen uit wat hij wil afdrukken: “lijst van actuele medicatie”, “lijst van medicatie die u niet meer gebruikt”, “lijst van apotheken waar u heen gaat”, en “lijst van huisartsen waar u heen gaat”.
25 Ook kan worden aangevinkt dat alles moet worden uitgedraaid. In dit voorbeeld wordt gekozen dat alles moet worden uitgedraaid. Vervolgens wordt de knop bekrachtigd “maak de uitdraai”. Vervolgens wordt een uitdraai gemaakt volgens figuur 20. Er geldt dus meer in het algemeen dat de patiënt informatie uit de eerste database verkrijgt, kan verkrijgen of 30 raadpleegt, bijvoorbeeld door downloaden, printen of lezen vanaf een 35 display. Deze informatie heeft dan betrekking op informatie van de patiënt, niet op informatie van andere patiënten in de eerste database.
Wanneer bij het invulscherm volgens figuur 18 wordt gekozen voor het afdrukken van informatie van een huisarts, verschijnt het invulscherm 5 volgens figuur 21. Ook hier is weer een keuze uit wat kan worden afgedrukt, zoals: “uw naamsinformatie”, “lijst van actuele medicatie”, “lijst van medicatie die u niet meer gebruikt”, “lijst van apotheken waar u heen gaat”, “lijst van huisartsen waar u heen gaat”. Ook kan worden aangevinkt dat alles wordt afgedrukt. Ook kan daarnaast nog de aanhef van de brief 10 worden opgemaakt zoals in dit voorbeeld “geachte huisarts”. Hierna kan één en ander worden bevestigd door op de knop te drukken “maak de uitdraai”. Hierna wordt op een printer die is aangesloten op de computer 2 een brief geprint volgens figuur 22. In deze brief is duidelijk dat het enige medicament dat nog wordt gebruikt, Ibuprofen betreft; de andere medicaties 15 betreffen medicaties uit het verleden. Ook is aangegeven wie de huisarts en de apotheek is. Wanneer daarentegen in figuur 18 wordt gekozen voor het afdrukken van een brief voor een apotheek, verschijnt het scherm volgens figuur 23. Ook hier zijn dezelfde keuzemogelijkheden voor afdrukken als in relatie met de huisarts besproken. In dit voorbeeld wordt wederom gekozen 20 om alles uit te draaien. Wanneer vervolgens de knop “maak de uitdraai” wordt bekrachtigd, wordt een brief volgens figuur 24 gericht aan de apotheker geprint.
Dergelijke varianten worden elk geacht binnen de uitvinding te vallen. In het hiervoor gaande is reeds aangegeven hoe de eerste entiteit 25 voor het eerste gegevens van de patiënt in de eerste database kan opslaan, hoe door de eerste entiteit toegang aan de patiënt tot de eerste database kan worden verschaft voor het benaderen van gegevens van de patiënt die in de eerste database zijn opgeslagen, hoe de patiënt vervolgens bij het computersysteem kan invoeren in hoeverre (bepaalde periode, onbepaalde 30 periode of éénmalig) de eerste entiteit toegang behoudt tot gegevens van de 36 patiënt die zijn opgeslagen in de eerste database en eventueel hoe de patiënt desgewenst toegang kan verschaffen aan de tweede entiteit tot de gegevens van de patiënt die in de eerste database zijn opgeslagen waarbij de patiënt eventueel vervolgens bij het computersysteem kan invoeren in hoeverre 5 (bepaalde periode, onbepaalde periode of éénmalig) de tweede entiteit toegang heeft tot gegevens van de patiënt die zijn opgeslagen in de eerste database.
Uiteraard kan ook de patiënt zelf in een stap c. initieel de eerste database vullen met informatie van de patiënt. In dat geval kan de patiënt 10 bijvoorbeeld via Internet, naar een web pagina van de eerste database gaan. Hier kan de patiënt aangeven dat hij zijn gegevens in de eerste database wenst op te slaan. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de patiënt in een stap d. de eerste database vult met informatie over de identiteit van de patiënt. Tevens kan de patiënt dan in een stap e. informatie over het gebruik van 15 zijn persoonlijke medicatie gekoppeld aan de informatie over zijn identiteit in de eerste database opslaan. De patiënt kan dan tevens een wachtwoord invoeren waarmee zijn gegevens worden beveiligd. Bij het vullen van de eerste database maakt de patiënt weer gebruik van de standaard informatie uit de tweede database zoals hiervoor besproken. Nadat de patiënt is 20 uitgelogd kan hij via Internet weer terugkeren naar de betreffende website. Wanneer hij zijn gegevens wenst te benaderen, zal hij dan eerst het eerder door hem zelf op gegeven wachtwoord moeten invoeren.
In het bijzonder geldt ook dat in stap e. informatie over het gebruik van de medicatie door de patiënt volgens standaard informatie uit de tweede 25 database over de in te voeren medicatie in de eerste database wordt op geslagen door de patiënt.
Hoe één en ander in zijn werk gaat zal hierna worden getoond.
In figuur 25 wordt het beginscherm getoond dat een patiënt ziet wanneer deze met zijn computer 2 naar de website gaat genaamd 30 “meddossier.nl” welke website toegang kan verschaffen tot de eerste 37 database. De patiënt heeft hier de mogelijkheid om de knop "Inloggen” te bekrachtigen indien de patiënt reeds eerder toegang heeft verkregen tot zijn gegevens die zijn opgeslagen in de eerste database.
Nadat de knop "Inloggen” is bekrachtigd verschijnt een scherm (zie figuur 5 26A) waarin de patiënt bijvoorbeeld zijn NAW gegevens en/of een gebruikersnaam moet invullen alsmede een password (in het veld wachtwoord). Na het inloggen verschijnt het scherm volgens figuur 27A. Vanuit dit scherm kan de patiënt toegang verkrijgen tot zijn gegevens die in de eerste database zijn opgeslagen zoals dit aan de hand van de figuren 2-24 10 is besproken. In dien bijvoorbeeld in het scherm van figuur 27A de knop ‘medicatie’ wordt bekrachtigd verschijnt het scherm van figuur 2.
De patiënt kan in het scherm van figuur 25 ook de knop "deze code invullen” bekrachtigen in dien de patiënt toegang wil verkrijgen tot zijn gegevens die door een eerste entiteit zoals een arts voor het eerst zijn 15 ingevoerd. Onder knop wordt hier ook een hyperlink in een tekstpassage verstaan die bijvoorbeeld anders is gekleurd dan de rest van de tekst (zie bijvoorbeeld “deze code invullen” in figuur 25). De eerste entiteit heeft in dat geval een account voor de patiënt in de eerste database aangemaakt. Hierna heeft de patiënt van de eerste entiteit een toegangscode gekregen om zelf 20 toegang te verkrijgen tot zijn gegevens in de eerste database. Dit zal hierna nog worden besproken aan de hand van de figuren 41-43.
Omdat de patiënt 14 zich in dit geval echter zelf voor het eerst wil aanmelden bij de eerste database (zelf een account aanmaken) bekrachtigt de patiënt de knop “Aanmelden” in het scherm van figuur 25 en komt zo in 25 het scherm terecht waarin hij zijn NAW gegevens en/of een gebruikersnaam kan invullen (zie figuur 26 B). Tevens wordt de patiënt op dit scherm gevraagd een password (in het veld wachtwoord) in te typen. In dit voorbeeld moet het password twee keer worden ingetypt. Nadat het password is ingetypt, bekrachtigt de patiënt het password door op de knop 30 “Aanmelden” te drukken. Hierna kan de patiënt via het scherm van figuur 38 25 naar het scherm van figuur 26A navigeren om in te loggen op zijn zojuist aangemaakte account. .Na het inloggen verschijnt het scherm volgens figuur 27A zoals hiervoor is besproken. Hierna kan de patiënt medicaties in het systeem toevoegen of nalezen door de knop “medicatie ” in het scherm van 5 figuur 27A te bekrachtigen waarna hem een scherm wordt getoond zoals getoond in figuur 2. Het toevoegen van medicatie gaat dan geheel analoog zoals hiervoor besproken aan de hand van de figuren 2-17. Ook kan de patiënt dan de handelingen uitvoeren die hiervoor aan de hand van de figuren 18-24 zijn beschreven.
10 Ook kan de patiënt machtigingen beheren door in het scherm van figuur 27A de knop “machtigingen” te bekrachtigen waarna het scherm volgens figuur 28 verschijnt zoals hierna nog zal worden besproken.
Wanneer de patiënt een volgende keer op de website komt, kan hij in het scherm volgens figuur 25 de knop ‘Inloggen’ bekrachtigen waarna hij in 15 het scherm van figuur 26A zijn NAW gegevens en/of gebruikersnaam en password kan invoeren om via het scherm van figuur 27A toegang te verkrijgen tot zijn gegevens in de eerste database. Nadat de patiënt zijn NAW gegevens en password (in veld wachtwoord van het scherm van figuur 26A) heeft ingevoerd in het systeem, kan de patiënt medicaties in het 20 systeem toevoegen door de knop “medicatie ” in het scherm van figuur 27A te bekrachtigen waarna hem een scherm wordt getoond zoals getoond in figuur 2. Het toevoegen van medicatie gaat dan geheel analoog zoals hiervoor besproken aan de hand van de figuren 2-17. Ook kan de patiënt dan de handelingen uitvoeren die hiervoor aan de hand van de figuren 18-24 25 zijn beschreven.
Wanneer een patiënt eenmaal zijn gegevens in de eerste database heeft opgeslagen, kan hij tevens machtigingen verstrekken aan derden voor het raadplegen van zijn gegevens. Hiertoe bekrachtigt de patiënt in het scherm van figuur 27A de knop “machtigingen”. De patiënt krijgt dan een 30 scherm te zien zoals getoond in figuur 28. In het scherm van figuur 28 wordt 39 een lijst van machtigingen gegeven. In dit geval is het scherm leeg, hetgeen betekent dat er nog geen machtigingen zijn gegeven. De patiënt kan nu door “machtigingen toevoegen”, bijvoorbeeld met zijn muis te bekrachtigen, machtigingen toevoegen. Na het bekrachtigen van “machtigingen toevoegen” 5 verschijnt het scherm van figuur 29. Hieruit blijkt dat de patiënt kan kiezen tussen “iemand anders machtigen” of “van iemand anders verkregen heeft”. In dit geval bekrachtigt de patiënt “iemand anders machtigen” waarna het scherm van figuur 30 verschijnt. In het scherm van figuur 30 staat als default aangegeven dat de machtiging begint en eindigt op de huidige 10 datum, te weten 22 april 2011. De patiënt verandert echter de defaultwaarden dusdanig dat de machtiging afloopt op 30 april 2011.
Tevens stond default aangegeven dat de gemachtigde enkel mocht meelezen en geen wijzigingen aanbrengen. De patiënt verandert dit in “wijzigen en meelezen zijn toegestaan”. Eén en ander is getoond in figuur 31. Nadat de 15 patiënt de betreffende wijzigingen heeft aangebracht, bekrachtigt hij de knop “maak machtigingscode”. Dan verschijnt het scherm volgens figuur 32. Het computersysteem is dusdanig ingericht dat deze een machtigingscode genereert die in figuur 32 is aangeduid als “1674.2533.1807.7562.5376”. Het is de bedoeling dat de patiënt deze machtigingscode geeft aan bijvoorbeeld 20 een tweede entiteit zoals een apotheek die hij wil machtigen om toegang te verkrijgen tot zijn gegevens. Wanneer de patiënt vervolgens de knop “overzicht van machtigingen” bekrachtigt, genereert het computersysteem het scherm volgens figuur 33 (komt overeen met het scherm van figuur 28, met echter een bijgewerkte inhoud). Hier staat aangegeven welke 25 machtigingscode is uitgegeven, wanneer deze is uitgegeven, en tot wanneer deze geldig is. Ook is aangegeven dat de code recht geeft op lezen en bewerken. Ook blijkt dat de betreffende machtigingscode nog niet is gebruikt door de tweede identiteit. Verder is het mogelijk dat de patiënt door op de knop “verwijderen” te drukken de betreffende machtigingscode 30 weer intrekt. Ook kan de patiënt indien hij dit wenst, door op de knop “meer 40 machtigingen toevoegen” te drukken andere entiteiten een machtiging verstrekken waarna wederom de figuren 30-33 worden doorlopen zoals hiervoor omschreven.
Wanneer de tweede entiteit de machtigingscode van de patiënt 5 heeft ontvangen, kan de tweede entiteit, net zoals de patiënt, de eerste database benaderen via Internet door naar de webpagina van “meddossier.nl” te gaan. De tweede entiteit kan de eerste database benaderen via een eigen computer die voor de eenvoud in figuur 1 niet is aangegeven, maar waarbij de situatie vergelijkbaar is met die van de 10 computer 2 en de computer 16. De tweede entiteit kan alleen toegang verkrijgen tot de eerste database wanneer de tweede entiteit zelf reeds tenminste zijn naam, adres, en woonplaatsgegevens in de eerste database heeft opgeslagen. Hiertoe heeft de tweede entiteit, net als de patiënt destijds, zijn eigen account aangemaakt en een password aangemaakt en 15 dus ingevoerd. De tweede entiteit opent derhalve zijn gegevens door in het scherm zoals getoond in figuur 25, de knop "Inloggen” te bekrachtigen waarna hij in het scherm van figuur 26A zijn NAW gegevens en/of gebruikersnaam en zijn password kan ingeven. Nadat dit is gebeurd verschijnt het scherm volgens figuur 27C. In dit scherm kan de tweede 20 entiteit de knop “machtigingen” indrukken waarna hij het scherm volgens figuur 34 getoond krijgt (komt overeen met het scherm volgens figuur 28 en 33, maar nu voor de tweede entiteit). Hierna kan de tweede entiteit “machtigingen toevoegen” indrukken, waarna het scherm van figuur 35 aan de tweede entiteit wordt getoond. In het scherm volgens figuur 35 kan de 25 tweede entiteit de knop “van iemand anders verkregen heeft” bekrachtigen. Er verschijnt dan het scherm volgens figuur 36 op zijn computer. In dit scherm kan de tweede entiteit de machtigingscode “1674.2533.1807.7562.5376” invullen. De tweede entiteit “de apotheker Cees Schaap” kan vervolgens de knop “activeer machtigingscode” bekrachtigen.
30 Dan verschijn het scherm volgens figuur 37 op de computer van de tweede 41 entiteit. Hieruit blijkt dat de tweede entiteit “Cees Schaap” toegang heeft verkregen tot het dossier van de patiënt “Sven Berkvens-Matthijsse”. Wanneer de tweede entiteit toegang heeft verkregen tot het dossier van de patiënt, kan hij vervolgens de inhoud van dit dossier raadplegen en/of 5 wijzigen zoals dus aan de hand van de figuren 2-17 is besproken. Ook kunnen de handelingen worden uitgevoerd die aan de hand van de figuren 18-24 zijn besproken.
Wanneer vervolgens de tweede entiteit op de knop “overzicht van machtigingen” drukt, verschijnt het scherm volgens figuur 38A. Hieruit 10 blijkt van wie de tweede entiteit (Cees Schaap) machtigingen heeft verkregen, (van “Sven Berkvens - Matthijsse), wat de status is van de machtiging, namelijk “lezen en bewerken”, en dat de machtiging geldig is van 22-30 april. Wanneer de tweede entiteit daadwerkelijk het medicatiedossier van Sven Berkvens - Matthijsse (de patiënt) wil inzien en 15 veranderen dient hij thans in het scherm van figuur 38 op de knop “inloggen” te drukken. Er wordt dan automatisch ingelogd op het medicatiedossier van de patiënt waarna via het scherm van figuur 38B gegevens van de patiënt kunnen worden bewerkt en gelezen zoals aan de hand van de figuren 2-24 reeds uiteen is gezet. Dit kan bijvoorbeeld door de 20 knop ‘medicatie’ te bekrachtigen. Wanneer de tweede entiteit bijvoorbeeld geen toestemming zou hebben gegeven om gegevens te bewerken en hij dit toch zal proberen, wordt hem een pagina volgens figuur 39 getoond. Deze pagina toont duidelijk dat de bewerking niet is toegestaan.
In het hier voorgaande voorbeeld is aangenomen dat de patiënt zelf 25 zijn medicatiedossier in een eerste stap c., d. en e. heeft opgezet. Het is echter eveneens mogelijk dat dit gebeurt door bijvoorbeeld een eerste entiteit zoals een arts waarbij de patiënt op bezoek is. De arts heeft reeds toegang verkregen via zijn computer tot de eerste database via de website “meddossier.nl” vanuit het beginscherm zoals getoond in figuur 25. Bij het 30 inloggen heeft de eerste entiteit toen het scherm volgens figuur 26A
42 gebruikt zoals hiervoor beschreven voor de patiënt en de tweede entiteit. Hierna verschijnt het scherm volgens figuur 27B omdat het systeem weet dat de eerste entiteit een zorgverlener is. In dit scherm volgens figuur 27B bekrachtigt de eerste entiteit de knop “nieuwe patiënten account 5 aanmaken” waarna het systeem een invulscherm zoals getoond in figuur 40 toont op de computer van de arts. Bij dit invulscherm vult de eerste entiteit een naam, adres en woonplaats van de patiënt in. Het systeem genereert in dit scherm een in dit voorbeeld eenmalige toegangscode. Deze toegangscode, die door het systeem wordt gegenereerd, wordt door de eerste entiteit van 10 het scherm afgelezen en aan de patiënt gegeven. Uiteraard kan deze toegangscode ook op andere wijze aan de patiënt kenbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld via een sms-bericht of e-mail. Tevens kan de eerste entiteit nu, zoals aan de hand van de figuren 2-24 is besproken, gegevens van de patiënt invoeren bij de database. Er geldt dat de eerste entiteit automatisch 15 gemachtigd is tot de gegevens die nu in de eerste database van de patiënt zijn opgeslagen.
De patiënt gaat bijvoorbeeld vervolgens naar huis en gaat via zijn computer naar de website van “meddossier.nl”. Vanuit het beginscherm van figuur 25 bekrachtigt hij de knop ’’deze code invullen”. Het systeem 20 genereert dan het scherm volgens figuur 41. Hier kan de patiënt de toegangscode invoeren die hij van de eerste entiteit heeft gekregen. De patiënt voert vervolgens de toegangscode “1111.2222.3333.4444.5555“ in (figuur 42) en bekrachtigt de knop activeren. Dan verschijnt het scherm volgens figuur 43. Hier kan de patiënt een gebruikersnaam invoeren 25 (hiervoor ook wel aangeduid als NAW gegevens) en twee keer het zelfde password. Hierna bekrachtigt de patiënt de knop activeren. Vanaf dat moment kan de patiënt inloggen via het scherm volgens figuur 25, figuur 26A en figuur 27A aan de hand van zijn gebruikersnaam en password. Door op de knop “machtigingen” te drukken, verschijnt een scherm zoals getoond 30 in figuur 28 waarin staat aan wie machtigingen zijn gegeven. In dit geval 43 zou dan blijken dat de eerste entiteit die in de stappen c., d. en e. initieel gegevens van de patiënt in de eerste database heeft opgeslagen, automatisch is gemachtigd. Hierbij zijn overigens twee mogelijkheden. Op het moment dat de eerste entiteit de stappen c., d. en e. uitvoert kan hij 5 tevens, in overleg met de patiënt, aangeven wat de aard is van zijn automatische machtiging zoals alleen lezen, lezen en schrijven, of volledig toegang of toegang tot een deel van de informatie van de patiënt. Ook kan worden aangegeven of de machtiging voor bepaalde of onbepaalde tijd is. Wanneer niets wordt aangegeven, wordt er van uitgegaan dat de machtiging 10 volledig is en voor onbepaalde tijd. Wanneer de patiënt is ingelogd op het computersysteem om zijn gegevens die in de eerste database zijn opgeslagen te raadplegen, kan hij wanneer hij de knop “machtigingen” indrukt zien dat de eerste entiteit toegang heeft voor lezen en bewerken en bijvoorbeeld toegang heeft voor onbepaalde tijd. Indien hij dit wenst, kan hij de 15 machtiging verwijderen of aanpassen, bijvoorbeeld door de toegang voor lezen en bewerken te veranderen in alleen lezen en/of bijvoorbeeld door de toegang voor onbepaalde tijd te veranderen in een toegang voor bepaalde tijd. Hij kan dit doen door de betreffende velden met een muisklik te bekrachtigen.
20 Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm wordt het computersysteem van figuur 1 uitgebreid met tenminste een kassasysteem 18. Het kassasysteem 18 en het computersysteem 1 vormen tezamen een registratiesysteem 20. Het kassasysteem 18 kan op een plaats worden opgesteld waar medicijnen worden verkocht, zoals een winkel, drogist, 25 tankstation en dergelijke. Het kassasysteem 18 is bijvoorbeeld via een internetverbinding 22 met de eerste server 4 van het computersysteem 1 verbonden.
In het hiervoorgaande is uitgelegd dat de eerste database kan worden gevuld door de patiënt zelf, door de eerste entiteit en/of de tweede 30 entiteit. Hierna zal een patiënt, een eerste entiteit, een tweede entiteit en/of 44 een andere persoon en/of instelling die de eerste database kan vullen met informatie over het gebruik van persoonlijke medicatie van een patiënt, gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt worden aangeduid als een invoerentiteit. Een invoerentiteit kan de patiënt zelf zijn, 5 een arts, een andere persoon, of een instelling zoals een zorginstelling of ziekenhuis. De werking van de inrichting is in dit voorbeeld als volgt.
Een klant koopt bijvoorbeeld een veelvoud van medicijnen in een winkel waar het kassasysteem 18 staat opgesteld. Bij het kassasysteem worden de te kopen medicijnen op de gebruikelijke wijze aangeslagen. Dit 10 kan bijvoorbeeld gebeuren door barcodes van de verpakkingen van de medicijnen uit te lezen. De klant kan vervolgens de medicijnen betalen zodat de klant de medicijnen koopt. In dit voorbeeld geldt dat het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen. Door het bijvoorbeeld scannen van de barcodes kan deze informatie in het 15 kassasysteem worden opgehaald om te bepalen wat de medicijnen kosten. Dit alles gebeurt in een stap xl. Het kassasysteem is echter dusdanig ingericht dat deze ook op automatische wijze, via de verbinding 22 aan het computersysteem informatie doorgeeft over de bij het kassasysteem aangeslagen medicijnen. In dit voorbeeld gaat het om een veelvoud van 20 medicijnen, het kan echter ook een enkel medicijn zijn. Het op automatische wijze doorgeven van informatie over bij het kassasysteem aangeslagen medicijnen wordt aldus in een stap x2 uitgevoerd. Het computersysteem 1, meer in het bijzonder de server 4, is in dit voorbeeld dusdanig ingericht dat deze een stap x3.1 uitvoert. In de stap x3.1 wordt door de eerste server 4 in 25 reactie op de in stap x2 ontvangen informatie een code gegenereerd die wordt geassocieerd met de informatie die is ontvangen van het kassasysteem over het aangeslagen veelvoud van medicijnen. Er geldt dus dat een enkele code is geassocieerd met het veelvoud van medicijnen dat bij de kassa is aangeslagen. De code en de daarmee geassocieerde informatie 30 over de gekochte medicijnen zijn dus aanwezig in het computersysteem voor 45 later gebruik. Het computersysteem, in dit voorbeeld de eerste server, voert vervolgens in een stap x3.2 de gegenereerde code toe aan het kassassysteem 18. In een stap x4 zal het kassasysteem in reactie op de ontvangen code de gegenereerde code verschaffen aan de klant. In dit voorbeeld gebeurt dit 5 doordat het kassasysteem de code in een stap x4 via printen op een kassabon (zie figuur 44) die wordt geprint bij aankoop van het veelvoud van medicijnen. De koper neemt de medicijnen tezamen met de kassabon mee. De koper kan bijvoorbeeld de medicijnen tezamen met de code overhandigen aan een eerste patiënt die reeds is geregistreerd in de eerste database. Ook 10 is het mogehjk dat de koper zelf de gebruiker is van de medicijnen maar nog niet is geregistreerd in de database. Dan kan de koper zichzelf registreren in de database zoals hiervoor reeds is uiteen gezet. Hoe het ook zij, we gaan er nu van uit dat de eerste patiënt die de medicijnen zal gaan gebruiken op enig moment is geregistreerd in de database.
15 Wanneer de eerste patiënt is geregistreerd in de database kan vervolgens op gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een password door de patiënt of door zijn gemachtigde, zoals een gebruiker die de identiteit van een patiënt tezamen met een password bezit, toegang worden verkregen tot de gegevens van de eerste patiënt. Dit kan 20 bijvoorbeeld gebeuren met behulp van de thuiscomputer 2 zoals hiervoor is besproken aan de hand van het beginscherm van figuur 25.
Het scherm volgens figuur 2 kan dan na het inloggen worden getoond. Zoals te zien is, omvat het scherm volgens figuur 2 ook een knop 50 met de aanduiding “gekocht”. Wanneer deze knop wordt bekrachtigd wordt 25 een invulscherm volgens figuur 45 getoond. Bij dit invulscherm wordt gevraagd om de code in te vullen. Een kassabon die werd geprint bij het kassasysteem nadat het veelvoud van medicijnen was gekocht, is getoond in figuur 44. Op deze kassabon is de code y5x2 te lezen. Deze code kan vervolgens worden ingevuld in het invulscherm van figuur 45. Aldus wordt 30 een stap x5 uitgevoerd. In reactie op het invoeren van de code wordt 46 vervolgens figuur 46 getoond op het scherm van de computer 2. In figuur 46 worden in dit voorbeeld alle medicijnen getoond die zijn geassocieerd met de betreffende code. Het gaat hierbij om twee medicijnen, te weten dexubuprofen en ibuprofen. Aldus wordt een stap x6 uitgevoerd volgens 5 welke door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code, aan de invoerentiteit van stap x5 informatie verschaft over het bij het kassasysteem aangeslagen veelvoud van medicijnen. Doordat dus in het computersysteem informatie beschikbaar is over de gekochte medicijnen die geassocieerd is met de code, 10 kan door het computersysteem op basis van de code informatie over de gekochte medicijnen aan de invoerentiteit worden verschaft. Dit kan exact de informatie zijn die is geassocieerd met de betreffende code of bijvoorbeeld informatie over de gekochte medicijnen in een ander format, bijvoorbeeld aangevuld met andere informatie over betreffende medicijnen die 15 beschikbaar is in het comptersysteem, zoals informatie in de tweede database. De invoerentiteit kan vervolgens in een stap x7 door een knop “kiezen” te bekrachtigen die bij het betreffende medicijn hoort, een medicijn selecteren dat hij zal gaan gebruiken. Het computersysteem zal vervolgens de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld aan de identiteit 20 van de eerste patiënt, in de eerste database opslaan. Indien bijvoorbeeld het medicijn dexubuprofen wordt geselecteerd zal deze uit de lijst worden verwijderd omdat dit medicijn thans werkelijk zal worden gebruikt en niet langer thuishoort in een lijst die in feite betrekking heeft op gekochte medicijnen. Omdat voor het verkrijgen van toegang tot het 25 computersysteem de invoerentiteit tevens de identiteit van de eerste patiënt tezamen met een password heeft moeten invoeren, geldt per saldo dat een stap x7 wordt uitgevoerd volgens welke de invoerentiteit, in dit voorbeeld de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem een identiteit van de eerste patiënt selecteert (een gevolg van het toegang verkrijgen tot het 30 computersysteem door het invoeren van de identiteit van een patiënt 47 tezamen met het betreffende password) en het tenminste ene medicijn in dien deze door de eerste patiënt zal worden gebruikt waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld aan de identiteit van de eerste patiënt, in de eerste database opslaat.
5 Hieruit volgt dus dat de acties die in stap 7 worden genomen niet gelijktijdig behoeven te worden uitgevoerd. Dit selecteren van de identiteit van de eerste patiënt kan worden uitgevoerd door het toegang verkrijgen tot het computersysteem onder invoer van de identiteit van de patiënt en het bijbehorende password (inloggen) terwijl het selecteren van het medicijn dat 10 zal worden gebruikt de genoemde lijst op een later moment wordt uitgevoerd wanneer eenmaal toegang tot het computersysteem is verkregen (verderop zal nog een uitvoeringsvorm worden uiteengezet waarin de substappen van stap x7 wel, althans nagenoeg, gelijktijdig worden uitgevoerd). Alvorens de geselecteerde medicatie wordt op geslagen als een 15 medicatie dat wordt gebruikt door de eerste patiënt kan, zoals hiervoor omschreven, de invoer van de informatie nog worden getoetst op basis van de informatie uit de tweede database 12. Zo kan bijvoorbeeld nog na selectie van dexubuprofen van figuur 46, figuur 5 en 6 nog worden doorlopen. Dergelijke varianten vallen binnen het kader van de uitvinding.
20 Het kan voorkomen dat de medicijnen die zijn geassocieerd met de code behalve door de eerste patiënt ook door de tweede patiënt zullen worden gebruikt. Ook kan het zo zijn dat een eerste deelverzameling van de medicijnen die zijn geassocieerd met de code door de eerste patiënt worden gebruikt en dat een tweede deelverzameling van de medicijnen die zijn 25 geassocieerd met de code door de tweede patiënt worden gebruikt. In deze gevallen kan geheel analoog als is omschreven voor de eerste patiënt een zelfde proces voor de tweede patiënt worden doorlopen. Wanneer de tweede patiënt is geregistreerd in de database dus op gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een password van de tweede patiënt door de 30 tweede patiënt of door zijn gemachtigde, zoals een gebruiker die de 48 identiteit van de tweede patiënt tezamen met een password bezit, toegang worden verkregen tot de gegevens van de tweede patiënt. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren met behulp van de thuiscomputer 2 zoals hiervoor is besproken aan de hand van het beginscherm van figuur 25.
5 Het scherm volgens figuur 2 kan dan na het inloggen worden getoond. Zoals te zien is, omvat het scherm volgens figuur 2 ook een knop 50 met de aanduiding “gekocht”. Wanneer deze knop wordt bekrachtigd wordt een invulscherm volgens figuur 45 getoond. Bij dit invulscherm wordt gevraagd om de code in te vullen. Dit is dan weer de code van de kassabon 10 die is getoond in figuur 44. Op deze kassabon is de code y5x2 te lezen. Deze code kan vervolgens worden ingevuld in het invulscherm van figuur 45. Aldus wordt een stap x5 uitgevoerd. In reactie op het invoeren van de code wordt vervolgens figuur 46 getoond op het scherm van de computer 2. In figuur 46 worden in dit voorbeeld alle medicijnen getoond die zijn 15 geassocieerd met de betreffende code. Het gaat hierbij om twee medicijnen, te weten dexubuprofen en ibuprofen. Aldus wordt een stap x6 uitgevoerd volgens welke door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code, aan de invoerentiteit van stap x5 informatie verschaft over het bij het kassasysteem aangeslagen veelvoud 20 van medicijnen. De invoerentiteit kan vervolgens in een stap x7 door een knop “kiezen” te bekrachtigen die bij het betreffende medicijn hoort, een medicijn selecteren dat hij zal gaan gebruiken. Het computersysteem zal vervolgens de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de identiteit van de tweede patiënt in de eerste database opslaan. Indien 25 bijvoorbeeld het medicijn dexubuprofen wordt geselecteerd zal deze uit de lijst worden verwijderd omdat dit medicijn thans werkelijk zal worden gebruikt en niet langer thuishoort in een lijst die in feite betrekking heeft op gekochte medicijnen. Omdat voor het verkrijgen van toegang tot het computersysteem de invoerentiteit tevens de identiteit van de tweede 30 patiënt tezamen met een password heeft moeten invoeren geldt per saldo 49 dat een stap x7 wordt uitgevoerd volgens welke de invoerentiteit, in dit voorbeeld de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem een identiteit van de tweede patiënt selecteert (een gevolg van het toegang verkrijgen tot het computersysteem door het invoeren van de identiteit van 5 een patiënt tezamen met het betreffende password) en het tenminste ene medicijn in dien deze door de tweede patiënt zal worden gebruikt waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de identiteit van de tweede patiënt in de eerste database opslaat.
Voorts wordt op gemerkt dat in dit voorbeeld de code voor het 10 veelvoud van medicijnen door het computersysteem, in het bijzonder de eerste server 4, is gegenereerd. Het is echter eveneens mogelijk dat het kassasysteem de betreffende code genereert. In dat geval wordt in stap x3.1 door het kassasysteem een code gegenereerd die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen veelvoud van medicijnen. Vervolgens wordt 15 in een stap x3.2 door het kassasysteem de gegenereerde code aan het computersysteem toegevoerd. In stap x2 wordt, zoals gezegd, door het kassasysteem op automatische wijze informatie over het veelvoud van aangeslagen medicijnen aan het computersysteem doorgegeven. De informatie over het veelvoud van aangeslagen medicijnen wordt in het 20 computersysteem geassocieerd met de ontvangen code verwerkt, meer in het bijzonder op geslagen. Tevens wordt door het kassasysteem de code afgegeven aan de klant, bijvoorbeeld door deze te printen op de kassabon. Hierna is een situatie ontstaan waarbij het systeem verder kan werken zoals reeds hiervoor is besproken aan de hand van de stappen x5, x6 en x7. 25 Het zal duidelijk zijn dat de inrichting en werkwijze zoals hiervoor besproken ook geheel analoog kan worden uitgevoerd wanneer het veelvoud van medicijnen slechts één medicijn omvat. In dat geval zal de getoonde lijst slechts één medicijn omvatten welke vervolgens kan worden geselecteerd door de invoerentiteit wanneer het betreffende medicijn zal worden gebruikt 50 waarna het betreffende medicijn geassocieerd met de identiteit van de patiënt in de eerste database wordt opgeslagen.
Zoals gezegd, omvat stap 7 bij de hiervoor geschetste uitvoeringsvorm twee substappen die in feite op van elkaar verschillende 5 momenten in het proces werden uitgevoerd. Hierna zal een variant worden omschreven waarbij dit juist niet het geval is. Bij deze variant zijn de stappen xl tot x4 geheel analoog volgens een van de varainten zoals hiervoor omschreven. Hierna kan het registratiesysteem als volgt worden gebruikt. De klant zoekt met behulp van zijn thuiscomputer 2 contact met 10 het computersysteem 1. Hierbij kan de klant met zijn computer 2 een webpagina selecteren van het computersysteem 1 zoals bijvoorbeeld getoond in figuur 47. Bij een invoerveld 20 kan de klant de code ingeven die op de kassabon staat. Hierbij wordt dan dus in feite stap x5 uitgevoerd. Op basis van de code wordt door het computersysteem een nieuwe webpagina 15 afgebeeld op de computer 2 zoals getoond in figuur 48. Op deze pagina staan de medicijnen vermeld die geassocieerd zijn met de ingevoerde code. In dit voorbeeld gaat het om twee medicijnen, te weten dexubuprofen en ibuprofen. Aldus wordt op basis van figuur 48 stap x6 uitgevoerd volgens welke het computersysteem op basis van de bij stap x5 bij het 20 computersysteem ingevoerde code aan de invoerentiteit van stap x5 informatie verschaft over het bij het kassasysteem aangeslagen veelvoud van medicijnen. Figuur 48 toont voorts twee activeringsvelden 22 respectievelijk 24. Door bekrachtiging van het veld 22 met bijvoorbeeld een muisklik wordt het medicijn dexubuprofen geselecteerd. Door bekrachtiging 25 van knop 24 wordt in dit voorbeeld het medicijn ibuprofen geselecteerd. Voorts worden nog twee invoervelden 26 en 28 getoond. Elk medicijn heeft zijn eigen invoerveld. De invoerentiteit kan bij invoerveld 26 de identiteit van een eerste patiënt invoeren voor wie dexubuprofen is gekocht. Bij het invoerveld 28 kan de identiteit van een eventueel andere patiënt of dezelfde 30 patiënt worden ingevoerd voor wie ibuprofen is gekocht. Wanneer 51 bijvoorbeeld in veld 26 de identiteit van een eerste patiënt wordt ingevoerd, waarna vervolgens veld 22 wordt bekrachtigt heeft dit tot gevolg dat bij het computersysteem de identiteit van de eerste patiënt en tenminste één medicijn, in dit voorbeeld één medicijn, wordt geselecteerd die door de 5 betreffende eerste patiënt zal worden gebruikt. Het computersysteem zal vervolgens de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de identiteit van de eerste patiënt in de eerste database opslaan. Hierna kan in het veld 26 desgewenst de identiteit van een andere patiënt worden ingevoerd. Indien hierna wederom het veld 22 wordt bekrachtigd met 10 bijvoorbeeld een muisklik heeft dit tot gevolg dat bij het computersysteem de identiteit van de tweede patiënt en tenminste één medicijn, in dit voorbeeld wederom het medicijn dexubuprofen,wordt geselecteerd die door de betreffende tweede patiënt zal worden gebruikt. Het computersysteem zal vervolgens de geselecteerde informatie over het medicijn, gekoppeld aan 15 de identiteit van de tweede patiënt, in de eerste database opslaan. Wanneer voor een bepaald medicijn van de lijst niet nog meer of geen patiënten behoeven te worden geselecteerd die het medicijn gaan gebruiken (bijvoorbeeld omdat een verkeerd medicijn is gekocht) kan het medicijn uit de lijst worden verwijderd, bijvoorbeeld door dubbelklikken op het 20 betreffende veld 22, 24 van het te verwijderen medicijn.
Wanneer de eerste patiënt en/of de tweede patiënt is geregistreerd in de database kan vervolgens op gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een password door de eerste patiënten/of tweede patiënt of door zijn gemachtigde, zoals een gebruiker die de identiteit van een patiënt 25 tezamen met een password bezit, toegang worden verkregen tot de gegevens van de eerste patiënt of tweede patiënt. Dit kan bijvoorbeeld voor de eerste patiënt gebeuren gebeuren met behulp van de thuiscomputer 2 zoals hiervoor is besproken aan de hand van het beginscherm van figuur 25.
Indien bijvoorbeeld de eerste patiënt vervolgens naar de website 30 gaat van het cumputersysteem 1, in het voorbeeld hiervoor genaamd 52 “meddossier.nl” ziet hij, zoals besproken, het beginscherm volgens figuur 25. Zoals besproken kan hij vervolgens naar het scherm van figuur 2 navigeren. In dit scherm zal dan de eerste patiënt tevens de medicatie zien verschijnen die door de klant aan de hand van de code is ingevoerd. Vervolgens kan de 5 eerste patiënt op gebruikelijke wijze aangeven wanneer, hij dit medicijn gaat gebruiken één en ander zoals hiervoor besproken. Ook kan hij aangeven dat hij het medicijn niet gaat gebruiken, bijvoorbeeld wanneer een verkeerd medicijn is gekocht.
Geheel analoog kan ook de tweede naar de website gaan van het 10 computersysteem 1, in het voorbeeld hiervoor genaamd “meddossier.nl” en, zoals besproken, het beginscherm volgens figuur 25 zien. Zoals besproken kan hij vervolgens naar het scherm van figuur 2 navigeren. In dit scherm zal dan de tweede patiënt tevens de medicatie zien verschijnen die door de klant aan de hand van de code is ingevoerd. Vervolgens kan de tweede 15 patiënt op gebruikelijke wijze aangeven wanneer hij dit medicijn gaat gebruiken één en ander zoals hiervoor besproken. Ook kan hij aangeven dat hij het medicijn niet gaat gebruiken, bijvoorbeeld wanneer een verkeerd medicijn is gekocht.
Opgemerkt wordt dat de substappen van stap x7 thans, althans 20 nagenoeg, gelijktijdig worden uitgevoerd; immers het selecteren van het medicijn, in dit geval dexubuprofen, alsmede de identiteit van de eerste patiënt die het betreffende medicijn zal gaan gebruiken, wordt min of meer gelijktijdig uitgevoerd aan de hand van het scherm volgens figuur 48.
Tevens wordt op gemerkt dat het op deze wijze mogelijk is om voor ibuprofen 25 een andere identiteit van een andere patiënt te selecteren dan wel om de identiteit van de eerste patiënt en/of de tweede patiënt te selecteren. Aldus is het mogelijk dat een veelvoud van medicijnen wordt geassocieerd met een enkele code waarna vervolgens voor elk medicijn van deze veelvoud van medicijnen geldt dat deze kan worden geselecteerd om te worden gebruikt 30 voor een bepaalde individuele patiënt waarbij verschillende medicijnen voor 53 van elkaar verschillende en/of dezelfde patiënten kunnen worden geselecteerd. Hierbij is het voordelig wanneer de schermen van de figuren 47 en 48 via dezelfde website kunnen worden benaderd als het beginscherm 25 zoals hiervoor besproken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat ook in 5 beginscherm 25 een aparte knop wordt aangebracht die na bekrachtiging het scherm 47 oplevert. Wordt daarentegen de code niet ingevoerd aan de hand van figuur 47, maar wordt er bij het scherm van figuur 25 ingelogd door een invoerentiteit die bijvoorbeeld de patiënt zelf betreft, dan kan zoals hiervoor besproken na het inloggen naar een scherm volgens figuur 2 10 worden genavigeerd waarbij vervolgens door de betreffende invoerentiteit de knop “gekocht” kan worden geselecteerd waarna het scherm van figuur 45 wordt verkregen. Bij het scherm volgens figuur 45 kan dan eveneens de genoemde code worden ingevoerd. Thans is het echter zo dat vervolgens zoals uiteen gezet het scherm volgens figuur 46 wordt getoond waarbij het 15 echter zo is dat het thans voor elk van de medicijnen van het veelvoud van medicijnen die met de code zijn geassocieerd geldt dat deze alleen in de database kunnen worden opgeslagen als zijnde een medicijn dat gekoppeld is aan de identiteit van de patiënt waarmee in het scherm volgens figuur 25 is ingelogd. In dit voorbeeld geldt dan dus dat wanneer de code wordt 20 ingevoerd door een gebruiker die is ingelogd als of namens een bepaalde patiënt, de betreffende medicijnen gekoppeld aan de identiteit van deze patiënt in de eerste database kunnen worden opgeslagen wanneer deze worden geselecteerd voor gebruik. Wordt de code echter ingevoerd bij de webpagina volgens figuur 47 en 48, dan kan de koper, die overigens ook de 25 patiënt kan zijn, of een vertegenwoordiger van de patiënt, of een andere persoon of instelling, per medicijn een identiteit van een patiënt selecteren. Voor elke variant zoals hierboven omschreven geldt dat de betreffende code zowel door het kassasysteem als door het computersysteem kan worden gegenereerd. Uiteraard kan het registratiesysteem ook zijn voorzien van een 30 veelvoud van kassasystemen die werken zoals beschreven voor het 54 kassasysteem 18. In dit voorbeeld is in figuur 1 nog een dergelijk tweede kassasysteem 24 getoond.
De uitvinding is geenszins beperkt tot de hiervoor geschetste uitvoeringsvormen. De informatie over het medicijn die door het 5 kassasysteem aan het computersysteem in stap x2 wordt verschaft is niet beperkt tot een specifieke vorm. De enige eis is dat op grond van deze informatie door het computersysteem in stap x6 informatie over het tenminste ene gekochte medicijn (of het veelvoud van gekochte medicijnen) aan de invoerentiteit kan worden verschaft op basis waarvan de 10 invoerentiteit het tenminste ene medicijn (of medicijnen van het veelvoud van medicijnen) in stap x7 kan selecteren indien dit (of deze) zal (of zullen) worden gebruikt door de patiënt. De informatie die door het kassasysteem in stap x2 aan het computersysteem wordt toegezonden kan dus de naam van het gekochte ten minste ene medicijn omvatten (of de namen van 15 medicijnen van een veelvoud van medicijnen indien een veelvoud van medicijnen is gekocht). De informatie kan echter ook een artikelcode omvatten die betrekking heeft op het gekochte medicijn op grond waarvan het computersysteem in stap x6 informatie over het gekochte tenminste ene medicijn aan de invoereenheid kan verschaffen op basis waarvan de 20 invoereenheid in stap x7 het medicijn kan selecteren indien deze wordt gebruikt. In dat geval zal het computersysteem zijn voorzien van informatie over mogelijke artikelcodes en daarmee geassocieerde informatie over medicijnen. In stap x6 wordt dan niet de artikelcode zelf aan de invoerentiteit verschaft maar inplaats hiervan informatie over het 25 betreffende medicijn dat hiermee is geassocieerd. De informatie over een gekocht medicijn die in stap x2 aan het computersysteem wordt toegevoerd behoeft dus niet exact dezelfde vorm te hebben als de informatie over de betreffende gekochte medicijnen die in stap x6 aan de invoerentiteit wordt verschaft. Wel gaat het uiteraard over het een en het zelfde gekochte 30 medicijn. De informatie die in stap x2 door het kassasysteem aan het 55 computersysteem wordt toegeveerd kan echter ook een veelvoud van artikelcodes omvatten die elk betrekking hebben op een gekocht medicijn indien een veelvoud van medicijnen is gekocht en op grond waarvan het computersysteem in stap x6 informatie over het veelvoud van gekochte 5 medicijnen aan de invoereenheid kan verschaffen op basis waarvan de invoereenheid in stap x7 ten minste een medicijn kan selecteren indien deze wordt gebruikt, of meerdere medicijnen kan selecteren indien meerdere medicijnen worden gebruikt. Een artikelcode kan bijvoorbeeld een getal zijn of een combinatie van karakters en cijfers. De code die is geassocieerd met 10 het tenminste ene geneesmiddel dat is gekocht of het veelvoud van geneesmiddelen die zijn gekocht kan ook een getal zijn of een combinatie van karakters en cijfers. Deze code heeft bij voorkeur wel de eigenschap dat deze in stap x5 gemakkelijk kan worden ingevoerd door een invoerentiteit. De code kan dus bijvoorbeeld bestaan uit maximaal 10 cijfers en karakters. 15 Zoals gezegd is de code geassocieerd met informatie over het tenminste ene gekochte geneessmiddel of het veelvoud van gekochte geneesmiddelen, waardoor door invoering van deze enkele code in het computersysteem door het computersysteem op basis van deze code de informatie over het tenminste ene gekochte medicijn of het veelvoud van gekochte 20 geneesmiddelen kan worden opgehaald uit het computersysteem waarna informatie over het tenminste ene gekochte medicijn of het veelvoud van gekochte medicijnen aan de invoereenheid kan worden veschaft in stap x6. De code is dus uniek binnen de werkwijze en het registratiesysteem en is in feite een identificatiecode die geassocieerd is met het tenminste ene 25 gekochte medicijn. De code die in stap x3 wordt gegenereerd kan bijvoorbeeld nadat deze in stap x5 is ingevoerd nog een jaar geldig blijven, dat wil zeggen dat de code en het daarmee geassocieerde tenminste ene gekochte geneesmiddel beschikbaar blijven (opgeslagen blijven) in het computersysteem. Een voordeel is dat de code in stap x5 nog een keer kan 30 worden ingevoerd om stap x6 uit te kunnen voeren en om in stap x7 het 56 betreffende tenminste ene gekochte medicijn te kunnen koppelen met nog een andere patiënt die het zelfde gekochte medicijn ook gaat gebruiken (zoals een ander lid van hetzelfde gezin). Na afloop van het betreffende jaar kan de betreffende code en de daarmee geassocieerde informatie over het 5 tenminste ene gekochte medicijn bijvoorbeeld worden gewist uit het computersysteem. De betreffende gewiste code kan dan opnieuw worden gegenereerd in stap x3 om aan een ander tenminste ene gekocht medicijn te worden gekoppeld. Bij de variant volgens welke de code wordt gegenereerd door een kassasysteem, kan het computersysteem bijvoorbeeld aan alle 10 kassasystemen die deel uit maken van het registratiesysteem laten weten dat de betreffende code is gewist en dus opnieuw kan worden gebruikt om te worden geassocieerd met gekochte geneesmiddelen. Volgens de variant waarbij de code door het computersysteen wordt gegenereerd weet het computersysteen zelf welke codes reeds in gebruik zijn (immers de in stap 15 x2 gegenereerde codes en het daarmee geassocieerde tenminste ene gekochte geneesmiddel zijn voor het kunnen uitvoeren van stap x6 beschikbaar in het computersysteem) zodat het computersysteem zelf weet welke codes reeds in gebruk zijn en een code kan genereren die nog vrij is om te worden geassocieerd met tenminste een gekocht geneesmiddel.
20 Verdere varianten zijn ook mogelijk. Zo kan, wanneer een patiënt een nieuw gebruik van een medicatie invoert, terwijl dit strijdig is met reeds ingevoerde medicatie, bijvoorbeeld omdat twee medicaties niet met elkaar samengaan en kan leiden tot gevaarlijke reacties bij een patiënt, het computersysteem dusdanig zijn ingericht dat deze op automatische wijze 25 een waarschuwing stuurt naar de apotheker of de huisarts van de patiënt indien in de eerste database is opgeslagen wie de huisarts en/of wie de apotheek is van de betreffende patiënt. Indien meer dan één huisarts en/of meer dan één apotheker is gekoppeld aan de identiteit van de betreffende patiënt, kan bijvoorbeeld aan elk van de apothekers en/of elk van de 30 huisartsen op automatische wijze een e-mail worden gezonden over het feit 57 dat de patiënt kennelijk een medicatie gebruikt, of gaat gebruiken, dat strijdig is met medicaties die hij op dit moment gebruikt. Voorts kunnen de eerste server en de tweede server worden vervangen door één enkele server waar de eerste database en de tweede database zijn opgeslagen. Ook is het 5 mogelijk dat de patiënt informatie over zijn gebruik van een medicatie bijvoorbeeld op papier of in een memory stick aan een beheerder van de eerste database opstuurt waarna de beheerder de medicatie bij de eerste database invoert waarbij de patiënt eerst gebruik heeft gemaakt van de tweede database voor het verkrijgen van standaardinformatie over de in te 10 voeren medicatie en/of waarbij de beheerder gebruik maakt van de tweede database voor het invoeren van de eerste medicatie bij de eerste database met standaard informatie over de medicatie. De beheerder van het netwerk kan bijvoorbeeld de eerste entiteit zijn. Een eerste entiteit, en/of de tweede entiteit kunnen de eerste server en/of de tweede server bijvoorbeeld 15 benaderen via het professionele netwerk E-zorg. De patiënt benadert de eerste server via zijn computer 2 dan via het openbare internet. Dergelijke varianten worden elk geacht binnen het kader van de uitvinding te vallen.
Claims (39)
1. Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier omvattende: a. het gebruik maken van een eerste database van het computersysteem waarbij door een invoerentiteit zoals een patiënt, een 5 andere persoon of instelling informatie over het gebruik van persoonlijke medicatie van de patiënt gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt in de eerste database wordt opgeslagen, met het kenmerk, dat de werkwijze voorts de volgende stappenomvat: xl: het aanslaan van tenminste een medicijn dat door een klant wordt 10 gekocht bij een kassasysteem waarbij het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen; x2: het door het kassasysteem op automatisch wijze doorgeven van informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen medicijn aan het computersysteem; 15 x3: het genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn; x4 het door het kassasysteem verschaffen van de gegenereerde code aan de klant;. x5: het invoeren van de code die van het kassasysteem in stap x4 is 20 ontvangen in het computersysteem door een invoerentiteit zoals de klant of de patiënt; x6: het door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code aan een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x5 verschaffen van informatie over het bij het kassa-25 systeem aangeslagen tenminste ene medicijn; x7: het door een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem selecteren van een identiteit van tenminste een patiënt en het tenminste ene medicijn indien deze door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de geselecteerde identiteit van de tenminste ene patiënt in de eerste database opslaat; waarbij stap xl het aanslaan van een veelvoud van medicijnen in het kassasysteem omvat, stap 5 x2 het door het kassasysteem op automatisch wijze doorgeven van informatie over het veelvoud van medicijnen die bij het kassasysteem zijn aangeslagen aan het computersysteem omvat, stap x3 het genereren van de code omvat die geassocieerd is met de informatie over het aangeslagen veelvoud van medicijnen, stap x6 het door het computersysteem op basis 10 van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code aan een invoerentiteit verschaffen van informatie over het bij het kassasystyeem aangeslagen veelvoud van medicijnen omvat en stap x7 het door de een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6 bij het computersysteem selecteren van een identiteit van teminste een patiënt en 15 tenminste een medicijn van het veelvoud van medicijnen omvat indien dit geselecteerde tenminste ene medicijn door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het tenminste ene medicijn gekoppeld aan de geselecteerde identiteit van de tenminste ene patiënt in de eerste database opslaat.. 20
2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat stap x3 de volgende stappen omvat: x3.1: het door het computersysteem genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie die in stap x2 is ontvangen van het 25 kassasysteem over het aangeslagen tenminste ene medicijn; x3.2: het door het computersysteem toevoeren van de gegenereerde code aan het kassasysteem; en dat stap x4 het door het kassasysteem verschaffen van de van het computersysteem ontvangen code aan de klant omvat. 30
3. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat stap x3 de volgende stappen omvat: x3.1: het door het kassasysteem genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene 5 medicijn; x3.2: het door het kassasysteem toevoeren van de gegenereerde code aan het computersysteem zodat na het uitvoeren van stap x3.2 en stap x2 het computersysteem de code en de daarmee geassocieerde informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen medicijn omvat; 10 en dat stap x4 het door het kassasysteem verschaffen van de door het kassasysteem gegenereerde code aan de klant omvat.
4. Werkwijze volgens conclusie 1, 2 of 3, met het kenmerk, dat in stap x6 het computersysteem de informatie over het tenminste ene medicijn en 15 in het bijzonder een veelvoud van medicijnen die zijn geassocieerd met de code toont aan een invoerentiteit in een separatie lijstpatiënt.
5. Werkwijze volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat in stap x7 een invoerentiteit zoals de patiënt, de klant, een arts of een zorginstelling, 20 in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem aangeeft dat het in de separate lijst opgeslagen medicijn wordt gebruikt door de tenminste ene patiënt waarvan de identiteit ook in stap 7 wordt geselecteerd, waarna informatie over het gebruik door de geselecteerde patiënt tenminste ene patiënt van de persoonlijke medicatie behorende bij 25 het tenminste ene medicijn wordt opgeslagen in de eerste database en waarbij in het bijzonder tenminste een medicijn waarvan wordt aangegeven dat het wordt gebruikt uit de lijst wordt verwijderd. 30
6. Werkwijze volgens tenminste één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat in stap x5 de code door het kassasysteen wordt geprint, bijvoorkeur op de kassabon voor het gekochte tenminste ene medicijn.
7. Werkwijze volgens tenminste één der voorgaande conclusies waarbij de werkwijze voorts omvat: b. het gebruik maken van een tweede database van het computersysteem waarin standaard informatie van bekende medicaties zijn opgeslagen waarbij in stap a. de patiënt gebruik maakt van de standaard 10 informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database.
8. Werkwijze volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat in stap a. informatie over het gebruik van een medicatie door de patiënt volgens standaardinformatie uit de tweede database over de in te voeren medicatie, 15 in de eerste database wordt opgeslagen.
9. Werkwijze volgens tenminste één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat bij het invoeren van de informatie over het gebruik van de medicatie door de patiënt, het computersysteem aan de hand van een door 20 de patiënt bij het computersysteem ingevoerd trefwoord een lijst met informatie over mogelijke medicaties genereert en toont aan de patiënt, waarna de patiënt uit de lijst een medicatie kiest die overeenkomt met de medicatie die hij gebruikt waarna de geselecteerde informatie over de medicatie gekoppeld aan de identiteit van de patiënt in de vorm van 25 standaard informatie in de eerste database wordt opgeslagen.
10. Werkwijze volgens tenminste één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de patiënt van een medicatie die hij gebruikt of gebruikt heeft ook informatie invoert over de frequentie van inname van de 30 medicatie, de toedieningsvorm van de medicatie, de sterkte van de medicatie, het gebruik van de medicatie (bijvoorbeeld de periode van inname van de medicatie), de herkomst van de medicatie (leverancier), het merk van de medicatie, informatie over een houdbaarheidsperiode van de medicatie, en/of een identiteit van een persoon zoals een dokter of 5 apotheker, zorginstelling, apotheek en/of ziekenhuis die de medicatie heeft voorgeschreven.
11. Werkwijze volgens tenminste één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de eerste database in een stap c. initieel wordt gevuld met 10 informatie van de patiënt door een eerste entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling waarna de eerste entiteit, bijvoorbeeld wanneer de patiënt aangeeft dit te willen, toegang verschaft aan de patiënt tot zijn informatie in de eerste database of dat de eerste database in een stap c. initieel wordt gevuld door de patiënt 15 met informatie van de patiënt.
12. Werkwijze volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de eerste database in een stap d. door de eerste entiteit of door de patiënt wordt gevuld met informatie over de identiteit van de patiënt. 20
13. Werkwijze volgens conclusie 11 of 12, met het kenmerk, dat in een stap e. door de eerste entiteit of door de patiënt informatie over het gebruik van de persoonlijke medicatie en/of andere informatie over de patiënt zoals informatie over onderzoeken die bij de patiënt bijvoorbeeld door de eerste 25 entiteit zijn uitgevoerd gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt in de eerste database wordt opgeslagen.
14. Werkwijze volgens tenminste conclusies 7 en 13, met het kenmerk, dat in stap e. de eerste entiteit of de patiënt gebruikmaakt van de standaard 30 informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database.
15. Werkwijze volgens één der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de patiënt toegang verschaft tot zijn informatie in de eerste database aan een tweede entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling waarbij in het bijzonder de 5 patiënt ook aangeeft tot welke informatie de patiënt toegang verschaft aan de betreffende tweede entiteit.
16. Werkwijze volgens tenminste conclusie 7, met het kenmerk, dat de tweede database de G-standaard omvat waarbij de patiënt in stap a. en/of 10 de eerste entiteit in stap e. van conclusie 14 gebruik maakt van de G-standaard voor het vullen van de eerste database.
17. Werkwijze volgens ten minste conclusie 11, met het kenmerk, dat de eerste entiteit aan de patiënt toegang verschaft om via internet de eerste 15 database te benaderen door het verschaffen van een toegangscode aan de patiënt.
18. Werkwijze volgens ten minste conclusie 15, met het kenmerk, dat de patiënt aan de tweede entiteit toegang verschaft tot zijn informatie in de 20 eerste database door zijn informatie met een password te beschermen welke hij aan de tweede entiteit geeft.
19. Werkwijze volgens ten minste conclusie 11, met het kenmerk, dat het computersysteem, bij het uitvoeren van stap c. door de eerste entiteit, 25 een toegangscode genereert en te verschaffen aan de eerste entiteit waarbij het de bedoeling is dat de eerste entiteit deze toegangscode aan de patiënt geeft en waarbij de patiënt zijn gegevens in de eerste database bij voorkeur via internet kan benaderen door de toegangscode bij het computersysteem in te voeren en waarbij na het uitvoeren van stap c. door de eerste entiteit 30 de eerste entiteit automatisch gemachtigd is tot toegang van de gegevens van de patiënt die in de eerste database zijn en/of nog worden opgeslagen waarbij in overleg met de patiënt bij het uitvoeren van stap c door de eerste entiteit direct kan worden ingevoerd in het computersysteem of de machtiging voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd is en wat de aard is van de 5 machtiging zoals alleen lezen, lezen en schrijven, volledige toegang of toegang tot een deel van de informatie van de patiënt en/of met het kenmerk dat het initieel vullen van de database met gegevens van de patiënt in stap c. door de patiënt wordt uitgevoerd.
20. Registratiesysteem omvattende een computersysteem voorzien van de eerste database volgens tenminste één der voorgaande conclusies en het kassasysteem volgens een der voorgaande conclusies waarbij het registratiesysteem is ingericht voor het uitvoeren van een werkwijze volgens een der voorgaande conclusies. 15
21. Registratiesysteem omvattende een computersysteem voor het aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier voorzien van een eerste database waarbij het computersysteem dusdanig is ingericht dat de volgende stap kan worden uitgevoerd: 20. door een invoerentiteit zoals een patiënt, een andere persoon en/of instelling wordt informatie over het gebruik van persoonlijke medicatie van de patiënt gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt in de eerste database opgeslagen, met het kenmerk, dat het registratiesysteem verder is voorzien van een kassasysteem waarbij het registratiesysteem is 25 ingericht om het kassasysteem communicatief met het computersysteem te verbinden, waarbij het registratiesysteem is ingericht om, in gebruik, met behulp van het registratiesysteem de volgende werkwijze stappen te kunnen uitvoeren: xl: het aanslaan van tenminste een medicijn dat door een klant wordt gekocht bij het kassasysteem waarbij het kassasysteem is voorzien van informatie over mogelijk te kopen medicijnen; x2: het door het kassasysteem op automatisch wijze doorgeven van 5 informatie over het tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen medicijn aan het computersysteem; x3: het door het registratiesysteem genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn; 10 x4: het door het kassasysteem verschaffen van de gegenereerde code aan de klant; x5: het invoeren van de code die van het kassasysteem in stap x4 is ontvangen in het computersysteem door een invoerentiteit zoals de klant of de patiënt; 15 x6: het door het computersysteem op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code aan een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x5 verschaffen van informatie over het bij het kassasysteem aangeslagen tenminste ene medicijn; x7: het door een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap 20 x6, bij het computersysteem selecteren van tenminste een identiteit van een patiënt en het tenminste ene medicijn indien deze door de tenminste ene patiënt zal worden gebruikt, waarna het computersysteem de geselecteerde informatie over het medicijn gekoppeld aan de geselecteerde identiteit van de tenminste ene patiënt in de eerste database opslaat; 25 waarbij, het registratiesysteem dusdanig is ingericht dat, in gebruik, volgens stap xl het aanslaan van een veelvoud van medicijnen bij het kassasysteem kan worden uitgevoerd, volgens stap x2 het kassasysteem op automatisch wijze informatie over het veelvoud van medicijnen die bij het kassasysteem zijn aangeslagen doorgeeft aan het computersysteem, volgens 30 stap x3 door het registratiesysteem de code kan worden gegenereerd die geassocieerd is met de informatie over het aangeslagen veelvoud van medicijnen, volgens de stap x6 op automatische wijze op basis van de in stap x5 bij het computersysteem ingevoerde code door het computersysteem aan de invoerentiteit van stap x5 informatie kan worden verschaft over het bij 5 het kassasysteem aangeslagen veelvoud van medicijnen en volgens de stap x7 het door een invoerentiteit, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6 bij het computersysteem een identiteit van tenminste een patiënt kan worden geselecteerd en tenminste een medicijn van het veelvoud van medicijnen kunnen worden geselecteerd die door de tenminste ene patiënt 10 zal worden gebruikt waarna, in gebruik, het computersysteem de geselecteerde informatie over het tenminste ene medicijn gekoppeld aan de geselecteerde identiteit van de patiënt in de eerste database opslaat.
22. Registratiesysteem volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat het 15 registratiesysteem dusdanig is ingericht dat stap x3 een stap x3.1 en x3.2 omvat waarbij stap x3.1 het door het computersysteem in reactie op de in stap x2 ontvangen informatie genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie die is ontvangen van het kassasysteem over het aangeslagen tenminste ene medicijn omvat; en 20 stap x3.2 het door het computersysteem toevoeren van de gegenereerde code aan het kassasysteem omvat; waarbij stap x5 het door het kassasysteem verschaffen van de van het computersysteem ontvangen code aan de klant omvat.
23. Registratiesysteem volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat het registratiesysteem dusdanig is ingericht dat stap x3 een stap x3.1 en x3.2 omvat waarbij stap x3.1 het door het kassasysteem genereren van een code die wordt geassocieerd met de informatie over het aangeslagen tenminste ene medicijn omvat; en stap x3.2 het door het kassasysteem toevoeren van de gegenereerde code aan het computersysteem omvat zodat na het uitvoeren van stap x3.2 en stap x2 het computersysteem de code en de daarmee geassocieerde informatie over net tenminste ene bij het kassasysteem aangeslagen 5 medicijn omvat; en dat stap x4 het door het kassasysteem verschaffen van de door het kassasysteem gegenereerde code aan de klant omvat.
24. Registratiesysteem volgens een der conclusies 21-23, met het 10 kenmerk, dat het registratiesysteem dusdanig is ingericht dat in stap x6 het computersysteem de informatie over het tenminste ene medicijn en in het bijzonder een veelvoud van medicijnen die zijn geassocieerd met de code toont aan een invoerentiteit in een separatie lijst.
25. Registratiesysteem volgens conclusie 24, met het kenmerk, het registratiesysteem dusdanig is ingericht dat in stap x7 een invoerentiteit zoals de patiënt, de klant, een arts of een zorginstelling, in het bijzonder de invoerentiteit van stap x6, bij het computersysteem kan aangeven dat het in de separate lijst opgeslagen medicijn wordt gebruikt door de tenminste ene 20 patiënt waarvan in stap 7 de indentiteit ook wordt geselecteerd waarna informatie over het gebruik door de geselecteerde tenminste ene patiënt van de persoonlijke medicatie behorende bij het tenminste ene medicijn wordt opgeslagen in de eerste database en waarbij in het bijzonder tenminste een medicijn waarvan wordt aangegeven dat het wordt gebruikt uit de lijst 25 wordt verwijderd.
26. Registratiesysteem volgens tenminste één der voorgaande conclusies 21-25, met het kenmerk, dat het registratiesysteem dusdanig is ingericht dat, in gebruik, volgens de stap x4 de code door het kassasysteem wordt geprint, bij voorkeur op de kassabon voor het gekochte tenminste ene medicijn.
27. Registratiesysteem volgens tenminste eén der voorgaande 5 conclusies 21-26, met het kenmerk, dat het computersysteem verder is voorzien van een tweede database waarbij in de tweede database standaard informatie van bekende medicaties zijn opgeslagen waarbij het computersysteem is ingericht om in stap a. de patiënt gebruik te laten maken van de standaard informatie uit de tweede database voor het vullen 10 van de eerste database.
28. Registratiesysteem volgens conclusie 27, met het kenmerk, dat het computersysteem is ingericht om in stap a. informatie over het gebruik van een medicatie door de patiënt volgens standaardinformatie uit de tweede 15 database over de in te voeren medicatie, in de eerste database op te slaan.
29. Registratiesysteem volgens tenminste één der conclusies 21-28, met het kenmerk, dat het computersysteem is ingericht om bij het invoeren van de informatie over het gebruik van de medicatie door de patiënt, aan de 20 hand van een door de patiënt bij het computersysteem ingevoerd trefwoord een lijst met informatie over mogelijke medicaties te genereren en te tonen aan de patiënt, waarna de patiënt uit de lijst een medicatie kan kiezen die overeenkomt met de medicatie die hij gebruikt waarbij het computersysteem is ingericht om de geselecteerde informatie over de 25 medicatie gekoppeld aan de identiteit van de patiënt in de vorm van standaard informatie in de eerste database op te slaan.
30. Registratiesysteem volgens tenminste één der conclusies 21-29, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de 30 patiënt van een medicatie die hij gebruikt of gebruikt heeft ook informatie kan invoeren over de frequentie van inname van de medicatie, de toedieningsvorm van de medicatie, de sterkte van de medicatie, het gebruik van de medicatie (bijvoorbeeld de periode van inname van de medicatie), de herkomst van de medicatie (leverancier), het merk van de medicatie, 5 informatie over een houdbaarheidsperiode van de medicatie, en/of een identiteit van een persoon zoals een dokter of apotheker, zorginstelling, apotheek en/of ziekenhuis die de medicatie heeft voor geschreven.
31. Registratiesysteem volgens tenminste één der voorgaande 10 conclusies 21-30, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de eerste database in een stap c. initieel kan worden gevuld met informatie van de patiënt door een eerste entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling en waarbij het computersysteem dusdanig is ingericht dat de eerste entiteit, 15 bijvoorbeeld wanneer de patiënt aangeeft dit te willen, toegang kan verschaffen aan de patiënt tot zijn informatie in de eerste database en/of dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de eerste database in een stap c. initieel kan worden gevuld met informatie van de patiënt door de patiënt. 20
32. Registratiesysteem volgens conclusie 31, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de eerste database in een stap d. door de eerste entiteit en/of door de patiënt kan worden gevuld met informatie over de identiteit van de patiënt. 25
33. Registratiesysteem volgens conclusie 31 of 32, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat in een stap e. door de eerste entiteit en/of de patiënt informatie over het gebruik van de persoonlijke medicatie en/of andere informatie over de patiënt zoals 30 informatie over onderzoeken die bij de patiënt bijvoorbeeld door de eerste entiteit zijn uitgevoerd gekoppeld aan informatie over de identiteit van de patiënt in de eerste database kan worden opgeslagen.
34. Registratiesysteem volgens conclusie 33, met het kenmerk, dat het 5 computersysteem dusdanig is ingericht dat in stap e. de eerste entiteit en/of de patiënt gebruik kan maken van de standaard informatie uit de tweede database voor het vullen van de eerste database.
35 Registratiesysteem volgens tenminste één der voorgaande 10 conclusies 21-34, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de patiënt toegang kan verschaffen tot zijn informatie in de eerste database aan een tweede entiteit zoals een arts en/of apotheek en/of apotheker en/of ziekenhuis en/of zorginstelling waarbij in het bijzonder de patiënt ook kan aangeven tot welke informatie de patiënt toegang verschaft 15 aan de betreffende tweede entiteit.
36. Computersysteem volgens conclusie 27 en eventueel tenminste één der voorgaande conclusies 21-26, 28-35, met het kenmerk, dat de tweede database de G-standaard omvat waarbij het computersysteem dusdanig is 20 ingericht dat de patiënt in stap a. en/of de eerste entiteit in stap e. van conclusie 34 gebruik kan maken van de G-standaard voor het vullen van de eerste database.
37. Registratiesysteem volgens tenminste conclusie 31 en eventueel 25 tenminste één der voorgaande conclusies 21-30, 32-36, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de eerste entiteit aan de patiënt toegang kan verschaffen om via internet de eerste database te benaderen door het verschaffen van een toegangscode aan de patiënt.
38. Registratiesysteem volgens tenminste conclusie 35 en eventueel tenminste een der voorgaande conclusies 21-34, 36-37, met het kenmerk, dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat de patiënt aan de tweede entiteit toegang kan verschaffen tot zijn informatie in de eerste database 5 door zijn informatie met een password te beschermen welke hij aan de tweede entiteit geeft.
39. Registratiesysteem volgens tenminste conclusie 31 en eventueel tenminste een der voorgaande conclusies 21-30, 32-38, met het kenmerk, dat 10 het computersysteem dusdanig is ingericht dat het computersysteem bij het uitvoeren van stap c. door de eerste entiteit, een toegangscode genereert en verschaft aan de eerste entiteit waarbij het de bedoeling is dat de eerste entiteit deze toegangscode aan de patiënt geeft en waarbij het computersysteem dusdanig is ingericht dat de patiënt zijn gegevens in de 15 eerste database bij voorkeur via internet kan benaderen door de toegangscode bij het computersysteem in te voeren en waarbij na het uitvoeren van stap c. door de eerste entiteit de eerste entiteit automatisch gemachtigd is tot de toegang van de gegevens van de patiënt in de eerste database zijn opgeslagen en/of nog worden opgeslagen waarbij het computer 20 systeem verder dusdanig is ingericht dat in overleg met de patiënt bij het uitvoeren van stap c. door de eerste entiteit direct kan worden ingevoerd in het computersysteem of de automatische machtiging voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd is en wat de aard is van de automatische machtiging zoals alleen lezen, lezen en schrijven, volledige toegang of toegang tot een deel 25 van de informatie van de patiënt en/of met het kenmerk dat het computersysteem dusdanig is ingericht dat het initieel vullen van de database met gegevens van de patiënt in stap c. door de patiënt kan worden uitgevoerd.
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2010501A NL2010501C2 (nl) | 2013-03-14 | 2013-03-21 | Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. |
| DE202014010548.0U DE202014010548U1 (de) | 2013-03-14 | 2014-03-14 | Registrierungssystem zum Anlegen und/oder Führen einer persönlichen Medikationsakte mithilfe eines Rechnersystems |
| PCT/NL2014/050156 WO2014142667A1 (en) | 2013-03-14 | 2014-03-14 | Method for creating and/or keeping a personal medication file with the aid of a computer system |
Applications Claiming Priority (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2010452 | 2013-03-14 | ||
| NL2010452 | 2013-03-14 | ||
| NL2010501A NL2010501C2 (nl) | 2013-03-14 | 2013-03-21 | Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. |
| NL2010501 | 2013-03-21 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2010501C2 true NL2010501C2 (nl) | 2014-04-14 |
Family
ID=50397220
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2010501A NL2010501C2 (nl) | 2013-03-14 | 2013-03-21 | Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| DE (1) | DE202014010548U1 (nl) |
| NL (1) | NL2010501C2 (nl) |
| WO (1) | WO2014142667A1 (nl) |
Citations (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| WO2003050729A2 (en) * | 2001-12-12 | 2003-06-19 | Euro-Celtique S.A. | Medical after sales support |
| US20050027560A1 (en) * | 2003-07-28 | 2005-02-03 | Deborah Cook | Interactive multi-user medication and medical history management method |
| US20080306769A1 (en) * | 2007-06-06 | 2008-12-11 | Catalina Marketing Corporation, A Delaware Corporation | Pos printing triggered by pharmacy prescription orders |
| DE202011107588U1 (de) * | 2010-11-08 | 2012-03-06 | Consumer Health Entrepreneurs B.V. | System zum Erstellen und/oder Führen einer persönlichen Medikationsakte mithilfe eines Computersystems |
-
2013
- 2013-03-21 NL NL2010501A patent/NL2010501C2/nl active
-
2014
- 2014-03-14 WO PCT/NL2014/050156 patent/WO2014142667A1/en not_active Ceased
- 2014-03-14 DE DE202014010548.0U patent/DE202014010548U1/de not_active Expired - Lifetime
Patent Citations (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| WO2003050729A2 (en) * | 2001-12-12 | 2003-06-19 | Euro-Celtique S.A. | Medical after sales support |
| US20050027560A1 (en) * | 2003-07-28 | 2005-02-03 | Deborah Cook | Interactive multi-user medication and medical history management method |
| US20080306769A1 (en) * | 2007-06-06 | 2008-12-11 | Catalina Marketing Corporation, A Delaware Corporation | Pos printing triggered by pharmacy prescription orders |
| DE202011107588U1 (de) * | 2010-11-08 | 2012-03-06 | Consumer Health Entrepreneurs B.V. | System zum Erstellen und/oder Führen einer persönlichen Medikationsakte mithilfe eines Computersystems |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| WO2014142667A1 (en) | 2014-09-18 |
| DE202014010548U1 (de) | 2015-12-10 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US12548079B2 (en) | Systems and methods for determining and communicating patient incentive information to a prescriber | |
| EP1381995B1 (en) | Improvements relating to information management systems | |
| US11393580B2 (en) | Systems and methods for determining and communicating a prescription benefit coverage denial to a prescriber | |
| US8615413B2 (en) | Integrated electronic patient health care and billing coordination system | |
| US9959385B2 (en) | Messaging within a multi-access health care provider portal | |
| CN114730620A (zh) | 电子健康记录数据区块链系统和方法 | |
| US20050261940A1 (en) | Method and apparatus for managing drug inventory at point of care | |
| US11354623B2 (en) | Remotely diagnosing conditions and providing prescriptions using a multi-access health care provider portal | |
| JP2023058016A (ja) | 医薬品販売システム、医薬品販売サーバ、医薬品販売方法、及び医薬品販売プログラム | |
| NL2007735C2 (nl) | Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. | |
| US20100293001A1 (en) | Method and System to Create a National Health Information Infrastructure | |
| NL2010501C2 (nl) | Werkwijze voor het met behulp van een computersysteem aanmaken en/of bijhouden van een persoonlijk medicatiedossier. | |
| JP2001357131A (ja) | 通信ネットワークを介して漢方薬の処方を提供する方法 | |
| JP2004118351A (ja) | 医薬品検索情報提供システム | |
| US20210225474A1 (en) | Electronic prescription voucher system and method of generating electronic prescription voucher | |
| US20220261870A1 (en) | System and method for providing drug pricing information | |
| US20090112628A1 (en) | Method and system to create a national health information infrastructure | |
| JP2026025846A (ja) | サーバ、情報処理システム、情報処理方法及びプログラム | |
| JP7663180B2 (ja) | 情報処理装置及びプログラム | |
| GB2376109A (en) | Improvements relating to information management systems | |
| JP5946160B1 (ja) | 残薬調整支援装置、残薬調整支援プログラム及び残薬調整の支援方法、並びに服薬通知管理装置及び残薬調整方法 | |
| ZA200301577B (en) | Improvements relating to information management systems. | |
| HK1059664B (en) | Improvements relating to information management systems | |
| CA2467627A1 (en) | Method and apparatus for managing drug inventory at point of care |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD | Change of ownership |
Owner name: ZD EXPLOITATIE B.V.; NL Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), ASSIGNMENT; FORMER OWNER NAME: CONSUMER HEALTH ENTREPRENEURS B.V. Effective date: 20180313 |
|
| PD | Change of ownership |
Owner name: CONSUMER HEALTH ENTREPRENEURS B.V.; NL Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), ASSIGNMENT; FORMER OWNER NAME: ZD EXPLOITATIE B.V. Effective date: 20230508 |