NL2000990C2 - Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor. - Google Patents

Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor. Download PDF

Info

Publication number
NL2000990C2
NL2000990C2 NL2000990A NL2000990A NL2000990C2 NL 2000990 C2 NL2000990 C2 NL 2000990C2 NL 2000990 A NL2000990 A NL 2000990A NL 2000990 A NL2000990 A NL 2000990A NL 2000990 C2 NL2000990 C2 NL 2000990C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
pleat
curtain
length
pleated
depth
Prior art date
Application number
NL2000990A
Other languages
English (en)
Inventor
Gustaaf Josephus Eisenkolb
Original Assignee
Securo B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Securo B V filed Critical Securo B V
Priority to NL2000990A priority Critical patent/NL2000990C2/nl
Priority to PL08846913T priority patent/PL2211669T3/pl
Priority to EP08846913.5A priority patent/EP2211669B1/en
Priority to PCT/NL2008/050701 priority patent/WO2009061189A1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2000990C2 publication Critical patent/NL2000990C2/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A47FURNITURE; DOMESTIC ARTICLES OR APPLIANCES; COFFEE MILLS; SPICE MILLS; SUCTION CLEANERS IN GENERAL
    • A47HFURNISHINGS FOR WINDOWS OR DOORS
    • A47H13/00Fastening curtains on curtain rods or rails
    • A47H13/14Means for forming pleats

Landscapes

  • Treatment Of Fiber Materials (AREA)
  • Curtains And Furnishings For Windows Or Doors (AREA)

Description

WERKWIJZE VOOR HET VERVAARDIGEN VAN EEN GEPLOOID GORDIJN EN INRICHTING GESCHIKT DAARVOOR
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een werkwijze 5 voor het vervaardigen van een geplooid gordijn met een vooraf bepaald aantal plooien met een vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden gordijnbanen. De uitvinding heeft voorts 10 betrekking op een inrichting voor het vervaardigen van dergelijke gordijnen.
Een dergelijke werkwijze en inrichting zijn algemeen bekend.
15 Ter verfraaiing van het uiterlijk van een gordijn worden doorgaans plooien aangebracht in de gordijnstof, waarbij deze plooien zorgen voor een mooie val van het gordijn wanneer dit gesloten is. Afhankelijk van het type plooi is er voor het vervaardigen van een gordijn met een bepaalde 20 geplooide lengte, dat wil zeggen de lengte die het gordijn in gesloten toestand zal bedekken, een grotere ongeplooide lengte gordijnstof nodig, daar deze plooien extra stof vereisen. Het zal duidelijk zijn dat voor een gordijn met dezelfde geplooide lengte met een complexere plooi, 25 bijvoorbeeld een double, ook wel vlinder, of triple plooi, meer stof vereist is dan een met een enkele plooi. De hoeveelheid stof nodig voor het creëren van een plooi wordt doorgaans de plooilengte genoemd.
30 Een plooi wordt aangebracht in een gordijn door, afhankelijk van het type plooi, een hoeveelheid gordijnstof dubbel te nemen en deze als lus ten minste aan de bovenzijde van het gordijn te verbinden door bijvoorbeeld stikken. Daar de plooi zoals opgemerkt doorgaans alleen aan de bovenzijde is 2 gestikt, zal de onderzijde van het gordijn uitwaaieren, waardoor een mooie val van het gordijn verkregen wordt.
Naast het type plooi zijn er bij het vervaardigen van een 5 gordijn nog een aantal parameters die het uiterlijk van het gordijn bepalen van belang. Naast het type stof en de lengte van het gordijn in geplooide toestand zijn ook de plooiafstand en de plooidiepte van belang. De plooiafstand bepaalt de afstand tussen onderlinge plooien in het gordijn 10 en de plooidiepte bepaalt lengte van de plooi loodrecht op het vlak van het gordijn. Het zal duidelijk zijn dat uit deze gegevens het aantal plooien van het gordijn volgt, hoewel het, zoals de vakman zal begrijpen, ook mogelijk kan zijn dat het aantal plooien eerst bepaald wordt, waaruit aan 15 de hand van de gordijnlengte de plooiafstand zal volgen.
Daar een stuk gordijnstof niet onbeperkt lang is, worden bij de vervaardiging van grotere gordijnen doorgaans meerdere stukken stof, ofwel gordijnbanen, aan elkaar verbonden. Deze 20 gordijnbanen hoeven niet van een zelfde lengte te zijn, daar het voordelig kan zijn overgebleven stukken stof uit een ander gordijn te verwerken in het gordijn. Bovendien worden de gordijnbanen aan de randen van het gordijn doorgaans voorzien van zomen, wat de lengte van in ieder geval de 25 buitenste gordijnbanen in een gordijn afwijkend maakt.
Het is een doel van de onderhavige uitvinding te voorzien in een efficiënte, flexibele en/of eenvoudige werkwijze voor het bij voorkeur machinaal vervaardigen van een geplooid 30 gordijn, waarbij het uiterlijk van het vervaardigde gordijn verbeterd wordt.
3
Daartoe heeft de werkwijze van de in de aanhef genoemde soort als bijzonderheid dat de plooidiepte per gordijnbaan zodanig wordt gecorrigeerd dat de verbindingsranden nagenoeg gehele plooien of plooiafstanden omvatten, waarbij de 5 plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft. Hiermee is er voorzien in een werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn, waarbij iedere gordijnbaan gehele plooien en plooiafstanden omvat, waarbij de gordijnbaan geen onvoltooide plooi of plooiafstand aan 10 het begin of eind van de gordijnbaan omvat.
In andere woorden, de plooidieptes en daarmee de plooilengtes van de plooien in de afzonderlijke plooibanen worden zodanig gecorrigeerd dat er geen materiaal overblijft 15 na het aanbrengen van de laatste plooi of plooiafstand in een gordijnbaan. Door het aanpassen van de plooidieptes van de plooien in een gordijnbaan kan de hoeveelheid stof vereist voor een enkele plooi zodanig aangepast worden dat een heel aantal plooien en plooiafstanden in een gordijnbaan 20 aangebracht kunnen worden. Dit heeft tot gevolg dat iedere verbinding tussen twee gordijnbanen zich nagenoeg uitstrekt aanliggend aan een plooi, daar iedere gordijnbaan begint en eindigt met ofwel een gehele plooi of een gehele plooiafstand.
25
Deze intelligente plooiberekening heeft als voordeel dat de verbinding tussen twee gordijnbanen, die als hinderlijke onderbreking in het beeld van het gordijn ervaren kunnen worden, valt tussen twee plooien en daarbij wegvalt achter 30 de plooi, althans aan de bovenzijde van het gordijn waar deze plooien door bijvoorbeeld stikken gevormd zijn. Het zal duidelijk zijn dat dit het aanzicht van het gordijn verbetert ten opzichte van gordijnen verkregen volgens de 4 bekende werkwijze waar de plaats van de verbindingen tussen gordijnbanen afhankelijk is van de lengte van de gordijnbaan. Zo kan een verbinding uitkomen midden tussen twee plooien in de plooiafstand, waardoor deze verbinding 5 zeer goed zichtbaar is, of uitkomen in een plooi, waardoor het aanzicht van deze plooi verandert door de verbinding aldaar.
In een voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze voor het 10 vervaardigen van een geplooid gordijn volgens de uitvinding omvat het corrigeren van de plooidiepte het bepalen van een plooibeeld, waarbij het plooibeeld de lengte van materiaal benodigd voor een plooi, ofwel een plooilengte, en een plooiafstand omvat, en omvat het bepalen van een reststof, 15 waarbij de reststof de resterende lengte stof na het laatste gehele plooibeeld in een gordijnbaan omvat. Bij voorkeur omvat het bepalen van de reststof het bepalen van het gehele aantal plooibeelden in een gordijnbaan. Anders gezegd omvat het plooibeeld een enkele plooilengte en de bijbehorende 20 plooiafstand na deze plooi, waarbij een gordijnbaan meerdere plooibeelden omvat: λ , ,, Lengte_gordijnbaan
AantalJPlootbeelden =-
Plooibeeld 25 Aan de hand van de lengte van de gordijnbaan en de lengte van het plooibeeld wordt het restant aan stof, de reststof, bepaald die over blijft wanneer het maximaal aantal gehele plooibeelden in een gordijnbaan gemaakt zou worden: 30 reststof = Lengte _gordijnbaan —(Aantal_Plooibeelden x Plooibeeld) 5
Daar een gordijnbaan moet eindigen met een nagenoeg gehele plooi of plooiafstand, is deze reststof een maat voor het corrigeren van de plooidiepte, waarbij deze reststof als het ware verdeeld wordt over het aantal plooien in een 5 gordijnbaan. Het zal duidelijk zijn dat de reststof altijd kleiner is dan het plooibeeld.
Onder gehele plooien, plooiafstanden of plooibeelden moet in dit verband verstaan worden dat het gehele element, plooi of 10 plooiafstand bijvoorbeeld, vervaardigd is in de gordijnbaan, en er dus geen afgebroken elementen ontstaan omdat er geen voldoende stof meer is voor het vervaardigen van een dergelijk element.
15 In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn overeenkomstig de uitvinding omvat het corrigeren van de plooidiepte het bepalen van de correctiediepte per plooi, waarbij de correctiediepte proportioneel is aan het aantal 20 plooien in de gordijnbaan en de reststof van de gordijnbaan. De te corrigeren reststof wordt op deze wijze als het ware verdeeld over alle plooien in een gordijnbaan, waardoor de correctie van de afzonderlijke plooien minimaal is, wat het aanzicht van het gordijn ten goede komt. Het bepalen van de 25 genoemde correctiediepte zal verderop nader besproken worden.
In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn 30 overeenkomstig de uitvinding omvat het corrigeren van de plooidiepte het vergroten van de plooidiepte in een gordijnbaan wanneer de reststof valt binnen een eerste lengtehelft van respectievelijk de plooilengte of 6 plooiafstand van het plooibeeld en omvat het corrigeren het verkleinen van de plooidiepte in een gordijnbaan wanneer de reststof valt binnen een tweede lengtehelft van respectievelijk de plooilengte of plooiafstand van het 5 plooibeeld. Een dergelijke correctie bewerkstelligt het verplaatsen van de verbinding met de volgende gordijnbaan ofwel voor ofwel achter de eerstvolgende plooi of plooiafstand, afhankelijk van welke verplaatsing minder correctie vereist.
10
Wanneer zou blijken dat de verbinding in een eerste helft van een plooi zou vallen, is het voordelig de plooidiepte en daarmee de plooilengte van de plooien in de gordijnbaan zodanig te vergroten waardoor de stof vereist voor een 15 plooibeeld vergroot wordt, dat deze verbinding nagenoeg precies voor de plooi valt. De aldus verkregen gordijnbaan eindigt hierna met een gehele plooiafstand, waarbij de volgende gordijnbaan zal beginnen met een plooi. Wanneer nu zou blijken dat de verbinding zou vallen in de eerste helft 20 van de plooiafstand, zullen de plooidieptes van de plooien in de baan vergroot worden zodanig dat deze verbinding nagenoeg precies na de laatste plooi valt. De gordijnbaan eindigt hierbij met een plooi, waardoor de volgende gordijnbaan zal moeten beginnen met een plooiafstand. Op 25 overeenkomstige wijze worden de plooidieptes verkleind wanneer zou blijken dat de verbindingen zouden vallen in de tweede helften van respectievelijk de plooilengte of de pi ooiafstand.
30 Door het aanpassen van de plooidieptes in een gordijnbaan kan de locatie van het einde van een gordijnbaan, waar deze verbonden gaat worden, verplaatst worden. Hierdoor is het mogelijk de verbindingen nagenoeg precies voor en achter de 7 plooien te laten vallen. Het zal de vakman duidelijk zijn dat een aldus verkregen gordijn gordijnbanen omvat met ieder verschillende plooidieptes. Echter, door het relatief groot aantal plooien per gordijnbaan ten opzichte van de te 5 corrigeren reststof, maximaal de helft van een plooiafstand of plooilengte, zal een dergelijke afwijkende plooidiepte niet opvallen.
In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze 10 voor het vervaardigen van een geplooid gordijn volgens de uitvinding omvat het verbinden van de gordijnbanen het aan elkaar naaien van de gordijnbanen, waarbij de ten minste een naad zich uitstrekt nagenoeg aanliggend aan een plooi.
15 In een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn overeenkomstig de uitvinding is er voorzien is in een marge tussen een verbindingsrand en een plooi. Bij voorkeur is de marge kleiner dan 20 mm, meer bij voorkeur kleiner dan 10 mm 20 en nog meer bij voorkeur ongeveer 5 mm. Het niet precies laten samenvallen van een plooi en een verbindingsrand of naad biedt voordelen wat betreft de sterkte van de verbinding. Doorgaans worden er ter plaatste van de plooi verbindingshaken bevestigd aan het gordijn om deze op te 25 kunnen hangen, bijvoorbeeld door het steken van pennen door de gordijnstof. Een dergelijke doorboring ter plaatste van een naad kan de sterkte van een verbinding benadelen. Het gebruik van een marge tussen de plooi en de naad lost dit probleem op.
Bij het corrigeren van de plooidiepte ter verplaatsing van de naad in het laatste plooibeeld moet rekening gehouden worden met een dergelijke marge. Hierbij kunnen zes gevallen 30 8 onderscheiden worden, afhankelijk van waar de naad zonder correctie zou vallen in het plooibeeld, dat wil zeggen: waar het einde van de reststof zou vallen in het plooibeeld.
5 Wanneer er is bepaald dat de naad in de plooi valt, wordt de restafstand vergeleken met de helft van de plooilengte. Wanneer blijkt dat reststof kleiner is dan de halve plooilengte dan ligt de naad in de voorste helft van de plooi en is er sprake van het eerste geval. Hieruit volgt, 10 zoals eerder besproken, dat de kortste verplaatsing van de naad voor de plooi ligt. Dit wil zeggen dat het volgende plooibeeld niet bij deze baan wordt gerekend. De naad wordt als het ware naar voren gecorrigeerd en dit gebeurt door de plooien in de baan dieper te maken, waarbij de plooilengte 15 langer/groter wordt. De hoeveelheid of verplaatsing is de restafstand. De naad ligt voor de plooi, dus de marge komt er bij als extra verplaatsing:
Verplaatsing = reststof + marge 20
Het aantal plooien waarover gecorrigeerd gaat worden is in dit geval het aantal plooibeelden in de gordijnbaan, aangezien het laatste plooibeeld zal eindigen met een plooiafstand: 25
Aantal_correctie _plooien = Aantal_plooibeelden Hiermee kan de nieuwe plooilengte berekend worden: ... _. ... ( Verplaatsing ' 30 Nieuwe ^Plooilengte = plooilengte + - ^ Aantaljcorrectie jplooien, 9
Opgemerkt moet worden dat deze laatste term in de bovenstaande vergelijking overeenkomt met de correctiediepte per plooi. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal plooien aanwezig in de gordijnbaan.
5
In het tweede geval wordt echter geconcludeerd dat de reststof groter is dan de helft van de plooilengte en dan ligt de naad in het achterste gedeelte van de plooi. De naad wordt dus naar achteren gecorrigeerd. Dit gebeurt door de 10 plooien in de baan minder diep te maken, de plooilengte wordt korter/kleiner. De hoeveelheid stof die verplaatst wordt is de plooilengte minus de reststof. De naad ligt nu achter de plooi, echter verplaatsen we ook de andere kant op. Dit houdt in dat de marge nog steeds opgeteld moet 15 worden als extra verplaatsing:
Verplaatsing = (plooilengte - reststof) + marg e
In dit geval valt het plooibeeld wel in desbetreffende baan, 20 waardoor deze meegenomen moet worden bij het corrigeren. De gordijnbaan eindigt hierbij met een plooi:
Aantal_correctie _plooien = Aantal_plooibeelden +1 25 Hiermee kan weer een nieuwe plooilengte berekend worden: ... ( Verplaatsing
Nieuwe^Plooilengte = Plooilengte - -
^ Aantal_correctie _plooien J
Wordt geconcludeerd dat de naad niet in de plooi maar in de 30 plooiafstand valt, dan wordt een andere correctie toegepast. Eerst wordt bekeken of de positie in de plooiafstand binnen 10 de marge valt. Hiervoor wordt reststof-plooilengte vergeleken met de marge. Is deze afstand kleiner dan de marge dan valt de naad tussen de eerstvolgende plooi en de marge, het derde geval.
5
Dit betekent dat de naad naar achteren toe gecorrigeerd wordt zodat deze achter de eerstvolgende plooi op de marge valt. De hoeveelheid stof die verplaatst wordt is de marge minus reststof-plooilengte. De marge is hierin verwerkt: 10
Verplaatsing = marg e- (reststof - plooilengte)
Aantal_correctie _plooien = Aantal_plooibeelden +1 15 Nieuwe_Plooilengte = plooilengte - -Verplaatsing- \ Aantal_correctie _plooien,
Wanneer is bepaald dat de naad niet in de plooi maar in de plooiafstand valt, wordt vervolgens bekeken of de positie in de plooiafstand binnen de achterste marge valt, waardoor er 20 sprake zou zijn van het vierde geval. Hiervoor wordt reststof-plooilengte vergeleken met de plooiafstand-marge.
Is deze eerste afstand groter, dan valt de naad in de marge voor de plooi van het volgende plooibeeld, wat inhoudt dat deze twee plooien verder valt.
25
Dit betekent dat de naad naar voren toe gecorrigeerd wordt zodat deze voor bovengenoemde plooi op de marge valt. De hoeveelheid stof die verplaatst wordt is de reststof-plooilengte minus de plooiafstand-marge. De marge is hierin 30 verwerkt: 11
Verplaatsing —(reststof — plooilengte)—(plooiafstand — marge)
Aantaljcorrectie _plooien = Aantal_plooibeelden +1 , , , ( Verplaatsen_naad ' 5 Nieuwe _ploouengte = plooilengte + - \ Aantaljcorrectie _plooien )
Wordt geconcludeerd dat de naad niet in de plooi maar in de plooiafstand valt, en valt deze naad niet binnen de marges, dan wordt een andere correctie toegepast. Eerst wordt de 10 positie in de plooiafstand bepaald door de plooilengte van reststof af te halen. Deze positie wordt vergeleken met de helft van de plooiafstand. Als de uitkomst van reststof-plooilengte kleiner is dan de helft van de plooiafstand dan valt de naad in de voorste helft van de plooiafstand en is 15 er sprake van het vijfde geval. Dit betekent dat de naad naar voren toe gecorrigeerd wordt zodat deze achter de eerstvolgende plooi valt. De hoeveelheid stof die verplaatst wordt is de reststof minus de plooilengte. Aangezien de marge nu negatief ligt ten opzichte van de verplaatsing 20 wordt deze eraf gehaald:
Verplaatsing = reststof -(plooiafstand + marge)
De volgende plooi valt binnen de baan, aangezien de naad 25 achter de volgende plooi ligt:
Aantaljcorrectie _plooien = Aantal _plooibeelden +1
Nieuw e_Plooilengte = plooilengte + -Verplaatsing- ^ Aantaljcorrectie _plooien, 12
Is de afstand reststof-plooilengte groter dan de helft van de plooiafstand dan valt de naad in de achterste helft van de plooiafstand, het zesde geval. Dit betekent dat de naad 5 naar achteren toe gecorrigeerd wordt zodat deze voor de plooi van het volgende plooibeeld valt, wat inhoudt dat deze twee plooien verder valt. De hoeveelheid stof die verplaatst wordt is de plooiafstand minus de reststof-plooilengte, dat wil zeggen de positie in de plooiafstand. De marge ligt nog 10 negatief ten opzichte van de verplaatsing dus deze wordt eraf gehaald:
Verplaatsing = (plooiafstand - (reststof - plooilengte)) — marge 15 De volgende plooi valt binnen de baan, aangezien de naad achter de volgende plooi ligt:
Aantal_correctie_plooien = Aantal_plooibeelden +1 20 Nieuwe_Plooilengte = plooilengte — -rplaa s g- ^ Aantal_correctie _plooien,
In een verdere voorkeursuitvoering van de werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn volgens de uitvinding omvat het corrigeren van de plooidiepte het bepalen van het 25 totaal aantal reeds gevormde plooien en lengte van de totaal resterende nog ongeplooide gordijnbanen. Wanneer nu de nieuwe plooilengte voor een gordijnbaan is bepaald, wordt het nieuwe plooibeeld bepaald aan de hand van deze correctiediepte. Met dit nieuwe plooibeeld wordt de 30 verbruikte stof voor de betreffende baan, in dit voorbeeld baan 1, bepaald: 13
Verbruikte _ stof _ baan _ 1 = Nieuwe _ Plooilbeeld x Aantal _ Correctie _ Plooien
Vervolgens wordt voor de volgende banen de resterende stof berekend aan de hand van de lengte van het gordijn in 5 ongeplooide toestand en de reeds geplooide stof van de reeds voltooide banen volgens de volgende algemene berekening, waarbij x de betreffende baan is:
Resterede_stof_baan_x = Gordijn _ Ongeplooid -('Verbruikte_stof _banen < x+ Lengte_banen > x) 10
Voor het bepalen van bijvoorbeeld de resterende stof in een derde gordijnbaan van in totaal vier banen met bepaalde lengte geldt de volgende bepaling:
Resterede_stof_baan_3 = Gordijn jOngeplooid -(Verbruikte_stof_baan_l + 15
Verbruikle_stof_baan2 + Lengte_baan_4)
Aan de hand van deze resterende stof kan een nieuwe plooidiepte worden bepaald voor de rest van het gordijn, uitgaande van de nog te maken plooiafstanden en plooien in 20 de resterende banen, die worden bepaald aan de hand van de reeds gemaakte correctieplooien:
Nieuwe _plooilengte_na_baan_X = (Gordijn_ongeplooid-(Verbruiktjbanen < X))—(Nog_te_maken_plooiafstanden*Plooiafstand)
Nog_te_maken _plooien 25 Met behulp van deze nieuwe plooilengte kan een nieuw plooibeeld worden bepaald, waarna de correctie voor de volgende baan weer kan beginnen door het bepalen van de restafstand zoals hierboven is beschreven. Dit procédé herhalend zullen alle gordijnbanen afgewerkt worden, 14 waardoor er voorzien wordt in een gordijn waarbij alle naden tussen de gordijnbanen met een marge voor of na de plooien vallen.
5 Opgemerkt moet worden dat de hierboven beschreven werkwijze bij voorkeur machinaal uitgevoerd wordt.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn met een vooraf 10 bepaald aantal plooien met een vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden gordijnbanen, waarbij de plooidiepte per gordijnbaan zodanig wordt gecorrigeerd dat de verbindingsranden zich uitstrekken 15 op een vooraf bepaalde locatie in de plooiafstand, waarbij de plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft. Op een zelfde wijze als hierboven beschreven kan hierbij een gordijn vervaardigd worden waarbij de naden tussen de verschillende gordijnbanen zich op vooraf bepaalde 20 locaties in het plooibeeld uitstrekken. Een dergelijke werkwijze kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden door de hierboven beschreven marges zodanig aan te passen dat de naden bijvoorbeeld precies tussen twee plooien in vallen.
25 De uitvinding heeft voorts betrekking op een inrichting voor het vervaardigen van een geplooid gordijn met een vooraf bepaald aantal plooien met vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden 30 gordijnbanen, waarbij de inrichting omvat aangrijpmiddelen voor het aangrijpen van de gordijnbanen om daarin plooien te vormen, transportmiddelen voor het transporteren van de gordijnbanen, verbindingsmiddelen voor het verbinden van de 15 gordijnbanen en ten minste een regelinrichting voor het aansturen van de aangrijpmiddelen, verbindingsmiddelen en transportmiddelen, waarbij de regelinrichting is ingericht om de plooidiepte per gordijnbaan zodanig te corrigeren dat 5 de verbindingsranden nagenoeg gehele plooien of plooiafstanden omvatten, waarbij de plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft.
De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van 10 een rekenvoorbeeld, waarbij als invoervariabelen voor het te fabriceren gordijn de lengte van het gordijn in geplooide toestand GG, de lengte in ongeplooide toestand GO en voorkeursplooiafstand PAV worden opgegeven, bovendien wordt er gekozen voor een triple-plooi: 15 GG = 2000 mm GO = 5250 mm PAV = 80 mm 20 Bovendien worden het aantal gordijnbanen AB en de lengtes van ieder van de gordijnbanen B_x bepaald, voorts wordt de marge S opgegeven: AB = 4 25 B_1 = 1300 mm B__2 = 1500 mm B_3 = 1450 mm B_4 = 1000 mm S - 5mm 30
Aan de hand hiervan kan het aantal plooiafstanden APA, het aantal plooien AP, de totale stof benodigd voor alle plooien 16 TSP, de plooilengte PL, het plooibeeld PB en de plooidiepte PD berekend worden: APA = 25 5 AP = 26 TSP = 3250 mm PL = 125 mm PD = 25, 5 mm PB - PL+PA- 125mm + 80 mm = 205 mm 10
Vervolgens zal de eerste gordijnbaan gecorrigeerd gaan worden door het bepalen van het aantal plooibeelden in de baan APB en de reststof STN: ,5 APB =1300.634... = 6 PB 205 STN = B _ 1 - (APB x PB) = 1300 - (6x 205) = 1300 -1230 = 70mm
De restlengte STN van 70mm is kleiner dan de plooilengte en dus valt de naad in de plooi. Vervolgens is deze 70iran groter 20 dan de helft van de plooilengte en valt hierdoor dus achter in de plooi, er is hier sprake van geval 2 zoals hierboven vermeld. De naad zal dus naar achteren verplaatst worden met verplaatsing VN: 25 VN - (PL - STN) + marge = (125mm-70mm) + 5mm = 60mm
Vervolgens worden het aantal correctieplooien ACP en het totaal aantal correctieplooien TCP bepaald: 30 ACP = APB + 1 = 6 + 1 = 7 TCP = TCP + ACP = 0 + 7=7 17
Hiermee worden de gecorrigeerde plooilengte van de eerste gordijnbaan CPL_B_1 en het gecorrigeerde plooibeeld CPB bepaald: 5 f V7V ^ f 60mm ^ CPL B 1 = PL+ - =125mm- - =116,43mm - - \ACP) l 7 CPB = CPL _ B _ 1 + PA = 116,43mm + 80mm = 196,43mm 10 Hieruit volgt dan de verbruikte ongeplooide stof van baan 1 VB_1 : VB _ 1 = CPB x ACP = 196,43mm x 7 = 1375mm 15 Met deze gegevens kan uitgerekend worden hoeveel stof er overblijft tot aan de volgende naad, de lengte van baan 2 na correctie CB_2: CB _ 2 = GO - (VB _ 1 + B __ 3 + B _ 4) = 5250mm - (1375 + 1450mm + 1000mm) = 1425mm 20
Vervolgens wordt aan baan 2 begonnen, waarbij de oude PL en PB overschreven worden aangezien deze niet meer worden gebruikt. Hieruit volgt ook het nieuwe beeld voor baan 2: pL_ (CB _2 + B _3+ B _4)-(PAx(APA-TCP))
AP-TCP
((1425mm + 1450mm + 1000mm) - (80 mm x (25 - 7)) 25 =- 26-7 = (3825mm - 1440mm) = 19 PB = PL + PA = 128,16mm + 80mm = 208,16mm 18
Met het plooibeeld wordt wederom de positie van de volgende naad bepaald: CB 2 1425 5 APB =-— =-= 6,84... = 6 PB 208,16 STN = CB_ 2- (APB x PB) = 1425mm - (6x 208,16mm) = 1425mm - 1448,96mm = 176,04mm
Hieruit volgt dat er sprake is van geval 6 zoals eerder 10 beschreven, de naad dient dus naar achteren verplaatst te worden, net voor de plooi na de eerstvolgende plooi: VN = (PA - (STN - PL)) -S = (80 mm - (176,04mm -128,16mm)) - 5 mm = 27,12mm 15 Analoog zoals beschreven voor de eerste baan wordt ook nu het plooibeeld aangepast en de verbruikte stof bepaald: ACF = APB + 1 = 6 + 1 = 7 20 TCP = TCP + ACP = 7 + 7 = 14 f VN λ (2112mm^ CPL B 2 = PL--— = 128,16mm- ±L±±1P11L = 128,16mm -3,87mm = 124,29mm
- - UCPJ l 7 J
CPB = CPL _ B _ 2 + PA = 124,29mm + 80mm = 204,29mm 25 VB _ 2 = CPB x ACP = 204,29mm x 7 = 1430mm
Met deze gegevens kunnen we uitrekenen hoeveel stof er overblijft tot aan de volgende naad, de lengte van baan 3 na 30 correctie CB_3: 19 CB _ 3 = GO - (VB _ 1 + VB _ 2 + B _ 4) = 5250mm - (1375 + 1430mm +1000mm) = 1445mm
Vervolgens vangt het corrigeren van baan 3 aan, waarbij de oude PL en PB overschreven worden aangezien deze niet meer 5 worden gebruikt. Hieruit volgt ook het nieuwe beeld voor baan 3 : pi_(CB_3+B_4)-(PAx(APA-TCP))
AP-TCP
_ ((1445mm+ 1000mm) -(80mmx(25 -14)) ~~ 26-14 (2445mm -880mm) =-= 130,42mm 12 10 PB = CPL + PA = 130,42mm + 80 mm = 210,42mm A/)S=CB=3 = J4« = =6 PB 210,42 STN = CB _ 3 - {APB x PB) = 1445mm - (6x210,42mm) = 1445mm - 1262,52mm = 182,48mm 15
Het blijkt hier wederom te gaan om een geval 6: VN = (PA - (STN - PL)) -S = (80 mm - (182,48mm - 130,42mm)) -5 mm = 22,94mm 20 ACP = APB +1 = 6 + 1 = 7 TCP = TCP + ACP = 14 + 7 = 21 ' VN f 22 94mm ^ CPL B 3 = PL--= 130,42mm - —- = 130,42mm - 3,28mm = 127,14mm - - yACP) \ 7 CPB = CPL _ B _ 3+ PA = 127,14mm + 80mm = 207,14mm 25 20 VB _ 3 = CPB xACP - 207,14mm x 7 = 1450mm
Met deze gegevens kan berekend worden hoeveel stof er overblijft tot aan de volgende naad, de lengte van baan 4 na 5 correctie CB_4: CB _ 4 = GO - (VB _ 1 + VB _ 2 + VB _ 3) = 5250mm - (1375 + 1430mm + 1450mm) = 995mm
Overeenkomstig wordt de plooidiepte in baan 4 gecorrigeerd, 10 waarbij de oude PL en overschreven kunnen worden. Hieruit volgt ook het nieuwe beeld voor de volgende baan: CB _ 4 - (PA x (APA - TCP)) AP-TCP _ 995 - (80mm x (25 - 21)) 26-21 (995mm - 320mm) =-= 135mm 5 15 PB = CPL + PA = 135mm + 80mm = 215mm λοο CB-4 995 APB =-— =-= 4,63... ~ 4 PB 215
Voor de laatste baan geldt dat het aantal plooibeelden APB 20 maal het plooibeeld PB + 1 maal een plooi, om af te sluiten, gelijk moet zijn aan de gecorrigeerde lengte van baan 4 CB_4: CB _ 4 = (APB x PB) + (1 x CPL) = (4x215 mm) + (lx 135mm) = 860mm + 135mm = 995mm 25 VB _ 4 = CPB x ACP + (lx CPL) = 215mm x 4 + lx 135 = 995mm 21
Bij controle blijkt dit te kloppen: VB _4 — CB _ 4 = 995mm == 995mm 5 Ook de totale lengte van het gordijn in ongeplooide toestand GO blijkt overeen te komen met de lengtes verbruikte stof van ieder van de banen: GO == VB _ 1 + VB _ 2 + VB _ 3 + VB _ 4 = 5250mm = 1375mm + 1430mm + 1450mm + 995mm 10
Voorts zal de uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van in tekening weergegeven figuren, waarin:
Figuur 1 schematisch een vooraanzicht van een 15 gordijn vervaardigd volgens de bekende werkwijze weergeeft;
Figuur 2 een representatie in bovenaanzicht van de plooidiepte, plooilengte, plooiafstand en 20 plooibeeld in een gordijn toont;
Figuur 3 schematisch in bovenaanzicht het bepalen van de restafstand toont bij een gordijn volgens de uitvinding; 25
Figuur 4 de positie van de naad van een gordijnbaan in een plooi toont volgens figuur 3;
Figuur 5 het correctieschema volgens de uitvinding 30 schematisch laat zien; en 22
Figuur 6 een bovenaanzicht van een drietal gordijnbanen van een gordijn vervaardigd volgens de uitvinding laat zien.
5 In figuur 1 is een gordijn 1 van het bekende type weergegeven. In het gordijn 1 zijn ter decoratie op regelmatige afstand van elkaar plooien 2 aangebracht, waarbij deze regelmatige afstand de plooiafstand PA omvat. Vooral wanneer het een lang gordijn 1 betreft, omvat een 10 gordijn 1 meerdere gordijnbanen la,lb,lc. De gordijnbanen la,lb,lc zijn onderling verbonden met naden 3. Zoals te zien valt in figuur 1, vallen de naden in de plooiafstand PA tussen de plooien 2, waardoor de naden 3 goed zichtbaar zijn in het gordijn 1. Dergelijke zichtbare naden 3 worden 15 doorgaans als onaantrekkelijk ervaren. Zoals al eerder vermeld is het een doel van de onderhavige uitvinding om te voorzien in een oplossing voor dit probleem.
In figuur 2 is een deel van het gordijn 1 weergegeven met 20 een enkele plooi 2. De plooi 2 heeft een plooidiepte PD, wat de afstand tussen het buitenste punt van de plooi 2 en het gordijn 1 bepaalt. Na een plooi 2 volgt zoals weergegeven een plooiafstand PA. De plooi 2 wordt gevormd door een lengte stof benodigd voor de plooi 2, de plooilengte PL 25 tevens aangeduid in uitgestrekte vorm in figuur 2, dubbel te nemen in een bepaalde vorm en deze te verbinden met een naad 4 in het vlak van het gordijn 1. De plooilengte PL is dus de hoeveelheid gordijnstof benodigd voor het vervaardigen van een plooi 2 met plooidiepte PD. De plooilengte PL en de 30 plooiafstand PA vormen tezamen een plooibeeld PB. Het plooibeeld PB is dus de hoeveelheid stof benodigd voor het vervaardigen van een enkele plooi 2 en een plooiafstand PA.
23
Het zal de vakman duidelijk zijn dat de plooilengte PL bepaald wordt door het type plooi en de gewenste plooidiepte PD. Het zal duidelijk zijn dat een complexere plooi met eenzelfde plooidiepte, bijvoorbeeld een triple-plooi, een 5 grotere plooilengte PL heeft dan een eenvoudiger type plooi. Het plooibeeld PB varieert hierdoor eveneens.
Doorgaans wordt er door een klant een gewenste plooidiepte PD, de plooiafstand PA en het type plooi aangegeven.
10 Afhankelijk van de lengte van het gordijn 1 zal daaruit het aantal plooien in het gordijn volgen. Normaliter zullen dan de plooien 2 met daartussen de plooiafstand PA in een gordijnbaan aangebracht worden, waarbij uiteindelijk het einde van de gordijnbaan bereikt wordt.
15
Deze situatie is schematisch weergegeven in figuur 3, waar een laatste plooibeeld PB (niet aangegeven), bestaande uit een gevouwen weergegeven plooilengte PI' en een plooiafstand PA, in een gordijnbaan la is aangebracht. Zoals getoond, is 20 er niet voldoende stof tot een einde 5 van de gordijnbaan la om nog een plooibeeld PB in de gordijnbaan la op te nemen.
De reststof of wel de stof tot de naad STN is in figuur 3 zelfs kleiner dan de plooilengte PL, wat ertoe zou leiden dat bij het verbinden met een volgende gordijnbaan lb zoals 25 weergegeven in figuur 4 de naad 3 midden in de plooi 2 zou vallen, wat resulteert in een slecht gevormde plooi. Het zou ook mogelijk kunnen zijn dat de reststof STN wel groot genoeg is voor het vormen van een nieuwe plooi 2 wanneer de reststof STN groter is dan de plooilengte PL, waardoor de 30 naad 3 zal vallen in de plooiafstand PA van het volgende plooibeeld. Bij het gordijn 1 zoals weergegeven in figuur 1 is dit twee keer het geval bij de naden 3.
24
Het is het doel van de uitvinding om bovengenoemde situaties te vermijden in het gordijn, door te zorgen dat de naden 3 in een gordijn precies voor of na een plooi 2 vallen, waardoor de naden 3 althans aan de bovenzijde van het 5 gordijn 1 verborgen worden achter de plooien. Hiertoe is er een correctiesysteem ontwikkeld, waarbij door het aanpassen van de plooidiepte PD of wel de plooilente PL in een plooibeeld PD de naden precies voor of achter de plooien vallen. Een dergelijke variatie van de plooidiepte PD is, 10 aangezien een gordijnbaan meerdere plooien omvat, amper zichtbaar wanneer het gordijn opgehangen wordt.
Om het diepteverschil in de plooien minimaal te houden, wordt de correctiediepte zo klein mogelijk gehouden. Dit 15 gebeurt door te corrigeren naar de dichtstbijzijnd locatie voor of achter een plooi. Zoals eerder opgemerkt wordt de naad tussen twee gordijnbanen op een kleine afstand van de plooi gehouden, dit om de naad door bijvoorbeeld het bevestigen van een haak in de plooi niet te verzwakken.
20
In figuur 5 is schematisch het correctieschema weergegeven volgens de uitvinding. In figuur 5 is het plooibeeld PB in ongeplooide vorm weergeven met daarin de plooilengte PL en de plooiafstand PA. Ook aangegeven zijn de marges S, waarbij 25 de naden op afstand S voor de plooilengte PL op locatie 11, na de plooilengte PL op locatie 12 en voor de volgende plooi van het volgende plooibeeld, in het laatste deel van de plooiafstand PA, op locatie 13 terecht zullen komen na correctie.
Afhankelijk van de lengte van reststof STN, zoals weergegeven in figuur 3, zal aan de hand van figuur 5 de plooidiepte in het gordijnbaan gecorrigeerd worden. Van 30 25 belang is daarbij in welk gebied van het plooibeeld PB het einde van de reststof STN valt. Het verplaatsen van de naad volgens de uitvinding voor de verschillende gebieden is aangegeven met de pijlen. Hierin kunnen zes gevallen 5 onderscheiden worden in de figuur aangegeven met Romeinse cijfers I - VI. Deze cijfers komen overeen met de eerder besproken gevallen met de bijbehorende correctieberekeningen.
10 Wanneer de reststof STN korter ofwel kleiner is dan de helft van de plooilengte PL, aangegeven met het verwijzingscijfer 6 in de figuur, zal de naad verplaatst worden naar locatie 11, op afstand S van het begin van de plooi. Dit gebied in het plooibeeld PB is in de figuur aangegeven met cijfer I en 15 komt overeen met geval één zoals eerder besproken. Om deze correctie te bereiken zullen de plooien in het gordijn dieper gemaakt worden zodat de naad op locatie 11 zal vallen bij het aanbrengen van de plooien met het gecorrigeerde plooibeeld, afhankelijk van de lengte van de reststof STN.
20 Een gordijnbaan gecorrigeerd op deze wijze zal eindigen met een plooiafstand PA en wel de plooiafstand PA van het vorige plooibeeld PB (niet weergegeven), daar het plooibeeld zoals weergegeven in figuur 5 weggecorrigeerd wordt.
25 Bij een reststof STN kleiner dan de plooilengte PL, maar groter dan de helft 6 van de plooilengte, aangegeven met gebied II, zal de naad gecorrigeerd worden naar locatie 12, op afstand S na de plooi. Hiertoe worden de plooien minder diep gemaakt in het gordijn zoals besproken bij geval twee.
30 De gordijnbaan zal op deze wijze eindigen met een plooi, waarbij de volgende baan moet beginnen met een plooiafstand PA, aangezien anders twee plooien na elkaar zouden vallen in het gordijn. Opgemerkt moet worden dat in figuur 3 sprake 26 lijkt te zijn van een geval 3, aangezien de reststof STN groter lijkt te zijn dan de helft van de plooilengte PL.
Wanneer de reststof STN nu in de plooiafstand PA zou vallen, 5 dat wil zeggen dat de reststof STN groter is dan de plooilengte PL, maar nog binnen de marge S na de plooi valt, is er sprake van geval drie, aangegeven met III. Hierbij zal het plooibeeld in de gordijnbaan zodanig minder diep gemaakt worden dat de naad nagenoeg precies op locatie 12 uitkomt.
10 Evenals bij geval twee, aangegeven met II, zal de gordijnbaan nu eindigen met een plooi. Een reststof STN vallend binnen de laatste marge S van het plooibeeld PA, aangegeven met IV ofwel geval vier, zal gecorrigeerd worden naar een locatie 13 door het dieper maken van de plooien. De 15 gordijnbaan zal hierbij eindigen met de plooiafstand PA.
Op overeenkomstige wijze zoals besproken wanneer de reststof STN zou vallen in de plooilengte PL, zal het plooibeeld PB in de gordijnbaan gecorrigeerd worden door het aanpassen van 20 de plooidiepte wanneer de reststof STN in de plooiafstand PA valt, met dien verstande dat de marges S nu relatief anders liggen ten opzichte van de locatie vanuit waar gecorrigeerd moet worden.
25 Wanneer de reststof STN nu valt binnen het gebied V, dat wil zeggen groter is dan de plooilengte PL met daarbij de marge S en kleiner is dan de helft 7 van de plooiafstand PA, zal de naad gecorrigeerd worden naar locatie 12 door het dieper maken van de plooien, daarmee het plooibeeld in het gordijn 30 vergrotend. De gordijnbaan eindigt in dit geval met een plooi.
27
In het zesde geval, wanneer de lengte van de reststof STN valt binnen het gebied VI in het plooibeeld PB, zal de naad verplaatst worden naar locatie 13 door het minder dieper maken van de plooien, zoals in alle gevallen afhankelijk van 5 de reststof STN. De gordijnbaan zal, overeenkomstig met geval vier, eindigen met een geheel plooibeeld PB met plooiafstand PA.
Het zal de vakman duidelijk zijn dat bij voorkeur 10 gecorrigeerd wordt naar de dichtstbijzijnde naadlocatie 11, 12 of 13, afhankelijk van de reststof STN, dit om de diepteverschillen in het gordijn te minimaliseren. Zoals hierboven ook opgemerkt is dient ook rekening gehouden te worden met de 'extra' plooibeelden die in de gordijnbaan 15 worden aangebracht door de correctie. In de gevallen IV en VI is er toch nog een geheel plooibeeld PB aangebracht in het gordijn, terwijl daar oorspronkelijk niet genoeg stof voor was. Bovendien wordt in de gevallen II, III en V een extra plooi aangebracht in de gordijnbaan, waarbij de 20 gordijnbaan dus ook eindigt met deze plooi. Een volgende gordijnbaan zal dan dus moeten beginnen met een plooiafstand PA. De 'extra' aangebrachte plooien door de correctie, in alle gevallen behalve geval I, worden ook meegenomen in het correctieproces, in andere woorden, krijgen als 25 correctieplooien ook een aangepaste plooidiepte.
In figuur 6 is een gordijn 1 weergeven volgens de uitvindingen bestaande uit drie gordijnbanen la, lb en lc.
De gordijnbanen zullen onderling verbonden worden door naden 30 3. Te zien valt dat de drie gordijnbanen een verschillende plooidieptes PD', PD'' en PD''' hebben. Hoewel het effect hiervan overdreven is weergegeven, zal het verschil in plooidiepte over een gordijn bijna niet op te merken zijn.
28
Zo is het grootste verschil in plooidiepte in het gordijn van het rekenvoorbeeld 3,78 mm.
Het zal duidelijk zijn dat deze dieptes afhangen van de 5 gebruikte correctiemethode zoals hierboven beschreven, afhankelijk van de reststof STN van ieder van de banen.
Zoals weergeven eindigt gordijnbaan la met een plooiafstand PA, waarbij een correctie uitgevoerd kan zijn volgens gevallen I, IV of VI. Gordijnbaan lb begint daarom met een 10 plooi 2, voorafgegaan door de marge S. Gordijnbaan lb eindigt weer met een plooi 2 met de daarbij horende marge S. Er kan hier sprake geweest zijn van geval II, III of V. Gordijnbaan lc begint dan weer met een plooiafstand PA en zal automatisch weer eindigen met een plooiafstand PA, daar 15 door de correctie en het bepalen van de resterende stof in het gordijn en het aanpassen van het plooibeeld hierop geen correctie nodig is in de laatste gordijnbaan lc.
De uitvinding beperkt zich niet tot de thans besproken 20 uitvoeringsvorm, doch strekt zich tevens uit tot andere voorkeursvarianten vallend binnen het bereik van de aangehechte conclusies. Zo kan het bijvoorbeeld mogelijk zijn alleen zodanig te corrigeren dat alleen wordt geëindigd in een gordijnbaan met een plooiafstand of zou de 25 plooidiepte in een gordijnbaan gradueel aangepast kunnen worden, zodat de plooidieptes in twee aanliggende plooien van twee verschillende gordijnbanen nagenoeg gelijk is.
29
AFKORTINGEN
PD = PlooiDiepte TSP = Totale Stof Plooien (totale lengte stof benodigd voor 5 alle plooien) PL = PlooiLengte (lengte stof benodigd voor 1 plooi) PA = PlooiAfstand APA = Aantal PlooiAfstanden PAV = PlooiAfstand Voorkeur (vast in te stellen gegeven) 10 GG = Gordijn Geplooid GO = Gordijn Ongeplooid AP = Aantal Plooien PB = PlooiBeeld APB = Aantal PlooiBeelden 15 STN = Stof Tot Naad ofwel reststof VN = Verplaatsen Naad S = Spacing ofwel marge ACP = Aantal Correctie Plooien CPL_B_1 = gecorrigeerde PlooiLengte Baan 1 20 CPL_B_2 = etc.
CPL = gecorrigeerde PlooiLengte CPB = gecorrigeerde PlooiBeeld AB = Aantal Banen B_1 = Baan 1 ongeplooide lengte 25 B_2 etc.
CB_1 = gecorrigeerde Baan 1 ongeplooide lengte CB_2 etc.
VB_1 = Verbruikt Baan 1 ongeplooide lengte VB_2 etc.
30

Claims (10)

1. Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn met een vooraf bepaald aantal plooien met een 5 vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden gordijnbanen, met het kenmerk, dat de plooidiepte per gordijnbaan zodanig wordt gecorrigeerd dat de verbindingsranden 10 nagenoeg gehele plooien of plooiafstanden omvatten, waarbij de plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, waarbij het corrigeren 15 van de plooidiepte omvat het bepalen van een plooibeeld, waarbij het plooibeeld de plooilengte en een plooiafstand omvat, en omvat het bepalen van een reststof, waarbij de reststof de resterende lengte stof na het laatste gehele plooibeeld in een gordijnbaan 20 omvat.
3. Werkwijze volgens conclusie 2, waarbij het corrigeren van de plooidiepte omvat het vergroten van de plooidiepte in een gordijnbaan wanneer de reststof valt 25 binnen een eerste lengtehelft van respectievelijk de plooilengte of plooiafstand van het plooibeeld en omvat het verkleinen van de plooidiepte in een gordijnbaan wanneer de reststof valt binnen een tweede lengtehelft van respectievelijk de plooilengte of plooiafstand van 30 het plooibeeld.
4. Werkwijze volgens conclusie 2 of 3, waarbij het corrigeren van de plooidiepte omvat het bepalen van de correctiediepte per plooi, waarbij de correctiediepte proportioneel is aan het aantal plooien in de gordijnbaan en de reststof van de gordijnbaan.
5. Werkwijze volgens conclusie 2,3 of 4, waarbij het corrigeren van de plooidiepte omvat het bepalen van het totaal aantal reeds gevormde plooien en lengte van de totaal resterende nog ongeplooide gordijnbanen.
6. Werkwijze volgens een van de voorgaande conclusies 1 tot en met 5, waarbij het verbinden van de gordijnbanen het aan elkaar naaien van de gordijnbanen omvat, waarbij de ten minste een naad zich uitstrekt nagenoeg aanliggend aan een plooi. 15
7. Werkwijze volgens een van de voorgaande conclusies 1 tot en met 6, waarbij er voorzien is in een marge tussen een verbindingsrand en een plooi.
8. Werkwijze volgens conclusie 7, waarbij de marge kleiner is dan 20 mm, bij voorkeur kleiner is dan 10 mm en meer bij voorkeur ongeveer 5 mm is.
9. Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid 25 gordijn met een vooraf bepaald aantal plooien met een vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden gordijnbanen, met het kenmerk, dat de plooidiepte per gordijnbaan 30 zodanig wordt gecorrigeerd dat de verbindingsranden zich uitstrekken op een vooraf bepaalde locatie in de plooiafstand, waarbij de plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft.
10. Inrichting voor het vervaardigen van een geplooid gordijn met een vooraf bepaald aantal plooien met vooraf bepaalde plooidiepte met daartussen een vooraf 5 bepaalde plooiafstand omvattende ten minste twee onderling aan verbindingsranden verbonden gordijnbanen, waarbij de inrichting omvat aangrijpmiddelen voor het aangrijpen van de gordijnbanen om daarin plooien te vormen, transportmiddelen voor het transporteren van de 10 gordijnbanen, verbindingsmiddelen voor het verbinden van de gordijnbanen en ten minste een regelinrichting voor het aansturen van de aangrijpmiddelen, verbindingsmiddelen en transportmiddelen, met het kenmerk, dat de regelinrichting is ingericht om de 15 plooidiepte per gordijnbaan zodanig te corrigeren dat de verbindingsranden nagenoeg gehele plooien of plooiafstanden omvatten, waarbij de plooiafstand over het gordijn nagenoeg onveranderd blijft.
NL2000990A 2007-11-09 2007-11-09 Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor. NL2000990C2 (nl)

Priority Applications (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2000990A NL2000990C2 (nl) 2007-11-09 2007-11-09 Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor.
PL08846913T PL2211669T3 (pl) 2007-11-09 2008-11-06 Sposób wytwarzania plisowanej kotary i stosowne do tego urządzenie
EP08846913.5A EP2211669B1 (en) 2007-11-09 2008-11-06 Method for making a pleat curtain and device suitable therefor
PCT/NL2008/050701 WO2009061189A1 (en) 2007-11-09 2008-11-06 Method for making a pleat curtain and device suitable therefor

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2000990 2007-11-09
NL2000990A NL2000990C2 (nl) 2007-11-09 2007-11-09 Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2000990C2 true NL2000990C2 (nl) 2009-05-12

Family

ID=39535218

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2000990A NL2000990C2 (nl) 2007-11-09 2007-11-09 Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor.

Country Status (4)

Country Link
EP (1) EP2211669B1 (nl)
NL (1) NL2000990C2 (nl)
PL (1) PL2211669T3 (nl)
WO (1) WO2009061189A1 (nl)

Families Citing this family (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US10406777B2 (en) * 2014-10-24 2019-09-10 Linherr Hollingsworth, LLC Drapery adornment and securing mechanism

Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3633800A (en) * 1970-07-24 1972-01-11 Samuel P Wallace Pleat computing and forming apparatus
US3822034A (en) * 1973-09-04 1974-07-02 J Lawson Pleating apparatus

Patent Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3633800A (en) * 1970-07-24 1972-01-11 Samuel P Wallace Pleat computing and forming apparatus
US3822034A (en) * 1973-09-04 1974-07-02 J Lawson Pleating apparatus

Also Published As

Publication number Publication date
WO2009061189A1 (en) 2009-05-14
PL2211669T3 (pl) 2017-09-29
EP2211669B1 (en) 2017-02-22
EP2211669A1 (en) 2010-08-04

Similar Documents

Publication Publication Date Title
CA2722375C (en) Collapsible vane structure and related method for a shade for an architectural opening
EP0455914B1 (en) Roman shade and method of fabricating a roman shade
NL2000990C2 (nl) Werkwijze voor het vervaardigen van een geplooid gordijn en inrichting geschikt daarvoor.
US20200123846A1 (en) Cellular Material for Window Coverings and Method of Making Same
US3476630A (en) Method of making foldable wooden lamellae for folding doors and the like
RU2675450C2 (ru) Способ и устройство для выполнения множества задач на полотне материала
JP4152593B2 (ja) シガレット用フリップトップ型ボックス
JPS62169628A (ja) Z字形に折畳まれた材料のハニカム構造及びその製造方法
US20130180670A1 (en) Drape and method of making same
CA1196852A (en) Decorative fabric drapery system
US5094006A (en) Swag
NL8100555A (nl) Anatomisch gevormd broekje.
US2623582A (en) Pleated drapery
NL7908579A (nl) Hoekverbinding voor een uit een plano gevormde kartonnen doos.
BE1026326B1 (nl) Werkwijze voor het samenstellen van een set van vloerpanelen.
US1293967A (en) Dressmaker&#39;s stand.
CN113127963B (zh) 一种基于Revit的装配式墙体精装设计建模方法
EP1023991A3 (de) Verfahren und Vorrichtung zum Herstellen von (Zigaretten-) Packungen
RU2537825C1 (ru) Верхний прорезной карман с листочкой для декоративного платка с фиксатором положения
KR102423462B1 (ko) 책장들의 번들을 바인딩하기 위한 방법
EP2700592A3 (de) Beutel zur Aufnahme eines Brötchens, Sandwiches oder dergleichen
NL1034504C2 (nl) Machine voor het aanleggen van betonbanen.
JPH09111652A (ja) 形状記憶カーテンおよびその製法とその加工処理具
BE1031119B1 (nl) Verbeterde werkwijze voor het vervaardigen van ventilatieroosters
SU1140747A2 (ru) Способ построени шаблона воротника мужского пиджака

Legal Events

Date Code Title Description
PD2B A search report has been drawn up