NL1002534C1 - Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput. - Google Patents

Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput. Download PDF

Info

Publication number
NL1002534C1
NL1002534C1 NL1002534A NL1002534A NL1002534C1 NL 1002534 C1 NL1002534 C1 NL 1002534C1 NL 1002534 A NL1002534 A NL 1002534A NL 1002534 A NL1002534 A NL 1002534A NL 1002534 C1 NL1002534 C1 NL 1002534C1
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
gas
water
pipeline
drilling
flow
Prior art date
Application number
NL1002534A
Other languages
English (en)
Inventor
Rudolf Van Hardeveld
Original Assignee
Rudolf Van Hardeveld
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Rudolf Van Hardeveld filed Critical Rudolf Van Hardeveld
Priority to NL1002534A priority Critical patent/NL1002534C1/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL1002534C1 publication Critical patent/NL1002534C1/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B01PHYSICAL OR CHEMICAL PROCESSES OR APPARATUS IN GENERAL
    • B01DSEPARATION
    • B01D45/00Separating dispersed particles from gases or vapours by gravity, inertia, or centrifugal forces
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B01PHYSICAL OR CHEMICAL PROCESSES OR APPARATUS IN GENERAL
    • B01DSEPARATION
    • B01D45/00Separating dispersed particles from gases or vapours by gravity, inertia, or centrifugal forces
    • B01D45/04Separating dispersed particles from gases or vapours by gravity, inertia, or centrifugal forces by utilising inertia

Landscapes

  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Chemical Kinetics & Catalysis (AREA)
  • Separating Particles In Gases By Inertia (AREA)

Description

Titel: Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het afscheiden van water en/of waterdruppels en/of wateimist uit een aardgasstroom onderin een gasput door het afscheiden van een deel van het meegesleurde water uit het aardgas. Het 5 is bekend, dat aardgas water kan bevatten. Voor de winning en verdere verwerking daarvan is het wenselijk dat ten minste een deel van het water uit het gas verwijderd wordt.
Bij de winning van aardgas uit putten/bronnen is afhankelijk van de diepte van de poreuze gashoudende laag 10 slechts een deel van het aanwezige gas winbaar. De grootte van de exploitabele fractie van het gas wordt ondermeer bepaald door: 1. de benodigde minimale gasdruk aan de oppervlakte van de bron voor de verdere verwerking en 15 transport van het gas, is dit meestal ca. 6-10 bar, 2. de stromingsweerstand in de (boor)pijpleiding welke afhankelijk is van de druk, de dichtheid en het watergehalte van het af te voeren gas. De stromingsweerstand is aan het eind van de levensduur van de bron, bij een 20 uitstroomdruk van 6 bar en een uitstroomsnelheid van 10 m/s van de grootte orde van ca. 1 bar per 500 m lengte van de (boor)pijpleiding.
3. de drukval over een water/aardgas scheidingscycloon welke onderin de put, nabij de poreuze laag 25 is geïnstalleerd. Deze drukval is van de grootte orde van 10 bar.
4. de stromingsweerstand van het gas door de poreuze laag naar de (boor)pijpleiding. Bij bronnen aan het einde van de levensduur kan deze stromingsweerstand, welke 1002534 2 vergelijkbaar is met een filtratieweerstand, oplopen tot 20-25 bar.
De sommatie van de genoemde drukverliezen laat zien dat de minimaal benodigde druk in een bron aan het eind van de 5 levensduur 6 + 1 + 10 + 25 = 42 bar bedraagt. Dit komt overeen met een diepte van de bron van 420 m, als we er van uitgaan dat per 10 meter diepte de druk met 1 bar stijgt (10 m waterkolom = 1 bar). Hieruit volgt dat slecht de gasvelden welke dieper gelegen zijn dan 420 m voldoende overdruk hebben 10 om economisch geëxploiteerd te kunnen worden, waarbij dan slechts dat deel van het gas te winnen is dat een druk heeft welke de gesommeerde stromingsweerstand overstijgt.
Dit betekent dat van een veld op bijvoorbeeld 600 m diepte slechts ongeveer 30 % van het aanwezige gas winbaar is, 15 (60 - 42)/60 * 100%, terwijl voor velden op grotere diepte de winbare fractie toeneemt. Voor een veld op 1000 m is reeds winbaar ca. 57 %, (100 - 43)/100 * 100 %, en voor een veld op 1500 m ca. 70 %, (150 - 44)/150 * 100 %.
De uitkomsten van bovenstaande globale 20 rekenvoorbeelden maken duidelijk dat het voor de exploitatie van ondiep gelegen gashoudende lagen (bronnen) van groot belang is dat de drukverliezen worden geminimaliseerd. Dit kan nu worden bewerkstelligd door het bronwater onder in de put af te scheiden waardoor de dichtheid van het gas/water mengsel 25 afneemt. Bij de huidige stand van de techniek kan men daartoe een cycloon gebruiken, welke een drukval heeft ter grootte van ca. 10-15 bar. Het onderin de put afgescheiden water kan op eenvoudige wijze apart uit de bron worden verwijderd met behulp van een dompelpomp van een geschikt type, bijvoorbeeld 30 een Moineau pomp. Het kan van voordeel zijn om voor het afvoeren van het afgescheiden water, in plaats van het toepassen van een aparte waterafvoerleiding in de gasvoerende (boor)pijpleiding, de ruimte tussen de (boor)pijpleiding en de boorgatbekleding te benutten, zoals is aangegeven in de 35 navolgend te beschrijven figuren.
Het doel van de onderhavige uitvinding is te voorzien in een werkwijze en daarbij behorende inrichtingen '1 r ’ · ‘ ^ 3 waarbij de exploitabele fractie van het aanwezige gas in ondiepe velden wordt vergroot.
De uitvinding berust op het inzicht dat door vervanging van de (aard)gas/water scheidingscycloon, welke een 5 drukval heeft van de orde grootte van 10-15 bar, door een turbulente stromingsafscheider of door een combinatie van een botsingsafscheider voor de grote waterdruppels en een turbulente stromingsafscheider voor de fijnere druppels de drukval voor de gas/waterscheiding kan worden teruggebracht 10 tot ca. 1 bar. De winbare fractie gas uit een veld kan hierdoor aanzienlijk toenemen en wel voor een veld op een diepte van 600 m van ca. 30 %, zoals bovenstaand is aangegeven, tot ca 45 %, d.i. (60 - 33)/60 * 100 %, terwijl voor een veld op 1000 m respectievelijk 1500 m deze fractie 15 stijgt van ca. 57 % tot 66 %, (100 - 34)/100 * 100 *, respectievelijk van 70 % tot 76.7 %, (150 - 35)/150 * 100 %.
De uitvinding betreft derhalve een werkwijze en daarbij behorende inrichtingen voor het afscheiden van water(druppeltjes) uit een (aard)gasstroom in de onmiddellijke 20 nabijheid van de (aard)gashoudende poreuze laag door de waterhoudende gasstroom direct na het binnenstromen in de (boor)pijpleiding te leiden door een daarin aangebrachte turbulente stromingsafscheider, eventueel daaraan voorafgaand de gasstroom eerst te laten botsen met dwars op de initiële 25 stromingsrichting geplaatste vaste of vloeibare grensvlakken voor de afscheiding van de grotere waterdruppels en de gasstroom vervolgens te leiden door een turbulente stromingsafscheider, waarbij de vloeibare deeltjes uit de (aard)gasstroom worden verwijderd door de turbulente 30 (aard)gasstroom in de (boor)pijpleiding te leiden langs (door) een inrichting welke voorzien is van middelen voor het afscheiden van deeltjes uit de gasstoom en welke middelen grenzen aan de doorvoer, daarmee in directe verbinding staan en gevormd worden door hetzij een aantal platen, hetzij een 35 gewonden lintvormige spiraal, waarvan de snijlijn met een vlak door de as van doorvoer een hoek maakt kleiner dan 90° met deze as en waarbij telkens twee opvolgende platen of windingen
10 0 2 5 3 A
4 van de spiraal, een spleet met elkaar vormen welke geschikt is voor het opvangen en afvoeren van de deeltjes, hetzij een fibreus materiaal.
Het principe van de uitvinding berust op de 5 toepassing van een zogenaamde Turbulente flow afscheider, eventueel in combinatie met een botsingsafscheider.
Het principe en de werking van de Turbulente flow afscheider is beschreven in de Internationale octrooiaanvrage WO-A 93/15822 en in de Nederlandse octrooiaanvragen 10.01963 10 en 1002166, waarvan de inhoud hierin bij wijze van refentie opgenomen is.
De afscheiding berust enerzijds op het fenomeen dat grotere druppels (orde 5 μπι en groter) een zodanig hoge inertie hebben dat zij bij het afbuigen van een gasstroom door 15 een vast lichaam (object) de stroomlijnen niet meer volgen en botsen met het object en daarop een vloeistoffilm vormen welke onder invloed van de zwaartekracht wordt afgevoerd naar een vloeistof verzamelruimte welke onder het (de) object(en) is gelegen, waarna de, op bovenstaande wijze van grove druppels 20 ontdane, gasstroom welke nog fijne waterdruppels en/of mist bevat wordt gevoerd door een ruimte waarbij de afscheiding anderzijds berust op het fenomeen dat een turbulente gasstroom in een ruimte, in de nabijheid van de wand van deze ruimte, een zone heeft van afnemende turbulentie, een zogenaamde 25 visceuze grenslaag, waarin men de deeltjes kan vangen en afvoeren.
Volgens de uitvoeringsvormen beschreven in de genoemde Internationale octrooiaanvrage verkrijgt men afscheiding van deeltjes met een grootte van 0.01 tot 100 μπι 30 in een afscheider door de turbulente gasstroom te leiden over een serie verticale verzamelplaten, die een aantal verticale spieetvormige ruimtes vormen, die in directe verbinding staan met de ruimte waar de turbulente gasstroom zich bevindt.
Volgens de uitvoeringsvormen beschreven in de 35 genoemde Nederlandse octrooiaanvragen verkrijgt men afscheiding van deeltjes met een grootte van 0.01 tot 100 pm in een afscheider door de turbulente gasstroom te leiden langs '10 0 2 5 3 4 5 een serie van verzamelplaten welke een hoek maken kleiner dan 90° met de verticale as van doorvoer en waarbij telkens twee platen een spleet vormen welke geschikt is voor het opvangen en het continu afvoeren van de deeltjes (vloeistof).
5 In het algemeen kan men stellen dat voldoende afscheiding verkregen wordt in de turbulente stromingsafscheider als men er voor zorgt dat het Reynolds getal in het centrum van de doorvoer groter is dan 2000. De vloeibare deeltjes verzamelen zich door de afnemende 10 turbulentie in de visceuze grenslaag aan de wand van de doorvoer en zij zullen zich daarbij tussen de neerwaarts gerichte platen verzamelen, deze bevochtigen en een vloeistoffilm vormen welke door de helling van de platen c.q. de lintvormige spiraal afloopt door gravitatie naar een 15 vloeistof afvoerkanaal.
Turbulentie verkrijgt en handhaaft men door een combinatie van snelheid en hydraulische diameter van het doorvoerkanaal. Het heeft de voorkeur dat de gasstroom reeds turbulent is bij het intreden van de inrichting voor 20 turbulente stromingsafscheiding, zodat geen verdere maatregelen nodig zijn. Alleen als de parameters welke de turbulentie bepalen (snelheid, hydrolysche diameter, dichtheid, viscositeit) tijdens de doorvoer wijzigen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen voor het 25 handhaven of versterken van de mate van turbulentie.
Bij toepassing van de inrichting voor turbulente stromingsafscheiding volgens de uitvinding is het van belang dat de schuine platen of de gewonden lintvormige spiraalvlakken zodanig opgesteld zijn dat de vloeistof door 30 een juiste keuze van de neerwaarts gerichte hellingshoek van de platen c.q. het spiraalvlak, door werking van de zwaartekracht naar beneden stroomt en zich verzamelt in een afvoerkanaal dat met de hellende vlakken in verbinding staat, via daatoe geeigende constructies zoals in de afvoerleiding op 35 regelmatige afstand aangebrachte gaten en/of sleuven, en door welk kanaal de verzamelde vloeistof wordt afgevoerd naar het toevoerreservoir voor de vloeistofpomp. Dit afvoerkanaal is 1002534 6 bijvoorkeur een centraal kanaal met cirkelvormige doorsnede terwijl de gasstroom wordt geleid door het ringvormige annulaire kanaal dat wordt gevormd tussen de wand van de (boor)pijpleiding en de cirkelvormige begrenzing van de platen 5 c.q. de gewonden lintvormige spiraal. De omgekeerde functie van de kanalen is ook mogelijk, maar de configuratie waarbij de gasstroom door de annulaire ruimte wordt geleid heeft de voorkeur omdat daarbij op eenvoudige wijze een lagere gassnelheid wordt gerealiseerd hetgeen de vangstefficiency van 10 de apparatuur ten goede komt.
De turbulente stromingsafscheider is bij uitstek geschikt voor de afscheiding van deeltjes met een grootte van 0.01 tot 100 μπι, meer in het bijzonder van 0.1 tot 75 μιη. Aangezien de afscheider geen bewegende delen bezit, is het 15 energie verbruik (drukval) van de afscheider beperkt tot de extra energie die nodig is voor het doorstromen van de inrichting in vergelijking met de energie welke nodig is voor het doorstromen van de lege buis met gelijke diameter.
De botsings- (impingment) afscheider welke 20 bijvoorkeur voor de turbulente stromingsafscheider wordt toegepast voor de afscheiding van de grotere waterdruppels kenmerkt zich evenzeer door een zeer lage drukval omdat slechts sprake is van een iets verhoogde stromingsweerstand ten opzichte van een lege buis. De impingment afscheider 25 kenmerkt zich hierdoor dat in de gasstroom vaste of vloeibare grensvlakken (lichamen) worden geplaatst welke de stomingsrichting van het gas beïnvloeden. Door de inertie van de grotere (> 5 μη) vloeibare deeltjes volgen deze de oorspronkelijke trajectoren en botsen daardoor op de vaste of 30 vloeibare obstakels. De vaste objecten kunnen staafvormige vlakke platen zijn welke worden aangebracht voor de uitstroomopeningen van het (aard)gas/water mengsel uit de filtersectie welke ter hoogte van de poreuze laag rondom de (boor)pijpleiding aanwezig is, en welke dient om binnen 35 dringen van gesteente in de pijpleiding te voorkomen. Behalve deze staafvormige obstakels kunnen ook ringvormige obstakels in een louvre-achtige configuratie worden gebruikt. Voor de 1002534 7 vakman is duidelijk dat meerdere goede configuraties voor de botsingafscheider mogelijk zijn, waaronder ondermeer ook het aanbrengen van een ijle pakking, dat wil zeggen, een pakking welke naast een hoge porositeit, bijvoorbeeld > 90-95%, ook 5 een hoog specifiek contact oppervlak per volumeeenheid heeft, zoals deze bijvoorbeeld wordt verkregen door toepassen van netwerken, vormlingen of non-wovens van dunne, d.i. < 0.1 mm, vezels of draden van metaal, koolstof (grafiet), (kwarts)glas, kunststoffen of keramiek. Als eenvoudige andere mogelijkheid 10 wordt nog genoemd het aanbrengen van bochten op de uitstroomopeningen van de filtratiesectie waardoor een neerwaartsgerichte stromingsrichting van het gas/watermengsel wordt gerealiseerd, waardoor de grotere druppels door hun traagheid botsen met het gas/vloeistof grensvlak van het 15 vloeistof reservoir en aldus op natuurlijke wijze worden gescheiden van het gas dat vervolgens, na omkering van de stromingsrichting, door de turbulente stromingsafschelder wordt geleid. Het is voor de vakman duidelijk dat een combinatie van bovengenoemde botsingsafscheidingstechnieken 20 zonder meer mogelijk is om tot een optimale vangstefficiency voor de grotere druppels te komen waardoor de opvolgende turbulente stromingsafscheider zo min mogelijk wordt belast.
De vangstefficiency van de turbulente stromingsafscheider is ad libidum te verhogen tot het gewenste 25 niveau door de lengte van de installatie te vergroten en/of de spleetbreedte van het gasvoerende kanaal te verkleinen. Verbetering van de vangstefficiency per meter lengte van de apparatuur is ook nog mogelijk door in de spleten tussen de opvolgende schotels of windingen van het lintvormige kanaal 30 ijl pakkingsmateriaal, zoals boven aangegeven voor de botsingsafscheider, aan te brengen dat zorg draagt voor het versneld dempen van de turbulenties in de spieetvormige ruimten.
De uitvinding wordt nu toegelicht aan de hand van de 35 figuren, waarin figuur 1 een inrichting laat zien waarbij de afscheiding van het water wordt verzorgd door een combinatie 1002534 8 van ombuiging van de instromingsrichting van het gas/watermengsel in neerwaartse richting gevolgd door een turbulente stromingsafscheider welke voorzien is van afgeknotte kegelvormige schotels, volgens de figuren 2B en 5B 5 uit octrooiaanvrage 10.01963, figuur 2 een inrichting geeft waarbij voor de instroomopeningen van het gas/watermengsel staafvormige botsingsplaten zijn aangebracht, in elkaar overlappende lagen, waarop de grotere druppels worden afgevangen en aflopen naar 10 het vloeistof verzamelreservoir, waarna de goeddeels van water ontdane gasstroom wordt geleid door een turbulente stromingsafscheider welke is gevormd als een lintvormige spiraal rond een centraal kanaal voor de afvoer van het afgevangen water naar het verzamelreservoir, en 15 figuur 3 een inrichting toont waarbij het gas/watermengsel na het binnentreden van de (boor)pijpleiding een ijle pakking passeert, waarin door botsingsafscheiding de grote deeltjes worden afgevangen, waarna het gas/watermengsel vervolgens wordt geleid door een turbulente 20 stromingsafscheider, zoals aangegeven in figuur 1, maar waarbij nu op de schotels een ijle pakking is aangebracht ter verhoging van de demping van de turbulenties in de spleten welke gevormd worden tussen twee opvolgende schotels waardoor een hogere vangst efficiency wordt bereikt.
25 In de figuren 1 t/m 3 is (1) de boorgatwandbekleding, (2) de (boor)pijpleiding en (3) de gashoudende poreuze laag. De filtersectie (4) is bedoeld om binnen dringen van gesteente in de pijpleiding te voorkomen.
De pakkingen (5) dienen voor het fixeren van de 30 (boor)pijpleiding en de gasdichte afdichting van de annulaire ruimte (9) tussen de boorgatwandbekleding (1) en de (boor)pijpleiding (2). (6) is het reservoir voor de opvang van het afgevangen water dat tevens dient als buffervat voor de waterpomp waarbij (7) de waterpomp/electromotercombinatie is 35 en (8) de waterafvoerleiding welke uitmondt in de annulaire ruimte (9) waarbij een terugslagklep (10) is aangebracht welke het terugvloeien van water uit de annulaire ruimte (9) naar de 1002534 9 (boor)pijpleiding voorkomt. Het gas/watermengsel stroomt na passage van de filtersectie (4) naar de (boor)pijpleiding (2) door de toevoeropeningen (11) welke in de wand van de (boor)pijpleiding zijn aangebracht. Het water dat afgevangen 5 wordt in de turbulente stromingsafscheider wordt afgevoerd door het centrale waterafvoerkanaal (12) dat ter hoogte van de schotels c.q. de lintvormige spiraal is voorzien van gaten of gleuven (13) voor de toevoer van het afgevangen water naar het afvoerkanaal (12).
10 In figuur 1 is (14) een turbulente stromingsafscheider van het schotel type. Het (te ontwateren) gas stroomt hierbij door de annulaire ruimte (15) welke wordt gevormd tussen stromingsafscheider (14) en de (boor)pijpleiding (2). De individuele schotels (17) maken een 15 hoek α (18) het de as van doorvoer (23). De grootte van de hoek a, welke de snijlijn van de spiraal met een vlak door de as van doorvoer (23) maakt met deze as van doorvoer ligt tussen 45 < α < 89°/ en bijvoorkeur tussen 80 < α < 89°. Na het passeren van de toevoeropeningen (11) wordt, in figuur 1, 20 het gas/watermengsel omgebogen in neerwaartse richting door de bochtstukken (16) waardoor de grotere druppels door de inertie op het gas/vloeistofgrensvlak van reservoir (6) worden afgescheiden, terwijl de gasstroom met de kleine druppels omhoog buigt waarna afscheiding van de kleine druppels plaats 25 vindt in de turbulente stromingsafscheider (14).
In figuur 2 vindt de afscheiding van water uit het gas/watermengsel dat toestroomt via de toevoeropeningen (11) in eerste instantie plaats met behulp van de botsingsscheiders (19) welke voor deze uitstroomopeningen zijn aangebracht en 30 welke hier bestaan uit plaatvormige strippen. Het afgevangen water druppelt naar beneden naar het water reservoir (6) terwijl het nog met kleine druppeltjes beladen gas wordt geleid langs de turbulente stromingsafscheider (20) welke is voorzien van een lintvormige gewonden spiraal rondom het 35 centrale waterafvoerkanaal (12) dat voorzien in van inlaatopeningen (13) voor het toevoeren van het afgevangen water. Evenals in inrichting in figuur 1 is ook hier de hoek 1002534 10 α(18) gelegen tussen de grenzen 45-89®, en bij voorkeur tussen 80 en 89°. Het te zuiveren gas wordt ook hier geleid door de annulaire ruimte (15) welke wordt gevormd door de buiten zijde van de stromingsafscheider (20) en de (boor)pijpleiding (2).
5 In figuur 3 vindt de afscheiding van water uit het via de openingen (11) toestromende gas/watermengsel in eerste instantie plaats op het coalescentiefilter (21), waaruit het afgevangen water naar beneden druipt naar het wateropvang reservoir (6). Het resterende water wordt uit het gas 10 afgescheiden met behulp van de turbulente stromingsafscheider (14) waarvan de individuele schotels (17) zijn voorzien van een ijl pakkingsmateriaal (22) dat is aangebracht ter verhoging van de demping van de turbulenties en de vangstefficiency. Evenals in de inrichting getoond in figuur 1 15 maken de individuele schotels (17) ook in deze inrichting een hoek a met de as van doorvoer (23) welke bij voorkeur ligt tussen 80-89°.
100253^

Claims (11)

1. Werkwijze voor het gescheiden afvoeren van (aard)gas en water bij de winning van aardgas uit ondergrondse natte bronnen door de afscheiding van water onderin een (aard)gasput in de onmiddellijke nabijheid van een gashoudende poreuze laag 5 door het toepassen van een turbulente stromingsafscheider voor de gas/waterscheiding in de (boor)pijpleiding, eventueel in combinatie met een ervoor geplaatste gas/waterscheider werkend volgens het principe van vangst van grotere waterdruppels door botsing op een gas/vast of gas/vloeistof grensvlak bij 10 afbuiging van de stromingsrichting van het gas, het verzamelen van het afgescheiden water in een onderin de (boor)pijpleiding aangebracht opvangstreservoir en het hieruit verwijderen van het afgescheiden water.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, waarbij het water 15 wordt opgepompt met een onderin de put danwel de (boor)pijpleiding geplaatste pomp, via een leiding welke gescheiden is van de (boor)pijpleiding waardoor het goeddeels van water bevrijde gas omhoog wordt gevoerd of gezogen.
3. Inrichting, geschikt voor het uitvoeren van de 20 werkwijze volgens conclusie 1 of 2, welke inrichting bestaat uit een deel van een (boor)pijpleiding waar doorheen de te zuiveren gasstroom omhoog wordt gevoerd door tenminste een verticaal geplaatste doorvoer voor de gasstroom, waarbij de inrichting voorzien is van middelen voor het afscheiden van 25 deeltjes uit de gasstroom, welke middelen grenzen aan de doorvoer, daarmee in directe verbinding staan en gevormd worden door, hetzij een aantal platen welke onder een hoek kleiner dan 90° met de as van doorvoer staan en waarbij telkens twee platen een spleet met elkaar vormen, welke 30 geschikt is voor het opvangen en afvoeren van deeltjes, hetzij 1002534 een doorlopende lintvormige spiraal waarvan de doorsnede met een vlak door de as van doorvoer een hoek maakt kleiner dan 90° met genoemde as van doorvoer en waarbij telkens twee opeenvolgende omwentelingsvlakken (windingen) van de spiraal 5 een spleet vormen, welke geschikt is voor het opvangen en afvoeren van de deeltjes.
4. Inrichting volgens conclusie 3, waarbij de gasstroom, voorafgaande aan het doorleiden door één van de middelen voor het afscheiden van deeltjes uit de gasstroom, 10 wordt geleid door een inrichting voor het verwijderen van de grotere vloeibare deeltjes door botsing van de deeltjes met een vast of vloeibaar grensvlak, welke inrichting bestaat uit vaste objecten welke de stromingsrichting van het gas beïnvloeden direct na het instromen van het gas/watermengsel 15 in de (boor)pijpleiding.
5. Inrichting volgens conclusie 4, waarbij de objecten bestaan uit verticale staven welke naast en/of achter elkaar zijn opgesteld.
6. Inrichting volgens conclusie 4, waarbij de objecten 20 bestaan uit ringvormige banden welke elkaar overlappen in een louvre-achtige structuur.
7. Inrichting volgens conclusie 4, waarbij op de instroom openingen voor het gas/watermengsel in de (boor)pijpleiding bochten worden aangebracht welke de 25 stromingrichting van het gas/watermengsel ombuigen in neerwaartse richting.
8. Inrichting volgens conclusie 4, waarbij de botsingsafscheiding plaats vindt door het aanbrengen van een ijle pakking tussen de instroompunten van het gas/watermengsel 30 en de turbulente stromingsafschelder.
9. Inrichting volgens conclusie 3-8, waarbij het afgescheiden water wordt afgevoerd via een centraal afvoerkanaal dat voorzien is van toevoeropenigen voor het afgescheiden water ter hoogte van iedere schotel en/of op 35 regelmatige afstanden langs de lintvormige spiraal. 1002534
10. Inrichting volgens conclusie 3-9, waarbij in de spleten tussen de opvolgende schotels en/of de windingen van de lintvormige spiraal een ijle pakking wordt aangebracht.
11. Inrichting volgens de conclusies 8 of 10, waarbij de 5 ijle pakking bestaat uit netwerken, vormlingen of non-wovens van dunne vezels of draden van metaal, koolstof (grafiet), (kwarts)glas, kunststof of keramiek. 1002534
NL1002534A 1996-03-05 1996-03-05 Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput. NL1002534C1 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1002534A NL1002534C1 (nl) 1996-03-05 1996-03-05 Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL1002534 1996-03-05
NL1002534A NL1002534C1 (nl) 1996-03-05 1996-03-05 Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL1002534C1 true NL1002534C1 (nl) 1997-09-08

Family

ID=19762445

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL1002534A NL1002534C1 (nl) 1996-03-05 1996-03-05 Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL1002534C1 (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
WO2005070520A1 (en) * 2004-01-27 2005-08-04 Alberta Research Council Inc. Method and apparatus for separating liquid droplets from a gas stream

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
WO2005070520A1 (en) * 2004-01-27 2005-08-04 Alberta Research Council Inc. Method and apparatus for separating liquid droplets from a gas stream

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US6709500B1 (en) System for separating entrained liquid from a gas stream using a sloped vessel
US2349944A (en) Method of and means for separating liquids and gases or gaseous fluids
US8308959B2 (en) Material separator
CA2687349C (en) Induced vortex particle separator
US20050173337A1 (en) Method and apparatus for separating immiscible phases with different densities
US9039799B2 (en) Drained coalescer
CA2824443C (en) Separation of two fluid immiscible phases for downhole applications
JP4359975B2 (ja) 固体分離装置
CA2464907A1 (en) Method and apparatus for separating immiscible phases with different densities
GB2462213A (en) Multiphase fluid separating method and apparatus
RO111029B1 (ro) Procedeu si dispozitiv pentru indepartarea nisipului din apa de canalizare
RU2268999C2 (ru) Скважина и способ добычи нефти из подземного пласта через скважину
RU2754106C1 (ru) Способ улавливания и утилизации песка из продукции нефтегазовых скважин и устройство для его осуществления
EP0258359B1 (en) Method of separating a medium in different components by means of gravity
NL1002534C1 (nl) Werkwijze en inrichting voor het afscheiden van water uit gas in een boorput.
US5958256A (en) Method for pretreating an industrial wastewater
EP1199095B1 (en) Device for the separation of liquid and/or solid pollutants entrained by gaseous streams
EP0404548A2 (en) Separator
RU2329851C2 (ru) Устройство для очистки технологической воды от взвешенных частиц
RU211920U1 (ru) Сепаратор
CA2630022C (en) A system and method of separating entrained immiscible liquid component of an inlet stream
Suleimanov et al. Optimization of the design of the scrubber separator slug catcher
CN114426345B (zh) 一种悬浮物分离装置
EP0537221B1 (en) Sedimentation device
JP3336397B2 (ja) 液体中の異物除去方法及びその装置

Legal Events

Date Code Title Description
VD1 Lapsed due to non-payment of the annual fee

Effective date: 20001001