<Desc/Clms Page number 1>
"WERKWIJZE VOOR HET REGISTREREN EN REPRODUCEREN VAN INFORMATIE"
Onderhavige uitvinding heeft betrekking op een thermogra- fisoh opnamesysteem gebaseerd op het onoplosbaar maken van een thermografisch materiaal door de inwerking van warmte, alsook op de vervaardiging van etsbeelden door middel van thermografische registreermaterialen, welke een stof of samenstelling bevatten met de eigenschap op de bedoelde wijze onoplosbaar te kunnen wor- den gemaakt.
Men heeft een nieuwe werkwijze voor het registreren, res- pektievelijk reproduceren van informatie gevonden, met het kenmerk dat een geschikt registreermateriaal beeldagewijze of informatie- gewijze blootgesteld wordt aan elektromagnetische straling, welk materiaal ten minste één registreerlaag bevat die al dan niet aangebracht is op een drager, dit wil zeggen een laag op een drager of een vel of zelfdragende laag, welke laag een samenstel- ling bevat die onder de inwerking van warmte onoplosbaar of althans minder oplosbaar wordt in water of een waterig vloeibaar systeem, waarin ze oorspronkelijk oplosbaar is, en die ten minste
<Desc/Clms Page number 2>
een polymeer bevat dat op die wijze onoplosbair kan worden ge- maakt en dat in thermisch kontakt staat met één of meer stoffen,
die de gebruikte elektromagnetisohe straling absorberen in ten minste een gedeelte van haar speotrum en de aldus opgeslorpte stralingsenergie ten minste gedeeltelijk omzetten in warmte, wanrbij de --noemde blootstelling aan elektromagnetische straling van korte duur is en geschiedt met een zodanig gekozen intensi-' teit, dat het te reproduceren origineel of de te registreren in- formatie in de warmtegevoelige laag wordt opgenomen in de vorm van een geheel van beeldsgewijze of informatiegewijze oplosbare en onoplosbare delen.
De hier gebruikte uitdrukking "waterig vloeibaar systeem" heeft betrekking op een mengsel van water en een met water meng- baar organisch oplosmiddel, zoals ethanol en dergelijke, of een waterige oplossing van een in water oplosbare, in ionen splite- bare verbinding, zoals een base, zuur of zout.
Voorts betekent de hier gebruikte uitdrukking "beeldage- wijze of informatiegewijze blootstelling aan de inwerking van elektromagnetische straling" dat deze blootstelling, (dit wil zeggen belichting) progressief of simultaan geschiedt, dit wil zeggen progressief zoals bij de geleidelijke opname van akoes- tische informatie op een geluidsband, of simultaan, zoals bij het kopiëren van een origineel (bijvoorbeeld een gedrukte tekst of een transparant fotografisch zilverbeeld) met gereflekteerd of met doorvallend licht.
Bijvoorbeeld in het geval dat de te registreren informatie bestaat in de vorm van een geschreven of gedrukte tekst, wordt de informatie vastgelegd in het regia- treermateriaal in de vorm van een differentiatie in oplosbaar- heid in water of in ren waterig vloeibaar systeem.
De kortstondige straling met hoge intensiteit geschiedt hij voorkeur door middel van elektromagnetische straling, waar- van het @olflengtengebied in hoofdzaak boven 390 nm gelegen is.
<Desc/Clms Page number 3>
Een van de verschillen tussen het registreersyteem vol- gens de uitvinding en de gebruikelijke systemen berustend op het onoplosbaar maken van een lichtgevoelig registreermateriaal door bestraling met licht, bestaat hierin, dat het warmtegevoelige bestanddeel, dit wil zeggen het polymeer of de polymere samen- stelling, dat onoplosbaar wordt gemaakt volgens de werkwijze van onderhavige uitvinding, niet lichtgevoelig is, wat het gebruik van chemische sensibilisatoren en/of foto-induotoren respektie- velijk voor het versnellen en het induceren van de polymeriaatie- reaktie overbodig maakt.
De belichtingsenergie en het gehalte van het registreer- materiaal aan warmtegevoelige stoffen volgens de uitvinding wor- den zodanig geregeld dat het opgenomen beeld bestaat uit delen diesterk genoeg van elkaar verschillen in onoplosbaarheid.
Na aldus het grondprincipe van de werkwijze volgens de uitvinding te hebben uiteengezet, wordt onderstaand nadere aan- dacht besteed aan de samenstelling en opbouw vun de vorens de uitvinding bij voorkeur gebruikte warmtegevoelige materialen, alsook aan de meest geschikte werkwijzen voor de beeldsgewijze of informatiegewijze belichting van deze materialen.
Het volgens de werkwijze van onderhavige uitvinding ge- bruikte warmtegevoelige materiaal bevat bij voorkeur ten minste één registreerlaag aangebracht op een drager of in de vorm van een vel, welke registreerlaag bij voorkeur voor ten minste 80 % (gewiohtsprocent) bestaat uit een samenstelling of stof die on- oplosbaar wordt door verwarming tussen 50 en 250 C. De bij do belichting gebruikte elektromagnetische straling bestaat bij voorkeur hoofdzakelijk uit zichtbaar licht (teil minste 70%) en de beliohtingeduur ie bij voorkeur niet langer dan 0,1 seconde, en wel bij voorkeur niet langer dan 0,01 seconde.
Polymere systemen die geschikt zijn voor de werkwijze vol- gens onderhavige uitvinding, dit wil zegren die onoplosbaar kun-
<Desc/Clms Page number 4>
nen worden gemaak door de inwerking van warmte, zijn bijvoor-
EMI4.1
beeld niet-lichtg '.'oelige, in water oplosbare thermohardende har- een, waarvan de moiekulen snel chemisch met elkaar worden ver- knoopt tdt een onoplosbaar netwerk bij verwarming boven hun reak- tietemperatuur. Typische voorbeelden daarvan zijn polyacrylamide en oopolymeren ervan, waaronder een copolymeer van acrylamide en
EMI4.2
natriumacrylaat, lJuly(N-methylol-aorjiJamide), poly(1,2-dhydro- 2,2,4-trimathy.ohinolina) en in water oplosbare precondensatiepro- dukten, zoals mel!ine-aldehyde-har8en en ureum-aldehyde-haraen,
waaronder bijvoorbeeld ureum-formaldehyde-hars.
Voorts komen voor de werkwijze volgens de uitvinding ook polymeren in aanmerking die door verwarming onoplosbaar worden in water of waterig vloeibaar systeem door afsplitsing van water of ammoniak, of die een andere chemische of fysische verandering ondergaan ten gevolge waarvan ze onoplosbaar worden.
Dat zijn bijvoorbeeld zetmeel, waaronder maniokzetmeel, zetmeelfosfaat, abiotinezuur, colofonium, esters van alginezuur, in water oplos- bare zouten van alginezuur (bijvoorbeeld amine-alginaat en natriumalginaat), hydroxypropylzetmeel, carboxymethylethera van
EMI4.3
amylose en amylopektine, saccharose-stearaat, cellulosesulfaat, ethylhydroxyethylcellulose, natriumcarboxymethylcellulose, natrium-carboxymethylzetmeel, natriumathylcalluloseftalaat, polyvinylpyrrolidon, copolymeren van vinylmethylether en maletne- zuuranhydride, en copolymeren van vinylmethylether en malelne- zuur-halfamide.
EMI4.4
In geval men een monomeer verknopingaagens gebruikt voor de reaktis waardoor het polymeer of de samenstelling onoplosbaar wordt gemaakt, verdient het aanbeveling dit agens te laten ont-
EMI4.5
atüRit j n het ree18treertnateriaal zelf ti jdens de opname door boeJ.dgew1jze blootstelling aan de inwerking van licht en/of warmte Men kan aldus bijvoorbeeld gebruik maken van verbindin- gen die een verknopirigaageno, zoals formaldehyde en dergelijke,
EMI4.6
afgevez. M j verwarming.
<Desc/Clms Page number 5>
Het is volgens eenbepaalde uitvoeringswijze van de werk- wijze der uitvinding mogelijk een registreermateriaal te gebrui- ken waarin het verknopingsagens, de katalysator of de verbinding waaruit de katalysator wordt gevormd enerzijds, en het verknoop- bare polymeer of de verknoopbare polymere samenstelling ander- zijds in verschillende lagen worden gebruikt,Dit systeem biedt het voordeel dat het thermografisohe materiaal beter houdbaar is, vooral als de twee lagen gescheiden zijn door een tussenlaag, die echter bij verwarmen het vermengen door diffusie niet kan verhinderen van het verknopingsagens en/of de katalysator met het netvormig te verknopen polymeer.
De belichting van het warmtegevoelig materiaal dat de lichtabsorberende stoffen bevat, die de opgeslorpte stralings- energie omzetten in warmte, geschiedt bij voorkeur met een lioht- bron die een zeer intense straling, hoofdzakelijk bestaande uit zichtbaar licht, in zeer korte tijd (niet langer dan 0,1 seconde) uitzendt. Een dergelijke liohtbron is bijvoorbeeld een flitslamp.
Dergelijke lampen zenden ook infrarood en ultraviolet uit, maar in een verhouding die niet groter is dan 30% van de totale uitgestraalde energie.
Bij toepassing van de werkwijze volgens de uitvinding ver- krijgt men uitstekende resultaten met een xenon-ontladingslamp. die een energie van 200 k 2000 watt.sea. in 0,0001 à 0,01 sec uitstraalt.
Bij een voorkeuropstelling gebruikt men een ontladings- lamp in de vorm van een smalle buie, gemonteerd in een holle gla- zen cilinder, waardoor het mogelijk is het om de oilinder gewik- kelde registreermateriaal zeer gelijkmatig te belichten. Nadere gegevens aangaande dergelijke ontladingslampen zijn te vinden in het Belgische octrooisohrift nr. 664. 868 en in de Belgische ootrooiaanvrag P.V. 45650 voor : "Thermografische kopieerwerk- wijze" ingediend te Antwerpen op 17 mei 1966.
De bedoelde
<Desc/Clms Page number 6>
ontladingelampen hebben een zeer hoge lichtsterkte, vooral in het zichtbare spectrum
Men kan verscheidene flitslampen gebruiken die gelijktijdig worden ingesohakeld, of ook één flitslamp die onderbroken wordt ingeschakeld volgens een bepaald tijdsohema ten einde een goed opname te verkrijgen. Men kan bovendien gebruik maken van reflektoren en andere optische middelen om de belich- ting zo gelijkvormig mogelijk te maken.
Men kan natuurlijk ook lampen gebruiken die veel zwakker zijn dan de bovenvermelde, mits het uitgezonden licht te concen- treren op een betrekkelijk kleine warmtegevoelige plek, bijvoor- beeld door een laserbundel te gebruiken of door progressief en/ of intermitterend te belichten.
Met andere woorden, het warmte- gevoelige materiaal met zijn lichtabaorberende bestanddelen die de opgeslorpte lichtenergie omzetten in warmte, kan worden be- licht door aftaating, bijvoorbeeld door middel van een zeer lichtsterke, beeldsgewijs gemoduleerde lichtvlek, of ook progres- sief doorheen een spleet waarop het licht, uitgezonden bijvoor- beeld door een buisvormige lichtbron, wordt geconcentreerd,
Het is duidelijk dat het warmtegevoelige materiaal volgens de uitvinding voor of tijdens de beeldsgewijze verwarming gelijk- matig kan worden verwarmd op een temperatuur onder die waarbij de warmtegevoelige bestanddelen praktisch onoplosbaar worden ge- maakt.
Fijnverdeelde liohtabaorberende stoffen, die de opgeelopp. te ziohtbare en infrarode stralingsenergie omzetten in warmte en in aanmerking komen als bestanddelen voor het thermografische regiatreeraateriaal volgens de uitvinding, zijn bijvoorbeeld koolzwart, grafiet, oxiden en sulfiden van zware metalen,in fijn- verdeelde toestand zoals zilver, bismut, lood, ijzer, kobalt, nikkel en dergelijke. Het gebruik van roet als lichtabsorberend bestanddeel in thermisch kontakt met de onoplosbaar te maken bestanddelen van het bedoelde thermografische materiaal verdient
<Desc/Clms Page number 7>
EMI7.1
de voorkeur.
Het gehalte van de warmtegevoelige registreerlaag qan der- gelijke fijnverdeelde lichtabsorberende stoffen of pigmenten be-
EMI7.2
draagt bijvoorbeeld 0,01 k 1 %, bij voorkeur 0,1 a 0,5 % (gewichtsprocent). Zwarte of donkerkleurige pigmenten verdienen de voorkeur. De optische dichtheid van de l1chtabaorberende cpnxme- laag bedraagt vooral in het geval van reflexbeliohtlnc hfj voor- keur 0, 20 z, 1,00 en kan zelfa groter zijn dan 1,00 in het rvui
EMI7.3
van direkte belichting.
EMI7.4
De warmtegevoelige registreerlaag kan voorte weele"akere voor haar polymere bestanddelen bevatten. veBoh1kte ve knukera
EMI7.5
zijn bijvoorbeeld glycerol, sorbitol en polyglycolen, aleook de
EMI7.6
esters van deze verbindingen, zoals g3yoeryLjionoluuraat, poly- athylaeng.ycol-diaiearaat en andere.
De dikte van de reg1streerlaag liangt af van het doel -,vaar. voor het opnamemateriaal bestemd ie* Ia dit doel bijvoorbeeld de vervaardiging van een reliïfboeldl dan hangt de dikte van de opnamelaag af van de aard van de te maken matrije (plunogrnf1- aohe plaat, diepdrukplaat of boekdrukplau.t). De dikte van de he- doelde laag varieert meestal van ongeveer 0#C#01 tot 7 mir.
De lagen met een dikte van ongeveer 0,bl tot Q,70 m:n zijn mee4tal bestemd voor rasterwerk (bijvoorbeeld raaterbeelden), terwijl de lagen met een dikte van ongeveer Q,25 tot 1,50 mx meestal dienen voor de vervaardiging van boek4rukpluten. la het oppervlak van do bedoelde opnkmelung loto klevorie, bijvoorbeeld ingeval deze bestaat uit een hoop'v1Bkeue tL,'!.fI:W tI" 1- ling vain netvormig verknoopbare storen, da bestaat de 1:.01.1'11 j j'.- heid de regietreerlaag na belichting te ontwlklen door middel van een fijn poeder, dat plakt aun het oppervlak van de 1;In:>t3an der regli3trf-erlaag die geen waZ'Jlte-1nwerk1n,.. hebben andezyu4r.
Is een dergelijke klevei-igheid van de re81tftreerl{tfJg 9sywrnat, dan verdient het aanbeveling sommige p1,n.ntn, zoals zinkoxide
<Desc/Clms Page number 8>
en dergelijke, toe te voegen aan de la@g.
Het dragermateriaal voor de onoplosbaar te maken laag volgens de uitvinding kan gelijk welk natuurlijk of synthetisch produkt zijn, dat verwerkbaar is in de vorm van weefsel, film of vel. Het is soepel of stijf en al dan niet terugkaatsend voor de bij de belichting gebruikte straling.
Men geeft gewoon- lijk de voorkeur aan een metalen drager bij de vervaardiging van drukelementen, wat niet wegneemt dat ook vellen van geschik- te kunstharsen en synthetische polymeren in aanmerking komen als dragermaterialen voor de betrokken lagen, als het erop aan- komt het gewicht zo laag mogelijk te houden. Drukelementen voor rotatiepersen kunnen worden gemaakt uitgaande van een cilinder- vormige dragerplaat bekleed met een hardbare laag volgens de uitvinding, die wordt belicht bijvoorbeeld met infrarood licht rechtstreeks door een origineel, aangebracht om het cilinder- vormige registreermateriaal, De drager voor de laag volgens de uitvinding kan ook een rastermateriaal zijn, dat bekleed is met een laagje van een warmtegevoelige, verknoopbare samenstelling.
Als rastermateriaal komen vooral Japans papier (Yoshino-papier), nylonweefsels met een maaswijdte van 0,2 à 0,8 mm en bronsgaas in aanmerking. Het rastermaterisal, gedrenkt of bekleed met de verknoopbare samenstelling, vormt een blanoo materiaal dat klaar is om als zeefdrukmatrijs of als stencil gebruikt te worden.
Door wegwassen van de niet verknoopte en dus oplosbaar gebleven delen van de bedoelde warmtegevoelige laag, verkrijgt men een gebruiksklaar rasterelement.
De registreerlaag met de verknoopbare bestanddelen vol- gens de uitvinding kan morden aangebracht op een drager door er een oplossing of dispersie volgens een bekende giettechnick op aan te brengenEen vloeibaar, verknoopbaar systeem kan eveneens in vloeibare toestand zonder vloeibaar medium nooh oplosmiddel, bijvoorbeeld door extrusie, worden opgedragen.
Heeft de betrokken samenstelling voldoende filmvormende
<Desc/Clms Page number 9>
eigenschappen, dan kan ze worden gegoten of geëxtrudeerd op een speciale trommel of band met het oog op de vorming van een vel.
Dit vel kan dan eventueel nadien worden aangebracht op een per- manente drager.
De belichting van het materiaal volgens de uitvinding is een direkte belichting of een reflexbeliohting. Tijdens de re- flexbeliohting bevindt zich het materiaal tussen de lichtbron en het origineel. Dit laatste kan een al dan niet transparant ele- ment zijn met een beeld bestaande uit delen die licht absorbe- ren en andere delen die licht terugkaatsen.
Om zeer scherpe beelden te verkrijgen geeft men de voor- keur aan een belichtingstechniek waarbij de warmtegevoelige re- gistreerlaag in contact is met de beelddelen van het origineel.
Het door de beelddelen van het origineel geabsorbeerde licht oefent geen merkbare invloed uit op het registreermateriaal we- gens de zeer korte belichtingstijd (bij voorkeur korter dan 0,01 seconde). Deze korte belichtingstijd voorkomt immers een al te sterke opstapeling van warmte in de bedoelde delen van het origi- neel en derhalve het onoplosbaar worden van de onderliggende de- len der warmtegevoelige laag ten gevolge van de diffusie van die warmte. Alleen een lokale voldoend sterke verwarming van de re- gistreerlaag als gevolg van het innige thermische kontakt tussen de onoplosbaar te maken beelddelen in de laag enerzijds en de fijnverdeelde lichtabsorberende bestanddelen, die de opgeslorpte stralingsenergie omzetten in warmte, anderzijds, is in staat de gewenste onoplosbaarheid van het betrokken materiaal tot stand te brengen.
De doelmatigheid van de belichting met elektromagnetische straling hant eveneens af van de sterkte van deze straling. tien kan de afstand tussen de lichtbron en het registreermateriaal vergroten naarmate de belichtingsenergie groter wordt.
Volgens een andere uitvoeringsvorm wordt het registreer-
<Desc/Clms Page number 10>
materiaal volgens de uitvinding tijdens de belichting met zijn rugzijde (drager) aangedrukt tegen het origineel. Het is duide- lijk dat de drager voldoende transparant moet zijn als de belioh- ting erdoorheen gesohiedt.
Het registreermateriaal dat aldus na de beliohting een uit oplosbare en onoplosbare delen bestaand beeld draagt komt in aan- merking voor alle technieken waarbij reli#fbeelden of etsreser- vebeelden te pas komen. In deze technieken worden de oplosbaar gebleven delen van het beeldsgewijs belichte regiatreermateriaal verwijderd door oplossing in water of een geschikt waterig vloei- stofmengsel, dat natuurlijk zeer zorgvuldig moet worden gekozen, daar het een goede oplossende werking moet uitoefenen op de onbe- lichte delen van de warmtegevoelige laag en ook op het drager- materiaal waarop deze laag aangebracht is geweest.
Het aldus met water of een andere geschikte vloeistof behandelde materiaal kan, naar gelang van het beoogde doel, worden gebruikt als re- serve bij het etsen van een reli#fdrukplaat of ook voor het ma- ken van een drukplaat.met bevochtigbare en waterafstotende delen, bijvoorbeeld voor lithografie. Speciale toepassingen van het materiaal volgens de uitvinding zijn bijvoorbeeld de vervaardi- ging van sierplaten, sjablonen voor automatische graveermachinea, matrijzen voor knop- en stampwerk, braille-reliëfkaarten en het gebruik als etereserves voor het maken van gedrukte of geëiste schakelingen.
Na wegwassen van de delen die de inwerking van de warmte niet hebben ondergaan, kunnen de polymere delen, die onoplosbaar gemaakt zijn door beeldsgewijze verwarming, extra worden gehard volgens de een of andere bekende hardingsmethode. Het doel daar- van is de machanische sterkte van het onoplosbaar gemaakte polymeer zoveel mogelijk te verbeteren. Het is duidelijk dat een derge- lijke extra harding vaak gewenst is als het materiaal met zijn onoplosbaar gemaakte delen bestemd is om bijvoorbeeld als een drukplaat te worden gebruikt.
<Desc/Clms Page number 11>
Een modulatie in ooheaievermogen van het opnamemateriaal, speciaal in natte toestand, kan worden te pas gebraoht in een overdraohtswerkwijze, waarbij de weke en nog in water zwelbare of oplosbare delen van de registreerlaag overgebracht worden op een ontvangstmateriaal, met het gevolg dat op dit laatste mate- riaal een afdruk of reliëfbeeld overeenkomstig de niet door de warmte beïnvloede delen van het regiscreermateriaal tot stand komt.
Len modulatie in doorlatendheid voor vloeistoffen, die bijna altijd samenhangt met een verschil in oploabaarheid tussen de verschillende beelddelen, komt in aanmerking om te worden toegepast in technieken waarbij stoffen (bijvoorbeeld stoffen die het registreermateriaal kunnen kleuren of bleken) selektief ' in het registreermateriaal worden geabsorbeerd. (Meer details over technieken kunnen gevonden worden bijvoorbeeld in het Belgisch ootrooischrift nr. 656.713) ,
Twee mogelijke belichtingswijzen volgens de reflexmetho- de worden door bijgaande figuren 1 en 2 voorgesteld.
In de opstelling volgens de schematische voorstelling van figuur 1 gebruikt men een xenon-ontladinslamp 22 voor het afdrukken van een lijnorigineel 24 met lichtabsorberende letters 27 aan weerszijden van een lichtreflecterende drager 25 op een warmtegevoelig materiaal 28, bestaande uit een transparante drager 29 en een warmtegevoelige laag 31, waarin lichtabsorbe- , rende deeltjes 32 verwerkt zijn.
Een andere reflectografische belichtingswijze wordt voor- gesteld door figuur 2. De drager 29 van het warmtegevoelige materiaal 28 staat hier rechtstreeks in oontuot met de letters
27 van het origineel.24.
Twee belichtingswijzen waarbij rechtstreeks door het cri- gineel wordt belicht, worden voorgesteld door figuren 3 en 4.
In de opstelling volgens figuur 3 gaan de lichtstralen van de
<Desc/Clms Page number 12>
EMI12.1
gaeontxadingexamp 22 eerst door de transparante drager 26 van het origineel 23 alvorens ze de warmtegevoelige laag 31 van het thermografieohe materiaal 28 treffen. De drager 30 van dit ther- mografische materiaal kan in dit geval al dan niet transparant zijn. De lichtstralen kunnen daarentegen niet gaan door de delen van het origineel 23 met de lichtabsorberende letters 27.
In de opstelling volgens figuur 4 ligt de zijde van het
EMI12.2
origineel 23 met de lichtaboorbererde letters 27 aan de kant van de gaaontladingslamp 22.
Het is duidelijk dat, buiten de boven beschreven belioh- tLneswijzen, nog diverse andere geschikte beliohtin3swi j zan in aanmerking komen bij de toepassingen van de werkwijze volgens de uitvinding. Het is de taak van de vakman in ieder speciaal geval de meest gesohikte opstelling en belichtingswijze te kiezen.
Volgende voorbeelden illustreren de uitvinding.
Voorbeeld 1
Een suspensie met onderstaande samenstelling wordt gegoten op een gebaryteerd papier naar rata van 1 liter/10 m2 :
2,5 %'s waterige oplossing van poly(N-methylol- acrylamide) 400 om3 dispersie van koolzwart in water, bestaande uit
53 g koolzwart, 23 cm3 water, 18 g glycol en 6 g nonylfenylpolyethyleenoxide per 100 g dispersie 1,5 g
EMI12.3
11 %ira eapozi.ne-oploseing in water 10 cm3. Het verkregen materiaal wordt gedroogd en vervolgen:! gedu- rende 0,008 sec belicht door een negatief met een elektronjt;ohe flitslamp (flux 1#03 watt.eco/cm2) volgens de opstelling ven figuur 3.
Het materiaal wordt na belichting gedurende een Tien- tal seconden gewassen in koud water. liet resultaat is een 4wart positief.
<Desc/Clms Page number 13>
Voorbeeld 2
Men herhaalt voorbeeld 1, met hetverschil dat men liet ma- teriaal na belichting en wegwassen van de onbelichte delen met water gebruikt als offset-plaat. Alleen de plaatsen waar de warmtegevoelige laag weggewassen is, nemen inkt aan.
Voorbeeld 3
Een suspensie met onderstaande samenstelling wordt gego-
EMI13.1
ten op een met gelatine geeubstreerde oellulosetriaoetaat-film
EMI13.2
<tb> 2,4 <SEP> %'s <SEP> waterige <SEP> oplossing <SEP> van <SEP> een <SEP> copolymeer
<tb>
<tb> van <SEP> acrylamide <SEP> en <SEP> natriumaorylaat <SEP> (gewiohts-%'
<tb>
<tb> 31,2/68,2) <SEP> 100 <SEP> cm3
<tb>
<tb>
<tb>
<tb> dispersie <SEP> van <SEP> koolzwart <SEP> (zie <SEP> voorbeeld <SEP> 1) <SEP> 0,1 <SEP> g.
<tb>
Het aldus verkregen thermografische materiaal heeft na drogen een optische dichtheid van 0,70 (gemeten in doorvallend lioht) .
EMI13.3
Dit materiaal wordt reflectografisoh belicht in contact met een origineel door middel van een elektronische flitslamp (flux 0,96 watt.sec/cm2) volgens de optelling van figuur 1.
Het wordt vervolgens bevochtigd met water van 4020 en aangedrukt tegen een vel gewoon schrijfpapier. Het resultaat na de verwij-
EMI13.4
dering van het thermograficohe materiaal van het papier 1e een positieve kopie van het origineel op het schrijfpapier.
Voorbeeld 4
Een mengsel met onderstaande samenstelling wordt 6 uur fijngemalen in een kogelmolen ! :
EMI13.5
50 %IS oplossing van een methylpolyailoxaan-hara
EMI13.6
<tb> in <SEP> een <SEP> mengsel <SEP> van <SEP> tolueen <SEP> en <SEP> methylethylketon
<tb> (l:1) <SEP> 25 <SEP> g
<tb>
<tb> benzoylperoxide <SEP> 1 <SEP> g
<tb> koolzwart <SEP> 0,2 <SEP> g
<tb>
EMI13.7
metltylethylketon 25 om3#
De aldus verkregen dispersie wordt gegoten op een geaub- streerde polyethyleentereftalaat-film. De dikte van de laag wordt
<Desc/Clms Page number 14>
zo geregeld dat het mate aal na drogen,een optische dichtheid van 1,78 (gemeten in do@vallend licht) heeft.
Het aldus verkre- gen thermografische materiaal wordt belicht volgens de werkwijze van figuur 3 en vervol@ens behandeld met een mengsel van methyl-
EMI14.1
ethylketon en water (%(1=everhouding 1,;5)J Het resultaat is een zwart positief bend.
Voorbeeld
Een suspense met onderstaande samenstelling wordt gegoten
EMI14.2
op een geaubstree3Qe oelluloeetr1aoetaat-film :
EMI14.3
natrium-ell,yloelluloeeftalaat 1 g
EMI14.4
<tb> ethanol <SEP> 80 <SEP> om3
<tb>
<tb> water <SEP> 20 <SEP> om3
<tb>
<tb> dispersie <SEP> van <SEP> koolzwart <SEP> in <SEP> water <SEP> (zie <SEP> voorbeeld <SEP> 1) <SEP> 0,2 <SEP> g.
<tb>
De dikte van de laag wordt zo geregeld dat het materiaal na drogen een optische diohtheid van 0,66 (gemeten in doorvallend licht) heeft.
EMI14.5
Het aldus verkregen thermografïeche materiaal wordt vol- gene de opstelling van figuur 1 met zijn warmtegevoelige zijde
EMI14.6
gelegd op een te kopiëren tekst en reflootografiech belicht met een zeer sterke elektronische flitslamp (flux 1,0 watt-eec/cm2).
De laag wordt na belichting gewrover. met water om de onbe- lichte plaatsen te verwijderen, die overeenkomen met de lettero
EMI14.7
van het origineel. Het resultaat ia een zwarte nogatietafdruk, Voorbeeld 6
Een mengsel met volgende samenstelling wordt gegoten op
EMI14.8
een geoubstreerde oellulosetriaoetaat-film
EMI14.9
poly(l,2-dihydro<2,2,4-trimej.ylohinoline) 5 g
EMI14.10
<tb> ethanol <SEP> 94,6 <SEP> cm3
<tb>
<tb> dispersie <SEP> van <SEP> koolzwart <SEP> in <SEP> water <SEP> (zie <SEP> voor-
<tb>
<tb> beeld <SEP> 1) <SEP> 0,4 <SEP> g.
<tb>
<tb>
<tb>
De dikte van de laag wordrzo geregeld dat het materiaal
<Desc/Clms Page number 15>
na drogen een optische dichtheid van 1,0 (gemeten in doorvallend licht) heeft, De belichting en daaropvolende behandeling geschie- den zoals in voorbeeld 5, echter met het verschil dat men een elektronische flitsbelichting van 0,0012 eec met een energie- debiet van 0,23 watt.aeo/cm2 toepast* Het esultaat is een zwarte negatieve kopie van het origineel.
Voorbeeld 7
Men lost 5 g colofonium op in 102 cm3 0,5%'s waterig am- moniakoplosaing en voegt vervolgens onder roeren 0,5 g van de waterige koolzwart-dispersie volgens voorbeeld 1 toe. De aldus verkregen fijnverdeelde suspensie wordt gegoten op een gesub- etreerde cellulosetriacetaat-film, waarbij de dikte van de laag zo wordt geregeld dat het materiaal na drogen een optische dicht- heid van 0,85 (gemeten in doorvallend licht) heeft.
Het aldus verkregen thertsografisohe materiaal wordt belicht zoals in voorbeeld 1 en vervolgens een twintigtal seconden lang gedompeld in een mengsel van ethanol en water (2:1). Het resul- taat is een zwart positief beeld.
Voorbeeld 8
Een suspensie met onderstaande samenstelling wordt gegoten op een geeubstreerde oellulosetriaoetaat-film :
EMI15.1
<tb> water <SEP> 100 <SEP> cm3
<tb>
<tb>
<tb>
<tb>
<tb> gemengd <SEP> carboxymethylecher <SEP> van <SEP> amylose <SEP> en
<tb>
<tb>
<tb>
<tb> amylopektine <SEP> 0,2 <SEP> g
<tb>
<tb>
<tb>
<tb>
<tb>
<tb> dispersie <SEP> van <SEP> koolzwart <SEP> in <SEP> water <SEP> (zie <SEP> voor-
<tb>
<tb>
<tb>
<tb> beeld <SEP> 1) <SEP> 0,2 <SEP> g.
<tb>
De dikte van de laag wordt zo geregeld dst het materisal na drogen een optische dichtheid van 0,26 (gemeten in doorvallend licht) heeft. Het aldus verkregen thermografische materiaal wordt belioht volgens de werkwijze van figuur 3 en vervolgens behandeld met water om de onbelichte delen te verwijderen. liet resultaat is een zwart neentief bceld.
<Desc/Clms Page number 16>
Voorbeeld @
Men herhaalt voorbeeld 8, met het verschil datmen de ge- mengde carboxymethylether van amylose en amylopektire vervangt door 4 g saccharosemonostearaat. De dikte van de laag wordt zo geregeld dat het materiaal na drogen een optische (echtheid van 0,83 (gemeten in doorvallend licht) heeft. Het aldus verkregen thermografisohe materiaal wordt belicht en vervolgens behandeld als in voorbeeld 8. Het resultaat is een zwarte positieve kopie van het origineel Voorbeeld 10
Men herhaalt voorbeeld 8, met het versohil dat men de ge- mengde carboxymethylether van amylose en amylopektine vervangt door 2 g ethylhydroxyethylcellulose.
De warmtegevoelige laag heeft na'drogen een optische diohtheid van 0,54 (gemeen in doorvallend lioht).
De belichting en daaropvolgende behandeling gesohieden zoals in voorbeeld 8. Het resultaat is een zwarte positieve kopie van het origineel.
Voorbeeld 11 tien herhaalt voorbeeld 8, met het verschil dat men de ge- mengde carboxymethylether van amylose en amylopektine vervangt door 1,5 g cellulosesulfast. De dikte van de laag wordt zo gere- geld dat het thermografiache materiaal na drogen een optische dichtheid van 0,62 (gemeen in doorvallend licht) heeft.
De belichting en daaropvolgende behandeling geschieden zo- als in voorbeeld 8. Het cesultaat is een zwarte positieve kopie van het origineel.
Voorbeeld 12
Men herhaalt verbeeld 8, met het verschil dat men de ge- noemde carboxymethylether van amylose en amylopektine vervangt door 1 g amylosefosast. De warmtegevoelige laag heeft na drogen een optische dichtheid van 0,25 (gemeten in doorvallend licht).
<Desc/Clms Page number 17>
De belichting en daaropvolgende behandeling van het aldus verkregen materiaal geschieden zoals in voorbeeld 8. Het resul- taat is een zwarte positieve kopie van het origineel$ Voorbeeld 13
Een suspensie bestaande uit een oplossing van 1,5 g ammo- niumalginaat in 150 om3 ethanol en 0,15 g van de dispersie van koolzwart volgens voorbeeld 1, wordt gegoten op een gesubstreer- de polyethyleentereftalaat-film, waarbij de dikte zo wordt gere- geld dat de warmtegevoelige laag na drogen een optisobe dicht- heid van 0,42 (gemeten in doorvallend licht) heeft.
Het aldus verkregen thermografisohe materiaal wordt belicht door een transparant negatief zoals voorgesteld op figuur 3, en de onbeliohte delen worden na de belichting weggewassen met water.
Het resultaat is een zwarte positieve kopie.
Voorbeeld 14
Men lost 20 g van een melamine-formaldehyde-hars op in een mengsel van 120 cm3 water en 80 cm3 ethanol en voegt vervol- gens onder roeren 1 g van de dispersie van koolzwart volgens voorbeeld 1 toe. Het aldus verkregen mengsel wordt gegoten op een gesubstreerde cellulosetriacetaat-film. Het op deze wijze vervaardigde thermografische materiaal heeft na drogen een op- tische di:ntheid van 0,30 (gemeten in doorvallend licht). Het materiasi wordt belicht zoals in voorbeeld 1 en even gespoeld met wa er. Het resultaat is een zwarte positieve kopie.
Vooreeld 15
Men laat een mengsel van 170cm3 water, 5 g maniokzetmeel en 0,1 g van de koolzwartdispersie volgens voorbeeld 1 eventjes voken en giet het vervolgens na koelen op een gesubstreerde oel- lulosetriacetaat-film, waarbij de dikte van de laag zo wordt geregeld dat het materiaal na drogen een optische dichtheid van 0,65 (gemeten in doorvallend lioht) heeft.
Het aldus verkregen thermografisohe materiaal wordt zoals
<Desc/Clms Page number 18>
voorgesteld op figuur 1 met zijn warmtegevoelige laag op een te kopiëren origineel met een gedrukte of geschreven tekst gelegd en reflectografisch belicht met een elektronische flitslamp (flux 0,96 watt.sec-cm2). Het aldus belichte materiaal wordt een dertig- tal seconden gedompeld in water van 30 C, waardoor de delen van de laag, die overeenkomen met de tekst van het origineel, wegge- wassen worden. Het resultaat is een negatieve kopie van het origi- neel.
Voorbeeld 16
Men voegt 0,4 g koolzwart toe aan een oplossing van 6 g abiëtinezuur in 50cm3 aceton, maalt de aldus verkregen suspensie fijn gedurende 12 uur in een kogelmolen en voegt ten slotte een oplossing van 2 g butaan-l,4-dicarbonzuur in 50 cm3 aoeton toe. liet aldus verkregen mengsel wordt gegoten op een polyethyleen- tereftalaat-film, waarbij de dikte van de laag zo wordt geregeld dat het materiaal na drogen een optische dichtheid van 0,25 (geme- ten in doorvallend licht) heeft. Het aldus verkregen thermografi- sche materiaal wordt belicht zoals in voorbeeld 15 en vervolgens enkele seconden gedompeld in een 0,5%'swaterig natronloog. Het resultaat is een zwarte negatieve kopie van het origineel.