BE525980A - - Google Patents

Info

Publication number
BE525980A
BE525980A BE525980DA BE525980A BE 525980 A BE525980 A BE 525980A BE 525980D A BE525980D A BE 525980DA BE 525980 A BE525980 A BE 525980A
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
liquid
gas
heat transfer
chamber
transfer material
Prior art date
Application number
Other languages
English (en)
Publication of BE525980A publication Critical patent/BE525980A/nl

Links

Classifications

    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F28HEAT EXCHANGE IN GENERAL
    • F28CHEAT-EXCHANGE APPARATUS, NOT PROVIDED FOR IN ANOTHER SUBCLASS, IN WHICH THE HEAT-EXCHANGE MEDIA COME INTO DIRECT CONTACT WITHOUT CHEMICAL INTERACTION
    • F28C3/00Other direct-contact heat-exchange apparatus
    • F28C3/10Other direct-contact heat-exchange apparatus one heat-exchange medium at least being a fluent solid, e.g. a particulate material
    • F28C3/12Other direct-contact heat-exchange apparatus one heat-exchange medium at least being a fluent solid, e.g. a particulate material the heat-exchange medium being a particulate material and a gas, vapour, or liquid
    • F28C3/16Other direct-contact heat-exchange apparatus one heat-exchange medium at least being a fluent solid, e.g. a particulate material the heat-exchange medium being a particulate material and a gas, vapour, or liquid the particulate material forming a bed, e.g. fluidised, on vibratory sieves

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Devices And Processes Conducted In The Presence Of Fluids And Solid Particles (AREA)

Description


   <Desc/Clms Page number 1> 
 



  WERKWIJZE EN INRICHTING VOOR HET KOELEN VAN EEN WARMTEGELEIDENDE WAND. 



   De werkwijze heeft betrekking op een verbeterde werkwijze en inrichting voor het koelen van warmtegeleidende wanden van elke willekeurige vorm, in het bijzonder van de   warmtegeleidende   wanden van chemische reactoren, waarin-warmte van zulke wanden wordt overgebracht naar vast warmte-overdrachtsmateriaal, dat in een gefluidiseerde toestand wordt gehouden en zich in contact bevindt met de wand. De uitvinding vindt speciale, hoewel niet uitsluitende, toepassing voor het regelen van de temperatuur van de reactiestoffen, waarmede een exotherme reactie wordt   uitgevoerd   in een reactor, die met voordeel is uitgevoerd in de vorm van buizen, waardoor het reactiemengsel stroomt. 



   Bij vele werkwijzen is het gewenst een warmtegeleidende wand te koelen ten einde deze op de gewenste temperatuur te houden en plaatselijke overkoeling te vermijden. Een nagenoeg gelijkmatige wandtemperatuur van de reactprbuizen, waarin een exotherme reactie wordt uitgevoerd,wordt   gewoonlijk   bereikt door rondom de buizen een   koelmantel   aan te brengen, waarin zich een kokende vloeistof bevindt, en de vloeistof en de druk in de mantel   zodanig   te kiezen, dat de vloeistof bij de vereiste temperatuur kookt. De mate, waarin de temperatuur beneden de gewenste wandtemperatuur moet liggen, hangt af van de snelheid, waarmede de warmte-overdracht van de wand naar de vloeistof in de mantel plaats vindt. Soms werkt deze werkwijze niet bevredigend om één of meer van de volgende redenen : 
1.

   De warmtestroming, d.w.z. de snelheid, waarmede de warmte van de wand naar het koelmedium stroomt, die afhankelijk is van de   omstandig-   heden in de reactor, is in bepaalde gevallen soms te gering om de koel- 

 <Desc/Clms Page number 2> 

 vloeistof over het gehele wandoppervlak te doen koken. Hierdoor kan het voorkomen, dat de koeling tot vrije convectie van de vloeistof over de wand beperkt blijft en verdamping aan het oppervlak van de vloeistof plaats vindt in tegenstelling tot koken. Zelfs indien de vloeistof enigszins beneden het oppervlak kookt, kan de hoeveelheid in de koelmantel aanwezige damp soms zo gering worden (bijvoorbeeld wanneer de snelheid, waarmede warmte in de reactor vrij komt, daalt), dat het oppervlak van de koelvloeistof lager wordt, zodat bepaalde delen van de reactorbuizen niet langer onder de vloeistof liggen. 



   2. De statische druk in de koelmantel is te hoog, in het bijzonder wanneer lange verticale buizen worden gebruikt. Dit heeft tot gevolg, dat de kooktemperatuur van de koelvloeistof over de hoogte aanzienlijk verandert. Aangezien de statische druk afhangt van de hoeveelheid in de vloeistof aanwezige damp, is deze   verandering   in de kooktemperatuur variabel en wordt zij versterkt door geringe warmtestroming, zoals in de vorige alinea is   vermeld.   



   3. De gewenste temperatuur kan de toepassing van dure of moeilijk te behandelen vloeistoffen of ondoelmatige drukken nodig maken. 



   Doel van de uitvinding is een verbeterde werkwijze en inrichting aan de hand te doen voor het koelen van warmtegeleidende wanden, waarmede de hierboven genoemde moeilijkheden worden vermeden. In het bijzonder beoogt de uitvinding dergelijke wanden te koelen onder de navolgende omstandigheden : 1. Gelijkmatige temperatuur van het koelmiddel in de mantel met als gevolg een meer gelijkmatige temperatuur van de wand van de reactor. 



  2. Een hoge snelheid, waarmede warmte-overdracht tussen koelmiddel en de wand plaats vindt, waardoor de eerste op een temperatuur kan worden gehouden, die dichter bij de gewenste temperatuur van de laatste ligt, met als gevolg, dat gelijkmatigere   wandtemperaturen   kunnen worden bereikt ondanks de lage warmtestroming ten geolge van inwendige weerstand of lage chemische reactiesnelheden. 



  3. Middelen om de temperatuur, hetzij periodiek met de hand, hetzij automatisch en contunu te regelen zonder de druk in de mantel te veranderen. 



  4. De mogelijkheid om goedkope vloeistoffen, bijvoorbeeld water, te gebruiken bij lage drukken, zoals atmosphérische druk of een geringe overdruk. 



  5. De mogelijkheid van damplaagvorming, doordat zich gaszakken op de warmtegeleidende wand vormen, te ondervangen. 



  6. Lagere kosten voor het in   geflu#diseerde   toestand houden van het warmte-overdrachtsmateriaal. 



  7. Verdeling van de   koelmantel   in separate kamers met opwaartse en neerwaartse stroming en middelen voor het regelen van de circulatiesnelheid van het warmte-overdrachtsmateriaal door deze kamers, waardqor handhaving en regeling van een verticale   temperatuurgradi#nt   mogelijk is, zoals voor bepaalde chemische reacties gewenst kan zijn. 



  8. Doelmatig gebruik van afgewerkte warmte door de inrichting zodanig uit te voeren , dat stoom of een ander gas, dat in de koelmantel wordt opgewekt, zich onder elke gewenste druk bevindt en aanzienlijk is oververhit voor het drijven van krachtinstallaties of voor het opwekken van stoom dan wel het voorverhitten van de te behandelen reactiestoffen in warmte-uitwisselaars. 



  9. Hoge thermische inertie, waardoor de gevolgen van   schommelin-   gen in de reactietemperatuur of in de toevoersnelheid van het   koelmiddel   snel worden vereffend. 



   Volgens de uitvinding wordt een   fluïde   bed, bestaande uit vast 

 <Desc/Clms Page number 3> 

 warmte-overdrachtsmateriaal, in contact gehouden met de af te koelen   warm-   tegeleidende wand en wordt aan de onderkant van het fluide bed een vloei- stof toegevoerd, die bij de laagste wand temperatuur een dampspanning   heeft)   die de bij het punt van vloeistoftoevoer heersende spanning overtreft en wel bij voorkeur met 20 % tot vele malen de spanning, als gevolg waar- van de vloeistof verdampt en de ontstane gassen in opwaartse richting door het bed stromen en het   warmte-overdrahtsmiddel   afkoelen.

   Het naar boven stromende gas vormt al het fluidisatiegas of een deel daarvan, dat dient om het bed in gefluldiseerde toestand te houden, d.w.z. een hulpfluldisa- tiegas kan eventueel worden toegevoegd al naar gelang de bijzondere be-   drijfsomstandigheden,   zoals de warmtestroming en de totale volumetrische hoeveelheid van het benodigde   fluidisatiegas,   de afmetingen van het warmte- overdrachtsmateriaal, alsmede de vorm en afmeting van de inrichting, enz. 



   De temperatuur van het fluide bed wordt geregeld door de toevoersnel- heid van de vloeistof te regelen. De temperatuur in de verschillende delen van het fluide bed kan naar verkiezing zodanig worden geregeld, dat zij nagenoeg overal gelijk is of volgens een verticale   temperatuurgradiënt   verloopt ;

   het eerste is het geval wanneer de koelmantel van de reactor, die hierna   flu#disatievat   zal worden   genoemd,   geen tussenschotten bevat, die de opstijgende en neerdalende deeltjes van elkaar gescheiden houden, ofschoon stootplaten, roosters en dergelijke kunnen zijn aangebracht,ter-   wijl   het laatste voorkomt wanneer een tissenschot, bijvoorbeeld een lange buis, is aangebracht, waardoor het   flutdisatievat   wordt verdeeld in kamers met opwaartse en neerwaartse stroming, en er middelen zijn voor het regelmatig doen circuleren van het vaste   warmte-overdrachtsmateriaal.   



   Door nu een vloeistof in het warmte-overdrachtsmateriaal bevattende bed te leiden en de vloeistof in het bed te verdampen, wordt het mogelijk, de temperatuur van het bed te regelen door de snelheid,waarmede de vloeistof wordt toegevoerd, eenvoudig te variëren, aangezien de afkoeling grotendeels het gevolg is van de verdampingswarmte van de vloeistof. Uiteraard heeft de begintemperatuur van de vloeistof   enige   invloed, maar deze is van ondergeschikt, belang. Een bijzonder voordeel van deze werkwijze is, dat men de temperatuur van het vaste warmte-overdrachtsmateriaal in het fluldisatievat desgewenst kan variëren zonder een overeenkomstige drukverandering in het vat te veroorzaken, zoals vereist is wanneer in de koelmantel een vloeistof wordt verdampt onder omstandigheden van evenwicht.

   De regeling van het koelproces wordt hierdoor aanzienlijk vereenvoudigd en het is verder mogelijk een zodanige druk te kiezen, dat het door de verdamping van de vloeistof ontstane gas dat later vanaf het boveneinde van het bed wordt afgevoerd, doelmatig verder voor andere doeleinden kan worden gebruikt, bijvoorbeeld als stoom, die in elke gewenste mate kan   woeden   oververhit. 



   Een belangrijk voordeel ten opzichte van de toepassing van een gewoon   flulde   bed, waarmede men koeling bewerkstelligt en waarin al het fluldisatiegas als gas in het bed wordt geleid, is gelegen in een meer economische werking van de inrichting. Een groot deel van de energie, welke in de gebruikelijke inrichting voor het in   gefluidiseerde   toestand houden van vast warmte-overdrachtsmateriaal wordt gebruikt, wordt als compressie-arbeid verbruikt. Door vloeistof in het bed te voeren zijn slechts lage energiekosten vereist voor het verpompen van de vloeistof, aangezien het door de verdamping van de vloeistof gevormde gas geheel of voor een groot gedeelte de totale hoeveelheid benodigd   flu#disatiegas   vormt. 



   Een flulde bed heeft steeds een hoge warmte-overdrachtscoëfficient, bijvoorbeeld ongeveer 125-500 kg cal. per m2 per  C per uur, en de vaste deeltjes komen in effectief contact met alle delen van het oppervlak van de warmtegeleidende wand.   Hierdoor   wordt het vaak mogelijk met een temperatuurverschil tussen de wand en het   geflu#diseerde   vaste warmte-overdrachtsmateriaal te werken, dat kleiner is dan bij de werkwijze, waarbij een vloeistof in een koelmantel kookt,   waardoor   de kans op plaatselijke overkoeling wordt verminderd ; bovendien wordt vermeden, dat bepaalde 

 <Desc/Clms Page number 4> 

 plaatsen op het oppervlak van de warmtegeleidende wand niet effectief worden gekoeld, zoals bij gewone koelmantels wanneer gaszakken voorkomen op de wand.

   De ervaring heeft geleerd, dat de erosie van de wanden van de reactorbuizen niet ernstig behoeft te zijn. 



   De als warmte-overdrachtsmateriaal toegepaste vaste stoffen bestaan veelal uit kleine zanddeeltjes en het is van voordeel, indien in het bed geen deeltjes voorkomen, waarvan de diameter sterk   verschilt   van de gemiddelde diameter van de deeltjes. Bij voorkeur wordt zand toegepast, ofschoon vaste stoffen, bijvoorbeeld metaaloxyden van het als katalysator toegepaste type, eveneens in aanmerking komen.

   Door het gebruik van bijzonder fijne deeltjes als warmte-overdrachtsmateriaal te vermijden, kan het warmte-overdrachtsmateriaal gemakkelijker uit het afvoergas worden teruggewonnen, terwijl aan de andere kant voor zeer grote deeltjes zeer hoge opwaartse gassnelheden nodig zijn om de   gefluldiseerde   toestand te handhaven.Zonder de uitvinding hiertoe te   beperken,   past men bij voorkeur zand toe, waarvan de diameter van de deeltjes tussen ongeveer 0,12 en 2,5 mm ligt. Een typische zandsoort kan bijvoorbeeld bestaan uit deeltjes, . waarvan 95% een diameter heeft, die ligt boven 0,18 mm en onder   2,5   mm. 



     Een"flu#de   bed" wordt gevormd door een massa, welke bestaat uit vaste deeltjes in een gas die niet kunnen uitzakken, een pseudovloeibare mobiliteit vertoont, een hydrostatische druk en een duidelijk waarneembaar vrij   grensoppervlak   heeft. Een "turbulent   fluïde   bed" is een fluïde bed, waarin de mobiliteit van de massa zodanig is, dat menging plaats vindt. Dergelijke bedden zijn bekend als "dichte   flu#debedden"respec-   tievelijk "dichte,turbulente fluïde   beden".   Een "gedispergeerde suspensie" is een maasa deeltjes, gesuspendeerd in een gasstroom, die in opwaartse richting langs de deeltjes stroomt, en verschilt van een fluïde bed doordat geen scheidingsvlak wordt gevormd.

   Voor nadere bijzonderheden over de aard van deze bedden en de definities van de gebruikte termen zij verwezen naar "Fluidization Nomenclature and Symbols",   Industrial   and Engineering Chemistry, Deel 41, blz.   1249-1250,   Juli 1949. 



   Onder "gas zullen hierna ook worden verstaan stoffen, welke vaak "damp" worden genoemd. 



   De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van de bijgaande tekeningen, die enkele bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvormen van de inrichting volgens de werkwijze illustreren en waarin : 
Fig. 1 een verticale dwarsdoorsnede is van een volgens de uitvinding geconstrueerde reactor ; 
Fig. 2 een dwarsdoorsnede is over de   lijn2-2   van Fig. 1 ; 
Fig. 3 een verticale dwarsdoorsnede is van een gewijzigde uitvoeringsvorm van de reactor ; 
Fig. 4 een dwarsdoorsnede over de lijn 4-4 van Fig. 3 ; 
Fig. 5 een verticale   dwarsdoorsnede   is van een andere, gewijzigde uitvoeringsvorm van een reactor met separate kamers voor stroming in opwaartse en neerwaartse richting ; 
Fig. 6 een dwarsdoorsnede is over de lijn 6-6 van Fig. 5 ;

   
Fig. 7 een verticale dwarsdoorsnede is van weer een andere gewijzigde uitvoeringsvorm van de reactor met separate kamers voor stroming in opwaartse en neerwaartse richting en 
Fig. 8 een dwarsdoorsnede is over de lijn 8-8 van Fig. 7. 



   In Fig. 1 en 2 wordt met 10 een verticale mantel aangeduid, die een fluidisatievat of -kamer vormt, gedeeltelijk begrensd door de verticale reactiebuizen 11, die in de mantel liggen, en waarvan de warmtegeleidende wanden moeten worden gekoeld. Deze buizen tezamen vormen de 

 <Desc/Clms Page number 5> 

 reactor en de einden van deze buizen kunnen zijn afgesloten door de aan de mantel verbonden   pijpplaten   12 en 13. De onderste plaat 12 is bevestigd tussen het geflenste benedeneinde van de mantel en het gewelfde onderein- de 14, waarin een leiding 15 is aangebracht, en de bovenste plaat 13 kan eventueel verbonden zijn aan het gewelfde boveneinde 16 van de mantel door een expansiekoppeling, bijvoorbeeld door het gegolfde blaasbalgachtige gedeelte 17, terwijl het gewelfde boveneinde kan zijn voorzien van een leiding 18.

   De stroom van uitgangsmateriaal, bijvoorbeeld reagerende stof- fen, die aan een exotherme reactie worden onderworpen, wordt in opwaartse of neerwaartse richting door de buizen 11 geleid met behulp van de buizen
15 en 18. De mantel heeft bovenaan een verbreed gedeelte 19, dat aan het onderste gedeelte door een afgeknot-conisch gedeelte 20 is verbonden en waarin een aantal cyclonen'21 zijn aangebracht voor het scheiden van gassen en vaste stoffen en welke zijn voorzien van tangentiale inlaatopenin- gen 22, gasuitlaatopeningen 23 en dompelpijpen 24 voor de terugvoer op de hierna te beschrijven wijze van het vaste materiaal naar het   fluïde   bed. 



   De gasuitlaatopeningen 23 kunnen zijn verbonden aan elke geschikte ver- deelleiding 25 voor verder gebruik van het afgewerkte gas. Een opening
26, die normaliter door een   deksel'27   is gesloten, kan zijn aangebracht voor de toevoer, het aanvullen en de afvoer van zand, dat als warmte- overdrachtsmateriaal wordt gebruikt. 



   Het onderste gedeelte van het fluidisatievat is voorzien van een verdeler 28, bijvoorbeeld een rooster uit onderling verbonden pij- pen met openingen, waarin vloeistof, bijvoorbeeld water, kan worden toe- gevoerd door middel van een pomp 29 met een door regelklep 30 geregelde snelheid. De klep 30 wordt zodanig geregeld, dat een grotere hoeveelheid vloeistof wordt toegelaten indien de temperatuur in de reactiebuizen stijgt. Volgens een gewenste, ofschoon facultatieve uitvoeringsvorm,wprdt de klep automatisch bediend.

   Te dien einde is een temperatuurgevoelig element 31 aangebracht op een geschikt punt in één of meer van de buizen ( bij voorkeur aan het uitlaateinde) en een klepregelend element 32, bijvoorbeeld een temperatuurregelaar, is aangebracht tussen het element 31 en de klep 30 ter regeling van de laatste in overeenstemming met de in de reactiebuis optredende temperatuurschommelingen. 



   Middelen kunnen ook worden aangebracht voor het toevoeren van een   hulpfluidisatiegas   naar het   flu#disatievat,   wanneer dit nodig mocht zijn, bijvoorbeeld tijdens het in bedrijf stellen van de inrichting wanneer de vaste deeltjes nog niet   voldoe nde   zijn verwarmd om de vloeistof te verdampen en/of wanneer de warmtestroming te langzaam is. Deze middelen voor het toevoeren van het gas kunnen zijn aangebracht naast of gecombineerd met de hierboven beschreven middelen voor het toevoeren van de vloeistof. Slechts de laatste uitvoeringsvorm is weergegeven in de tekening. Stoom of een ander gas, bijvoorbeeld lucht onder geschikte druk, wordt nu van een aanvoerpijp 33 via een regelklep 34 in de verdeelleiding 28 gevoerd.

   De klep 34 kan automatisch worden geregeld, desgewenst door een differentiaal-drukregelaar 35 aan te brengen voor de klepregeling en deze regelaar te verbinden met de drukgevoelige elementen 36 en 37, die op verschillende hoogten in het fluidisatievat liggen, en wel zodanig, dat ten minste één hiervan beneden het niveau van het   fluïde   bed ligt. 



  Wanneer het fluide bed in het   fluldisatievat   zich op het gewenste niveau 38 bevindt, is het drukverschil tussen de elementen 36 en 37 voldoende om minder of helemaal geen stoom toe te laten ; indien het niveau van het bed daalt, wordt dit drukverschil lager en zal regelaar 35 geleidelijk de klep 34 openen om meer fluidisatiegas door te laten en het bed in zijn oude toestand terug te brengen. 



   Tijdens het bedrijf worden de reagerende stoffen toegevoerd door de leiding 18 en afgevoerd door de leiding 15 (of omgekeerd) en zij stromen door de reactiebuizen 11, waardoor het reactievat wordt gevormd. 



  Daar het   flu#disatievat   reeds van te voren met   warmte-overdrachtsmate-   

 <Desc/Clms Page number 6> 

 riaal is gevuld, bijvoorbeeld met zand, kan eerst stoom worden toegelaten uit de leiding 33 via de klep 34 en de verdeelleiding 28 ten einde het vaste warmteoverdrachtsmateriaal in een   geflu#diseerde   toestand te brengen. Stoom wordt afgevoerd vanaf de bovenzijde van het bed en door het vergrote bovenste gedeelte met verlaagde snelheid geleid. Vervolgens wordt de stoom door de   cyclonen'21   gevoerd, waarin zij wordt ontdaan van meegevoerd vast materiaal en vanwaar zij in de leiding 25 wordt geleid. 



   Wanneer de buizen 11 door de daarin aanwezige reagerende stoffen zolang worden verhit, dat de temperatuurregelaar 32 in werking wordt gesteld, wordt water door de pomp 29 via de klep 30 en de verdeelleiding 28 toegevoerd. De vaste deeltjes van het fluïde bed, die in contact zijn met de buizen, worden verhit en het water wordt in direct contact gebracht met het verhitte vaste materiaal. Als gevolg hiervan verdampt het water tot stoom, die als fluidisatiegas door het fluidisatievat opstijgt. 



  Hierdoor wordt de stroom van het   flu#disatiegas   vergroot en neemt het drukverschil tussen de drukgevoelige elementen 36 en 37 toe, waardoor de differentiaal-drukregelaar 35 de stoomtoevoer afsluit of verkleint. Het water koelt het vaste warmte-overdrachtsmateriaal, dat weer warmte opneemt van de buiswanden. De temperatuur van het fluïde bed is op alle punten nagenoeg gelijk behalve in de onmiddellijke omgeving van de verdeelleiding 28, waar een iets lagere temperatuur heerst. Er bestaat een goede   warmte-uitwisseling   tussen het bed en alle delen van het oppervlak van de buizen, onder het niveau 38. 



   Bij het in bedrijf stellen kan de klep 39 in de afvoerleiding 25 worden opengehouden voor de afvoer van stopm en kan het   fluïdisatie-   vat bij lage druk of nagenoeg atmospherische druk werken, zodat de kosten voor de compressie-arbeid voor de uit leiding 33 toegelaten stoom verminderd kunnen worden. Nadat de inrichting in bedrijf is, kan deze klep worden gesloten en klep 40 worden geopend, zodat de stoom naar een geschikte kracht- of warmte-installatie, bijvoorbeeld een turbine of warmte-uitwisselaar, kan worden geleid, die bij elke gewenste druk kan werken.

   De druk in het   flu#disatievat   moet echter niet zo hoog zijn, dat condensatie   van de vloeistof in het fluïde bed optreedt ; verdient de voorkeur, de   druk zo laag te houden, dat de dampspanning van het water of een andere vloeistof voor de laagste temperatuur van de buizen 11 ten   minste '20%   groter is dan de druk van het bed bij de verdeelleiding 28. 



     Gewoonlijk   bedraagt de holle ruimte bij het   flu#de   bed 0,30- 0,80. Deze suspensie dient te worden onderscheiden van een vast opgesteld bed of een stilstaand fluide bed, waarin weinig of geen menging van de deeltjes plaats vindt en waarin de warmte-overdrachtscoëffichienten met betrekking tot de warmtegeleidende wand lager zijn. Ten einde hoge warm-   te-overdrachtsco#fficienten   te bereiken, is het wenselijk de deeltjes in   zodanige   turbulentie of mobiliteit te houden, dat het Reynoldsgetal ten minste 2 en hij voorkeur meer   dan 5-   is.

   Het   Reynolsgetal   is een dimensieloos getal, bepaald door de   formule :    Du# ,   waarin D de diameter van een deeltje, 31 de snelheid van het deeltje   ten opzichte van het opstijgende   flu#disatiegas, #   de dichtheid van het gas en   de viscositeit van het gas in samenhangende eenheden voorstelt. 



   De reactor kan   bijvoorbeeld   worden toegepast voor de bereiding van aethyleenoxyde, waarbij de externe wandtemperatuur van de buizen 11 ongeveer 500  F en de uitlaattemperatuur van de   stom   ongeveer 490 F kan bedragen. De druk bovenaan het   flu#disatievat   kan gelijk zijn aan de atmospherische druk, waarbij hoog-oververhitte stoom gevormd wordt, of kan gelijk zijn aan elke gewenste overdruk, maar dient niet meer dan ongeveer 38,5 ata. te   bedragen,   zodat de druk bij de verdeler niet meer dan 39,8 atm zal zijn bij een fluide bed dat 10 1/2 m hoog is en waarin de drukval ongeveer 1,3 kg/cm2 bedraagt. 



   In de Fig. 3 en 4, waarin de met elkaar overeenkomende delen 

 <Desc/Clms Page number 7> 

 dezelfde nummering dragen, en die andere uitvoeringsvormen weergeven, is het bovenste verbrede deel 19 van de mantel 10 iets kleiner en ligt de cycloon 21 buiten de mantel.   Flu#disatiegas   wordt boven het niveau 38 van het bed afgevoerd, door de cycloon geleid en door de uitlaat 23 af- gevoerd voor verder gebruik elders.   Het   vaste door de   qycloon   afgeschei- den materiaal wordt naar het onderste gedeelte van het   fluidisatievat   via retourleiding 24 geleid. 



   De vloeistof en het fluidisatiegas worden in deze uitvoerings- vorm door verschillende inlaatopeningen toegevoerd ; de vloeistof stroomt van   pomp 29   via klep 30 en leiding 28. Een afzonderlijke verdeler 41 is aan de onderkant van het vat aangebracht voor de verdeling van stoom of een ander   flu#disatiegas,   dat door klep   42   wordt toegelaten. Voor de auto- matische regeling van de klep 30 kan een temperatuurgevoelig element 43 en een temperatuurregelaar 35 worden aangebracht. Het element 43 ver- schilt van het element 31 van de hierboven besproken uitvoeringsvorm, doordat het de temperatuur meet van de bovenkant van het   flu#de   bed. 



   De werking van de in Fig. 3 en 4 afgebeelde uitvoeringsvorm is analoog aan die, welke hierboven is beschreven met uitzondering van de bediening van klep 42, die hier met de hand geschiedt. 



   Fig. 5 en 6 illustreren de toepassing van een tussenschot voor de gescheiden stroming in opwaartse en benedenwaartse richting van het warmte-overdrachtsmateriaal. De   uitvoering   is   analoog   aan die, welke beschreven is voor de Fig. 3 en 4, en ook hier weer zijn de met elkaar overeenkomende delen met dezelfde nummering aangegeven. Het   flu#disatie-   vat heeft een centrale buis 45, die een tussenschct vormt, dat het vat in een centrale kamer met stroming in opwaartse richting en een ringvormige kamer met stroming in benedenwaartse richting verdeelt. De buis 45 ein digt op enige afstand van de bovenkant van het vat, zodat deze kamers bovenaan vrijelijk met elkaar in verbinding staan.

   Er zijn een aantal openingen 46 aan de onderkant aangebracht, zodat deze kamers ook   onderaan   met elkaar in verbinding staan. De vloeistofverdeler 28 en de gasverdeler 41 liggen in de ringvormige kamer met neerwaartse stroming. Verdelers 47 en 48 voor de vloeistof, respectievelijk het gas (die als eenvoudige sproeiers kunnen zijn uitgevoerd) liggen aan de onderkant van de kamer met opwaartse stroming en althans één ervan, bij voorkeur de gasverdeler, ligt onder de openingen 46. Deze verdelers zijn voorzien van de regelkranen 49 respectievelijk 50 en kunnen worden aangesloten op dezelfde aanvoer, bijvoorbeeld van water en stoom, als de kleppen 30   respectieve-   lijk 42.

   De klep 30 wordt bediend door een temperatuurregelaar, die verbonden is met een temperatuurgevoelig element 51, gelegen in de uitlaatleiding 15 voor het meten van de temperatuur van de reagerende stoffen, ofschoon dit element eventueel kan zijn gelegen in één van de buizen of in de   flu#disatiekamer   zoals afgebeeld voor de elementen 31 respectievelijk 43 van de Figuren 1 en 3. 



   De werking van deze uitvoeringvorm verschilt van de hierboven beschreven uitvoeringsvormen doordat het warmteoverdrachtsmateriaal opstijgt door de kamer met opwaartse stroming binnen de buis 45 als een gedispergeerde suspensie in   fluidisatiegas,   dat door de verdeler 48 wordt toegelaten en/of wordt gevormd door verdamping van vloeistof, toegevoerd door de verdeler 47. In het algemeen zal het bij deze uitvoeringsvorm wenselijk zijn wat gas door de verdeler 48 onder alle of de meeste bedrijfsomstandigheden toe te laten, ten einde de circulatiesnelheid vanbet aste warmte-overdrachtsmateriaal te kunnen regelen op de hierna te   beschrijven   wijze.

   De minimale opwaartse snelheid van het fluldisatiegas in de kamer met opwaartse stroming is de uiteindelijke valsnelheid voor een enkel deeltje van het warmte-overdrachtsmateriaal ; deze snelheid wordt hoofdzakelijk bepaald door de deeltjes-grootte, de deeltjesdichtheid en de gasdichtheid. In het algemeen is de gassnelheid met voordeel iets meer dan dit minimum en gewoonlijk zullen snelheden van ten minste 4,8 m /sec. wor- 

 <Desc/Clms Page number 8> 

 den toegepast en de horizontale afmetingen van de buis 45 worden zodanig gekozen, dat een dergelijke snelheid met een tamelijk kleine gashoeveelheid kan worden bereikt ;

   in de meeste gevallen is het gewenst, grotere snelheden te bereiken, bijvoorbeeld bij voorkeur variërende van ongeveer 7,8 tot 12 m/sec,', indien de deeltjes, bijvoorbeeld zanddeeltjes, een diameter hebben die varieert van 0,12-1,2 mm, en nog hogere snelheden, bijvoorbeeld 30 m/sec., kunnen worden toegepast, in het bijzonder wanneer de deeltjes van het vaste warmte-overdrachtsmateriaal een grotere diameter hebben.

   Door toepassing van hogere snelheden worden pulsaties en onregelmatige bewegingen van het vaste materiaal in deze kamer vermeden.Zois het bijvoorbeeld   gewoonlijk   van voordeel als de gassnelheid meer dan 1,1 maal de uiteindelijke valsnelheid bedraagt bij een gewichtsverhouding van vast warmte-overdrachtsmateriaal tot gas in de opstijgende suspensie van 10 en meer dan 1,6 maal de uiteindelijke valsnelheid bij een gewichtsverhouding van 60, enz. in een lineaire verhouding.

   Echter wordt te grote drukval vermeden door niet te ver boven dit minimum te werken,   bijvoor-   beeld niet boven 4,0 maal de uiteindelijke valsnelheid.Bij de gedispergeerde suspensie, waarvan de vorming hierboven is beschreven, bedraagt de holle ruimte gewoonlijk veel meer dan 0,85, bijvoorbeeld 0,88 tot 0 99 al naar gelang de gewichtsverhouding tussen vast warmte-overdrachtsmateriaal en gas. 



   De suspensie stroomt vanuit de bovenkant van de buis in het verbrede deel 19, waarin de meeste deeltjes naar beneden in de ringvormige kamer met neerwaartse stroming uitzakken. Het gas tezamen met het   fluidi-   satiegas, dat in de kamer met neerwaartse stroming omhoog stijgt, stroomt via inlaat 22 in de   cycloon 21   en wordt via uitlaat 23 voor verder gebruik elders afgevoerd, zoals hiervoor beschreven, waarbij de druk op gelijke wijze wordt gehandhaafd.

   De door de kamer met neerwaartse stroming dalende deeltjes worden in een   gefluïdiseerde   toestand gehouden door   flu#disatie-   gas, dat door de verdeler 41 wordt toegevoerd en/of wordt gevormd door verdamping van vloeistof, die door de verdeler 28 wordt toegevoerd, waardoor een goede   warmte-uitwisseling   tussen de buizen 11 en de vaste deeltjes wordt gewaarborgd. De temperatuurgradiént in de kamer met neerwaartse stroming kan worden geregeld door de circulatiesnelheid van het vaste warmteoverdrachtsmateriaal met behulp van de   keppen   49 en 50 te regelen.

   Indien beide worden gesloten, is er geen circulatie en de omstandigheden in de kamer met opwaartse stroming zijn   analoog   aan die, welke hierboven voor de Fig. 1 en 2 zijn beschreven, d.w.z. de temperatuur binnen het bed is nagenoeg gelijkmatig vanaf een niveau, dat enigszins boven het niveau ligt waarbij vloeistof bij 28 wordt toegevoerd tot aan het bovenste niveau 38 van het fluide bed. Door meer gas via de klep 50 en de verdeler 48 toe te voeren, wordt de circulatiesnelheid van het vaste materiaal vergroot, waardoor een temperatuurgradiënt in de kamer met neerwaartse stroming ontstaat en de koeling op verschillende punten over de lengte van de reactiebuis 11 kan worden gevarieerd. De   gradiënt   wordt steiler naarmate de circulatiesnelheden toenemen. 



   De aard van deze gradiënt in het fluide bed, dat in contact staat met de buizen 11, zal afhangen van de manier, waarop vloeistof in de verdampingsinrichting wordt geleid. Zo zal, wanneer alle vloeistof aan de onderzijde van de kamer met stroming in benedenwaartse richting via verdeler 28 wordt toegevoerd, de onderzijde van het bed het koelst zijn.

   Wanneer alle vloeistof aan de onderzijde van de kamer met stroming in opwaartse richting via verdeler 47 wordt toegevoerd, dan zal het bovenste deel van het bed het koelst zijn (in dit geval moet   flu#disatie-   gas worden toegevoerd via verdeler   41,   terwijl gas van verdeler 48 niet nodig is, mits de verdeler zich onder de openingen 46 bevindt.   Vloeistof   kan ook in beide verdelers 28 en 47 worden toegevoerd, ten einde het tussenliggende deel van het fluide bed het warmst te maken. 

 <Desc/Clms Page number 9> 

 



   Ofschoon een bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm is afge- beeld, waarin de kamer met opwaartse stroming centraal in het   fluldisa-   tievat is gelegen, is de uitvinding uiteraard hiertoe niet beperkt, maar zijn ook andere uitvoeringsvormen mogelijk. Bovendien is het mogelijk de inrichting in een andere uitvoeringsvorm uit te voeren door de buizen in de kamer met opwaartse stroming aan te brengen. Een dergelijke uitvoe- ringsvorm is weergegeven in de Figuren 7 en 8, waar ook nu weer de met elkaar overeenkomende delen dezelfde nummering dragen. De fluidisatieka- mer bevat een centrale buis 52, die een tussenwand vormt en op zichzelf een kamer met neerwaartse stroming is.

   Deze buis loopt slechts gedeelte- lijk tot aan het boveneinde van het in diameter gelijke deel van het   flu#disatievat,   zodat het warmte-overdrachtsmateriaal uit het zich tot het niveau 38 uitstrekkende bed daarin kan stromen. Een verdeler of sproeier 53 is nabij het uiteinde van de buis   52   gelegen voor toevoer van gas, bijvoorbeeld stoom of lucht, ter regeling van de circulatiesnel- heid van het warmte-overdrachtsmateriaal, en de gassnelheid wordt door klep 54 geregeld. De buis eindigt boven de pijpplaat   12   en een conisch keerschot 55 is hierop onder de buis aangebracht, waardoor het vaste warm- te-overdrachtsmateriaal in alle richtingen in de onderkant van de de buis omringende kamer met stroming in opwaartse richting wordt verdeeld. 



   De inrichting volgens de Fig. 7 en 8 werkt als volgt :
Wanneer de klep 54 zo ver is geopend, dat er niet veel van het warmte-overdrachtsmateriaal door de kamer met neerwaartse stroming binnen buis 52 kan neerdalen, werkt de inrichting op dezelfde wijze als de aan de hand van Fig. 1 en 4 beschreven inrichting. Door de gasstroming via klep 54 te verkleinen, stroomt het vaste warmte- overdrachtsmateriaal door de kamer met stroming   n   neerwaartse richting naar beneden en wordt door de keerplaat 55 zodanig omgebogen, dat het onder in het fluide bed in de ringvormige kamer terechtkomt.Hierdoor ontstaat circulatie en wordt een temperatuurgradiënt veroorzaakt in het   fluïde   bed, dat met de buizen 11 in contact staat.

Claims (1)

  1. CONCLUSIES 1. Werkwijze voor het koelen van een warmtegeleidende wand door deze met een warmte-overdrachtsmateriaal bevattend fluide bed in contact te houden, waardoor warmte-overdracht van de wand naar het warmteoverdrachtsmateriaal plaats vindt, met het kenmerk, dat met dit warmte- overdrachtsmateriaal een vloeistof in direct contact wordt gebracht, die bij de laagste temperatuur van de wand een dampspanning heeft, die groter is dan de druk op het punt, waar vloeistof wordt toegevoerd, waardoor de vloeistof verdampt en het verkregen gas in opwaartse richting wordt gevoerd, ten einde het vaste warmte-overdrachtsmateriaal in een geflu#di- seerde of gesuspendeerde toestand te houden en het warmte-overdrachtsma- teriaal af te koelen,
    waarna het gas aan de bovenzijde van het fluide bed wordt afgevoerd.
    2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de vloeistof aan de onderkant van het fluïde bed wordt toegevoerd in zulk een hoeveelheid, dat het bed uitsluitend door het ontstane gas in gefluldiseerde toestand wordt gehouden.
    3. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat een hulpfluldisatiegas onder druk aan het onderste gedeelte van het bed wordt toegevoerd ten einde het bed in een geflu#diseerde toestand te houden, wanneer de toevoersnelheid van de vloeistof klein is.
    4. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de vloeistof onder de aangegeven omstandigheden een dampspanning heeft, die de druk op het punt, waar de vloeistof wordt toegevoerd, met ten minste 20 % over- treft.
    5. Werkwijze volgens conclusie lmet het kenmerk, dat de vloei- <Desc/Clms Page number 10> stof water is.
    6. Werkwijze volgens conclusie l, met het kenmerk, dat het bed onder overdruk wordt gehouden.
    7. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande conclusies, met het kenmerk, dat de warmtegeleidende wand wordt gevormd door de wand van een vat, waarin exotherme chemische reacties worden uitgevoerd.
    8. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande conclusies, met het kenmerk, dat fijn verdeeld warmte-overdrachtsmateriaal in de vorm van een suspensie in een opstijgende stroom van flu#disatiegas in bovenwaartse richting door een eerste verticale kamer wordt gevoerd, het vaste warmte-overdrachtsmateriaal, nadat het door deze kamer is gestroomd, van het gas wordt afgescheiden, het afgescheiden materiaal boven in een tweede verticale kamer wordt gevoerd, het ingevoqrde materiaal door deze tweede kamer wordt geleid in tegenstroom met een opstijgend fluidisatiegas als fluïde bed, dat zich in contact bevindt met de warmtegeleidende wand, en het vaste materiaal, nadat het-door de tweede kamer is gestroomd, naar de onderkant van de eerste kamer wordt teruggevoerd.
    9. Werkwijze volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de vloeistof in ieder geval wordt toegevoerd aan de tweede kamer en het door de verdamping ontstane gas in opwaartse richting door de tweede kamer wordt geleid.
    10. Werkwijze volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de vloeistof in ieder geval in de eerste kamer wordt geleid en het door de verdamping ontstane gas in opwaartse richting door deze eerste kamer wordt geleid.
    11. Inrichting voor het uitvoeren van chemische reacties, bestaande uit een reactievat met een warmtegeleidende wand, een fluldi- satievat, dat een kamer vormt, dis althans gedeeltelijk door de warmtegeleidende wand wordt begrensd en warmteoverdrachtsmateriaal als een flu#- de bed in contact met de wand kan bevatten, middelen in het onderste deel van het flu#disatievat voor de toevoer van vloeistof, middelen voor het regelen van de toevoersnelheid van de vloeistof, en middelen in het bovenste deel van het flu#disatievat voor het afvoeren van gas, dat ontstaat door verdamping van de vloeistof, nadat deze in opwaartse richting door het warmte-overdrachtsmateriaal is gestroomd.
    12. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat temperatuurgevoelige elementen zijn aangebracht ter vaststelling van de tem- peratuur in het reactievat en bedieningsmiddelen zijn aangebracht tussen deze temperatuurgevoelige elementen en het regelorgaan voor bediening van deze elementen in overeenstemming met temperatuurschommelingen in het reactievat.
    13. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het reactievat bestaat uit één of meer verticale buizen, die binnen in het flut- disatievat zijn gelegen.
    14. Inrichting volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat het fluldisatievat is voorzien van een verticaal tussenschot, waardoor het vat in kamers met stroming in opwaartse en neerwaartse richting wordt verdeeld, welke bovenaan en onderaan het vat met elkaar in verbinding staan en waarbij verticale buizen in één van de kamers zijn gelegen. bijgaand 4 tekeningen .
BE525980D BE525980A (nl)

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE525980A true BE525980A (nl)

Family

ID=160086

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE525980D BE525980A (nl)

Country Status (1)

Country Link
BE (1) BE525980A (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE1551032B1 (de) * 1966-11-10 1970-06-18 Maschb Ag Dampferzeuger mit Dampftrockner

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE1551032B1 (de) * 1966-11-10 1970-06-18 Maschb Ag Dampferzeuger mit Dampftrockner

Similar Documents

Publication Publication Date Title
KR100203007B1 (ko) 유동층 냉각기,유동층 연소 반응기 및 그 작동 방법
CA1158544A (en) Coal gas purification apparatus
US5779995A (en) Sludge phase reactor and process for performing sludge phase reactions
US10363535B1 (en) Gas-liquid-solid three-phase slurry bed industrial reactor capable of achieving continuous operation
US3645237A (en) Water heater having fluidized bed combustion and heat exchange region
US4300625A (en) Preventing deposition on the inner surfaces of heat exchange apparatus
EP0095203B1 (en) Method of operating a liquid-liquid heat exchanger
JP4664968B2 (ja) 発熱化学反応を行うための流動床法及びこれに用いられる反応器
US2751756A (en) Cooling walls with fluidized solids and liquid vaporization
CA1076323A (en) Method and device for thermoregulating fluid bed catalytic reactors operating at high temperature
RU2060433C1 (ru) Способ охлаждения газов и охладитель циркулирующего флюидизирующего слоя
BE525980A (nl)
US2926143A (en) Heat exchange system
WO1985004820A1 (fr) Reacteur
Barabash et al. Regimes of motion of water–air flow in a short vertical tube with the underfeed of phases
US20060182673A1 (en) Apparatus for heterogeneous catalysed reactions
WO1980002193A1 (en) Heat exchanger for gases
US3549295A (en) Means for exchanging heat between gaseous and/or vaporous and/or liquid and/or solid media and small heat-carrier particles and their applications for carrying out physicochemical processes
CN115321480B (zh) 一种绝热控温型变换炉及水煤气变换工艺
US6864293B2 (en) Production of liquid and, optionally, gaseous products from gaseous reactants
RU216111U1 (ru) Устройство для плавления и хранения вязких нефтепродуктов
US3510523A (en) Exothermic catalytic reactions with thermosyphon flow
JPH11311401A (ja) シェルアンドチューブ形熱交換器式横置蒸気発生器
AU2002320739B2 (en) The Production of Liquid and, Optionally, Gaseous Products From Gaseous Reactants
RU2380149C2 (ru) Способ регулирования температуры экзотермических каталитических реакций