<Desc/Clms Page number 1>
TOESTEIMACHIEN, NIEUWE DRIJFKRACHT GENAAMD, DAT VOOR DOEL HEEFT EEN NIEUWE
DRIJFKRACHT TE SCHEPPEN- DOOR ZICH ZELF TE DOEN BEWEGEN
Het toestelmachien Nieuwe Drijfkracht, genaamd heeft voor doel een nieuwe drijfkracht te scheppen. Het doet zich zelf bewegen door een drijfkrachtvracht op zijn schouders en armen aangebracht. Het kan even gemakkelijk met een snelheid omgaan, die vijfhonderd meters per second ver overtreffen, als met een grote traagheid zich verroeren. Zulks zonder aanwending van enigerlei brandstof, of andere gebruikelijke middelen.
Het kan gebouwd worden,, in groot- en klein formaat, met kleine-grote-smalle- en breedae omvang ; met korte en lange armen Alle lengte, dikte breedde en hoogte maten kunnen toegepast worden op zijn onderdelen, en op het toe- stelmachien in zijn geheel. Dit toestelmachien is bijgevolg in staat, alle gewenste hoeveelheden drijfkracht voort te brengen, mits het aan te passen aan het drijfkracht vermogen dat men er van bekomen wil.
Samenstelling van het toestelmachien "Nieuwe Drijfkracht" Gans het toestelmachien, behalve de liftkader (22) en de leidingsorganen wentelt op een enkelen as, voetas (1) geheten wier beiden kussen, elk op een muur (36) of anderzins berusten, Aan dezen voetas (1) zijn vier en twin- tig stralen (2) gehecht, verdeeld in zes rijen, elk van vier stralen (2) den voetas omringende of vier rijen van zes stralen gelijklopend met den voetas. Elk der vier rijen van zes stralen, gelijklopend met den vbetas, zijn onderling voorzien van een of meer repen (3) volgens de lengte der stralen,en de uitgebreidheid der voort te brengen drijfkracht. Een reep (3) middengordel genaamd, staat aan het uitgebreidspunt der stralen, en vormt een rij of cirkel omvattend zes stralen 't Zij vier rijen of cirkels elk van zes stralen.
De vier rijen of cirkels van zes stralen, worden op een volgens nodig te bepalen afstand van elkaar geplaatst. De zes stralen van elke rij of cirkel staan evenwijdig van elkander. Tussen de drij ruimten van de vier rijen of cirkels van zes stralen, worden zes groepen beweegbaar ingeschakeld., Iedere groep berust op de stralen van een onder- lijf., aan den middengordel (3); Deze zes groepen vertegenwoordigen de elementen, die de kamvormen van de algemene beweging.
Elke groep bestaat uit; een arm () met schouder (5); een hamer (6); een kruk (8), een trek- stang (11), een hefboom (12); een zendzwingel (13); 2 of 3 drijfstangen (15)
<Desc/Clms Page number 2>
een ontvangzwingel (14); beide zwingels elk voorzien van 2 of 3 kussen, voor 2 of 3 drijfstangen (15) en een dissel (16). De schouder (5) die met den arm (4) een geheel vormt, staat nevens de krukas (7) , aan het eind punt van den arm (4). Dit is eender zo voor de zes schouders en de zes ar- men van het groepenkampleks Op de zes schouders en de zes armen, wordt de drijfkrachtvracht gelegd.
Elk der zes groepen zijn in hun midden aan hun rustas, van elkander los, maar blijven op elkaar steunen, Er zijn dus vier rijen of cirkels gelijklopend met den voetas (1). Tussen de le en de 2e, de 3e en de 4e rij of cirkel, bevinden zich beurtelings een zend (13) en een ontvangzwingel (14) op elke groepas. Dus 6 zwingels voor elk der 2 tussenruimten of 12 zwingels voor geheel het toestelmachien.
Tussen de 2e en de 3e rij of cirkel worden de hefbomen (12) en de armen (4) met schouders (5 ) geplaatst. De 6 nefbomen en de 6 armen met schouders staan insgelijks beurtelings, rechts en links neven elkaar. Buitenkant van de le cirkel van 6 stralen (2) rechts aan den middengordel (3), staat aan elk der zes zwingels een dissel (16) die verbonden aan een staaf (17) deel uitmaakt van de leiding. De ruimten tussen de rijen of cirkels 1 + 2 heet rechterkant. De ruimten tussen de rijen of cirkels 3 + 4 heet lin kerkant De grens van rechts en links wordt getrokken tussen de hefbomen en de armen, in de rijen of cirkels 2 + 3. De zes groepen te samen heet groepenkompleks.
De 4 stralen (2) gelijklopend met den voetas (1) en den midden gordel (3) heet onderlijf. De zes onderlijven te samen, heet onder- lijfblok. Het groepenkcmpleks., het onderlijfblok en de voetas te samen, heet groep-lijf-massa. Er zijn te samen acht paar elementen, die altijd in evenwicht moeten zijn, wat ook de standplaats weze van de groep-lijf- massa; beweging of stilstand. Te weten -. tussen de kamer van een groep, en een gebuurgroep, of 6 x 1 kamer en een gebuurgroep = 6 evenwichten.
Een evenwicht tussen het groepenkompleks en de lift (19) En een even- wicht tussen de lift (19) en de ijkvracht (21) . Er is nog een negende evenwicht, tussen het groepenkompleks en het onderlijf blok bij stilstand van de groep-lijf. -massa. En een onevenwicht tussen het groepenkompleks en het onderlijfblok, bij beweging van de groep-lijf-massa.
Werking van het toestelmachien "Nieuwe Drijfkracht" De hamer (6) kop en steel bevindt zich in het midden van een twedeligen arm (4), en zijn as (7) waarop hij beweegt is geplaatst, dwars over dien arm (4) op het eindpunt voor de schouder (5). Hij heeft voor taak het even- wicht te verzekeren van den arm der groep die hem onmiddelijk opvolgt, of voorgaat. Namelijk ; : de hamer van groep 1 is geplaatst op een as (7) die dwars staat over dien tweeledigen arm (4) op het eindpunt voor de schouder (5). Aan de rechterzijde van deze hamersteelas (7) is buitenkant den arm (4) een kruk aangebracht.
Die kruk (8) staat in verbinding met de hef- boom (12) van groep 1, op het verwijderst punt van zijn as, met behulp van een trekstang (11) . Aa den as van dezen hefboom (12) , aan de rechter- zijde van de straal (2) der 2e rij of cirkel, is een zendzwingel (13) ge- hecht waarop de assen der 2 of 3 drijfstangen (15) op 90 of 1200 graden afstand, cirkelvormig van elkaar gescheiden staan. Deze afstand van 90 of 1200 graden tussen de assen der drijfstangen (15) op de zwingels (13 + 14) is de zelfde voor al de zwingels van het toestelmachien. De 2 of 3 drijfstangen van groep 1 zijn verbonden met den ontvangzwingel (14) van groep 2, eveneens rechts van de straal (2) der 2e rij of cirkel.
De ont- vangzwingel van groep 2, is met zijn as aan den arm (4) gehecht van deze groep 2. Nevens den arm van groep 2 die zich rechts bevindt, komt de hef- boom (12) van groep 2 die heet links geplaatst te zijn. Op den tweeledi- gen arm van groep 2, staat eveneens een hamer (6) zoals op groep 1, die zijn trekking uitoefent langs de linker zijde van de straal (2) der 3e rij of cirkel, op de kruk (8) de trekstang (11) de hefboom (12) de zendzwin- gel (13) die altijd aan den hefboom vast staat met zijn as, de drijfstan- gen (15) en eindelijk op de ontvangzwingel (14) die eveneens het evenwicht van den arm der groep 3 , insgelijks links van de straal der 3e rij of cir- kel verzekerd.
Op den tweeledigen arm van groep 3, vertoeft ook een hamer zoals op groep 2die zijn trekking verricht langs de rechterzijde van de straal der 2e cirkel op de kruk de trekstang, de hefboom, de zend-zwingel,
<Desc/Clms Page number 3>
de drijfstangen en eindelijk op den ontvangzwingel van den arm der groep
4 eveneens rechts van de straal der 2e cirkel waarvan hij evenzo het even- wicht handhaaft OP den tweeledigen arm van groep 4 bevindt zich weer een hamer zoals op groep 3 die zijn trekking teweeg brengt langs de linkerzijde van de straal der 3e cirkel op de kruk de trekstang de hefboom de zendzwin- gel de drijfstangen, en eindelijk op de ontvangzwingel van den arm der groep
5 ook weer links van de straal der 3e cirkel, waarvan hij gelijkelijk het evenwicht in stand houdt.
Op den tweeledigen arm van groep 5, staat nog- maals een hamer., zoals op groep 4, die zijn trekking vervuld langs de rechterzijde van de straal der 2e cirkel, op de kruk, de trekstang, de hefboom, de zendzwingel, de drijfstangen en eindelijk OP den outvengzwingel van den arm van groep 6, ook rechts van de straal der 2e cirkel, waarvan hij op gelijke wijze het evenwicht bevestigd,. OP den tweeledigen arm van groep 6, bevindt zich wederom een hamer, zoals op groep 5, die zijn trekking volbrengt langs de linkerkant van de straal de 3e cirkel, op de kruk, de trekstang, de hefboom, de zendzwingel, de drijfstangen, en einde- lijk op den ontvangzwingel van den arm van groep 1, eveneens links van de straal der 3e cirkel waarvan hij nogmaals het evenwicht bestendigd.
Der- wijze dat de hamer van den tweeledigen arm van groep 1 het evenwicht onder- houdt van den arm der groep 2, drijfkrachtvracht en de leundrulkking veroor- zaakt door de trekking van den hamer dezer groep te samen. Dat de hamer van den tweeledigen arm van groep 2, het evenwicht staandehoudt van den arm der groep 3 drijfkrachtvracht, en de leundrukking teweeg gebracht door de trekking van den hamer dezer groep 3 te samen. Dat de hamer van den twee- ledigen arm van groep 3 het evenwicht behoudt van den arm der groep 4 drijf- krachtvracht en de leundrukking verwekt door de trekking van den arm dezer groep 4 te samen.
Dat de hamer van den tweeledigen arm van groep 4, het even- wicht handhaaft van den arm der groep 5 drijfkrachtvracht, en de leundruk- king berokkent door de trekking van den hamer dezer groep 5 te samen.
Dat de hamer van de tweeledigen arm van groep 5 het evenwicht gadeslaad van den arm der groep 6 drijfkrachtvracht en de leundrukking voort- g3bracht door de trekking van den hamer dezer groep 6 be samen. Dat de ha- mer van den tweeledigen arm van groep 6, het evenwicht rechthoudt van den arm der groep l, drijfkrachtvracht, en de leundrukking ontstaan door de trek- king van den hamer dezer groep 1 te samen.
Bijgevolg is er een bestendig evenwicht tussen de zes groepen en een bestendig evenwicht bij het samen op- en neergaan; ' dezer groepen waarook de groepen zich bevinden op de bewegingslijn. D hefboom (12) en arm (4) van elke groep zijn altoos neven elkaar geplaatst, en alhoewel wederzijds los, zijn ze toch aan elkander gehaakt. Dit om de stevigheid en de samenhang van hun groep te versterken,, Het is volstrekt noodzakelijk dat al 'de groepen het zelfde formaat of omvang hebben hun onderdelen van de zelfde benaming, de vereiste eenvormigheid bezitten, die hen in staat steld om de hun opgedragen taak volledig en volmaakt te kunnen uitvoeren. Het is evenzo met de vier en twintig stralen (2)
wier lengte, 1 aanbouwen draagvermo- gen gelijkmatig moeten zijn en zich aanpassen aande behoeften van de zes groepen die op hen steunen. Zulks om de normale werking van het samenge- stelde geheel te staven en te vergemakkelijken. De voetas (1) de stralen en de middengordel (3) of onderlijfblok oefenen een draaiende beweging uit.
De zes groepen van het toestelmachien, in tegenstelling met het onderlijf - blok wentelen zich niet om ofschoon ze allen in de zelfde houding, een cir- kelvormige omloop uitvoeren rond den voetas.
De zes groepen behouden altijd te samen de zelfde positie waar- in de leiding hun geplaatst heeft, vertikaal, schuins of horizontaal. Wan- neer de zes armen der zes groepen, vertikaal met hun schouders omlaag staan is gans het toestelmachien in evenwicht, het geen nul of geen drijfkracht betekent. Dit is evenzo wanneer de zes armen der zes groepen vertikaal met hun schouders omhoog gericht zijn.
Maar als de zes armen der zes groepen met hun schouders horizontaal uitgestrekt zijn, bevindt het toestelmachien zich in volledig drijfkrachtvermogen. Omdat dan de drijfkrachtvracht die op de schouders en arm van elke groep gevestigd is, buiten het evenwicht punt staat van den voetas, en door zijn totale, of gedeeltelijke drukk @
<Desc/Clms Page number 4>
langs een zijde, de automatisse beweging doet ontstaan, en op die wijze bet onderlijf blok tot draaien verplicht. Het is dus logis, dat hoe langer armen en hoe zwaarder vracht, hoe groter drijfkracht op den voetas teweeg gebracht wordt.
Dit sluit echter niet uit dat men op korte armen insge- lijks een zwaargewicht kan leggen, waarmede men eveneens de drijfkracht, tot in een bijna onbeperkte mate kan opvoeren De vier stralen van elk onderlijfmoeten altijd langer zijn dan den arm en schouder van iedere groep. Derwijze dat ze steeds ruimte genoeg verschaffen, om de armen en schouders van het groepenkompleks toe te laten zich vrijelijk rond den voetas te kunnen bewegen.
De snelheid van de groep-lijf-massa moet berekend worden volgens de lengte der stralen van het onderlijfolok. Vanaf het middenpunt voetas (1) tot het middenpunt groepas, En het drijfkrachtvermogen van het toestel- machien, overeenkomstig de lengte der armen van het groepenkompleks. Vanaf het middenpunt groepas, tot het middenpunt krukas (7) schouderbreedde niet inbegrepen.
Enige voorbeelden 1,15 meter straal lengte, komt maar in rekening voor drijfkractvermogen voor de lengte van den arm, zelfs als den arm maar de lengte had van 1 me- ter, of gelijk welke kortere lengte. 75 kilogr. drijfkrachtvracht op een schouder en arm van 0,80 meter lang met 1,15 meter straal (2) lengte, 'zal slechts een drijfkrachtvermogen hebben van 75 x 0,80 = 60 kilog. op 1 ..meter. voetas speek lengte (9) Met een snelheid van 1,15 meter second. Met een snelheid van 11,50 meters-second, zal het drijfkracht vermogen zijn 10 x 60 = 600 kilog. Met een snelheid van 57,50 meters second, zal het drijf- krachtvermogen zijn 50 x 60 = 3.000 kilog. Met een snelheid van 115 meters- secon zal het drijfkrachtvermogen zijn 100 x 60 = 6.000 kilog.
Voor gans het groepenkompleks is het zes maal meer, op al de voornoemde kilog. cijfers.
Wat het P.K.betreft moet men de kilog. cijfers delen door 75 kilog. 't zij 6 x 6000 = 36.000 : :75 = 480 p,K. 75 kilog. drijfkrachtvracht op een schouder en arm van 1 meter lang, met 1,15 meter straal lengte, zal een drijfkracht vermogen hebben van 75 x 1 = 75 kilog. op 1 meter voetas speek lengte, met een snelheid van'1,15 meter second. Met een snelheid van 11,50' meters-sacond,zal het drijfkrachtvermogen zijn 10 x 75 = 750 kilog. Met een snelheid van 57,50 meters-second, zal het drijfkrachtvermogen zijn 50 x 75 = 3750 kilog.
Met een snelheid van 115 meters-second zal het drijfkracht- vermogen zijn 100 x 75 = 7500 kilog Voor gans het groepenkompleks., is het. zes maal meer op al de voornoemde kilog. cijfers.
75 kilog 0 drijfkracht.vracht, op een schouder en arm van 2 meters lang, met 2,15 meters straal lengte, zal een drijfkrachtvermo gen hebben van 75 x 2 = 150 kilog.op 1 meter voetas speek lengte , met een snelheid van 2,15 meters-second.
Met een snelheid van 10,75 meters-second,zal het drijfkrachtver- mogen zijn 5 x 150 = 750 kilog
Met een snelheid van 53,75 meters-second zal het drijfkracht- vermogen zijn 25 x 150 = 3750 kilog.
Met een snelheid van 107,50 meters-second zal het drijfkracht- vermogen zijn 50 x 150 = 7500 kilog
Voor gans het groepenkompleks is het zes maal meer op al de voornoemde kilog. cijfers, 75 kilog. drijfkrachtvracht., op een schouder en arm van 5 meters lang, met 5 ,25 meters straal lengte, zal een drijfkracht vermogen hebben van 75 x 5= 375 kilog. met een snelheid van 5,25 meters-se- cond op 1 meter voetas speek lengte.
Met een snelheid van 10,50 meters-second, zal het drijfkracht- vermogen zijn 2 x 375 = 750 kilog.
Met een snelheid van 52,50 meters-second, zal het drijfkracht- vermogen zijn 10 x 375 = 3750 kilog.
Met een snelheid van 105 meters-second, zal het drijfkracht- vermogen zijn 20 x 375 = 7500 kilog.
<Desc/Clms Page number 5>
Voor gans het groepenkompleks is het zes maal meer, op al de voornoemde kilog.cijfers.
Om het getal P. K.te kennen, behoeft men de voorgaande kilog. cijfers door 75 te delen o
Hieruit kan men afleiden dat met een zelfde getal meters afge- legden weg, een gelijke snelheid per second, en een evenzwaartebracht op de schouders en armen, men een overeenstemmende hoeveelheid drijfkracht bekomt, wat ook de lengtemaat weze der armen.
Met dit verschil, dat 1 meters straal. lengte van het onderlijf- blok, en de drijfstangen van het groepenkompleks, 2 maal moeten draaien, tegenover 1 maal voor een onderlijfblok met 2 meters straal lengte, en due
2 maal zoveel wrijvingslast heeft :3 maal moeten omwentelen,voor 1 maal met een onderlijfblok van 3 meters straallengte, en 3 maal zoveel wrijvings- last hebben ; 4 maal moeten omkeren tegenover 1 maal voor een onderlijf- blok met 4 meters straal lengte, en 4 maal zoveel wrijvingslast te dragen heeft , enz.
Bij elke verhoging der snelheid van de stralen,of onderlijf- blok, groeit het drijfkracht vermogen in de zelfde mate aan. Bij iedere vermeerdering van de drijfkrachtvracht op de schouders en armen, zal het drijfkrachtvermogen insgelijks in de zelfde verhouding toenemen. Voetas- speek¯lengte betekent, of staat gelijk met de helft der docr snede van het voetaswiel (9) De drijfkracht vracht op de schouders en armen, kan vanaf het kleinste gewicht, tot honderd-, tot duizend - tot tien duizend kilogr. en meer verhoogd,- en zelfs tot grootst mogelijke zwaarte last opgevoerd worden. Zulks op om het even welke lengte maat van de armen.
Boor een verkorting van den hamersteel, invergelijking met de lengte van den arm, wordt de zwaarte van den hamerkop, tevens een drijfkrachtvracht, naar ver- houding dezer verkorting en zijn zwaartegewicht. Hiermede dient rekening gehouden bij het bepalen van de drijfkrachtvracht op de schouders en armen.
Het overschot van drijfkrachtvracht op al de schouders en armen, tegenover de weerstand zwaarte, wordt doorslagvracht geheten, Om de groep-lijf- massa het mogelijk te maken den weerstand in evenwicht te nemen, moet de leiding de armen en schouders van het groepenkompleks, op de vereiste verhevenheid doen stijgen, en op die wijze het nodige van de doorslagvracht afnemen, om het toestelmachien in beweging te brengen en zijn snelheid te doen toenemen.
Daar de doorslagvracht op gelijke mate op al de schouders en armen verdeeld is, en deze beurtelings op- en neergaan rond den voet- as, zal elke schouder en arm bij iedere daling een nieuwe drukking uitoefe- nen op het bestaande snelheidregiem, en zal alzo het onderlijfblok met een versnellend tempo doen draaien, en dit op zulke aanhoudende wijze, dat het onderlijfblok tot de uiterste snelheids mogelijkheden kan op gedre- ven worden. Immers wanneer een zwaartegewicht van een zekere hoogte, in de ledige luchtruimte valt, zal dit zwaartegewicht volgens de wet der natuur, altijd met een versnellend tempo neerkomen, en hierdoor zijn druk- king doet aangroeien, overeenkomstig den afgelegden weg, en den besteden tijd. Dit is ook den eigenlijken toestand die zich voordoet met de door- slag vracht, op al de schouders en armen van het groepenkompleks.
Het trekkings- en drukkings vermogen van den Hamer.
Een hamerkop van 1,25 kilog. met een steel van O, So meter lang ( of 1 kilog. met een steel van 1 meter lang), horizontaal gelijklo- pend tussen een tweeledigen arm van 1 meter lang, waarop hij gevestigd, is en verbonden aan een krukas, waarvan de kruk 2 centimeters lang en verti- kaal geplaatst is, heeft een trekkingsvermogen met een hefboom, die eveneens een meter lengte heeft, en insgelijks vertikaal staat,, onder den overeen - stemmende as van voornoemd tweeledigen arm, van ongeveer 70 kilog. En een drukkingsvermogen van omtrent 50 kilog. op zijn rustarm, aan de kruk- of hamersteelas. 't Zij op 1 meter lengte van de groepas. Het verschil tussen trekking en drukkingsas 70 - 50 = 20 kilog.
Deze 20 kilog. dienen om de zelfde hoeveelheid drijfkrachtvracht, op de schouder en arm gelegd in evenwicht te houden Insgeli jk op 1 meter lengte . Hamersteelas of
<Desc/Clms Page number 6>
krukas is juist het zelfde, omdat de hamer en de kruk-niet hun gemene as een geheel vormen. Het trekkings- en drukkingsvermogen van den hamer of van de zes hamers hangt niet alleen af van de zwaarte van den hamerkop, maar tevens van de lengte van den hamersteel. Namelijk 1. kilog. hamerkop met 2 meters steellengte, steelzwaarte inbegrepen op 2 meters arm lengte, met 2 centimeters kruk lengte heeft een trekkingsvermogen met 2 meters hefboom lengte van ongeveer 2 x 2 = 4 x 70 = 280 kilog.
En een drukkingsvermogen
EMI6.1
van omtrent 2 x 2 = 4 x 50 = 200 kilog. Blijft over voor drijf krachtvracht in evenwicht te houden 2E30 king. op 1 meter of 75 kilog. weerstand op 1 meter, 1 Kilog. hamerkop met 3 meters steellengte., steelzwaarte in-
EMI6.2
begrepen, op 3 meters arm lengte, met 2 centimeters kruklengte.. heeft een trekki.ngsvermogen met 3 meters hefboom lengte van ongeveer 3 x 3 = 9 x 70 = 630 kilog. En een drukkingsvermogen van omtrent 3 x 3 =9x50= 450 kilog. Blijft over voor drijfkrachtvracht in evenwicht te houden 630 - 450 = 180 kilog. op 1 meter. Of 175 kilog. weerstand op 1 meter.
1 Kilog. hamerkop met 4 meters steellengte, steelzwaarte in- begrepen, op 4 meters arm lengte, met 2 centimeters kruk lengte, heeft een trekkingsvermogen met 4 meters hefboom lengte, van ongeveer 4 x 4 = 16 x 70 = 1,120 kilog. En een drukkingsvermogen van omtrent 4 x 4 = 16 x 50 = 800 Kilog. Blijft over voor drijfkracht vracht in evenwicht te houden 1.120 - 800 = 320 Kilog. op 1 meter lengte.
Of 315 Kilog. weerstand op 1 meter. l Kilog. hamerkop met 5 meters steellengte, steelzwaarte inbegre- pen, op 5 meters arm lengte, met 2 centimeters kruklengte, heeft een trek- kingsvermogen met 5 meters hefboomlengte, van ongeveer 5 x 5 = 25 x 70 = 1.750 Kilog. En een drukkingsvermogen van omtrent 5 x 5 = 25 x 50 = 1.250 Kilog. Blijft over voor drijfkrachtvracht in evenwicht te houden 1.750 - 1.250 = 500 Kilog. op 1 meter lengte of 495 Kilog. weerstand op 1 meter. l Kilog. hamerkop met 10 meters steellengte, steelzwaarte inbegrepen, op
EMI6.3
10 meters arm lengte,-met 2 centimeters kruklengte , heeft een trekkingsver= mogen met 10 meters hefboom lengte van ongeveer 10 x 10 = 100 x 70 = 7.000 Kilog.
En een drukkingsverm.ogen van omtrent 10 x 10 = 100 x 50 = 5 .000 Kilog. Blijft over voor drijfkrachtvracht in evenwicht te houden 7.000 - 5.000 = 2.000 Kilog. op 1 meter. Of 1.995 Kilog. weerstand op 1 meter.
Op de maten kleiner dan 1 meter lang., en slechts 10 maal korter zijn van de overeenstemmende lengte maten, die 1 meter te boven gaan, is het trek- kings- en drukkings vermogen van 1 Kilog. hamer, honderd maal minder dan deze van de maten,die meer dan 1 meterlang zijn. Te weten : 1 kilog. hamerkop met 0,30 meter steellengte , steelzwaarte inbegrepen, op 0,30 me- ter armlengte, met 2 centimeters kruk lengte, heeft een trekkingsvermogen met 0,30 meter hefboomlengte, van ongeveer 0,3 x 0,3 = 0.9x 70 = 6 .30 Kilog. Een een drukkingsvermogen van omtrent 0,3 x 0,3 = 0,9 x 50 = 4.50 Kilog. Blijft over voor drijfkrachtvracht in evenwicht te houden 6,30 -
EMI6.4
,,50 = l,$0 Kilog. op 1 meter.
Of 1.70 Kilog. weerstand op 1 meter.
1 Kilog. hamerkop met 0,50 meter steellengte, steelzwaarte inbegrepen op 0,50 meter armlengte., met 2 centimeters kruklengte, heeft een trekkings- vermogen met 0,50 meter hefboom lengte, van ongeveer 0,5 x 0,5 = 0,25 x 70 = 17.50 Kilog. En een drukkingsvermogen van omtrent 0,5 x 0,5 = 0,25 x 50 = 12,50 Kilog. Blijft over voor drijfkrachtvracht in evenwicht te hou- den 17,50 - 12,50 = 5 Kilog. op 1 meter. Of 4,90 Kilog. weerstand op 1 meter. De 2 laatstgenoemde voorbeelden hebben eveneens hetzelfde uit-
EMI6.5
werksel., wat betreft het drijfltaehtvermogen. De drijfkrachtvracht op de schouders en armen, mag nooit groter zijn dan de hamers trekken kunnen.
De cijfers hierboven aangeduid als overschot van drijfkracht, dienende om de weerstand te overtreffen en tevens de zelfbeweging van het toestel- machien te doen ontstaan, zijn enkel een aanwijzing, en hebben bijgevolg geen volstrekte betekenis. Vermits deze drijfkrachtvracht overschotten in verhouding moeten gebracht worden met de omvang., en het drijfkracht vermogen van het toestelmachien.
De zes hamers van de zes groepen door hun geordende plaatsing, tussen de tweeledige armen dezer groepen, om het even welke de lengtematen der armen weze, zijn instaat alle nodige trek- kingen te ontwikkelen, om elk een buurgroep., en de drukking van den hamer
EMI6.6
dezer buurgroep in evenwicht te houden, wat ook de drijfkrachtwracht zij, dat op de schouders en armen dezer groepen gelegd is .
<Desc/Clms Page number 7>
Mits de zwaarte van elke hamerkop in verhouding te brengen met de drijfkrachtvracht van de buur groep, waarop hij zijn trekking uitoefent.
Elke kruklengte is toepasselijk bij de samenstelling van het groepenkom- pleks, aangaande het trekkings vermogen. Arm en hefboom, en arm en kruk staan rechthoekig tegenover elkaar, wat ook de standplaats weze van het groepenkompleks. Nochtans deze rechthoekige vorm is niet onveranderlijk en kan steeds door alle andere vormen gewijzigd worden. Dit is evenzo voor al de groepen. Het is ook verwezenlijkbaar dat de hefbomen, korter of lan- ger zijn dan de armen. Arm en hamersteel zijn altijd gelijklopend met elkaar, en voeren altoos te samen de zelfde klimmende- en dalende bewegin- gen uit. Wanneer de zes armen en de zes hamers een horizontaal stuurplaats innemen is het toestelmachien in volle drijfkrachtvermogen.
En de hamers voeren tegelijkertijd hun volledige trekkings- en drukkingsvermogen uit.
Om dit drijfkracht vermogen van het groepenkompleks, en het trekkings- en drukkingsvermogen van de hamers te verminderen,volstaat het de schouders en armen der zes groepen te doen dalen Daar den hamersteel op den arm gevestigd is., zal hij te samen met den arm en schouder neergaan en zal zijn trekkings- en drukkings vermogen in gelijke mate van deze van arm en schou- der verminderen, en te samen blijven oafnemen, tot volledige stilstand vam het toestelmachien. Dit gaat even zo in tegenovergestelde richting, wan- neer de groep-lijf-massa van op de stilstand plaats zijn beweging begint en voortzet tot het totaal drijfkrachtvermogen bereikt is.
Arm en hamer- steel stijgen dus steeds te samen op de zelfde wijze als bij het neergaan
En beider krachtvermogen groeit altijd gelijkelijk aan, of neemt evenre- dig af, volgens de klimmende- of dalende bewegingen der armen van het groe- penkompleks. Aldus bestaat er een onafgebroken evenwicht tussen de hamer van een groep, en een gebuurgroep. En vermits er zes hamers en zes gebuur- groepen zijn, is het groepenkompleks immer in evenwicht.
Deze evenwichtige toestand tussen hamers en gebuurgroepen, is de basis of vertrekpunt, hetwelk volstrekt onontbeerlijk is, om het toestel- machien de mogelijkheid te verschaffen, zich zelf te doen bewegen. De ha- mersteel mag korter zijn dan den tweeledigen arm waartussen hij gevestigd is. Deze verkorting van den hamersteel, heeft nochtans geen invloed op zijn trekkings- en drukkings vermogen, mits het zwaarte gewicht van de hamerkop in de zelfde verhouding te verhogen. Dit geldt zo voor de 6 hamers.
Met een kruk van 1 centimeter lengte, is het trekkings - en drukkings vermogen van 1 Kilog hamer, op al de bovenvermelde maten verdub- beld. Met een kruk van 3 centimeters lengte, is het trekkings - en drukkings- vermogen van 1 Kilog. 0 hamer, op al de bovenstaande lengte maten, ongeveer 1/3 van deze van 1 centimeter kruk lengte .
Met een kruk van 4 centimeters lengte, is het trekkings- en drukkingsvermogen van 1 Kilog. 0 hamer, op al de bovenstaande lengtematen, enige Kilog. minder dan 1/4 van deze van 1 centimeter kruk lengte enz. enz.
Samenstelling der leiding van het toestelmachien "Nieuwe Drijfkracht".
De leiding van het toestelmachien bestaat uit: een stuurwiel (34), een pal (37) en as, twee tandwielen (23) met ketting; een derde tand- wiel (20) met ketting, een ijkvracht (21) en een liftkader (22) met lift (19) voorzien van vier schuiven (40) of wieltjes. De lift (19) is onder- verdeeld in : een cirkelband (18), zes losse tandwielen (32) draaiend op een spil,waarvan twee bekleed met een houvast (37), en zes staven (17).
De leiding is tevens voorzien van een drijfkracht regelaar (30) , die geplaatst is op 2 hangen (31) aan de rechterkant van de liftkader (22) en verbonden aan de lift (19) door tussenkomst van een schuifring (38), een dubbelstang (29) twee disselkamwielen (27) een roerlat (28), een freinschroef (35)x een kabelfrein, of elk ander frein die er op toepasselijk is, in de nabijheid van het stuurwiel (34) gevestigde enerzijds. En anderzijds aan den voetas (1) bij middel van twee kamwielen die aangepast zijn aan den boem van den regelaar (30) met behulp van nog twee kleine kamwielen.
Werking der leiding van het toestelmachien" Nieuwe "Drijfkracht"
<Desc/Clms Page number 8>
De werking der leiding van het toestelmachien bestaat erin een opgaande - en nederdalende beweging te doen uitvoeren door de zes dissels (16) die elk verbonden zijn aan den as van een der zes zwingels (3 zend- en 3 ontvangzwingels) , rechts van de zes stralen der le rij of cirkel. Daar deze zes zwingels, insgelijks met hun as gehecht zijn aan drij armen en drij- hefbomen (12), zijn deze laatste verplicht evenals de dissels, de zelfde klimmende- en dalende bewegingen na te doen.
Op de hefbomen en de armen (4) van de groepen 1, 3, 5in de nabijheid van hun as., is op elk der drie groepen een houvast (37) met ressort (39) aangebracht., om hefboom en arm nauwgezet samen te doen gaan in hun bewegingen,en hierdoor de goede werking der leiding te verzekeren van deze 3 groepen. De zes dissels (16) die enerzijds met een der assen van de zes zwingels, elk een geheel vormen, zijn anderzijds, ieder aan een staaf verbonden met een scharnier.
Deze zes staven (17) bewegen zich elk op een spil, evenwijdig geplaatst op de linker zijde van de cirkelband (18) . Deze cirkelband voorzien van gaten, omwindt zes losse tandwielen (32) die zich op de lift (19) bevinden, insgelijks links van deze laatste, op zulke wijze dat de tanden der losse wielen juist te recht komen en passen in de gaten van den cirkelband (18)k, opdat deze cirkelband vrijelijk een draaiende beweging zou kunnen uitvoeren op de zes losse tand- wielen 32) . De lift (19) die de zes losse tandwielen en' den cirkelband- draagt, en voorzien is van vierschuiven of wieltjes (40) die op de li ftka) der (22) glijden, hangt aan een ketting van een tandwiel (20) dat langs de linkerzijde op de liftkader (22) rust,
en waarvan aan het ander uiteinde van de ketting een ijkvracht hangt (2), dat bestemd is om het evenwicht
EMI8.1
te verzekeren tussen dit jk?radb (21) en de lift. Dit laatste tandwiel (20) is dus gelijkgesteld met een weegschaal die juist in evenwicht is, en de ijkvracht en de lift altijd in evenwicht houdt. om met de zes groepen te samen, het toestelmachien in beweging te brengen, of stil te leggen is het voldoende het tandwielweegschaal (20) naar rechts of links te doen ke- ren, en aldus de lift waaraan de zes dissels (16) verbonden zijn, te doen dalen of stijgen.
Om de drijfkrachtvracht van het toestelmachien te orde- nen, is een regelaar (30) aangebracht waarvan de twee beweegbare takken (41) elk met een bol aan hun beneden punt beladen zijn, en met hun boven- punt aan de spits van zijn boom (42) hangen. Deze twee takken (41) zijn zijdelinks voorzien van elk een stang (29), die eveneens beweegbaar, en ver- bonden zijn aan een schuifring (38) , die'op den regelaarboom (42) op- en neer glijd.
Een tandwiel (24) vertikaal op den voetas (1) brengt een tweede vertikaal tandwiel (25) dat op de liftkader (22) geplaatst is in beweging. Aan dit laatste tandwiel (25) is nog een klein tandwiel met schuinse tanden gehecht, hetwelk een tandwiel (26), insgelijks met schniu-
EMI8.2
ge tanden op deh'Qobm+{,evml"tamh1iege:t.aar (30) horizontaal gezet en de- ze laatste draaien doet.
Deboom (42) van den regelaar (30).,dle-b L-mild- del van twee hangen (31) {conaola, aanede.....reGhter3 e van .lasxe (22) geklamdt, is. bovenkant van den b nedemhang (31)waerop?BjgBh3.tdt, voorzien van een boordje (43), ca zijn afzakking te beletten, "en nog een twede boordje (43) juist onder donbovenhang (31) om een stijging van den boom (42) te voorkomen bij het draaien" ,,------- De snelheid van draaien van den regelaar hangt af van de snel- heid van bewegen van het onderlijfbloko 1 J ¯ 4 - , , Bijgevolg hoe sneller het onderlijfblok draait hoe meer de takken van den regelaar zich open spreiden, en aldus een stijging te weeg brengt van den schuif ring (38) dien voorzien van een dubbelstang (29) op zijn beurt langs de dissel kamwielen (27) en de roerlat (28)
de lift eveneens een klimmende beweging doet uitvoeren en op die wijze een daling der armen van het groepenkompleks doet ontstaan, hetwelk een afneming van snelheid en drijf.krachtvermogen veroorzaakt. Bij vertraging van draaien van het onderlijfblok, oefenen de takken (41) van den regelaar een dalende beweging
EMI8.3
uit op de lift, hetgeen een stijging der armen van het groepenkompleks voor gevolg heeft, en een verhoging van snelheid en drijfkrachtvermogen teweeg brengt. Om het in voege zijnde snelheidsregiem te wijzigen, moet eerst de roerlat (28) door den frein ontspannen worden van de lift, opdat de lift los op de roerlat op-'en neer kan glijden, om de leiding toe te laten r
<Desc/Clms Page number 9>
ander marschregiem te bepalen.
Wanneer de roerlat vast geprangt is aan de lift door den frein,oefent de regelaar zijnregulerende werking uit, om de snelheid van het onderlijfblok zo nauwkeurig mogelijk op den vast- gestelden gang te behouden. Als de roerlat los is van de lift., oefent de regelaar niet de minste invloed uit op de te regelen snelheid. De be- wegingen van het onderlijfblok zijn evenwel mogelijk zonder de wezenlij- ke medewerking van den regelaar.
Mits de leiding ononderbroken in de hand te houden en aldus het zelfde werk van den regelaar na te komen. op een draaiende kolom of buis, dienende als tabel,, en krachtmeter genaamd., vertikaal op passende wijze aan de liftkader gehecht, wordt voortdurend stiptelijk de gebezigde hoeveelheid drijfkrachtvracht aangewezen en tevens nauwgezet alle op- en neergaande bewegingen der schouders en armen van het groepenkompleks aangetekend, zulks bij middel van een naald of ander puntig voorwerp dat aan de lift is vastgemaakt. Gezien het tandwielweegschaal (20) zich op een te hoge afstand van de grondlijn bevindt,is het noodzakelijk het leidwiel (34) korter bij de grondlijn te plaatsen,
en is daarvoor aan den voorkant van de liftkader een ander tandwiel (34) aangebracht dat zich van den zelfden as bedient van het tandwielweegschaal (20) en dus beiden een vast geheel vormen. Op een lageren afstand van de grondlijn,eveneens voorkant op een der dwarsbomen van de liftkader, is een tweede tandwiel van de zelfde grootte,en in de zelfde vertikale richting van het voor- gaande tandwiel gezet Deze twee tandwielen (34) worden bij middel van een ketting met elkaar in betrekking gebracht. Het laagste tandwiel op den dwarsboom van de liftkader, is ook voorzien van een verlengden as, waarop aan het ander uiteinde van dien as het stuurwiel (44) voorkomt waarmede het toestelmachien in al zijn bewegingen begeleid wordt.
Op het stuurwiel (44) is een frein geplaceerd om het toestelmachien te beschut- ten tegen alle mogelijke afwijkingen. Op den voetas is eveneens oen frein aangebracht, om alle nutteloze bewegingen te verhinderen. Op het eerste en het vierde van de zes losse tandwielen van de liftwordt op elk dezer twee wielen een pal geplaatst om terugwijkingen te beletten.
Een verster- kingsbrugje met regelbare vijs,is gevestigd op elke arm boven den hamer- steel om de stevigheid van den arm kracht bij te zetten,en de stijging van de hamerstelen tegen te gaan tijdens de leidingsoperatin. Bij mid- del van de freinschroef (35) die beweegbaar aan de lift gehecht is,wordt de toerlat aan de lift door den frein vastgehouden of los gelaten .
Een telmeter door den voetas bewogen, wijst duidelijk de juiste ontwikkelde snelheid aan die per second, per minuut,of per uur afgelegd wordt door het onderlijf blok en het groepenkompleks,
Ten besluite bewijst dus ophelderend betoog klaarblijke- lijk op welke uitzonderlijke en handtastelijke wijze dit toestelmachien "Nieuwe Drijfkracht", zich doet onderscheiden en kenmerken van alles wat tot heden op dit vast en uitgebreid gebied bestaat,door zijn,wonder- lijk zelfbewegingsvermogen waarvan de snelheid ongeveer onbegrensd is, wat ook de zwaartevracht weze dat op zijn schouders,'t zij met korte- of lange armen berust,
en in dezer voege een hoeveelheid drijfkracht kan voortbrengen die insgelijks tot in een bijna onbeperkte mate kan op- gevoerd worden. Dit alles zonder behulp van brandstof,of andere gebrui- kelijke middelen van welke soort ook. Het is dan ook volkomen geschikt Om elke hoeveelheid drijfkracht,aan een zeer ongemeen geringe prijs te produceren,en hierdoor in staat is,velerlei buitengewoon grote voor-. delen en benuttigingen, aan handel en nijverheid,en tevens aan de gemeen- schap te verschaffen.
Op een bijgevoegd plan, kunnen alle dienstige aanwijzingen, en verklaringen gevonden worden,die een aanvulling zijn van de hoger uit- gevoerde beschrijving van het toestelmachien "Nieuwe Drijfkracht".