<Desc/Clms Page number 1>
"Telecommunicatienetwerk met vereenvoudigde knooppunten"
EMI1.1
De uitvinding heeft betrekking op een telecommunicatienetwerk omvattende tenminste drie knooppunten, waarbij tenminste een zendend knooppunt via uitgaande transmissiekanalen die een aantal deelkanalen omvatten is gekoppeld met tenminste twee andere knooppunten, waarbij het zendend knooppunt is voorzien van schakelmiddelen voor het selectief doorschakelen van door deelkanalen van inkomende transmissiekanalen gedragen deelsignalen naar koppelmiddelen, welke koppelmiddelen zijn ingericht voor het toevoeren van de door de schakelmiddelen naar de koppelmiddelen doorgeschakelde deelsignalen aan deelkanalen van de uitgaande transmissiekanalen.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een knooppunt voor gebruik in een dergelijk telecommunicatienetwerk. Een dergelijk telecommunicatienetwerk is bekend uit EP 429046 A2.
Telecommunicatienetwerken volgens de aanhef worden bijvoorbeeld gebruikt voor transmissie van hogere orde trunksignalen tussen telefooncentrales.
Naarmate het aantal breedbanddiensten voor gebruikers toeneemt zal het belang van trunknetwerken toenemen. Huidige trunknetwerken zijn meestal ingericht voor een vaste transmissiecapaciteit tussen bepaalde knooppunten waarbij herconfiguraties van het netwerk handmatig moeten worden uitgevoerd. Deze handmatige herconfiguratie is erg tijdrovend waardoor de netwerkbeheerder niet in staat is om snel te reageren op een tijdelijke verschuiving van extra benodigde transmissiecapaciteit in bepaalde delen van het telecommunicatienetwerk.
In toekomstige telecommunicatienetwerken worden nieuwe netwerkelementen, zoals bijvoorbeeld cross-connects gemtroduceerd waarmee het mogelijk is om het netwerk onder besturing van een netwerk management systeem in zeer korte tijd te herconfigureren.
De transmissiekanalen worden vaak in multiplexbedrijf gebruikt waardoor het transmissiekanaal opgedeeld wordt in een aantal deelkanalen. Dit opdelen van een transmissiekanaal kan bijvoorbeeld geschieden door frequentiemultiplex (golflengte multiplex), tijd-multiplex of ruimte-multiplex.
<Desc/Clms Page number 2>
EMI2.1
Indien aangenomen wordt dat ieder transmissiekanaal N deelkanalen omvat en dat er M inkomende en M uitgaande transmissiekanalen op het knooppunt zijn aangesloten, zijn er N nodig om ieder deelsignaal in een deelkanaal aan een willekeurig deelkanaal van een ander transmissiekanaal toe te voeren. In het uit het bovengenoemde octrooischrift bekende telecommunicatienetwerk omvatten de schakelmiddelen optische schakelelementen en wordt golflengte multiplexing toegepast om de transmissiekanalen te verdelen in deelkanalen. In ieder knooppunt van het bekende telecommunicatienetwerk bevinden zich N2. golflengte converters om de golflengte van het signaal in een deelkanaal om te kunnen zetten in een gewenste golflengte voor het signaal dat aan een ander deelkanaal toegevoerd wordt.
Door het groot aantal benodigde schakelelementen en golflengte converters is een knooppunt voor het bekende telecommunicatienetwerk erg ingewikkeld en dus vrij duur.
Het doel van de uitvinding is het verschaffen van een telecommunicatienetwerk volgens de aanhef waarvan de complexiteit aanzienlijk is gereduceerd, zonder dat dit ten koste gaat van de connectiemogelijkheden tussen verschillende knooppunten.
Hiertoe is de uitvinding gekenmerkt door dat de koppelmiddelen zijn ingericht voor het toevoeren van een door de schakelmiddelen naar de koppelmiddelen geschakeld deelsignaal aan een deelkanaal van tenminste twee der uitgaande transmissiekanalen.
Wordt bijvoorbeeld ieder doorgeschakeld deelsignaal toegevoerd aan een deelkanaal van twee transmissiekanalen, dan wordt het aantal benodigde schakelelementen met een factor twee gereduceerd. De reductie van het aantal schakelelementen leidt niet tot een vermindering van de connectiemogelijkheden omdat nu twee andere knooppunten simultaan via een enkel schakelelement bereikt kunnen worden.
Een uitvoeringsvorm van de uitvinding is gekenmerkt door dat de koppelmiddelen zijn ingericht voor het toevoeren van de door de schakelmiddelen geschakelde deelsignalen aan een deelkanaal van ieder der uitgaande transmissiekanalen.
Indien een door de schakelelementen naar de koppelmiddelen doorgeschakeld deelsignaal toegevoerd wordt aan een deelkanaal van ieder der transmissiekanalen wordt het aantal benodigde schakelelementen verder gereduceerd. Indien ieder der door de schakelmiddelen naar de koppelmiddelen doorgeschakeld deelkanaal wordt toegevoerd aan een deelkanaal van ieder transmissiekanaal wordt het aantal benodigde
<Desc/Clms Page number 3>
* Mschakelelementen gereduceerd met een factor M zodat nog slechts N2M schakelelementen benodigd zijn. Er wordt opgemerkt dat dit aantal N2 verder gereduceerd kan worden door het toepassen van op zieh bekende meertrapsschakelmiddelen zoals bijvoorbeeld Cloche structuren.
Een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding is gekenmerkt door dat de schakelmiddelen transformatiemiddelen omvatten voor het transformeren van de waarde van de multiplexgrootheid van tenminste een door de schakelmiddelen naar de koppelmiddelen geschakeld deelsignaal in een andere waarde van de multiplexgrootheid, zodanig dat de waarde van de multiplexgrootheid van alle door de schakelmiddelen naar de koppelmiddelen geschakelde deelsignalen verschillend is.
Onder de multiplexgrootheid wordt de positie van een signaal in een multiplexdomein aangegeven. Bij frequentie multiplex is de multiplexgrootheid de frequentie van het deelsignaal in een deelkanaal. Bij tijdmultiplex is de multiplexgrootheid het nummer van een tijdslot in een frame waarin en deelsignaal is ondergebracht. bij coherentiemultiplex is de multiplexgrootheid de vertragingstijd tussen twee componenten van het deelsignaal.
In het geval van frequentiemultiplex zijn de transformatiemiddelen aanwezig om het mogelijk te maken om een deelsignaal met een signaalfrequentie fi te kunnen toevoeren aan een deelkanaal ingericht voor een signaalfrequentie fj. De transformatiemiddelen kunnen ingericht zijn als cascadeschakeling van een afstembare ontvanger en een zender met een vaste uitgangsfrequentie of als cascadeschakeling van een ontvanger met een vaste afstemfrequentie en een afstembare zender. In beide situaties wordt het te verzenden signaal en de ontvanger tot een basisbandsignaal gedemoduleerd. Het is ook mogelijk dat er een frequentie conversie plaatsvindt zonder demodulatie, bijvoorbeeld door het mengen van het te converteren signaal met een referentiefrequentie.
Een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding is gekenmerkt door dat de koppelmiddelen voorzien zijn van een koppelelement voor het combineren van door de schakelmiddelen geschakelde deelsignalen tot een gecombineerd signaal, en voor het splitsen van het gecombineerd signaal ter verkrijging van ingangsignalen voor de uitgaande transmissiekanalen.
Een eenvoudige wijze voor het toevoeren van de naar de koppelmiddelen doorgeschakelde deelsignalen aan de deelkanalen van de transmissiekanalen is het
<Desc/Clms Page number 4>
combineren van de deelsignalen tot een gecombineerd signaal en het vervolgens splitsen van het gecombineerd signaal in een aantal componenten (die gelijk kunnen zijn) die toegevoerd worden aan deelkanalen van de transmissiekanalen.
De uitvinding zal nu nader toegelicht worden aan de hand van de figuren.
Hierin toont :
Fig. 1, een telecommunicatienetwerk met een aantal knooppunten ;
Fig. 2, een knooppunt voor gebruik in een telecommunicatienetwerk volgens de uitvinding waarbij gebruik gemaakt wordt van ruimte-multiplex ;
Fig. 3, een knooppunt voor gebruik in een telecommunicatienetwerk volgens de uitvinding waarbij gebruik wordt gemaakt van tijdmultiplex ;
Fig. 4, een knooppunt voor gebruik in een optisch telecommunicatienetwerk waarbij gebruik gemaakt wordt van frequentiemultiplex ;
Fig. 5, transformatiemiddelen voor gebruik in het knooppunt volgens Fig.
4.
In het telecommunicatienetwerk volgens Fig. 1, is een knooppunt 1 via een uitgaand transmissiekanaal 6 en een inkomend transmissiekanaal 7 gekoppeld met een knooppunt 2. Het knooppunt 1 is via een uitgaand transmissiekanaal 9 en een inkomend transmissiekanaal 8 gekoppeld met een knooppunt 4. Het knooppunt 4 is via een uitgaand transmissiekanaal 10 en een inkomend transmissiekanaal 11 verbonden met het knooppunt 2. Bovendien is het knooppunt 4 via een uitgaand transmissiekanaal 14 en een inkomend transmissiekanaal 15 gekoppeld met een knooppunt 5. Het knooppunt 5 is via een uitgaand transmissiekanaal 12 en een inkomend transmissiekanaal 13 gekoppeld met het knooppunt 2. Het knooppunt 2 is bovendien via een uitgaand transmissiekanaal 17 en een inkomend transmissiekanaal 16 gekoppeld met een knooppunt 3.
Het knooppunt 3 is bovendien via een uitgaand transmissiekanaal 19 en een inkomend transmissiekanaal 18 gekoppeld met het knooppunt 5.
Het telecommunicatienetwerk volgens Fig. 1 is zodanig uitgevoerd dat ieder knooppunt vanuit een ander knooppunt via tenminste twee wegen bereikt kan worden. Hierdoor is het mogelijk om bij het uitvallen van een rechtstreekse verbinding tussen een eerste en een tweede knooppunt het eerste en het tweede knooppunt via een derde knooppunt te koppelen. Bij het uitvallen van de transmissiekanalen 10 en/of 11 kan het knooppunt 4 via het knooppunt 1 en via het knooppunt 5 met het knooppunt 2 gekoppeld worden. Zoals later zal worden toegelicht is de additionele complexiteit die
<Desc/Clms Page number 5>
aan de knooppunten volgens de uitvinding toegevoegd moet worden om dit zogenaamde "protection switching" te kunnen uitvoeren beperkt.
Aan het knooppunt 2 volgens Fig. 2 zijn de uitgangen van deelkanalen van het transmissiekanaal 6 verbonden met die ingangen van de schakelmiddelen 20. De uitgangen van drie deelkanalen van het transmissiekanaal 10 is verbonden met drie ingangen van de schakelmiddelen 20. De uitgangen van de deelkanalen van de transmissiekanalen 12 en 16 zijn eveneens verbonden met ingangen van de schakelmiddelen 20. leder der drie uitgangen van de schakelmiddelen 20 is verbonden met een deelkanaal van de transmissiekanalen 7,11, 13 en 17.
De schakelmiddelen 20 zijn ingericht voor het doorschakelen van drie van de twaalf ingangen met de drie uitgangen van deze schakelmiddelen. Doordat de schakelmiddelen ieder der ingangen met ieder der uitgangen kunnen koppelen, kan het knooppunt geconfigureerd worden.
De drie deelsignalen aan de drie uitgangen van de schakelmiddelen 20 zijn gekoppeld met een deelkanaal van ieder transmissiekanaal, zodat via ieder deelkanaal dezelfde informatie verzonden wordt. Welke ingang van de schakelmiddelen 20 met welke uitgang van de schakelmiddelen 20 wordt verbonden wordt bepaald dor een netwerk management systeem. Bij SDH transmissienetwerken kan de stuurinformatie voor het instellen van de schakelmiddelen via de niet gestandaardiseerde bytes van de Section Overhead van een STM-1 frame verzonden worden. In de onderstaande tabel is het gebruik van deelkanalen aangegeven voor een netwerk volgens Fig. 1. Er wordt van uit gegaan dat in dit netwerk maximaal 5 deelkanalen beschikbaar zijn.
TABEL 1
EMI5.1
<tb>
<tb> deelkanaal
<tb> knooppunt <SEP> 1 <SEP> 2 <SEP> 3 <SEP> 4 <SEP> 5
<tb> 1 <SEP> 1-3 <SEP> 1-4 <SEP> 1-5 <SEP>
<tb> 2 <SEP> 1#3 <SEP> # <SEP> 1#5 <SEP> # <SEP> 3#1 <SEP> # <SEP> 5#1 <SEP> # <SEP> 4#3
<tb> 3 <SEP> 3-1 <SEP> 3-4 <SEP> 3-5 <SEP>
<tb> 4 <SEP> 4-1 <SEP> 4-3 <SEP> 4-5 <SEP>
<tb> 5 <SEP> 5-1 <SEP> 5-3 <SEP> 5-4 <SEP> 3-4 <SEP>
<tb>
De aanduiding x-y betekent dat het betreffende deelkanaal wordt gebruikt voor het
<Desc/Clms Page number 6>
EMI6.1
signaaltransport van knooppunt x naar knooppunt y.
In de situatie die beschreven wordt door de bovenstaande tabel wordt ervan uitgegaan dat in de knooppunten 1, 3, 4 en 5 zich een lokale centrale bevindt die signalen levert voor ieder der centrales in de andere knooppunten. Bovendien wordt aangenomen dat in het knooppunt 2 geen lokale centrale aanwezig is.
Uit de tabel blijkt dat het verkeer van knooppunt 1 naar knooppunt 3 en vice versa via het knooppunt 2 verloopt. Hierover wordt in knooppunt 1 en 2 het deelkanaal 1 gebruikt. Het verkeer van knooppunt 1 naar knooppunt 5 verloopt ook via knooppunt 2, waarbij deelkanaal 3 gebruikt wordt. Het verkeer van knooppunt 3 naar knooppunt 4 verloopt via knooppunt 5 (deelkanaal 4), terwijl het verkeer van knooppunt 4 naar knooppunt 3 via knooppunt 2 verloopt (deelkanaal 5). Het onderlinge verkeer tussen de andere knooppunten verloopt via de rechtstreekse verbindingen in deze knooppunten.
Er wordt opgemerkt dat de knooppunten 1, 3, 4 en 5 op soortgelijke wijze kunnen zijn uitgevoerd als het knooppunt volgens Fig. 2. Echter een der ingaande transmissiekanalen en een der uitgaande transmissiekanalen zijn dan gekoppeld met de lokale centrale.
In de onderstaande tabel 2 is een mogelijk verloop van het verkeer tussen de diverse knooppunten aangegeven indien de transmissiekanalen tussen de knooppunten 2 en 5 zijn uitgevallen.
TABEL
EMI6.2
<tb>
<tb> deelkanaal
<tb> knooppunt <SEP> 1 <SEP> 2 <SEP> 3 <SEP> 4 <SEP> 5
<tb> 1 <SEP> 1-3 <SEP> 1-4 <SEP> 1-5 <SEP>
<tb> 2 <SEP> 1-3 <SEP> 3-1 <SEP> 4-3 <SEP>
<tb> 3 <SEP> 3-1 <SEP> 3-4 <SEP> 3-5 <SEP>
<tb> 4 <SEP> 4-1 <SEP> 4-3 <SEP> 4-5 <SEP> 5-1 <SEP> 1-5 <SEP>
<tb> 5 <SEP> 5#1 <SEP> # <SEP> 5#3 <SEP> # <SEP> 5#4 <SEP> # <SEP> 3#4
<tb>
Het verkeer van knooppunt 1 naar knooppunt 5 en vice versa verloopt nu via het knooppunt 4 in plaats van via het knooppunt 2. Hiertoe moeten in knooppunt 4 twee extra hulpkanalen in gebruik worden genomen. Dit gebeurt door het doorschakelen
<Desc/Clms Page number 7>
EMI7.1
van het deelsignaal afkomstig van knooppunt 1 dat bedoeld is voor knooppunt 5 naar een ingang van een deelkanaal van transmissiekanaal 14.
Het betreffende deelsignaal is door toepassing van de maatregelen volgens de uitvinding reeds beschikbaar aan een ingang van de schakelmiddelen. Hetzelfde geldt voor het deelsignaal afkomstig van knooppunt 5 en bestemd voor knooppunt 1. Doordat de deelsignalen volgens de uitvindingsvoorstellen aan alle uitgaande transmissiekanalen van een knooppunt toegevoerd worden, zijn een groot aantal van de deelsignalen reeds beschikbaar bij verschillende knooppunten. Hierdoor hoeven slechts in enkele knooppunten maatregelen genomen te worden (omschakelen van deelkanalen) om het netwerk te herconfigureren.
In het knooppunt 2 volgens Fig. 3 zijn transmissiekanalen 6, 10, 12 en 16 verbonden met een ingang van respectievelijk een demultiplexer 26, 28, 30 en 32. De uitgangen van de demultiplexers 26, 28, 30 en 32 zijn verbonden met ingangen van schakelmiddelen 20. De uitgangen van de schakelmiddelen 20 zijn verbonden met ingangen van de koppelmiddelen 24. De koppelmiddelen 24 bevatten een multiplexer 34 t waaraan de ingangssignalen van de koppelmiddelen worden toegevoerd. De uitgang van de multiplexer 34 is verbonden met een ingang van de transmissiekanalen 7, 11, 13 en 17.
Het knooppunt 2 volgens Fig. 3 is ingericht voor transmissiekanalen waarbij gebruik gemaakt wordt van tijdmultiplex. Hierbij worden de deelkanalen gevormd door tijdsleuven in een periodiek frame. De demultiplexers 26, 28, 30 en 32 zetten het gemultiplexed uitgangssignaal van de transmissiekanalen 6, 10, 12 en 16 in deelkanalen die ieder op een aparte uitgang van de multiplexer aanwezig zijn. De schakelmiddelen 20 schakelen drie van de ingangssignalen van de schakelmiddelen 20 door naar drie uitgangen van de schakelmiddelen 20. De multiplexer 34 combineert de deelsignalen beschikbaar aan de uitgangen van de schakelmiddelen 20 tot een gemultiplexed signaal dat toegevoerd wordt aan de transmissiekanalen 7, 11, 13 en 17.
In het knooppunt 2 volgens Fig. 4 is een uitgang van het transmissiekanaal 6 verbonden met een eerste ingang van de schakelmiddelen 20. In de schakelmiddelen 20 is deze eerste ingang verbonden met een ingang van een vermogensdeler 36. Een eerste uitgang van de vermogensdeler 36 is verbonden met een eerste ingang van een schakelelement 44. Een tweede uitgang van de vermogensdeler 36 is verbonden met een eerste ingang van een schakelelement 46, terwijl een derde uitgang van de vermogensdeler 36 is verbonden met een eerste ingang van een schakelelement 48.
<Desc/Clms Page number 8>
EMI8.1
De uitgang van het transmissiekanaal is verbonden met een tweede ingang van de schakelmiddelen 20. In de schakelmiddelen 20 is deze ingang verbonden met een ingang van een vermogensdeler 38. Een eerste uitgang van de vermogensdeler 38 is verbonden met een tweede ingang van het schakelelement 44. Een tweede uitgang van de vermogensdeler 38 is verbonden met een tweede ingang van het schakelelement 46, terwijl een derde uitgang van de vermogensdeler 38 is verbonden met een tweede ingang van het schakelelement 48.
De uitgang van het transmissiekanaal 12 is verbonden met een derde ingang van de schakelmiddelen 20. In de schakelmiddelen 20 is deze ingang verbonden met een ingang van een vermogensdeler 40. Een eerste uitgang van de vermogensdeler 40 is verbonden met een derde ingang van het schakelelement 44. Een tweede uitgang van de vermogensdeler 40 is verbonden met een derde ingang van het schakelelement 46, terwijl een derde uitgang van de vermogensdeler 40 is verbonden met een derde ingang van het schakelelement 48.
De uitgang van het transmissiekanaal 16 is verbonden met een vierde ingang van de schakelmiddelen 20. In de schakelmiddelen 20 is deze ingang verbonden met een ingang van een vermogensdeler 42. Een eerste uitgang van de vermogensdeler 42 is verbonden met een vierde ingang van het schakelelement 44. Een tweede uitgang van de vermogensdeler 42 is verbonden met een vierde ingang van het schakelelement 46, terwijl een derde uitgang van de vermogensdeler is verbonden met een vierde ingang van het schakelelement 48.
De uitgang van het schakelelement 44 is verbonden met een eerste ingang van de transformatiemiddelen 50. De uitgang van het schakelelement 46 is verbonden met een tweede ingang van de transformatiemiddelen 50 en de uitgang van het schakelelement 48 is verbonden met een derde ingang van de transformatiemiddelen 50. In de transformatiemiddelen 50 is de eerste ingang verbonden met een ingang van een afstembare ontvanger 52. Een uitgang van de afstembare ontvanger 52 is verbonden met een ingang van een zender 54. De uitgang van de zender 54 vormt een eerste uitgang van de transformatiemiddelen 50.
Een tweede ingang van de transformatiemiddelen 50 is verbonden met een ingang van een afstembare ontvanger 56. Een uitgang van de afstembare ontvanger 56 is verbonden met een ingang van een zender 58. De uitgang van de zender 58 vormt een tweede uitgang van de transformatiemiddelen 50.
<Desc/Clms Page number 9>
omEen derde ingang van de transformatiemiddelen 50 is verbonden met een ingang van een afstembare ontvanger 60. De uitgang van de afstembare ontvanger 60 is verbonden met een ingang van een zender 62. De uitgang van de zender 62 vormt de derde uitgang van de transformatiemiddelen 50.
De drie uitgangen van de transformatiemiddelen 50 zijn verbonden met drie ingangen van de koppelmiddelen 24. Vier uitgangen van de koppelmiddelen 24 zijn verbonden met de transmissiekanalen 7,11, 13 en 17.
Het knooppunt 2 volgens Fig. 4 is ingericht voor het gebruik met transmissiekanalen die gebruik maken van optische frequentie multiplex. In het voorbeeld van Fig. 4 wordt aangenomen dat de transmissiekanalen (glasvezels) drie optische deelkanalen bezitten, waarbij de optische deelsignalen door lichtsignalen met een verschillende frequentie gerepresenteerd worden.
De vermogensdeler 36,38, 40 en 42 delen het signaal afkomstig van het betreffende transmissiekanaal 6,10, 12 en 16 in drie delen. Deze drie delen worden ieder aan een ingang van een der schakelelement 44,46, 48 toegevoerd. De schakelelementen 44,46 en 48 kunnen een van hun ingangen selecteren en doorschakelen naar hun uitgang.
Het is nu mogelijk dat naar keuze drie van de vier transmissiekanalen doorgeschakeld worden naar de uitgangen van de schakelelementen 44,46, 48. Het is echter ook mogelijk dat een bepaald transmissiekanaal wordt doorgeschakeld naar uitgangen van meer dan een van de schakelelementen 44,46, 48.
De transformatiemiddelen 50 selecteren een deelkanaal van ieder van de uitgangen van de schakelelementen 44,46 en 48, en transformeren dit, indien noodzakelijk naar een ander deelkanaal. In de transformatiemiddelen 50 gebeurt het selecteren van een deelkanaal met behulp van de afstembare ontvanger 52,56 en 60. Het uitgangssignaal van deze ontvangers wordt door zenders 54,58 en 62 weer omgezet in deelsignalen waarvan de frequenties verschillend zijn. Het is ook denkbaar dat de ontvangers 52,56 en 58 niet afstembaar zijn, maar ieder op een vaste frequentie afgestemd zijn die behoort bij een der deelkanalen, waarbij dan echter de zender afstembaar is. Ook is het mogelijk dat zowel de ontvangers 52,56 en 58 als de zenders 54,58 en 62 afstembaar zijn.
De uitgangssignalen van de zenders 54,56 en 62, welke uitgangssignalen tevens de uitgangen van de schakelmiddelen 20 vormen worden in de koppelmiddelen
<Desc/Clms Page number 10>
24 gecombineerd tot een gecombineerd lichtsignaal. Dit gecombineerd lichtsignaal wordt door de koppelmiddelen 24 in vier in vermogen al of niet gelijke delen gesplitst, die aan de transmissiekanalen 7,11, 13 en 17 worden toegevoerd.
Het knooppunt 2 is op de bovenbeschreven wijze in staat om drie deelkanalen uit de twaalf deelkanalen van de vier transmissiekanalen 6,10, 12 en 16 te selecteren en te combineren tot een uit deelsignalen bestaand signaal dat aan de transmissiekanalen 7, 11, 13 en 17 wordt toegevoerd.
Door de maatregelen volgens de uitvindingsgedachte zijn in het knooppunt volgens Fig. 4 slechts drie schakelelementen 44,46, 48 noodzakelijk. Bij een knooppunt volgens de stand van de techniek zouden voor ieder der transmissiekanalen 7,11, 13 en 17 drie schakelelementen benodigd zijn, hetgeen resulteert in een aantal van twaalf schakelelementen. Er wordt opgemerkt dat het aantal inkomende transmissiekanalen niet altijd gelijk hoeft te zijn aan het aantal uitgaande transmissiekanalen. Bijvoorbeeld bij transmissienetwerken die gebruik worden voor het transporteren van omroepsignalen zoals bijvoorbeeld digitale TV signalen zal dit niet altijd het geval zijn.
In de transformatiemiddelen 50 volgens Fig. 5 is een eerste ingang verbonden met een afstembare ontvanger 52 en is een tweede ingang verbonden met een afstembare ontvanger 56. De uitgang van de afstembare ontvanger 52 is verbonden met een ingang van een demultiplexer 64, terwijl de uitgang van de afstembare ontvanger 56 is verbonden met ingang van een demultiplexer 66. Vier uitgangen van de demultiplexer 64 zijn verbonden met vier andere ingangen van een schakelnetwerk 68. Vier uitgangen van de demultiplexer 66 zijn eveneens verbonden met vier ingangen van het schakelelement 68.
Twee uitgangen van een lokale centrale 74 zijn verbonden met twee ingangen van het schakelnetwerk 68. Vier uitgangen van het schakelnetwerk 68 zijn verbonden met vier ingangen van een multiplexer 70. Vier andere uitgangen van het schakelnetwerk 68 zijn verbonden met vier ingangen van een multiplexer 72. Twee verdere uitgangen van het schakelnetwerk 68 zijn verbonden met twee ingangen van de lokale centrale 74.
Een uitgang van de multiplexer 70 is verbonden met een ingang van een optische zender 54, terwijl een uitgang van de multiplexer 72 is verbonden met een ingang van een optische zender 58. De uitgangen van de optische zenders 54 en 58 vormen tevens twee uitgangen van de transformatiemiddelen 50.
<Desc/Clms Page number 11>
Een derde ingang van de transformatiemiddelen 50 is verbonden met een afstembare optische ontvanger 60. De uitgang van de afstembare optische ontvanger is verbonden met een ingang van een optische zender 62. De uitgang van de optische zender 62 is verbonden met een uitgang van de transformatiemiddelen 50.
De transformatiemiddelen 50 zijn ingericht voor het omzetten van de frequentie van deelsignalen die weer uit een aantal subsignalen bestaan van een eerste naar een tweede frequentie. Bovendien zijn de transformatiemiddelen 50 in staat om subsignalen van een deelsignaal naar een ander deelsignaal te verplaatsen of twee deelsignalen onderling te verwisselen. Een deelsignaal kan bijvoorbeeld een STM-4 signaal zijn uit de Synchrone Digitale Hierarchie (SDH), met een transmissiesnelheid van 622 Mbit/sec., terwijl een subsignaal bijvoorbeeld een STM-1 signaal met een transmissiesnelheid van 155 Mbit/sec kan zijn. De demultiplexer 64 ontbindt het door de optische ontvanger 52 te ontvangen deelsignaal in vier sub signalen, terwijl de demultiplexer 66 het door de optische ontvanger 56 ontvangen deelsignaal ontbindt in vier verdere subsignalen.
Het schakelnetwerk 68 verbindt de tien subkanalen aan zijn ingang (vier van de demultiplexer 64, vier van de demultiplexer 66 en twee van de lokale centrale 74) met tien subkanalen aan zijn uitgang (vier van multiplexer 70, vier van multiplexer 72 en twee van de lokale centrale 74). Er wordt opgemerkt dat het mogelijk is om een schakelnetwerk 68 te gebruiken dat complete deelkanalen zoals een STM-4 signaal kan schakelen. Hierbij wordt dan een compleet deelsignaal aan de centrale 74 toegevoerd, en levert de centrale 74 eveneens een compleet deelsignaal aan de schakelmiddelen 68.
De demultiplexers 64 en 66 en de multiplexers 70 en 72 zijn dan niet meer noodzakelijk.
Op deze wijze is het mogelijk om subsignalen vanuit het transmissienetwerk naar een lokale centrale en vice versa te transporteren. Het deelsignaal aan de uitgang van de multiplexer 70 wordt door de zender 54 weer omgezet in een optisch deelsignaal. Het deelsignaal aan de uitgang van de multiplexer 72 wordt door de zender 58 omgezet in een optisch deelsignaal.
Het optisch deelsignaal aan de ingang van de afstembare ontvanger 60 wordt omgezet in een elektrisch signaal. Dit elektrische signaal wordt door de zender 62 weer omgezet in een optisch deelsignaal dat weer verder via het transmissienetwerk getransporteerd wordt.