NL2001995C - Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij. - Google Patents

Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij. Download PDF

Info

Publication number
NL2001995C
NL2001995C NL2001995A NL2001995A NL2001995C NL 2001995 C NL2001995 C NL 2001995C NL 2001995 A NL2001995 A NL 2001995A NL 2001995 A NL2001995 A NL 2001995A NL 2001995 C NL2001995 C NL 2001995C
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
module
modules
pipe
building
segments
Prior art date
Application number
NL2001995A
Other languages
English (en)
Inventor
Johannes Hendricus Witte
De Lange Bertineke Marianna Priscilla Visser
Original Assignee
Unica Installatietechniek B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Unica Installatietechniek B V filed Critical Unica Installatietechniek B V
Priority to NL2001995A priority Critical patent/NL2001995C/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2001995C publication Critical patent/NL2001995C/nl

Links

Landscapes

  • Supports For Pipes And Cables (AREA)

Description

j NL 12092-Me/vw !
Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een ge- ; bouw, en modules voor gebruik daarbij i
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw.
Bij de huidige stand van de techniek wordt tijdens de bouw van het gebouw, zoals een kantoor, fabriek, sporthal, en 5 dergelijke, weinig gestructureerd gewerkt. Allerlei mensen en processen van verschillende toeleveranciers lopen door elkaar j heen. Dit houdt in dat gelijktijdig muren worden opgetrokken ! alsmede waterleidingen worden gelegd/opgehangen en elektra, ; luchtsystemen, verwarming, enzovoorts, worden aangelegd, heidin- j 10 gen voor elk medium worden "tweedimensionaal" gemonteerd, dat j wil zeggen dat een buissegment wordt opgehangen met klemmen, : draad en/of lijnen en dan het volgende buissegment wordt verbonden en opgehangen, enzovoorts. Elke mediumleiding heeft daarbij zijn eigen ophangpunten en wordt door een andere specialist op- , 15 gehangen. Dit leidt ertoe dat er relatief veel ophangpunten zijn ; i voor slechts een beperkt aantal systemen. Voorts is de planning j van deze processen nogal lastig waardoor deze processen altijd j
veel meer tijd kosten dan strikt noodzakelijk zou zijn. Wachten I
tot na de bouw van het gebouw zou het hele proces neg meer ver- j 20 tragen en bovendien zou daarna extra interieurafwerking nodig 1 t zijn. Dit alles brengt onnodige extra kosten met zich mee.
Uit de praktijk is een werkwijze bekend waarbij modules met een aantal leidingen in een prefabricagehal worden voorgemonteerd. De modules omvatten een frame voor bevestiging aan het j 25 plafond, aan welk frame de leidingsegmenten worden gehangen met j behulp van ophangbeugels. De modules worden op de bouwlocatie aan het plafond gehangen en onderling verbonden. Door de werkwijze vindt een meer geïntegreerde aanpak plaats. De leidingen voor de verschillende media worden gezamenlijk ingepland en de 30 in segmenten verdeelde leidingen worden gezamenlijk in modules voorgemonteerd. In het gebouw behoeven dan alleen nog maar de modules te worden gemonteerd op een "driedimensionale" wijze.
Op de bouwplaats hoeft bij deze manier van werken alleen met posities en doorvoerplaatsen van complete modules | 35 rekening te worden gehouden waardoor het ook mogelijk is om het 2 !' r monteren van de modules in het gebouw na het bouwen van het ge- j bouw te laten plaatsvinden, bij voorkeur door één j gespecialiseerd bedrijf. Dit maakt het mogelijk om zowel tijdens de bouw als tijdens de installatie van het leidingenstelsel snel 5 en dus kostenefficiënt te werken. |
De uitvinding beoogt thans deze bekende werkwijze ver- j" der te verbeteren. j i
Hiertoe verschaft de uitvinding een werkwijze voor het j aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, voorzien van j j 10 de volgende stappen: 1 het in een werkplaats samenvoegen van segmenten van pa- j' rallel lopende leidingen in een aantal gestandaardiseerde, bij voorkeur stijve modules, het van de werkplaats naar de bouwplaats vervoeren van j, ) 15 een voldoende hoeveelheid modules; | het overeenkomstig het gewenste verloop van de leidin- !
gen aan elkaar koppelen en monteren van de modules in het gebouw I
( voor het vormen van het leidingenstelsel. j
Doordat het leidingenstelsel wordt samengesteld uit één i 20 of een klein aantal standaardmodules, kunnen de kosten nog ver- j der worden teruggebracht. Het tot een stijf geheel voormonteren van de onderdelen in de modules heeft het voordeel dat geen i stijf frame aan tiet plafond meer nodig is waardoor op gewicht en j kosten wordt bespaard. Bij voorkeur worden daarbij de leiding- j , f 25 segmenten, in het bijzonder die met grotere diameter, als 1 stijfheid verschaffende elementen benut, bijvoorbeeld door ze j stijf in te klemmen, in het bij zonder . over een lengte die vol- j > doende is voor zowel sterkte in dwarsrichting, als stijfheid ! j tegen schranken en tegen het doorhangen van de leidingsegmenten j 30 tussen inklemplaatsen.
De uitvinding betreft tevens een module voor het vormen van een leidingenstelsel in een gebouw, bij voorkeur met de hiervoor beschreven werkwijze, welke module is voorzien van ten ' minste één vasthoudorgaan met een aantal openingen met tenminste 35 in een deel daarvan en bij voorkeur in alle openingen opgenomen een leidingsegment.
Door het gebruik van een of meer vasthoudorganen met een aantal openingen voor het opnemen van de leidingsegmenten worden de leidingsegmenten onderling direct verbonden, hetgeen i 3 ! de stijfheid van de modules ten goede komt. Deze stijfheid is j i van belang om te voorkomen dat de leidingsegmenten zich ten op- \ zichte van elkaar gaan verplaatsen waardoor het aansluiten van de leidingsegmenten in een module op de leidingsegmenten in een 5 volgende module wordt bemoeilijkt. Dit zou de werksnelheid of de kwaliteit nadelig kunnen beïnvloeden. j·
Bij voorkeur is elke module voorzien van tenminste twee j vasthoudorganen, waarin de leidingen zijn geklemd, bij voorkeur j telkens over een lengte van ten minste ca. 10 cm, bij voorkeur ; 10 tenminste ca. 15 cm, meer in het bijzonder tenminste ca. 20cm.
Op deze wijze wordt eenvoudig een stijf geheel gecre- ! ëerd. De benodigde inklemlengte hangt samen met de stijfheid van de vasthoudorganen en de buigstijfheid van de leidingsegmenten.
In een uitvoeringsvorm is elk vasthoudorgaan voorzien 15 van een onder- en bovendeel die tezamen telkens de openingen begrenzen en aan elkaar bevestigbaar zijn voor het daartussen klemmend opnemen van de leidingsegmenten. Het onder- en bovendeel zijn bij voorkeur elk uit een blok, bij voorkeur een schuimblok gevormd.
20 Met dergelijke vasthoudorganen kunnen de leidingsegmenten zeer snel in de vasthoudorganen worden opgenomen. Bij ;
toepassing van een blok, in het bijzonder schuimblok kan een goedkoop, licht, gemakkelijk werkend en stij’fheid veroorzakend I
j vasthoudorgaan worden verkregen. Het onder- en bovendeel kunnen j- 25 bijvoorbeeld met spanbanden aan elkaar zijn bevestigd.
In het geval de modules zijn voorzien van convec-torunits die reeds in de werkplaats zijn aangesloten op de leidingsegmenten van de modules, is het gunstig om de convec-torunits via verbreekbare verbindingen stevig met de modules te j 30 verbinden. Op de bouwplaats kunnen de convectorunits dan worden j losgekoppeld onder handhaving van de flexibele en voldoende lan- j ge aansluiting op de modules.
Een dergelijke module en werkwijze heeft het voordeel dat de stijve convectorunits tijdens opslag en transport extra : 35 stijfheid aan de module wordt verschaft, waardoor nog beter wordt voorkomen dat de leidingsegmenten zich onderling gaan verplaatsen. Door de verbreekbare verbinding kunnen de convectorunits, die normaal gesproken in het verlaagde plafond j worden opgenomen, op de bouwplaats van de modules worden losge- j ]' i ? ï { ί 4 [ t ί maakt zodra zij door het verlaagde plafond kunnen worden onder- j steund. De hoogwaardige aansluiting tussen de convectorunits en |
de bijbehorende leidingsegmenten van de modules is reeds in de I
werkplaats onder gunstige omstandigheden tot stand gebracht zo- j 5 dat op de bouwplaats een lastige en vakmanschap vereisende t montagehandeling wordt bespaard. j Γ
Het is gunstig indien de leidingsegmenten, in het bij- j zonder die voor het transporteren van lucht, zijn voorzien van daarop schuifbare verbindingsmoffen voor het luchtdicht verbin- ! 10 den van leidingsegmenten van opvolgende modules, bij voorkeur j met behulp van aan de randen van de moffen bevestigde omklapbare 1 rubberelastische ringen. j
Door deze maatregelen is het zeer eenvoudig om op be- j trouwbare wijze leidingsegmenten te koppelen en af te dichten.
15 De uitvinding zal hierna verder worden toegelicht aan de .hand van de tekeningen die een uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding weergeven. j
Fig. 1 is een installatieschema voor een gebouw met een j leidingenstelsel dat tot stand is gebracht met behulp van de on- { 20 derhavige uitvinding.
Fig. 2 is een op grotere schaal weergegeven bovenaanzicht van de afzonderlijke modules uit het leidingenstelsel van Fig. 1.
Fig. 3 is een perspectivisch explosieaanzicht van een 25 module die kan worden gebruikt in het leidingenstelsel volgens
Fig. 1. f
Fig. 4 is een perspectivisch explosieaanzicht van de j module van Fig. 3 in samengestelde toestand. f
Fig. 5 is een perspectivisch explosieaanzicht van een ί 30 vasthoudorgaan uit de module volgens Fig. 3 en 4.
Fig. 6 is een op grote schaal weergegeven perspectivisch aanzicht van de module van Fig. 5 in gemonteerde toestand.
Fig. 7 is een perspectivisch aanzicht van een gedeelte van twee modules op het moment dat zij worden gekoppeld.
35 Fig. 8 en 9 zijn perspectivische aanzichten van een verbindingsmof voor het afdichtend verbinden van twee aangrenzende leidingsegmenten.
i f 5 i !
Fig. 10 - 13 zijn perspectivische onderaanzichten van ] een module tijdens het monteren daarvan aan een plafond, in verschillende stadia.
Fig. 13 zijn op grotere schaal weergegeven zijaanzich-5 ten van een bij de montage van een module aan een plafond gebruikte ophanghaak, in verschillende montagestadia.
Fig. 14, 15 is een perspectivisch boven- resp. onderaanzicht van een module voor het illustreren van de tijdelijke verbinding tussen een convectorunit en de vasthoudorganen van 10 een module.
Fig. 16 is een op grotere schaal weergegeven, gedeeltelijk, perspectivisch bovenaanzicht van een module voor het illustreren van de luchtaansluiting van een convectorunit.
Fig. 17 is een op grotere schaal weergegeven perspecti-15 visch aanzicht van een module voor het illustreren van de I
wateraansluiting van een convectorunit.
Fig. 18 is een perspectivisch aanzicht van een ruimte met daarin opgehangen een aantal gekoppelde modules volgens de Fig. 3 en 4.
20 Fig. 1 toont een leidingenschema van een gebouw, in het
bijzonder een utiliteitsgebouw, zoals bijvoorbeeld een kantoorgebouw, waarbij een leidingenstelsel volgens de uitvinding is weergegeven. Zichtbaar is dat dit leidingenstelsel is opgebouwd I
uit modules, in dit geval vier standaard modules la, 1b, 1c en j 25 ld. Deze modules zijn afzonderlijk in Fig. 2a-d weergegeven. De | modules la, lb en 1c verschillen alleen ten aanzien van de lengte van elkaar, terwijl module ld een hoekmodule vormt voor het over 90° afbuigen van de leidingen in het leidingenstelsel. Uiteraard zijn andere variaties van de modules mogelijk.
30 Fig. 3 en 4 tonen een module die overigens nog iets an- j ders is uitgevoerd dan de modules van Fig. 1.' De module is j uitgevoerd met een aantal leidingsegmenten, in dit geval twee leidingsegmenten 2 van grote diameter voor het transporteren van bijvoorbeeld lucht (twee in verband met de benodigde capaci- 35 teit), en vier leidingsegmenten 3 van kleinere diameter, bijvoorbeeld voor het transporteren van water (in dit geval een aan- en afvoerleiding voor warm en koud water), doch bijvoorbeeld ook andere media zoals perslucht, elektrakabels en : dergelijke. Voorts is de module 1 aan weerszijden voorzien van j \ ! | i r ï ι 6 ï kabelgoten 4 voor het geleiden van bijvoorbeeld elektriciteits- j
kabels en datakabels. Tot slot is de module 1 voorzien van twee S
i
in het verlengde van elkaar gelegen convectorunits 5 welke kun- S
nen zijn aangesloten op de module 1 en welke dienen voor het j 5 verwarmen of koelen van lucht in de ruimte onder een verlaagd j plafond waarboven het leidingenstelsel meestal wordt weggewerkt. j
Voor het bijeenhouden van de leidingsegmenten 2, 3 in I
de module, is de module voorzien van ten minste één en bij voor- ] keur een aantal, in dit geval drie, vasthoudorganen 6. Deze ! 10 vasthoudorganen 6 zijn in de gemonteerde toestand elk voorzien van een aantal, meestal ronde, openingen waarin een leidingseg-ment wordt vastgehouden, in het bijzonder wordt geklemd.
De Fig. 5 en 6 tonen in meer detail de constructie van één van de vasthoudorganen 6. Te zien is dat het vasthoudorgaan j
15 6 is voorzien van een onderdeel 7 en een bovendeel 8 die op el- I
kaar passen en tezamen de openingen begrenzen voor het opnemen 1 van de leidingsegmenten. Deze openingen worden gevormd door halfcilindervormige uitsnijdingen 9a en 9b voor de leidingseg- | menten 2 en halfcilindervormige uitsnijdingen 10a en 10b voor de j 20 leidingsegmenten 3. Zoals te zien is in Fig. 5 en 6, overlappen j het onder- en bovendeel 7, 8 elkaar in verticale richting door- j dat uitsteeksels 11, 12 passen in uitsparingen 13, 14, waarbij j de ruimte tussen de uitsteeksels 11 taps toeloopt waardoor het r onder- en bovendeel 7, 8 gemakkelijk in elkaar te passen zijn. Γ
25 In het weergegeven geval zijn het onderdeel 7 en het I
bovendeel 8 gevormd als massieve blokken van kunststofschuim, j bijvoorbeeld EPP. Schuim met een dichtheid tussen 20 en 100 | gram/liter is bruikbaar, doch de voorkeur gaat uit naar materi- j aal met een dichtheid rond de 50 gram/liter. Dit heeft de beste j 30 sterkte/gewicht verhouding.
De blokken hebben een zekere inklemlengte voor de leidingsegmenten, waarbij vooral de klemlengte voor de j- leidingsegmenten 2 van grotere diameter van belang is, omdat de inklemming van deze leidingsegmenten 2 zorgt voor de 35 (schrank)stijfheid en stabiliteit van de modules. Indien deze leidingsegmenten 2 over voldoende lengte worden ingeklemd wordt een parallelogramwerking tegengegaan en is de haaksheid van de module 1 en de uiteinden van de leidingsegmenten 2, 3 gegarandeerd. Hierdoor sluiten de leidingsegmenten beter op elkaar aan.
j ί ί ί 7 !
De benodigde inklemlengte hangt mede samen met het gebruikte ma- ;
teriaal. Hoe harder het materiaal van de vasthoudorganen 6, des te korter de inklemlengte zal kunnen zijn voor het bereiken van een bepaalde stijfheid. De benodigde minimale inklemlengte zal 5 variëren tussen circa 100 mm en circa 250 mm, waarbij de benodigde inklemlengte voor het genoemde schuimmateriaal zal liggen rond de 200-250 mm. I
Voor het aan elkaar bevestigen van het onder- en bovendeel 7, 8 van de vasthoudorganen 6 staan verschillende ί 10 mogelijkheden ter beschikken. In het weergegeven geval wordt ge- j bruik gemaakt van spanbanden 15, die verticaal om het onder- en bovendeel zijn geslagen en waarmee het onder- en bovendeel 7, 8 stevig op elkaar kunnen worden geklemd. Teneinde te voorkomen dat de spanbanden 15 zich in het schuimmateriaal van het onder-15 en bovendeel snijden, is voorzien in hoeklijsten 16, 17 die op de bovenzijde van het bovendeel 8 en tegen de onderzijde van het onderdeel 7 worden geplaatst voordat de spanbanden worden aangebracht. De hoeklijsten 17 dienen tevens als aangrijpplaats voor ophanghaken 18 die later nog nader zullen worden toegelicht. j 20 Gootsteunen 19 kunnen aan weerszijden tussen het onder- en bovendeel 7, 8 worden geklemd voor het ondersteunen van de kabelgotcn 4 van de module 1.
Zoals gezegd toont Fig. 4 een geprefabriceerde module, zoals deze in een werkplaats onder gunstige omstandigheden kan 25 worden samengesteld. In deze toestand wordt de module 1 van de werkplaats naar de bouwplaats vervoerd waar de modeles aan het gebouw worden gemonteerd en onderling worden verbonden tot een leidingenstelsel.
Fig. 7 toont hoe twee geprefabriceerde modules worden 30 samengevoegd door eenvoudigweg de leidingsegmenten 2, 3 en eventuele andere segmenten in elkaar te schuiven. Elektriciteits-leidingsegmenten in één van de kabelgoten 4 zullen met stekkertjes worden doorverbonden. Eén van de uiteinden van de leidingsegmenten 2, 3 kan zijn voorzien van een mof (zoals de 35 verbindingsmof 20 voor de leidingsegmenten 3 welke in Fig. 6 is te zien), waarin het uiteinde van het aangrenzende leidingseg-ment 3 kan worden opgenomen. Afhankelijk van het getransporteerde medium zal de overgang tussen de leidingsegmenten moeten worden afgedicht.
ί [.
8 S
De Fig. 7 en 8 tonen een verbindingsmof 21 die kan wor- j den gebruikt voor het onderling verbinden van de leiding-segmenten 2 voor het transporteren van lucht of dergelijke. De verbindingsmof 21 omvat een cilindrische huls 22 die op de uit-5 einden van de leidingsegmenten 2 past. Op deze huls 22 zijn brede rubberelastische kousen of ringen aangebracht welke aan één van hun randen aan de huls 22 zijn bevestigd, dat wil zeggen aan hun rand aangrenzend aan het betreffende uiteinde van de huls 22. Het overige gedeelte van de ringen 23 is los van de j 10 huls 22. Dit maakt het mogelijk om de rubberelastisch ringen 23 j om te slaan overeenkomstig Fig. 8, waarbij een groot gedeelte ! van de ringen 23 buiten de huls 22 uitsteekt en door hun elasti- j citeit samentrekt (de ringen 23 zitten met voorspanning op de huls 22), waardoor deze rubberelastische ringen op het uiteinde 15 van het leidingsegment 2 zullen spannen en derhalve een afdichting zullen vormen voor de verbinding tussen de leidingsegmenten 2. Op deze wijze is een zeer snelle en betrouwbare verbinding en i' afdichting tussen de leidingsegmenten 2 mogelijk. In de praktijk ] zal de verbindingsmof 21 helemaal op het uiteinde van één van de 20 leidingsegmenten zijn geschoven. Bij het verbinden van aangren- j.
zende leidingsegmenten 2 wordt de huls 22 naar zijn juiste ; plaats verschoven waarbij de huls de beide uiteinden van de seg- ; menten bedekt. Vervolgens wordt de huls 22 door het omklappen j van de rubber ringen 23 aan de leidingsegmenten 2 vastgezet. j 25 De Fig. 10 - 12 tonen hoe een module aan een plafond j' van een gebouw kan worden bevestigd en Fig. 13 toont in meer de- J- tail de ophanghaken 18 die daarbij kunnen worden gebruikt. Deze j; | ophanghaken 18 omvatten een plug 24 welke in een gat in het pla- j fond kan worden geplaatst (pijl 1) en omvatten verder een | 30 tapeind 25 dat aan het bovenste uiteinde is voorzien van j.
schroefdraad voor het verbinden van het tapeind 25 met de plug i 24 (pijl 2). Een haakdeel 26 kan vervolgens op het tapeind 25 worden geschoven (pijl 3) en een moer 27 kan op schroefdraad aan het onderste uiteinde van het tapeind 25 worden geschroefd (pijl 35 4) voor het ondersteunen en in hoogte verstellen van het haak deel 26.
Fig. 10 toont dat de ophanghaken 18 reeds in het pla- j' fond zijn bevestigd, waarbij het haakdeel 26 evenwijdig aan de j leidingsegmenten van de te monteren module 1 zijn gericht, waar- j | 9 ! j j' door het mogelijk is de module tussen de ophanghaken 18 aan ; weerszijden van de module omhoog te brengen totdat de hoeklijs- j ten 17 zich op een hoger niveau dan de haakdelen 26 bevinden. j
Dit is in Fig. 11 geïllustreerd. J
5 In Fig. 12 zijn de haakdelen 26 naar binnen gedraaid i waardoor de opstaande rand aan het uiteinde van het haakdeel 26 j onder de hoeklijst 17 is gekomen en de hoeklijsten 17 op de bij- :
behorende haakdelen 26 zullen steunen en de module 1 op I
eenvoudige wijze is opgehangen. Met behulp van de moeren 27 kun- ! 10 nen de haakdelen 26 zo nodig nog in hoogte worden versteld.
De Fig. 14 en 15 illustreren nog een verder kenmerk volgens de uitvinding welke betrekking heeft op de convec- t torunits 5. Deze convectorunits 5 zijn bij gebruik van het j gebouw in het verlaagde plafond ingebouwd en worden met de modu- j
15 les 1 meegeleverd. In de werkplaats zijn de convectorunits 5 al I
op de leidingsegmenten in de module 1 aangesloten, te weten op \ één van de leidingsegmenten 2 voor lucht (Fig. 16, zie flexibele aansluitslang 29), op de leidingsegmenten 3 voor warm en koud water (Fig. 17, zie aansluitslangetjes 30 die aansluiten op re-20 gelkleppen 31 aan de leidingsegmenten 3) en op elektriciteitsleidingen en/of signaalleidingen of dergelijke.
In Fig. 14 is te zien dat één van de convectorunits 5 met behulp van spanbanden 28 stevig tegen de onderzijde van de vasthoudorganen 6 van de module 1 zijn vastgeklemd. Op deze wij-25 ze verschaffen de convectorunits 5 tijdens opslag en transport van de modules 1 extra stijfheid en stevigheid aan de modules 1, j waardoor het eventuele schranken van de leidingsegmenten 2, 3 j t nog verder wordt tegengegaan. De aansluiting van de convec- j torunits 5 op de modules vindt plaats met behulp van de slangen j
30 29, 30 die voldoende lang zijn om tijdens gebruik de afstand te I
overbruggen tussen het verlaagde plafond en de module 1.
In Fig. 14 is te zien hoe de convector unit 5 met behulp van de spanbanden 28 met de vasthoudorganen 6 van de module 1 is verbonden en in Fig. 15 is geïllustreerd dat de spanbanden 35 28 zijn losgeknipt en verwijderd en de convectorunits zijn neer gelaten tot het niveau van het verlaagde plafond. Dit neerlaten zal in de praktijk gebeuren indien ten minste het frame voor het j verlaagde plafond is gemonteerd, zodat dit steun kan bieden aan j losgemaakte de convectorunits 5. { ίο 1 i
Fig. 18 toont een ruimte van een gebouw waarin een aan- j tal modules 1 onderling zijn gekoppeld en aan het plafond van de j
ruimte zijn gemonteerd. Bij de achter(buiten)wand van de ruimte eindigt de reeks van modules. De leidingsegmenten 2 kunnen daar 5 met een stop worden afgesloten. De leidingsegmenten 3 voor water I
omvatten meestal een aan- en afvoerleiding en die kunnen op con- \ \ ventionele manier met elkaar worden doorverbonden. i Ê
Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat de uitvinding j i een werkwijze en modules voor het vormen van een leidingenstel- 1 § 10 sel verschaft die zeer economisch zijn en vooral in j gestandaardiseerde utiliteitsgebouwen grote voordelen bieden. De montagewerkzaamheden op de bouwplaats zijn tot een minimum teruggebracht en kunnen na de bouwwerkzaamheden plaatsvinden door ; minder gespecialiseerd personeel.
15 De uitvinding is niet beperkt tot het in de tekening weergegeven en in het voorgaande beschreven uitvoeringsvoor- [ beeld, dat op verschillende manieren binnen het kader van de uitvinding kan worden gevarieerd. i 20 j <

Claims (16)

1. Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, voorzien van de volgende stappen: het in een werkplaats samenvoegen van segmenten van parallel lopende leidingen in een aantal gestandaardiseerde, bij 5 voorkeur stijve modules, het van de werkplaats naar de bouwplaats vervoeren van een voldoende hoeveelheid modules; het overeenkomstig het gewenste verloop van de leidingen aan elkaar koppelen en monteren van de modules in het gebouw 10 voor het vormen van het leidingenstelsel.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, waarbij het monteren van de modules in het gebouw na het bouwen van het gebouw wordt uitgevoerd, bij voorkeur met behulp van haken, welke aan een plafond worden bevestigd, op de juiste hoogte worden ingesteld j 15 en met een module in ingrijping worden gebracht. j
3. Werkwijze volgens conclusie 1, waarbij de modules in 1 | de werkplaats worden voorzien van convectorunits, welke daar elk ! worden aangesloten op ten minste een leidingsegment van de module met behulp van slangen, leidingen of dergelijke, de 20 convectorunits in de werkplaats stevig met vasthoudorganen voor de leidingsegmenten van de modules worden verbonden en op de bouwplaats daarvan worden losgekoppeld onder handhaving van de ' aansluiting op de leidingsegmenten van de modules.
4. Module voor het vormen van een leidingenstelsel in j 25 een gebouw, bij voorkeur met de werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, voorzien van ten minste één vasthoudorgaan met een aantal openingen met tenminste in een deel daarvan en bij voorkeur in alle openingen opgenomen een leidingsegment.
5. Module volgens conclusie 4, voorzien van tenminste 30 twee vasthoudorganen, waarin de leidingen zijn geklemd, bij voorkeur telkens over een lengte van ten minste ca. 10 cm, bij = voorkeur tenminste ca. 15 cm, meer in het bijzonder tenminste ca. 20cm. :
6. Module volgens conclusie 4 of 5, waarbij elk vast-35 houdorgaan is voorzien van een onder- en bovendeel die tezamen telkens de openingen begrenzen en aan elkaar bevestigbaar zijn j voor het daartussen klemmend opnemen van de leidingsegmenten. j
7. Module volgens conclusie 6, waarbij het onder- en bovendeel elk uit een blok, bij voorkeur een schuimblok is gevormd.
\ 8. Module volgens conclusie 6 of 7, waarbij het onder- 5 en bovendeel met spanbanden aan elkaar zijn bevestigd.
9. Module volgens conclusie 7 en 8, waarbij de schuim-blokken zijn voorzien van versterkingselementen ter plaatse van hoeken waarover de spanbanden lopen.
10. Module volgens een de conclusies 4-9, voorzien 10 van haken voor het opnemen van ten minste één kabelgootsegment j aan de module. j
11. Module volgens een der conclusies 4 - 10, waarbij de leidingsegmenten in een module over een hoek, van bijvoorbeeld 90°, zijn gebogen.
12. Module volgens een der conclusies 4 - 11, voorzien van ophanghaken voor ophanging van het tenminste ene vasthoudor-gaan van de module aan het gebouw, welke ophanghaak bij voorkeur in het gebouw schroefbaar is en een in hoogte verstelbare ophanging verschaft.
13. Module volgens een der conclusies 4 - 11, waarbij de modules zijn voorzien van convectorunits welke in de werkplaats zijn aangesloten op tenminste een van de leidingsegmenten van de module met behulp van slangen of dergelijke, en welke via verbreekbare verbindingen stevig met de modules zijn verbonden.
14. Module volgens een der conclusies 4 - 12, waarbij de leidingsegmenten, in het bijzonder die voor het transporteren van lucht, zijn voorzien van daarop schuifbare verbindingsmoffen voor het luchtdicht verbinden van leidingsegmenten van opvolgende modules, bij voorkeur met behulp van aan de randen van de ; 30 moffen bevestigde omklapbare rubberelastische ringen.
15. Verbindingsmof bij voorkeur voor toepassing bij leidingsegmenten in de module volgens een der conclusies 4 - 15, welke op of in een uiteinde van een leidingsegment schuifbaar is en is voorzien van een aan ten minste een van de randen van de ? 35 mof bevestigde, omklapbare rubberelastische ring welke op het ? betreffende uiteinde van het leidingsegment kan afdichten.
16. Leidingenstelsel opgebouwd uit modules volgens een der conclusies 4-14.
NL2001995A 2008-09-19 2008-09-19 Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij. NL2001995C (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2001995A NL2001995C (nl) 2008-09-19 2008-09-19 Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2001995 2008-09-19
NL2001995A NL2001995C (nl) 2008-09-19 2008-09-19 Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2001995C true NL2001995C (nl) 2010-03-22

Family

ID=43302603

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2001995A NL2001995C (nl) 2008-09-19 2008-09-19 Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2001995C (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
CN103842703A (zh) * 2011-07-14 2014-06-04 萨博赛7有限公司 涉及管敷设的改进

Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR2571768A1 (fr) * 1984-04-03 1986-04-18 Sermondadaz Jean Element prefabrique constitutif d'une gaine technique d'un batiment
US5029782A (en) * 1989-04-22 1991-07-09 A. Raymond Gmbh & Co. Kg Two-part pipe bracket
US5704572A (en) * 1995-10-06 1998-01-06 Illinois Tool Works Inc. Method and apparatus for fastening
DE19731592A1 (de) * 1997-07-17 1999-02-25 Cta Anlagenbau Gmbh Verfahren und Vorrichtung zur Montage vorgefertigter, einbaufertiger Etageninstallationsblöcke in oder als Versorgungsschächte in Alt- und Neubauten sowie Etageninstallationsblock hierfür
DE102005011131A1 (de) * 2005-03-10 2006-09-14 Airbus Deutschland Gmbh Halterungssystem zur Führung und Befestigung eines oder mehrerer Rohre oder ähnlich geformter Körper
JP2006266333A (ja) * 2005-03-22 2006-10-05 Sekisui Chem Co Ltd 管固定具

Patent Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR2571768A1 (fr) * 1984-04-03 1986-04-18 Sermondadaz Jean Element prefabrique constitutif d'une gaine technique d'un batiment
US5029782A (en) * 1989-04-22 1991-07-09 A. Raymond Gmbh & Co. Kg Two-part pipe bracket
US5704572A (en) * 1995-10-06 1998-01-06 Illinois Tool Works Inc. Method and apparatus for fastening
DE19731592A1 (de) * 1997-07-17 1999-02-25 Cta Anlagenbau Gmbh Verfahren und Vorrichtung zur Montage vorgefertigter, einbaufertiger Etageninstallationsblöcke in oder als Versorgungsschächte in Alt- und Neubauten sowie Etageninstallationsblock hierfür
DE102005011131A1 (de) * 2005-03-10 2006-09-14 Airbus Deutschland Gmbh Halterungssystem zur Führung und Befestigung eines oder mehrerer Rohre oder ähnlich geformter Körper
JP2006266333A (ja) * 2005-03-22 2006-10-05 Sekisui Chem Co Ltd 管固定具

Cited By (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
CN103842703A (zh) * 2011-07-14 2014-06-04 萨博赛7有限公司 涉及管敷设的改进
CN103842703B (zh) * 2011-07-14 2016-07-13 萨博赛7有限公司 涉及管敷设的改进

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US7937820B2 (en) Method for transporting a piping structure
US9772113B2 (en) Apparatus and methods for temporarily holding the evaporator/fan unit of a ductless mini-split HVAC system proximate to a wall
US9841123B1 (en) Cable tray system
US6715427B2 (en) Suspended storage structure
US7523903B1 (en) Shelf support system
CA2663381C (en) Suspended cable support system
US20140166836A1 (en) Suspended Architectural Structure
US20240125409A1 (en) Trapeze conduit support system
US9347587B2 (en) Duct mounting system and kit
NL2001995C (nl) Werkwijze voor het aanleggen van een leidingenstelsel in een gebouw, en modules voor gebruik daarbij.
US20070108352A1 (en) Method for transporting a piping structure
CA2912273C (en) Detachable pipe rack module with detachable connectors for use in a processing facility
ES2676054T3 (es) Estructura de soporte para máquinas de embalaje
KR20120004130U (ko) 케이블 트레이의 분기 장치
BR112014000596B1 (pt) ferramenta, sistema e método de alinhamento e embarcação de assentamento
GB2576428A (en) A Connection system for connecting a conduit to a wall
CN207974345U (zh) 单层跌级吊顶
RS57935B1 (sr) Konektor delova nosača kablova kao adapter za sistem nosača kablova
US20250033060A1 (en) Media column for an arrangement for distributing media such as gaseous and liquid media, vacuum, power and communication in a laboratory
CN210446416U (zh) 卡槽式仓储货架
SE540486C2 (sv) Kommunikationsmodul för takmontering
KR200258071Y1 (ko) 거울만을 시공할 때의 장치
AU2003213464B2 (en) Combined hot-water supply system
AU770836B2 (en) Collapsible storage apparatus
EP0818863A2 (en) Mounting aid for flexible leads