<Desc/Clms Page number 1>
" Bonenplukmachine "
De uitvinding heeft betrekking op een bonenplukmachine en meer in het bijzonder op een machine voor het oogsten van knip- of snijbonen ofschoon de geëigendheden van de uitvinding eveneens met voordeel kunnen worden toegepast bij een machine voor het plukken van dorre of oude boonpeulen en-zaden van gerijpte struiken.
Het vormt een belangrijke doelstelling van de uitvinding om te voorzien in een bonenplukmachine die door een veld bonengewas voortbeweegt en knip- of snijbonen van de struiken oogst met een
<Desc/Clms Page number 2>
minimum verlies aan boonpeulen en met, een minimum aan breken en blutsen van de peulen.
Voorts heeft de uitvinding ten doe om te voorzien in: een zodanige bonenplukmachine die speciaal doelmatig is op een koude morgen om het breken van de boonpeulen te vermijden; waar de peulen in het bijzonder vatbaar zijn voor breken op een derge- lijke koude morgen; een zodanige oogstmachine die in het bijzonder doelmatig is voor het plukken van limaboonpeulen en Fordhook boonpeulen die rondvliegen als snippers papier tijdens de dorsverrichting en een speciaal probleem gebleken zijn bij mobiele oogstmaohines; deze kleine lima en Fordhook boonpeulen worden vervolgens gedorst in een dopmachine voor het uitvoeren van de kleine lima en Ford- hookbonen in pitvorm;
eenvoudige en @celmatige pluktanden die meegeven bij het tegen- komen van onbeweeglijke voorwerpen, doch die beveiligd zijn om niet verstopt te kunnen raken met gesteelte of lo of doch hun volle rende- ment behouden bij de dorsverrichting. een zodanige bonenplukmachine die het bonengewas nabij de einden van de pluktanden vasthoudt om zowel het verwikkeld raken van het bonengewas met de voetgedeelten van de tanden te voorkomen alsook het bonengewas te vormen tot een vlechtwerk of massa van gelijkmatige dikte en dichtheid voor optimum vergaring van boon- peulen; een zodanige oogstmachine die ziohzelf schoonhoudt en die gemak- kelijk kan worden schoongespoeld;
een zodanige oogstmachine die een grote capaciteit heeft, die geen grote mate van vakmanschap vereist om bediend te worden en die sterk is geconstrueerd en niet onderhevig is aan defecten of andere storingen bij het in bedrij zijn daarvan.
De uitvinding zal in het volgende nader worden toegelicht aan de hand van het in de 'bijgaande tekeningen gegeven uitvoerings- voorbeeld.
<Desc/Clms Page number 3>
Figuur 1 is een gedeeltelijk zijaanzicht van een bonenoogst- machine die de uitvinding belichaamt, waarbij deze is toegepast bij een gebruikelijke landbouwtractor die met streep-stippellijnen is weergegeven.
Figuur 2 is een vertikale langsdoorsnede, in hoofdzaak gezien volgens de lijn 2-2 in figuur 3, waarin een deel van het mechanisme uitgebroken is weergegeven.
Figuur 3 is een gedeeltelijke horizontale doorsnede, in hoofd- zaak gezien volgens de lijn 3-3 in figuur 8, met uitgebroken delen.
Figuur 4 is een pp grotere schaal getekende vertikale doorsnede, in hoofdzaak gezien volgens de lijn 4-4 in figuur 1, waarin de aandrijving naar de vergaarkettingen wordt getoond.
Figuur 5 is een op grotere schaal getekende vertikale doorsnede, in hoofdzaak gezien volgens de lijn 5-5 in figuur 2, die het vergaar- schild en de kettingen in doorsnede toont.
Figuur 6 is een vertikale doorsnede op grotere schaal, gezien volgens de lijn 6-6 in figuur 2, waarin de voorste kettingwielen voor de vergaarkettingen worden getoond en tevens de glijsloffen aan het vooreinde van elk vergaarschild.
Figuur 7 is een kleiner weergegeven vertikale doorsnede, gezien volgens de lijn 7-7 in figuur 4.
Figuur 8 is een vertikale doorsnede, gezien volgens de lijn 8-8 in figuur 2, waarin de klossen en de van latten voorziene eindloze hoofdtransportband in doorsnede worden getoond.
Figuur 9 is een op grotere schaal getekende vertikale doorsnede, gezien volgens de lijn 9-9 in figuur 2, waarin in doorsnede heb kettingwiel voor hot vooreinde van de van latten voorziene eindloze hoofdtransportband voor de oogstmachine wordt getoond.
Figuur 10 is een aanzicht in perspectief van een pluktand, waarbij een stang wordt getoond, die daarmee samenwerkt voor het gladwerken van de struiken tot een vlechtwerk en om te voorkomen dat de takken daarvan gegrepen worden door de vork-gedeelten tussen de tanden.
<Desc/Clms Page number 4>
De onderhavige uitvinding wordt toegelicht in samenhang met de vorm van bonenplukmachine die het onderwerp vormt van het Amerikaanse octrooischrift 2.675.663, naar welk octrooischrift wordt verwezen voor de typische eigenschappen van de inrichting met betrekking tot het scheiden van loof en gesteelte en het in zakken doen daarvan, waaromtrent in deze aanvrage geen nadere uiteenzetting is opgenomen.
'Voor een beter begrip van de uitvinding zijn de hartlijnen van de beide rijen bonengewas, dat geoogst moet worden, aangegeven met de letter C. Verder wordt de bonenoogstmachine voortgedreven langs deze rijen boongewassen door een gebruikelijke landbouwtractor T die met streepstippellijnen in figuur 1 en 3 is weergegeven.
Deze tractor wordt getoond met het gebruikelijke frame F, achterste aandrijfwielen W, voorste stuurwielen w, motor M en zitplaats S.
In het bijzonder behoren tot de uitvinding twee handbediende hydraulische regelhefbomen L en L' die respectievelijk de bewegingen regelen van een stel hefarmen 13 en 14 aan beide zijden van de tractor, elk waarvan is vastgezet op een bijbehorende dwarsas 15, 16 die gelegerd is in het tractorframe F. Het vrije boveneinde van elke hefarm 13 is van een openingvoorzien om verbonden'te ,worden met een hefketting, terwijl het vrije boveneinde van elke hefarm 14 van een opening is voorzien om verbonden te worden met een stootstang voor het heffen zoals in het volgende zal worden toege- licht.
Voorts houdt met de uitvinding speciaal verband een afzet- onderdeel 17 voor de bekrachtiging (figuur 1), dat op het tractor- frame F is bevestigd door middel van geschikte draagorganen en waarop een daardoor aangedreven, dwarsgerichte aandrijfas 18 is aangebracht, waarvan de energie voor de verrichting van de oogst- machine wordt afgeleid.
Aan elke zijde van de tractor is een belarmhefboom 19 voor het heffen aangebracht op de omkasting voor het bekrachtigingsafzet- onderdeel 17, concentrisch met een as 18, waarbij één arm 20 van .elke belarmhefboom omhoog steekt en van een opening is voorzien
<Desc/Clms Page number 5>
EMI5.1
voor het opnemen een tussengelegen gedeelte van een trelcketting 2fil waarvan één ' is verbonden met het vrije boveneinde van de corresponderende hefboom filµ, terwijl het andere einde daarvan via een sy aalvormige spanveer 22 is vastgemaakt aan een draagorgaan 23 da'1 evestigd is aan de corresponderende zijde van het frame F de tractor.
Elke belarmhe. 'som 19 vertoont een tweede arm 24 die naar achteren ut betrekking tot de lijn waarin de oogst+ machine beweegt, de vrije einden van deze armen 24 draai- baar zijn aan de beide zijden van een liftkast 25t concentrisch met 4ri dwarst,erichte hefas 26 die in deze kast is gelegerd. Het dat in deze kast 25 besloten is, vormt geen onderdeel uitvinding en daarvandaan zijn het boven- gedeelte van deze liftkast en het zich daarin bevindende lift- te mechanisme niet iv.rgegeven. Deze hefas 26 wordt aangedreven vanaf de bekrachtigings'fzetas fil8 door middel van een ketting en ketting- wielaandrijving 2t 28, terwijl de andere bekrachtigde bestanddelen worden aangedreven vanaf deze hefas, zoals in het volgende wordt uiteengezet.
De liftkast 2j', waarv-. a alleen het benedengedeelte is afgebeeld, vormt een onderde 1 van het verstelbare frame van de oogstmachine en is i-echtlioekigiiii dwarsdoorsnede ter omsluiting van de omhoog lopende 1 bereiken, an een eindloze transportband. Het benedeneinde van deze kast 25 it vast op een voetplaat 29, waarvan de opstaande zijwanden 30 zijn vastgemaakt aan de kanaaldelen 31 die vanaf deze zijwanden 30 naar,'voren lopen en die aan beide kanten van de oogst- machine zijn aangebracht. Zoals in figuur 1-3 is weergegeven, zijn de voorste einden van de kanaaldelen 31 stevig verbonden door middel van een stang 32 die bij voorkeur een buisvorm bezit en rechthoekig van dwarsdoorsnede is en die de voorste dwarsstang van het verband van de oogstmachine vormt.
De kanaaldelen of zijverbandstaven 31 zijn voorts verbonden door middel van een metalen bodemplaat 33 die, zoals het best is weergegeven in figuur 8, bevestigd is aan de
<Desc/Clms Page number 6>
onderkanten van de zijstaven 31 en in dwarsrichting enige af, and daarbuiten steekt. Deze bodemplaat 33 beweegt zich vlak ove de grond, waarbij het achtereinde 34 daarvan, zoals het best weer- gegeven in figuur 2, in hoofdzaak evenwijdig loopt met de grond, terwijl het vooreinde 35 daarvan naar voren opwaarts hel end verloopt onder een geringe hoek. Zoals voorts in figuur 2 wordt. getoond is het uiterste vooreinde 36 opgebogen en vornu een op een schouw gelijkende voorsteven, terwijl het achtereinde 34 daarvan ' onder de voetplaat 29 van de liftkast doorloopt en opbuigt zoals met 38 is aangegeven, in aansluiting op de achterland van de kast.
Zoals figuur 3 duidelijk weergeeft, is de buisvormige dwars- stang 32 aan de beide einden daarvan voorzien van een stel opstaande oogdelen 43, waaraan het benedeneinde van een hefverbindingsorgaan 44 draaibaar is verbonden. Zoals het beste in figuur 1 kan worden gezien, is het bovemeinde van elk der verbindingsorganen 44 ver- bonden met een driehoekige plaat 45 die in feite 'een andere belarm- hefboom vormt, die bij 46 draaibaar bevestigd is op een draagorgaan 48, vastzittende op het tractorframe F. Het derde of bovenste draaipunt 49 van elke driehoekige plaat 45 is door middel van een stootstang of verbindingsorgaan 50 verbonden met het vrije einde van de hydraulisch bediende hefarm 14.
Het draaipunt 49 is tevens verbonden met een spiraalvormige spanveer 51, waarvan het vooreinde verankerd is op een draagorgaan 52, aangebracht op het frame F van de tractor.
De handhefboom L verzorgt de hydraulische regeling van de armen
13 en ingezien zal worden, dat wanneer deze armen 13 b de bediening in de zin van de wijzers van het uurwerk worden gedraaid, zoals in figuur 1 wordt gezien, spanning wordt aangelegd op de kettingen 21 voor het doen draaien van de belarmhefbomen 19 in de zin van de wijzers van het uurwerk en het heffen van de benedenarmen 24 daarvan.
Aangezien elke benedenarm 24 draaibaar is verbonden met het achter- einde van het frame van de oogstmachine, wordt hierdoor het heffen verzorgd van het achtereinde van het frame van de oogstmachine tot
<Desc/Clms Page number 7>
een verheven stand wordt ingenomen als overeenstemt met de omstan- digheid ten aanzien van het te plukken bonengewas. Tegelijkertijd wordt, aangezien de aandrijfketting 27 concentrisch met de assen 18 en 26, die steun verlenen respectievelijk gesteund worden door de beide belarmhefbomen 19, om de kettingwielen is aangelegd, voor de bekrachtigde aandrijving vanaf de tractor T naar de oogstmachine geen belemmering gevormd door een zodanige verstelling van het achtereinde van het frame van de oogstmachine.
De handhefboom L' verzorgt de hydraulische regeling van de armen 14, zoals in figuur 1 wordt gezien, en drukt op de stangen 50 om de driehoekige platen 45 in de zin van de wijzers van het uurwerk te doen draaien om de draaipunten 46 daarvan, waarbij zodoende de stangen 44 worden opgelicht, die de vooraan gelegen buisvormige dwarsstang 32 van het frame van de oogstmachine ondersteunen, waar- door het vooreinde van de oogstmachine wordt opgeheven in overeen- stemming met de omstandigheid ten aanzien van het te plukken bonen- gewas. Tevens zal worden opgemerkt dat elk stel spiraaltrekveren 22 en 51 dient om op meegevende wijze de corresponderende einden van het frame van de oogstmachine te ondersteunen.
De gedorste peulen, tezamen met bladeren, stelen en snijsel, worden opgenomen door de liftkast 25 en daarheen geleid en daarin opgevoerd door middel van een eindloos transportorgaan dat getoond wordt in de vorm van aandrijfkettingen 60 (figuur 9) die elk afzondelijk zijn vastgemaakt aan elke zijrand van een eindloze band 61, bij voorkeur vervaardigd van met rubber behandeld doek en op het werkvlak daarvan voorzien van een opeenvolging van dwars- latten 62. De,aandrijfkettingen 60 langs de beide randen van de transportband 61 kunnen elke geschikte vorm vertonen en zijn bij voorkeur aan beide einden van de latten 62 op een of andere geschikte wijze bevestigd, zoals met de in figuur 9 getoonde klinknagels.
Deze transportband 61 zorgt voor het opnemen van de gedorste boonpeulen, zo goed als de bladeren en stelen die van het bonengewas zijn afgenomen en verzorgt de toelevering daarvan
<Desc/Clms Page number 8>
aan de liftkast 25 en het opvoeren daarin voor de verdere verwerking.
Met het oog hierop bewegen de transportkettingen, zoals afgebeeld, om twee stellen vrij draaiende kettingwielen 65 en 66 (figuur 2) die gelegerd zijn in de voetplaat 29 van de liftkast 25 en wordt voor- zien in een omhoog en een omlaag bewegend bereik van het transport- orgaan in de liftkast 25.
De baan van de beweging van het transportorgaan 61 wordt gecom- pleteerd met een stel vrijdraaiende kettingwielen 67 die zijn aan- gebracht langs de binnen- of toegekeerde vlakken van de zijstaven of kanaaldelen 31 van het frame, vlak achter de opgebogen voor- stevenvorm 36 van de bodemplaat 33. Deze kettingwielen 67 vormen een in hoofdzaak horizontaal verlopend gedeelte van het transport- orgaan 61 dat, zoals het beste kan worden gezien in figuur 2 en 8 zich in dwarsrichting uitstrekt tusse. de zijstaven 31 en zich evenwijdig aan de bodemplaat 33 beweegt vanaf de voorzijde 36 tot aan de achterkant 38 daarvan. Het stel kettingwielen 67 kan op de in figuur 9 weergegeven wijze worden ondersteund, waar deze vast- gespied worden getoond op een dwarsas 68 en in een op enige afstand van elkaar gelegen verband worden gehouden door middel van een afstandspijp 69.
Zoals weergegeven, is de as 68 gemonteerd in de legers 70 die bevestigd zijn aan de voorste einden van de zij- staven 31. Om doorzakken van het horizontale bovenbereik van het transportorgaan 61 te voorkomen, kunnen dit gedeelte en de bij- 'behorende delen van de aandrijfkettingen 60 worden gesteund door middel van een plaatmetalen schaalblad 71 met opgebogen randen 72 bevestigd aan de zijstaven 31 van het frame, zoals het beste wordt gezien in figuur 8.
In figuur 1 wordt getoond, dat de peulen en het snijsel bij de beweging omhoog langs het in hoofdzaak opgaande liftbereik van het transportorgaan 61 worden gesteund door een vrijlopende eindloze band 76, waarvan het benedeneinde is aangelegd rond een vrijdraaiende dwarsrol 78 die gelegerd is in het benedeneinde van de liftkast 25.
Het achterste bereik van deze vrijlopende band 76 is aangebracht in een parallel, toegekeerd verband op enige afstand van het
<Desc/Clms Page number 9>
corresponderende bereik van het transportorgaan 61, zodat boon- peulen en snijsel, die de ruimte tussen deze bereiken binnengaan, ' tegen deze bereiken worden aangehouden en omhoog worden geleid om afgevoerd te worden.
Figuur 2 en 3 ton.en de wijze waarop een tandwielkast 104 is gemonteerd op-elke zijwand 30 van het voetgedeelte 29 van de lift- inrichting door middel van draagorganen 105, waarbij deze draag- organen zijn verbonden door een dwarspijp 106. Op deze tandwiel- kasten is een dwarsas 108 gelegerd, met een kettingwiel 109 dat op één buitenstekend einde is vastgemaakt. Het kettingwiel 109 is, zoals in figuur 1 wordt getoond, door middel van een ketting 110 verbonden met een kettingwiel 111 dat vastzit op het corresponderende einde van de hefas 26.
Binnen elke tandwielkast 104 is op de dwarsas 108 een kegeldrijf- werk 112 aangebracht, dat in aangrijping is met een kegeldrijfwerk 113 dat vastzit op ren langsgerichte plukas 114. Zoals in figuur 3 wordt gezien, zijn de plukassen 114 ter buitenzijde van de zijstaven 31 van het verband van de oogstmachine aangebracht en daarboven en in. hoofdzaak evenwijdig met deze zijstaven. De achtereinden vendé
EMI9.1
plukas.sen 114 stre:,zen zich uit vanaf de bijbehorende tand ëlkasten 104 en zijn daarin gelegerd, waarbij elk daarvan een opstaande achtereindplaat 116 ondersteunt, die een onderdeel vormt van het frame van de bonenplukmachine.
Het vooreinde van elk van de plukassen 114 is gelegerd, zoals in figuur 3 kan worden gezien, in een leger van een tandwielkast 120. Elk van deze tandwielkasten is bevestigd aan een voorste eindplaat 121 die een onderdeel vormt van het frame van de bonen- plukmachine.
Elk van de draaiende plukmechanismen, algemeen aangeduid met 119, werkt op een enkele rij bonengewas en is voorzien van op een stang gelijkende pluktanden die het bonengewas binnengaan, de boonpeulen daarvan scheiden en de peulen afzetten op het horizontale bovenbereik van het transportorgaan 61. Tedieneinde is elk van de.
<Desc/Clms Page number 10>
assen 114 van elk draaiend plukmechanisme 119 voorzien van een op een schijf gelijkende eindkop 122 die aan elk van de einden daarvan is vastgemaakt, waarbij deze eindkoppen op enige afstand gelegen zijn van de voorste eindplaten 121 en een ringvormige reeks hoek- ijzers 123 ondersteunen, die evenwijdig met de as 114 zijn aange- bracht op gelijke afstanden daarvanaf, doch die dicht bij het achtereinde van de as 114 eindigen: Van deze hoekijzers zijn acht in getal getoond.
Deze hoekijzers zijn met één vlak in hoofdzaak radiaal verlopend aangebracht met betrekking tot de as 114, doch enigzins schuinstaand naar achteren, zeg onder een hoek in de orde van 10 uit het radiale vlak, terwijl de middelpunten daarvan, zoals weergegeven, aanvullend gesteund worden door een schijf 124, die naar het midden op de as 114 is bevestigd, door middel van staven 125 die naar het midden aan elk hoekijzer vastzitten en met bouten aan de schijf 124 aijn bevestigd. Aan elk naar achteren schuinstaand vlak van elk hoekijzer 123 zijn, zoals in het volgende zal worden beschreven, de voet- of vastzetoogdelen 126 der pluktanden 127 bevestigd.
Deze pluktanden zijn elk vervaardigd van veerdraad en het voetgedeelte of bevestigingseinde 126 heeft de vorm van een lus die zich leent om met bouten aan het hoekijzer 123 bevestigd te worden, terwijl elk lusdeel een voortzetting vormt van een einde van een spiraalveer 128, evenwijdig met het ondersteunende hoekijzer 123. Het andere einde van elke spiraalwinding is voort- gezet in de vorm van een uitstekende vinger 129 die uitsteekt langs het naar achteren schuinstaande vlak van het hoekijzer 123 daarvan en op een hoofdzakelijke afstand daarvandaan om de boongewassen binnen te gaan en de peulen daaruit te dorsen.
De tanden 127 zijn bij voorkeur met regelmatige tussenafstanden aangebracht langs elk van de hoekijzers 123 en zijn bevestigd aan deze hoekijzers met korte bouten 130 die door de voet- of bevestigingslussen 126 van deze tanden steken en door de hoekijzers 123, zoals in figuur 8 kan worden waargenomen.
<Desc/Clms Page number 11>
Het achtereinde van elk draaiend plukmeohanisme 119 is zodanig van vorm, dat dit vlak over de grond en evenwijdig daaraan veegt om peulen te vergaren, die andere verloren zouden zijn gegaan. Met het oog hierop vormen de einden van de tanden'aan de achterkant van elk draaibaar plukmechanisme 119 een afgeknotte kegel, waarbij het benedengedeelte langs de omtrek daarvan evenwijdig loopt met de grond en dicht daarbij komt. Tedieneinde zijn de achtereinden van de verschillende hoekijzers 123 voortgezet in de vorm van hoek- ijzers 123a die naar achteren onderling toelopen.
De achtereinden van deze hoekijzers 123a zijn op een geschikte wijze bevestigd aan de achterschijf 122 van de as 114, waarbij deze hoekijzers gezamen- lijk een afgeknotte kegel vormen, waarvan de bodemlijn in langs- richting evenwijdig verloopt met de grond.
Op elk van deze toelopende hoekijzers 123a is een reeks pluk- randen 127a aangebracht, die gelijk zijn aan de pluktanden 127 op de hoekijzers 123 die op dezelfde wijze zijn aangebracht, doch gezien het toelopen van de hoekijzers 123a, zijn ook de buiteneinden van de pluktanden op de hoekijzers 123a toelopend ter vorming van een afgeknotte kegel die vlak over de grond veegt.
Deze tanden hebben noodzakelijkerwijze V-vormige voetgedeelten 131, zoals in figuur 10 kan worden gezien, die zich tegenover de te dorsen struiken stellen, waarbij gebleken is, dat deze voetgedeelten de neiging hadden tot vastgrijpen van de takken der struiken. In overeenstemming met de uitvinding wordt deze moeilijkheid geëlimi- neerd en worden de struiken voorts gladgewerkt tot een vlechtwerk of massa van gelijkmatige dikte voor optimum dorsen van de peulen met een minimum aan beschadiging, door middel van een reeks stangen 132 die in de lengterichting van elke klos of draaiend slagorgaan 119 lopen en die achter de uitstekende vinger 129 van elke tand 127 zijn aangebracht,
waarbij deze stangen 132 zich ter buitenzijde van elke veerwinding 128 op enige afstand daarvan bevinden om zodoende niet alleen het doordringen van de takken der struiken naar de voetgedeelten 131 te voorkomen, doch om tevens deze takken
<Desc/Clms Page number 12>
dichter bij de buitenaangelegen einden van deze uitstekende vingers 129 te houden en deze glad be werken tot een vlechtwerk of massa van gelijkmatige dikte. Eén stang 132 is in aanraking gebracht met de voorlopende zijden van elke rij uitstekende vingers 129 van de tanden 127, met inbegrip van die welke de afgeknotte kegel aan het achtereinde van elk draaiend plukmechanisme 119 vormen.
Tedien- einde zijn op onderlinge tussenafstand korte staven 133 gelast, die in dwarsrichting buiten elke stang 132 steken, aan het buiten- gelegen einde daarvan voorzien van een opening 134, Daarbij is het de bedoeling, dat deze staven worden vastgezet door middel van dezelfde bouten 130 die voor de bevestiging van de lusdelen 126 van de corresponderende tanden 127 zorgdragen.
Een voornaam kenmerk van de uitvinding, dat vereist is om het mogelijk te maken de peulen te oogsten van kleine limabonen en
Fordhook bonen voor het daaropvolgende dorsen in een dopmachine, is gelegen in de voorziening van draaiende borstels 135 boven de klossen of draaiende plukmechanismen 119 en evenwijdig daarmede, zorgdragende voor het borstelen van de tanden 127 op de zich omhoog bewegende zijden daarvan om niet alleen de uitstekende vingers 129 van deze tanden schoon te vegen, doch tevens ter omsluiting van de bovenkant van de ruimte tussen de plukklossen om het ontsnappen van peulen over de bovenkanten van de plukklossen te voorkomen.
Tedien- einde omvat elke draaiende borstel een naaf 136, waarvandaan de bor- stels 138, bijvoorkeur van nylon vervaardigd, radiaal naar buiten steken, waarbij deze naven voorzien zijn van korte spillen 139 aan de einden daarvan. Deze korte spillen 139 kunnen worden gemonteerd in legers 140, 141 die zijn vastgezet op de achteraan en vooraan gelegen opstaande frameplaten 116 respectievelijk 121. De as van elke borstel 135 loopt in hoofdzaak evenwijdig met de as van de draaiende klos 119 en neemt een zodanige stand in, dat de borstels daarvan tussen de uitstekende vingers 129 van de tanden 127 door bewegen bovenaan de omhoog bewegende zijde van de draaiende klossen of plukmechanismen 119.
<Desc/Clms Page number 13>
De draaiingszir van elke borstel 135 is tegengesteld aan die van de klos 119 da van, zodat de omlaag bewegende borstels 138 daarvan door de om@og bewegende uitstekende vingers 129 bewegen om eventueel op de tanden meegevoerde peulen of takken omlaag te vegen naar de transportband 61.
Tevens zal worden ingezien, dat deze draaiende borstels 135 op een doelmatige ijze een afsluiting vormen voor over de boven- kanten van de klossen 119 ontsnappende peulen, hetgeen in het bijzonder van belang is bij het oogsten van kleine limabonen of
Fordhook bonen, waarbij de kleine peulen daarvan rondvliegen als snippers papier. Dit kan worden bewerkstelligd door middel van een kettingwiel 144 op de korte spil 139 aan één einde van elke borstel 135)ingedreven via een ketting 145 door een kettingwiel 146 op de as 114 van het draaiende plukorgaan 119, waarbij deze kettingwielen bij voorkeur ongeveer een twee tot één verhouding vertonen, dat wil zeggen, de hoeksnelheid van de borstels 135 is ongeveer tweemaal zo groot als die van de plukmechanismen 119.
Het bonengewas wordt bij voorkeur omgebogen bij het daarop inwer- ken van de pluktaden 127 en met het oog hierop worden de beide zijden van de twee aijen t oogsten boongewassen tegen een lang- werpig horizontaal aanleg- of vormschild 151, dat bevestigd is aan elk van de zijstaven 31 van het frame in het plukgebied, aangehouden en daarlangs bewogen. Elk van de vormschilden 151, zoals in figuur 8 kan worden gezien, heeft een opstaande wand 152 die enige afstand verwijderd is van een vertikaal vlak dat de as van het draaiende plukmechanisme 119 daarvan snijdt om het mogelijk te maken dat het bonengewas daar tussendoor wordt gevoerd.
De opstaande wand 152 loopt uit in een onderaan ingebogen flens 153 in langsrichting, die met tussenafstanden is vastgezet tegen de onderkant van de bodemplaat
33 langs de zijrand daarvan. De bovenrand van de opstaande wand 152 .loopt uit in een boogvormige holle wand 154 die een verlengstuk vormt van deze opstaande wand en zich daarvandaan naar binnen uit- strekt in concentrisch verband met de plukas 114. Dit vormschild 151
<Desc/Clms Page number 14>
loopt bij voorkeur door over de volle lengte van de pluktanden 127 en is zodanig gevormd, dat deze pluktanden een veegbeweging uitvoeren vlak bij de holle delen 154 van deze vormschilden 151.
De bovenrand van elke boogvormige wand 154 eindigt in een naar benedentoe binnen- waarts hellende wand 155 die een verlengstuk daarvan vormt en die zich uitstrekt over de bijbehorende zijketting 60 van het transport- orgaan 61 en deze omgeeft. De benedenrand van elk dezer hellende wanden 151 eindigt in een flens 156 die rust op de corresponderende zijstaaf 31 van het frame van de oogstmachine en die daaraan bevestigd is. Op zekere tussenafstanden kunnen de vormschilden 151 zijn verstijfd door middel van inwendige dwarsplaten 158 die aan de bovenkanten en buitenzijden daarvan zijn gelast aan de boogvormige en opstaande wanden 154 respectievelijk 152 en die passen in de kanalen van de zijstaven 31.
De vormschilden 151 zijn niet van gelijkmatige afmeting voor wat betreft de dwarsdoorsnede, doch worden meer naar de achterkant van de oogstmachine kleiner ter aanpassing aan de opwaarts en vooruit hellende stand van de plukassen 114 en de daarop aange- brachte pluktanden 127 en voorts ter aanpassing aan de afgeknotte kogelvorm van deze tanden aan het achtereinde van de oogstmachine.
De boongewassen in elke rij worden aan elke zijde van de oogst- machine vergaard door een stel vergaarschilden, algemeen aangeduid met 160. Zoals in figuur 5 en 7 wordt getoond, omvat elk vergaar- schild 160 een staaf 161 die L-vormig is in dwars-doorsnede, voor- zien van een opstaande geleideflens 162 langs de rand daarvan, die van de rij bonen verwijderd gelegen is. Met bouten vastgezet, zoals ter plaatse van 163, tegen de onderkant van deze staaf langs de rand daarvan nabij de rij boongewassen bevindt zich een benedenschild
164, waarbij dit benedenschild voorzien is van een bovenaangelegen bevestigingsflens 165 waardoor de bouten 163 steken.
Het beneden- schild 164 heeft de vorm van een vlakke opstaande plaat waarvan de hoogte naar het vooreinde daarvan afneemt ter vorming van een toe- gespitst einde 166 vooraan, zoals in figuur 2 wordt getoond.
<Desc/Clms Page number 15>
Met dezelfde bouten 163 is aan de staaf 161 een hoekijzer 168 be- vestigd, in het bovengedeelte waarvan, aan de zijde die naar de boon- gewassen toegekeerd is, een afstandsstrook 169 is bevestigd voor het vormen van een leibaan 170 die zich in de lengterichting van de staaf 161 uitstrekt. Aan het binnenvlak van de'afstandsstrook 169 is een bovenschild 171 vastgemaakt, dat een vlak opstaand gedeelte 172 vertoont, zich opwaarts uitstrekkende vanaf de afstandsstrook 169, zomede een bovenaangelegen naar buiten buigende rand 173 die de takken van het bonengewas ondersteunt.
In figuur 1 en 2 is het beste te zien, dat deze gebogen rand 173 naar achteren steil opwaarts voert vanaf het toegespitste voorste uiteinde 166 van het vergaar- schild, waarbij deze gebogen bovenrand dienst doet voor het omhoog bewegen van verspreide takken van het boongewas en om het boongewas in een opgerichte stand te brengen.
In figuur 7 kan worden gezien, dat het achtereinde van elk der staven 161 rust op het vooruitstekende tong- of verlengstuk 174 van een draagorgaan 175, waaraan dit op een geschikte wijze is bevestigd.
Figuur 4 toont duidelijk, dat het draagorgaan 175 L-vormig is in dwarsdoorsnede en een onderaan gelegen flens vertoont, die een voortzetting vormt van de staaf 161, zomede een opstaande flens 176 aan de zijde daarvan, die van het bonengewas afgelegen is. De opstaande flens 176 van elk draagorgaan 175 is door middel van een leger 177 gemonteerd op een bijbehorende dwarsas 178. Elke dwarsas 178 is op diens beurt gemonteerd in een leger 179 van een draag- orgaan 180 dat vastzit tegen het voorvlak van de voorste stationaire schijf 121 van de omkasting voor het bijbehorende plukmechanisme.
Derhalve zal het duidelijk zijn, dat de vergaarschilden 160 van elk stel draaibaar zijn aangebracht aan de achtereinden daarvan op de dwarsas 178, zodat de vooreinden daarvan vrij zijn in het omhoog en omlaag bewegen. De ruimte tussen het stel vergaarschilden 160 aan elke zijde van de machine bevindt zich vanzelfsprekend in één lijn met de ruimte tussen het bijbehorende vormschild 151 en het bijbehorende draaiende plukmechanisme 119, zodat het door de vergaar-
<Desc/Clms Page number 16>
schilden 160 bijeengebrachte bonengewas met de takken daarvan geheven in deze ruimten wordt geleid.
Het oplichten van de takken van het bonengewas tussen elk stel vergaarschilden wordt vergemakkelijkt door de kettingen 181, waarbij het bereik van elk daarvan dat het bonengewas aangrijpt, langs de leibanen 170, gevormd door de afstandsstaven 169, wordt gevoerd,. terwijl het andere bereik daarvan over de L-vormige staaf 161 beweegt nabij de opstaande flens 162 daarvan. Aan het benedeneinde daarvan wordt elk dezer kettingen 181 geleid rond een vrijdraaiend ketting- wiel 182 dat is aangebracht op het benedeneinde van de bijbehorende staaf 161, terwijl het boveneinde van elk dezer kettingen geleid wordt rond een aandrijvend kettingwiel 183 dat gelegerd is op een opstaande pen 184 op de voetflens van het draagorgaan 175.
Elke vergaarketting is bij voorkeur voorzie; van geschikte knobbels 185 om het vergaren te verzekeron van de takken van het bonengewas.
In figuur 3 en 4 kan worden gezien, dat elk kettingwiel 183 een geheel vormt met een verstekwerk 186 dat in aangrijping verkeert met een verstekwerk 188 dat vastzit op de dwarsas 178 die het stel kettingen 181 aan elke kant van de oogstmachine bedient.
Een ketting- wiel 191 zit vast op het buiteneinde van elke dwarsas 178, waarbij deze verbonden is via een aandrijfketting 192 met een kettingwiel
193 dat vastzit op het buiteneinde van een dwarsas 194. In figuur 3 kan duidelijk worden gezien, dat elk der dwarsassen 194 gelegerd is in een tandwielkast 120. Binnen elke tandwiekast 120 zit een verstek- werk 198 vast op de dwarsas 194 en verkeert in aangrijping met een verstekwerk 199 dat vastzit op het einde van de bijbehorende plukas 114.
Elk schild 160 is voorzien van een langs de grond bewegende glij- schoen of -slof 200, zoals in figuur 2 en 6 kan worden gezien, die dienst doet om steun te verlenen aan het schild en tevens veroorlooft om het bodemprofiel te volgen. Elke glijslof 200 strekt zich uit in de lengterichting van het schild en is voorzien van opgebogen voor- en. achtereinden. Aan het vooreinde daarvan heeft elk van deze schoenen
<Desc/Clms Page number 17>
een gelede verbinding mde pen 201, waarop het voorste vrijdraaiende kettingwiel 182 van de aijbehorende vergaarketting 181 is aangebracht.
Figuur 6 toont, dat de pen 201 aan het benedeneinde daarvan is voorzien van een stel omlaag stekende oogdelen 202 waartussen, bijvoorbeeld door middel van een dwarspen 203, het voorste einde van een naar achteren lopende stang 204 draaibaar is bevestigd. Figuur 2 toont, dat elke stang 204 door een horizontale bus 205 loopt, die vastzit aan het vooreinde van de bijbehorende schoen 200. Het zal duidelijk zijn, dat het vooreinde van elke schoen 200 vrij kan draaien om de horizontale draaipen 203 daarvan en tevens vrij is om voor en achteruit te schuiven langs de stang 204 daarvan. Het achtereinde van elke schoen 200 is voorzien van een dwars aangebrachte draaipen 206 waaraan een arm 208 draaibaar is verbonden. Aan het achtereinde van de arm 208 is een opgaande stang 209 stevig aangebracht.
De stang 209 schuift in een vertikale bus 210 aan het vooreinde van een draagorgaan 211 op het frame, dat bevestigd is aan de voorste op- staande plaat 121 van het frame, zoals in figuur 1 kan worden gezien.
Het boveneinde van elke opgaande stang 209 is voorzien van een reeks dwarsopeningen 211 waardoor een vastzetpen kan worden gestoken om de omlaag gerichte beweging van de stang te beperken, terwijk elk van deze stangen 209, en derhalve ook het achtereinde van elke slof 200 vrijelijk opwaarts kan bewegen.
ENERGIESTROMING
De energiestroming vanaf het bekrachtigingsafzetonderdeel 17 van de tractor T naar de verschillende draaiende bestanddelen van de oogstmachine is als volgt:
De as 18 van het bekrachtigingsafzetonderdeel (figuur 1) verzorgt via de ketting 27 de aandrijving van,de hefas 26 die gelegerd is in de liftkast 25 die een onderdeel vormt van het verstelbare frame van de oogstmachine.
Via het kettingwiel 111, de ketting 110 en het kettingwiel 109 verzorgt deze hefas de aandrijving van de dwarsas fl08. j
Via de twee stellen verstekwerk 112 en 113 (figuur 3) drijft de dwars- ,
<Desc/Clms Page number 18>
as 108 elk der plukassen 114 die zich naar voren uitstrekken langs beide zijden van de tractor. De plukassen 114 brengen de plukmecha- nismen 119 in draaiing voor het roteren van de pluktanden 127 in de met de' in figuur 8 getekende grote pijlen weergegeven richtingen.
Via de verstekwielen 199 en 198 in elk der tandwielkasten 120 (figuur 2) doet de rotatie van de plukassen 114 elk van de korte dwarsassen 194 draaien. Via de kettingwielen 193 en de kettingen 192 drijven de assen 194 de kettingwielen 191 (figuur 4) op elk der korte dwarsassen 178. Via de verstekwielen 188 en 186 verzorgt elk der dwarsassen 178 de aandrijving van de bijbehorendeellen kettingwielen 183 die in aangrijping zijn met de corresponderende vergaarkettingen 181.
Een van deze vergaarkettingen 181 werkt samen met elk van de vier vergaarschilden 160, waarbij de benedeneinden van deze kettingen om de kettingwielen 182 geleid zijn (figuur 2 en 6), terwijl de knobbels 185 op deze kettingen zich opwaarts naar achteren begeven langs de beide zijden van deze vergaarschilden (figuur 2 en 3) om deze vergaarschilden behulpzaam te zijn bij het opheffen van de takken van het bonengewas.
De boonpeulen en het snijsel, die op het horizontale bovenbereik van het transportorgaan 61 worden afgezet, worden door het liftbereik omhoog gevoerd en komen in aanraking met het achterste bereik van de vrijlopende band 76 en drijven zodoende dit bereik van de vrij- lopende band omhoog. De vrijlopende band 76 beweegtoom de rol 78. De vrijlopende band 76 en het liftbereik van het transportorgaan 61 kunnen de peulen, zomede eventueel loof, gesteelte en snijsel dat daarmede is vermengd, toeleveren aan een geschikt mechanisme voor het schoonmaken en in zakken of dozen doen, waarbij echter wordt aangetekend dat deze geen onderdeel vormen van deze uitvinding en derhalve niet zijn weergegeven.
De rotatie van de assen 114 van het draaiende plukmechanisme 119, via de kettingwielen 146, de kettingen 145 en de kettingwielen 144, drijft de roterende borstels 135. Het is wenselijk om deze roterende
<Desc/Clms Page number 19>
borstels aan te drijven met een hoeksnelheid die ongeveer tweemaal groter is dan die van het plukmechanismen en in tegengestelde zin, ; zodat de omlaag bewegende borstels 138 van deze draaiende borstels 135 door de omhoog bewegende vingers 129 van de tanden 127 van het roterende plukmechanisme vegen.
VERHING
De tractor T met de oogstmachine, die het onderwerp van de uit- vinding vormt, daaraan vastgemaakt wordt voortbewogen langs de beide rijen van het te oogsten bonengewas, waarbij de hartlijnen van deze rijen zijn aangegeven met de letter C. Zoals het beste is weergegeven in figuur 3, wordt de tractor T geleid, zodat deze twee rijen bonen zich in één lijn bevinden met de ruimten tussen de beide stellen ver- gaarschilden 160 aan elke zijde van de oogstmachine, welke schilden draaibaar zijn aan de achtereinden daarvan op de dwarsassen 178 (figuur 2, 4 en 7), en ondersteund zijn aan de vooreinden daarvan door de over de grond bewegende sloffen 200 (figuur 2).
Uit een beschouwing van figuur 1 en 2 zal duidelijk worden, dat de bovendelen 173 van elk stel van deze schilden naar buiten toe afbuigen van de daartussen opgenomen rij bonen en dat deze gebogen delen zijn aange- bracht onder een steile hoek, waarbij deze naar voren toe omlaag gericht zijn in de richting van de toegespitste einden van deze schilden die dicht over de grond lopen. Bijgevolg bewegen deze toegespitste voor- einden van de schilden vlak over de grond onder de afhangende takken van het bonengewas, waarbij bij het vooruit bewegen van de schilden deze takken worden opgeheven,zodat elke bonenplant in een opgerichte stand wordt gebracht.
Ten einde het bonengewas in deze opgerichte stand te houden bij het naar achteren bewegen tussen de stellen schilden 160 en om de wrijving van deze schilden bij het aldus opheffen van de takken van het bonengewas te overwinnen, werken de stellen vergaarkettingen 181 samen met deze schilden, waarbij deze kettingen zijn aangebracht onder de in figuur 2 aangegeven hoek en elk met het werkzame bereik
<Desc/Clms Page number 20>
daarvan voortbeweegt in de leibaan 170 (figuur 5), voorzien in elk dezer vergaarschilden, terwijl elke ketting voorzien is van de knobbels 185 die buiten het vlak van het schild steken, waarlangs het bonengewas voortbeweegt, om zodoende het bonengewas aan te grijpen en dit bepaaldelijk voort te stuwen langs de schilden.
Deze werkzame bereiken van de vergaarkettingen 181 bewegen zich opwaarts naar achteren toe en zijn gesynschróniseerd met de snelheid, waarmede de tractor voortbeweegt, om zodoende in feite stationair te blijven en noch het bodengewas uit de grond te trekken noch de voortgang daarvan langs de vergaarschilden 160 op te houden.
De vergaarkettingen 181 gaan voort met het tussen het bijbehorende stel vergaarkettingen 160 houden van het bodemgewas bij de naar achteren gerichte beweging daarvan en voeren het bodemgewas toe onder de voorste stationaire frameplaat 121 en het vooreinde van het bij- behorende plukmechanisme 119 in de ruimte (figuur 8) tussen de tanden 127 daarvan en het aangrenzende vormschild 151. Bij het in deze ruimte bewegen, betreedt het bonengewas het werkingsgebied van de pluktanden 127 die in draaiing zijn om de as van de bijbehorende plukas 114 in de richting van de in figuur 8 opgenomen pijlen.
De pluktanden 127 bewegen omhoog in het bonengewas, breken de stelen af, die de peulen verbinden met de bonenplanten, en zijn werkzaam om de boonpeulen af te scheiden en om deze te werpen op het oppervlak-van het bereik van het transportorgaan 61 dat beide pluk- mechanismen 119 bedient. Voor het geval een pluktand 127 een overmatige weerstand ontmoet bij het op deze wijze uitkammen van het bonengewas, kunnen de pluktanden meegeven dankzij de spiraalvormige veerdelen 128 daarvan, zoals in het voorgaande is beschreven.
De boonpeulen, tezamen met de bladeren en het andere materiaal dat nood- zakelijkerwijze van de boonplanten is afgenomen, worden door het horizontaal verlopende gedeelte van het transportorgaan 61 gevoerd naar het liftbereik en daarvandaan naar een (niet afgebeeld) mecha- nisme voor het wannen en het in zakken doen.
<Desc/Clms Page number 21>
Een typerende eigenschap van de uitvinding is echter gelegen in het alleen bij de buiteneinden van de plukvingers 129 van de tanden 127 houden van de te dorsen struiken. Dit wordt tot stand gebracht door middel van de stangen 132 die parallel verlopen met de as van elk roterend plukmechanisme 119 en aangehouden worden tegen de voortbewegende zijde van een corresponderende rij uitstekende vingers 129 van deze tanden dan wel op loslatende wijze hieraan raken.
Deze axiaal verlopende stangen 132 worden in deze stand gehouden door de in dwarsrichting lopende stangen 133 daarvan, die bevestigd zijn aan de staven 123 met dezelfde bouten 130 die zorgdragen voor de beves- tiging van de tanden, en opgemerkt zal worden, dat deze stangen 132 (1) geen belemmering vormen voor wat betreft het meegeven van de uitste- kende vingers 129 bij het tegenkomen van een onbeweeglijk voorwerp'.(2) voorkomen dat de boonstelen of -takken gegrepen worden in de vork- gedeelten 131 tussen de windingen 128 en de uitstekende vingers 129 van de tanden 127 en (3)
orts dienen voor het vergaren van het bonen- gewas in de vorm van een vlechtwerk van gelijkmatige dikte voor een betere wijze van dorsen met dé uitstekende vinders 129.
Op gezette tijden is het nodig om het vooreinde van het frame van de oogstmachine te vorstellen. Om een dergelijke verstelling uit te voeren beweegt de bedieningsman de hydraulische regelhefboom L' (fi- guur 1) voor het uitzwenken van de hefboom 14 in de ene danwel in de andere richting. Bij zwenken in de zin van de wijzers van het uurwerk, zoals in figuur 1 te zien is, zijn deze hefbomen 14, via de stootstangen 50, werkzaam om de driehoekige platen 45 in de zin van de wijzers van het uurwerk om de draaipunten 46 daarvan te bewegen en om, via de verbindingsorganen 44, het vooreinde van het frame van de oogstmachine op te heffen.
Voorts is het gewenst, dat het achtereinde van het frame van de oogstmachine versteld kan worden om de hoogte van de achtereinden van de plukmechanismen 119 bij te stellen. Om een dergelijke ver- stelling uit te voeren beweegt de bedieningsman de hydraulische regel-
<Desc/Clms Page number 22>
hefboom L (figuur 1) voor het uitzwenken van de hefbomen 13 in de ene danwel in de andere richting.
Bij zwenken in de zin van de wijzers van het uurwerk, zoals in figuur 1 te zien is; zwenken de hefbomen 13, via de kettingen 21, de belarmhefbpuen 19 in de zin van de wijzers' van het uurwerk en wordt zodoende het achtereinde van het frame van de oogstmachine opgelicht. '
Een belangrijk geëigendheid van de uitvinding is gelegen in de, verbeterde werking daarvan ter vermindering van de hoeveelheid ge- : blutste en gebroken boonpeulen, hetgeen ten alle tijde van belaag is bij alle soorten bonen, doch in het bijzonder wanneer de peulen verkoeld zijn, zoals op een koude morgen.
Deze geëigendheid veoor- looft tevens het oogsten van zeer kleine en lichte peulen van de kleine soort limabonen en Fordhook bonen, waarvan de peulen rond- vliegen als snippers papier. Dit leidt tot het kenmerk dat de roterende borstels 135,omvat, die voorzien zijn van nylon borstelharen 138, welke borstelharen bovenaan tussen de naar boven bewegende tanden 127 van de beide roterende plukmechanismen 119 doorschieten en omlaag bewegen langs deze tanden om deze te bevrijden van peulen en struik- delen.
Deze draaiende borstels 135 hebben niet alleen een zacht- aardige werking bij het schoonmaken der tanden, doch vormen tevens een roterende afsluiting boven elk roterend plukmechanisme 119, naar het midden der machine, hetgeen, zoals het beste in figuur 8 is weer- gegeven, de neiging geeft om de lichte boonpeulen, die rondvliegen, op te sluiten in het gebied boven de band 61, om zich daarop af te zetten en uitgevoerd te worden als een produkt met een minimum aan blutsen en breuken.
Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden, dat de uitvinding voorziet in een sterke en betrouwbare oogstmachine, waarmede te velde een hoge opbrengst aan bonengewassen wordt verkregen met een minimum verlies aan boonpeulen en cen minimum beschadiging daarvan, die snel en doelmatig te werk gaat bij het oogsten van boonpeulen, met inbegrip van de kleine soort lima- en Fordhook bonen, waaruit het zaad vervolgens
<Desc/Clms Page number 23>
wordt gedorst. Voorts zal duidelijk zijn, dat de uitvinding de gestelde doeleinden vervult en de opgesomde voordelen vertoont.