NL9302070A - Brandkraan. - Google Patents

Brandkraan. Download PDF

Info

Publication number
NL9302070A
NL9302070A NL9302070A NL9302070A NL9302070A NL 9302070 A NL9302070 A NL 9302070A NL 9302070 A NL9302070 A NL 9302070A NL 9302070 A NL9302070 A NL 9302070A NL 9302070 A NL9302070 A NL 9302070A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
fire hydrant
casing
grooves
valve
spindle nut
Prior art date
Application number
NL9302070A
Other languages
English (en)
Other versions
NL192532B (nl
NL192532C (nl
Original Assignee
Bopp & Reuther Armaturen
Waldenmaier J E H
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority to DE4243756 priority Critical
Priority to DE4243756A priority patent/DE4243756C2/de
Application filed by Bopp & Reuther Armaturen, Waldenmaier J E H filed Critical Bopp & Reuther Armaturen
Publication of NL9302070A publication Critical patent/NL9302070A/nl
Publication of NL192532B publication Critical patent/NL192532B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL192532C publication Critical patent/NL192532C/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E03WATER SUPPLY; SEWERAGE
    • E03BINSTALLATIONS OR METHODS FOR OBTAINING, COLLECTING, OR DISTRIBUTING WATER
    • E03B9/00Methods or installations for drawing-off water
    • E03B9/02Hydrants; Arrangements of valves therein; Keys for hydrants
    • E03B9/08Underground hydrants
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E03WATER SUPPLY; SEWERAGE
    • E03BINSTALLATIONS OR METHODS FOR OBTAINING, COLLECTING, OR DISTRIBUTING WATER
    • E03B9/00Methods or installations for drawing-off water
    • E03B9/02Hydrants; Arrangements of valves therein; Keys for hydrants
    • E03B2009/022Hydrants with a tubular valve seat

Description

Korte aanduiding: Brandkraan.
De uitvinding betreft een brandkraan, bestaande uit een als buis dienende manteltalie, die met zijn benedeneinde op de waterleiding is aangesloten, van binnen een klepzitting heeft en aan zijn boveneinde net een losneembaar bovendeel, bijvoorbeeld een deksel, is afgesloten, en uit een binnengarnituur cawattende een in het bovendeel gelegerde spil net een kleplidhaam en een in axiale richting langs de mantel buis geleide spilmoer.
Brandkranen van het hierboven genoemde type warden toegepast als ondergrondse of bovengrondse brandkraan. Bij uitvoering als ondergrondse brandkraan heeft de mantelbuis aan zijn boveneinde, dat zich op grondniveau bevindt, een het bovendeel vormend deksel, waarin de spil van het binnengarnituur is gelegerd, alsmede een zijdelings uitstekende, naar boven gerichte aansluiting voor een standpijp met de benodigde afvoer-stcrapen en armaturen. Bij uitvoering als bovengrondse brandkraan is op de mantelbuis een axiaal cp één lijn daarmede gelegen bovenste pijp geplaatst, welke de afvoerstccpen en armaturen bevat en waar doorheen de spil loopt. Bij beide uitvoeringen bevindt zich de klepzitting in het gebied van het benedeneinde van de (onderste) manteltauis, waarbij het kleplidhaam in de regel radiaal afdicht en in het gebied van de klepzitting axiaal wordt geleid. Het kleplidhaam en de klepzitting vormen de hoofdafsluiting, welke door middel van de spil moet worden geopend, wanneer water benodigd is (DE-26 21 263 Al). Daarnaast zijn er brandkranen met een extra veiligheidsafsluiting onder de hoofdafsluiting. cp die plaats is de manteltalie dan verwijd, dan wel van een verwijd tussenstuk voorzien. In de verwijding bevindt zich een vlotterkogel of klep-schijf met veer^oorspanning, die in de sluitstand order invloed van de waterleidingdruk af dichtend tegen een klepzitting onder die van de hoofdafsluiting aanligt (EE 41 19 105 Al). Voor het openen van hoofd- en hulpafsluiting wordt het kleplichaam axiaal naar beneden bewogen, welk kleplidhaam daarbij de klepzitting aan de manteltalie passeert en de vlotterkogel (klepschijf) naar beneden drukt, zodat deze van zijn klepzitting wordt gelicht. Deze extra afsluiting werkt eveneens, wanneer het gehele binnergarnituur voor reparatie- of inspectiedoeleinden wordt gedemonteerd. Ook in dat geval wordt de vlotterkogel door de waterlei d ing-druk tegen de klepzitting gedrukt. In plaats van de beschreven veiligheidsafsluiting door middel van een vlotterkogel of klepschijf respectievelijk naast deze afsluiting zijn in de waterleiding in het gebied van de aansluiting van de brandkraan schuiforganen aangebracht cm de brand- kraan van de waterleiding af te sluiten.
In de praktijk is gebleken, dat het ondanks de veiligheids-afsluiting met vlotterkogel en de mogelijkheid de brandkraan van de waterleiding af te sluiten, bij het uitnemen van de binnengamituur van de brandkraan voor inspectie- of reparatiedoeleinden scans tot ongelukken kcmt, doordat de binnengarnituur na het losnemen van het deksel van de mantel buis met een slag en als een projectiel naar tuiten wordt gedrukt. De oorzaak kan daarin zijn gelegen, dat verzuimd is de afsluitschuiven in de waterleiding te sluiten of dat deze niet goed afsluiten. In geval van een veiligheidsafsluiting met vlotterkogel of. klepschijf, die op zich voor een zelfstandige afsluiting moet zorgdragen, kan de oorzaak daarin zijn gelegen, dat zich in de verwijding van de mantelbuis een luchtkussen onder druk opbouwt en daardoor de vlotterkogel (klepschijf) niet op zijn klepzitting komt dan wel een vreemd lichaam daartussen geklemd zit en de kogel zijn veiligheidsfunctie dus niet kan vervullen.
De uitvinding nu beoogt de in de aanhef beschreven brandkraan onafhankelijk van zijn speciale type zo uit te voeren, dat het veiligheidsrisico bij demontage van de binnengarnituur wordt uitgeschakeld.
Volgens de uitvinding wordt dit doel bereikt, doordat de axiale beweegbaarheid van de spilmoer in de richting van het bovendeel door een aanslag is begrensd en de spilmoer ten behoeve van het uitnemen van de binnengarnituur uit de mantelbuis kan worden vrijgemaakt van de aanslag.
Terwijl bij de bekende brandkraan de axiale geleiding van de spilmoer naar boven toe epen is en dus bij druk van beneden en geopend bovendeel respectievelijk deksel de gehele binnengarnituur zich vrij naar boven kan bewegen, wordt door de uitvinding gewaarborgd, dat bij losgenomen bovendeel de spilmoer bij druk van onderen tegen de aanslag stuit en daardoor via de spilschroefdraad de spil en de gehele binnengarnituur wordt tegengehouden. Het in de mantelbuis dringende water loopt dan via de opening in het bovendeel weg en geeft dus aan, dat de afsluitschuiven niet of niet goed zijn gesloten. In geval van een veiligheidsafsluiting met vlotterkogel of klepschijf zal deze in de regel reeds tijdens de axiale beweging van de spilmoer, doch cp zijn laatst nadat deze tegen de aanslag is gestuit, cp zijn zitting kamen en daarmede de watertoevoer afsluiten. Is de afsluiting tot stand gekomen, dan kan de binnengarnituur door een extra handeling van de aanslag worden vrijgemaakt en tenslotte zonder gevaar uit de mantelbuis worden genomen.
Gewoonlijk wordt de axiale geleiding van de spilmoer gevormd door tenminste twee tegenover elkaar gelegen, evenwijdig aan de as ver lopende geleidingsgroeven in de binnenwand van de mantelbuis en daarin grijpende geleidingsneuzen op de spilmoer. Zoals reeds is cpgemerkt, zijn deze geleidingsgroeven bij brandkranen volgens de stand van de techniek naar beven toe epen. Volgens een bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm, van de uitvinding zijn de geleidingsgroeven aan hun boveneinde in een radiaal vlak, aider vorming van de aanslagen, gesloten en staan deze geleidingsgroeven in verbinding met naar beven toe open groeven, die ever gelijke hoeken ten opzichte van de geleidingsgroeven versprongen liggen.
Bij deze uitvoeringsvorm wordt een soort bayonetsluiting gevormd, doordat de tegen de aanslag stuitende spilmoer pas na draaien ever een bepaalde hoek met zijn uitstékende geleidingsneuzen in de naar boven toe open groeven komt te vallen, zodat dan de binnengarnituur naar boven toe kan warden uitgenomen.
Eventueel kunnen in het radiale vlak ook meerdere naar boven toe epen groeven zijn aangebracht, waarvan het aantal een geheel veelvoud van de geleidingsgroeven is en waarvan telkens twee tegenover elkaar zijn gelegen, zodat de geleidingsneuzen op de spilmoer in meerdere hoék-posities in de naar boven open groeven kunnen treden.
Volgens een doelmatige uitvoeringsvorm heeft de mantelbuis aan het boveneinde van de geleidingsgroeven een naar binnen gerichte, rondgaande verdikking, die de aanslag vormt en die naar boven open groeven heeft. Deze rondgaande verdikking kan giettechnisch zender problemen aan de mantelbuis worden gevormd. Voor het overige komt de breedte van de rondgaande verdikking ongeveer overeen met de diepte van de geleidingsgroeven, zodat de verdikking bij het uitnemen van het binnengarnituur het passeren van het kleplichaam niet hindert.
In het onderstaande wordt de uitvinding aan de hand van een in de tekening weergegeven uitvoeringsvorm nader beschreven. In de tekening tonen: fig. l een langsdoorsnede door een ondergrondse brandbraan met veiligheidsafsluiting in de sluitpositie; fig. 2 een met fig. 1 overeenkomende doorsnede tijdens het uitnemen van het binnengarnituur; fig. 3 een met fig. 2 overeenkomende doorsnede van een uitvoeringsvorm van de brandkraan zonder veiligheidsaf sluiting ; fig. 4 een doorsnede door een gedeelte van de mantelbuis, overeenkomstig fig. 1-3 en fig. 5 een doorsnede door een gedeelte van de mantelbuis volgens fig. 4, doch over 90° gedraaid.
De in fig. 1 en 2 getoonde brandkraan heeft een mantelbuis 1, die aan zijn boveneinde door een deksel 2 met schroeven 3 is afgesloten. Aan zijn benedeneinde heeft de mantel buis l een buikvormige verwijding 4, via welke de brandkraan op de niet getoonde waterleiding is aangesloten.
De brandkraan heeft voorts een met 5 aangegeven binnen-gamituur, dat in hoofdzaak uit een axiaal in het deksel 2 geleide klep-spil 6, een spilmoer 7 en een hiermede verbonden klepstang 8, alsmede een aan het einde daarvan aangébracht kleplichaam bestaat. De mantelbuis 1 heeft in het bovenste gedeelte twee aan de binnenzijde tegenover elkaar gelegen, evenwijdig aan de buisas lopende geleidingsgroeven 10, die de van overeenkomstig uitgevoerde geleidingsneuzen 11 voorziene spilmoer 7 in axiale richting geleiden can de draaibeweging van de spil 6 in een hef-beweging van de klepstang 8 om te zetten.
Het kleplichaam 9 werkt radiaal af dichtend samen met een bus-vormige klepzitting 12 in het onderste gedeelte van de mantelbuis 1. Het onderste gedeelte van het kleplichaam 1 is hiertoe in hoofdzaak cilindrisch uitgevoerd, terwijl het in hoofdzaak axiaal naar boven toe verlopende vleugels 13 voor het geleiden van de klepstang 8 heeft. Het kleplichaam 9 vormt roet de klepzitting 12 de hoofdafsluiting van de brandkraan.
In de buikvormige verwijding 4 is een vlotterkogel 14 aangebracht, die als veiligheidsafsluiting dient en met een klepzitting 15 op de overgang tussen de mantelbuis 1 en de buikvormige verwijding 4 samenwerkt. In plaats daarvan kan ook een onder veer-voorspanning staande klepschijf zijn toegepast.
In de in fig. 1 getoonde sluitpositie van de brandkraan dicht het kleplichaam 9 tegen de klepzitting 12 af, terwijl bovendien onder invloed van de van beneden af werkende waterdruk de vlotterkogel 14 tegen de klepzitting 15 af dicht. Voor het openen van de brandkraan wordt de 1 klepstang 8 door middel van de spil 6 naar beneden bewogen, zodat de in een uitholling van het kleplichaam 9 grijpende vlotterkogel 14 naar beneden toe in de buikvormige verwijding 4 wordt teruggedrukt. Het kleplichaam 9 treedt met zijn af dichtende gedeelte door de klepzitting 12 heen en ligt in dit gebied nog slechts roet de vleugels 13 tegen de klep-i zitting aan, zodat het water tussen deze vleugels door naar boven in de mantelbuis 1 kan stromen. Voor het afsluiten van de brandkraan wordt de spil 6 teruggedraaid totdat - eventueel met een desbetreffende aanwijzing cp de handgreep van de spil - het kleplichaam 9 zich weer in de sluitpositie bevindt.
Voor het uitnemen van het binnengarnituur 5 voor inspectie- of reparatiedoeleinden wordt de klepstang 8 door middel van de spil 6 en de spilmoer 7 naar boven bewogen en worden de moer 3 en daarmpdA het deksel 2 losgenomen, zoals aangegeven in fig. 2. Bij deze demontage wordt de mantel buis 1 door middel van de vlotterkogel 14, die ander invloed van de waterdruk tegen de klepzitting 145 wordt aangedrukt, van de waterleiding afgesloten.
Bij de in fig. 3 getoonde uitvoering zonder extra afsluiting, waarbij zich in de buikvormige verwijding dus geen vlotterkogel bevindt, dienen voor de demontage van het binnengarnituur 5 de in de waterleiding aanwezige afsluitschuiven te worden gesloten.
Wanneer bij de uitvoeringsvorm volgens fig. 3 de afsluitschuiven in de waterleiding niet of niet voldoende worden gesloten, of wanneer de vlotterkogel 14 bij de uitvoeringsvorm volgens fig. l en 2 niet naar boven tegen de klepzitting 15 wordt aangedrukt, omdat zich bijvoorbeeld in de buikvormige verwijding 4 een onder druk staand luchtkussen of een vreemd lichaam bevinden, kan onder invloed van de van beneden af op het kleplichaam 9 werkende druk het binnengarnituur 5 bij geopend deksel 3 naar boven en naar buiten worden gedrukt. Cm dit te verhinderen zijn de evenwijdig aan de as van de mantelbuis verlopende geleidingsgroeven 10 aan hun boveneinden gesloten door een aanslag 16, waartegen bij het naar boven drukken van het binnengarnituur 5 de spilmoer 7 stuit, zodat het gehele binnengarnituur wordt tegengehouden. Dit wordt nader getoond in fig. 4 en 5. De aanslag 16 wordt gevormd door een rondgaande verdikking 17, die vanaf de binnenwand van de mantelbuis 1 naar binnen uitstekend is aangegoten. De breedte van de verdikking 17 komt ongeveer overeen met de diepte van de geleidingsgroeven 10; de binnendiameter ervan is in elk geval een weinig groter dan de buitendiameter van het kleplichaam 9. De rondgaande verdikking 17 is voorzien van tenminste twee tegenover elkaar liggende, in axiale richting open groeven 18, die in gelijke mate ten opzichte van de geleidingsgroeven 10 versprongen zijn aangebracht, zoals dit in het bijzonder blijkt uit fig. 5. Elke geleidingsgroef 10 staat aldus via een in cmtreksrichting verlopende groef 19 in verbinding met een der beide open groeven 18. De aan de onderzijde tegen de rondgaande verdikking 17 stuitende spilmoer kan door draaien over een met de hoekafstand tussen de geleidingsgroef 10 en de groef 18 overeenkomende hoek worden gébracht in een positie, waarin de geleidingsneuzen 11 aan de spilmoer 7 in de axiaal open groeven 18 grijpen. In deze positie kan dan het gehele biraïengarnituur 5 uit de mantelbuis i worden genomen, doch dan wel eerst dan, wanneer bij de uitvoeringsvorm volgens fig. 1 en 2 de vlotterkogel 14 na het verdringen van de lucht of het wegspoelen van eventueel aanwezige vreemde lichamen in de verwijding 4 in de gesloten stand is gekomen, dan wel bij de uit-ί voeringsvorm volgens fig. 3 de afsluitschijven in de waterleiding op de jusite wijze zijn gesloten. Een aanwijzing daarvoor is, dat van boven geen water meer uit de mantelbuis 1 treedt.
Slechts berwille van de volledigheid wordt nog opgemerkt, dat het bij de in fig. 1-5 getoonde brandkraan om een ondergrondse brandkraan i gaat. Deze heeft derhalve, zoals fig. 5 laat zien, in het bovenste gedeelte een zijdelingse verbreding 20 met een afzonderlijke opening 21, die cp een niet nader weergegeven wijze is afgesloten en waarop na het openen van de afsluiting een standpijp met de armaturen kan worden aangesloten. Bij een bovengrondse brandkraan, die in de tekening niet is i getoond, ontbreekt die zijdelingse verbreding 20 en is op de mantelbuis 1 een als huis dienende bovenste buis met een aan het kopse einde afgesloten bovenste buis geplaatst, welks de afvoerstcmpen en armaturen heeft. De spil is in de bovenste afsluiting gelegerd en strekt zich door deze buis heen tot in de mantelbuis.
)

Claims (5)

1. Brandkraan bestaande uit een als huis dienende mantelbuifi (1), die met zijn benedeneinde cp de waterleiding is aangesloten, van binnen een klepzitting (12) heeft en aan zijn boveneinde met een losneembaar bovendeel, bijvoorbeeld een deksel (2), is afgesloten, en uit een birmengarnituur (5) omvattende een in het bovendeel gelegerde spil (6) met een kleplichaam (9) en een in axiale richting langs de mantelbuis (1) geleide spilmoer (7), met het kenmerk, dat de axiale beweegbaarheid van de spilmoer (7) in de richting van het bovendeel is begrensd door een aanslag (16) en dat de spilmoer (7) verplaatsbaar is naar een stand, waarin deze vrij van de aanslag (16) is cm het binnengarnituur (5) uit de mantelbuis (1) te kunnen nemen.
2. Brandkraan volgens conclusie 1, waarbij de axiale geleiding van de spilmoer (7) gevormd is door tenminste twee tegenover elkaar gelegen, evenwijdig aan de as verlopende geleidingsgroeven (10) in de binnenwand van de mantelbuis (1) en daarin grijpende geleidingsneuzen (11) op de spilmoer (7), met het kenmerk, dat de geleidingsgroeven (10) aan hun boveneinde in een radiaal vlak, onder vorming van de aanslagen (16) gesloten zijn en met naar boven toe epen groeven (18), die over gelijke hoeken ten opzichte van de geleidingsgroeven (10) versprongen liggen.
3. Brandkraan volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat in het radiale vlak meerdere naar boven toe open groeven (18) zijn aangebracht, waarvan het aantal een geheel veelvoud van de geleidingsgroeven (10) is en waarvan telkens twee tegenover elkaar zijn gelegen.
4. Brandkraan volgens een der conclusies 1-3, met het kenmerk, dat de mantelbuis (1) aan het boveneinde van de geleidingsgroeven (10) een naar binnen gerichte, rondgaande verdikking (17) heeft, die de aanslag (16) vormt en die naar boven epen groeven (18) heeft.
5. Brandkraan volgens een der conclusies 1-4, met het kenmerk, dat de breedte van de rondgaande verdikking (17) ongeveer overeenkomt met de diepte van de geleidingsgroeven (10).
NL9302070A 1992-12-23 1993-11-30 Brandkraan. NL192532C (nl)

Priority Applications (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
DE4243756 1992-12-23
DE4243756A DE4243756C2 (de) 1992-12-23 1992-12-23 Hydrant

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL9302070A true NL9302070A (nl) 1994-07-18
NL192532B NL192532B (nl) 1997-05-01
NL192532C NL192532C (nl) 1997-09-02

Family

ID=6476320

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL9302070A NL192532C (nl) 1992-12-23 1993-11-30 Brandkraan.

Country Status (4)

Country Link
AT (1) AT399741B (nl)
DE (1) DE4243756C2 (nl)
LU (1) LU88432A1 (nl)
NL (1) NL192532C (nl)

Families Citing this family (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US5901738A (en) * 1997-10-20 1999-05-11 Miller; Wayne Edwin Portable fire hydrant
EP3470586B8 (de) * 2017-10-16 2021-06-23 vonRoll infratec (investment) ag Absperrorgan zur verwendung in einem hydranten, hydrant und hauptventilsitz

Family Cites Families (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE7307524U (de) * 1973-02-28 1973-06-07 Waldenmaier J Erben Sueddeutsche Armaturenfabrik Ueberflurhydrant in umfahrausfuehrung
DE2621163C3 (de) * 1976-05-13 1978-11-16 Bopp & Reuther Gmbh, 6800 Mannheim Unterflurhydrant
FR2499417B1 (nl) * 1981-02-12 1983-10-28 Pont A Mousson
DE4119105C2 (de) * 1991-03-22 1994-09-01 Bopp & Reuther Ag Unterflurhydrant

Also Published As

Publication number Publication date
DE4243756A1 (de) 1994-07-07
LU88432A1 (de) 1994-10-03
DE4243756C2 (de) 1996-08-14
NL192532B (nl) 1997-05-01
NL192532C (nl) 1997-09-02
ATA227793A (de) 1994-11-15
AT399741B (de) 1995-07-25

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US20080023072A1 (en) Wet barrel fire hydrant flow preventer
AU2006312793A1 (en) Double seat valve
EP0923688B1 (en) Positively controlled ball valve
RU2003135611A (ru) Вентиль баллона и байонетный фильтр-обратный клапан с защитой по чрезмерному расходу
CA1081580A (en) Fire hydrants with improved unitized bonnet configuration
NL9302070A (nl) Brandkraan.
US5303583A (en) Meter boundary box
US4437492A (en) Poppet check valve
US4790342A (en) Fire hydrant valve actuator
US4602740A (en) Fluid control system
US2611644A (en) Projectable nozzle lawn sprinkler
US2630823A (en) Main valve for fire hydrants
US4922950A (en) Unitized disc flow control assembly for a restrictor valve
US4512363A (en) Slide valve
US5948128A (en) Flanged condensate removal system with removable insert
EP0113913B1 (de) Unter- oder Überflurhydrant
US4446883A (en) End loaded valve
DK164713B (da) Afspaerringsventil
KR101356121B1 (ko) 소프트실 가동형 제수밸브
US3543789A (en) Receiving valve
US4526192A (en) Discharge valve
US20010017361A1 (en) Tap
US1962558A (en) Steam valve or the like
WO2011086339A1 (en) Hydrant valve
AU751891B2 (en) Spring hydrant

Legal Events

Date Code Title Description
A1A A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
SNR Assignments of patents or rights arising from examined patent applications

Owner name: JOHANNES ERHARD, H. WALDENMAIER ERBEN SUEDDEUTSCHE

Owner name: IWKA INDUSTRIEANLAGEN GMBH

TNT Modifications of names of proprietors of patents or applicants of examined patent applications

Owner name: JOHANNES ERHARD, H. WALDENMAIER ERBEN SUEDDEUTSCHE

Owner name: VAG - ARMATUREN GMBH

V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20070601