<Desc/Clms Page number 1>
BETREFT : Een eeuwig draaiende beweging waarbij een benutbare (en regel- bare) energie vrijkomt. De energie die nodig is om het apparaat in werking te houden is de aantrekkingskracht van de aarde (zwaartekracht).
Ik neem een ronde schijf (vb 12mm dikte en 1200mm )
Ik zorg ervoor dat deze schijf op zijn middelpunt kan ronddraaien.
1. Op de vertikale aslijn, ter hoogte van de buitendiameter hangen wij een aap welke zich met zijn handen vasthoudt aan een stok welke ik daar ge- plaatst heb.
Wat gebeurd er : deze aap zal-via de cirkelomtrek-het laagste punt bereiken.
Als deze aap dit leuk vindt zal hij langs de vertikale aslijn terug naar bovenklimmen en herbeginnen.
Zie tekening nr 1.
2. Ik neem dezelfde ronde schijf en ik verdeel deze doormidden t. o. de straal. Ik krijg aldus een schijf met als kleinste straal"X"en als grootste straal"Y"
Ik hang aan de grootste cirkelomtrek opnieuw deze aap (1) en aan de kleinste cirkelomtrek hang ik een aap (2) met het zelfde gewicht en aan dezelfde vertikale aslijn.
Wat gebeurd er : vermits de straal (of hefboom) welke aap nr 1 heeft van het steunpunt (of hangpunt) tot het draaipunt twee maal zo groot is als dit van aap nr 2, zal hetzelfde resultaat bereikt worden als voordien. Aap nr 1 zal het laagste punt bereiken en aap nr 2 zal on- danks het zelfde gewicht het onderspit moeten delven, en het hoogste punt moeten opzoeken welke zijn cirkelomtrek aanduidt en dit vanwege zijn kleinere hefboom t. o. het draaipunt.
Zie tekening nr 2.
3. Ik stel voor dat wij de beweging die zich voor doet eens fotografisch bekijken, en het wiel 1/8 ste toer doen draaien.
Zie tekening nr 3.
Op deze tekening is duidelijk te zien dat beide apen zich respectie- velijk voortbewegen op hun eigen cirkel, maar er is nog meer : gezien de zwaartekracht op hun eigen lichaam, blijven de apen vertikaal
EMI1.1
hangen t. o. het middelpunt van de aarde. Zij volgen de aslijnen niet.
1
<Desc/Clms Page number 2>
4. De reden waarom ik tot nutoe apen gebruikt heb om aan de steunpunten te hangen, is de volgende : een aap slingert zich van tak tot tak en maakt hierbij gebruik van zijn vier ledematen. Het is dit wat mij op de gedachte gebracht heeft van wat nu volgt.
Wij zullen eens kijken tot wat een aap in staat is :
Inderdaad, een aap kan zich ook staande houden op een bewegend voorwerp, en daarbij zijn handen vrijhouden om een ander voorwerp te grijpen...
Veronderstel nu eens dat aap nr 1 netjes op zijn voeten blijft staan, dus niet gaat hangen, tot hij het laagste punt bereikt heeft.
Veronderstel nu eens dat aap nr 1, als hij het laagste punt bereikt heeft, de kleine cirkel (deze van aap nr 2) grijpt, dus met zijn handen, en hier gaat aan hangen, dan veranderd aap nr 1 in aap nr 2.
Zie tekening nr 4.
5. Als wij nu één enkele aap eens laten hangen en staan op een ogenblik dat wij zelf kiezen, wat gebeurd er dan ?
Wij vertrekken op punt nr 1. Wij zien dat hij hangt aan de buiten- cirkel. Wij gaan verder en zien dat hij op punt nr 2 nog steeds hangt.
Als hij op punt nr 3 gekomen is en zijn handen en voeten, gelijktijdig de buitencirkel raken, laat hij zijn handen los en steunt op zijn voe- ten. Wij vervolgen de weg naar punt nr 4, waarbij zijn handen vrij zijn, hij op zijn voeten steunt en daarbij vertikaal blijft staan t. o. het middelpunt van de aarde. Op punt nr 5 gekomen, grijpt hij de kleine cirkel met zijn handen waarbij zijn voeten loskomen gezien de kleine cirkel een grotere opwaardse beweging maakt dan de grote cirkel. Op nr 6 gekomen, hangt hij nog steeds aan de kleine cirkel. Bij punt nr 7 is het anders.
Als handen en voeten gelijktijdig de kleine cirkel raken, laat hij zijn handen los en steunt op zijn voeten. Bij nr 8 gekomen steunt hij nog steeds op zijn voeten waarbij zijn lichaam vertikaal blijft t. o. het middelpunt van de aarde. Eens nr 1 bereikt waarbij binnen-als buitencirkel in het bereik van handen en voeten zijn, grijpt hij opnieuw de buitencirkel en gaat hier aan hangen... en het feest kan opnieuw beginnen...
Het is logisch dat tegenover elke aap die zich links van de vertikale middelijn bevindt er zich een aap moet bevinden aan de rechtse kant van de vertikale middelijn met dien verstande dat deze die zich links bevin- den hun steunpunt vinden op de buitencirkel, en deze die zich rechts be- vinden, hun steunpunt vinden op de kleine cirkel.
<Desc/Clms Page number 3>
6. Gezien apen moeilijk te temmen zijn, is het mischien beter deze te ver- vangen door gewichten. Dit is op zichzelf geen probleem als volgende punten in acht genomen worden : - Het gewicht (C) dient zich onderaan te bevinden.
- Als voorgaande in acht genomen wordt zal het verbindingsstuk tussen
A en B steeds vertikaal blijven hangen t. o. het middelpunt van de aarde.
- Het verbindingsstuk tussen A en B vervangt de aap waarbij (A) zijn handen zijn, en (B) zijn voeten.
- Het verbindingsstuk dient dezelfde lengte te hebben als de zijde van de gelijkzijdige zeshoek welke de kleine cirkel bevat. (Zie tekening nr 7). Met het verbindingsstuk bedoel ik de afstand tussen de punten
A en B.
- De cirkels (zowel binnen-als buitencirkel) kunnen afwijkend van de tekening verdeeld worden in vierhoek, vijfhoek, zeshoek, zevenhoek enz.
Het verbindingsstuk (A-B) zal echter steeds de lengte moeten hebben van de zijde van de gebruikte gelijkzijdige figuur welke de cirkels verdeeld.
Zie tekening nr 6.
7. Wat gebeurd er nu als we ons gewicht (zie tekening nr 6) zijn gang laten gaan op deze dubbele zeshoek (kleine cirkel) en de twaalfhoek (grote cirkel) ? - Wij hangen het gewicht (A) aan het punt (1) en laten het wiel anti- klokwijse draaien.
- Als punt 1 half boven de horizontale middelijn is, en punt 2 half onder dezelfde middelijn is, raken zowel (A) als (B) de buitencirkel.
Punt 2 neemt het werk over van punt 1 en punt B van het gewicht vindt steun op punt 2. A lost punt 1 automatisch gezien de dalende beweging van punt 1 groter is dan de dalende beweging van A.
- Als punt 2 het laagste punt van het wiel bereikt heeft haakt (A) van het gewicht in op punt 3. B lost automatisch gezien de opwaardse be- weging van punt 3 op de kleine cirkel groter is dan de opwaardse be- weging van punt 2 welke zich op de grote cirkel bevindt.
- Als punt 3 zich half boven de horizontale middelijn bevindt en punt 4 zich half onder dezelfde middelijn, raken punten A en B van het ge- wicht, gelijktijdig de kleinste cirkel.
- Nu neemt punt 4 het werk over en geeft steun aan punt B van het gewicht.
A lost automatisch punt 3 gezien de opwaardse beweging van punt A groter is dan de opwaardse beweging van punt 3./2
<Desc/Clms Page number 4>
- Als punt 4 de vertikale aslijn bereikt heeft haakt punt A van het gewicht in op punt 5 waarna de gehele beweging zich herhaalt via de punten 1-6-7-8.
- Als het gewicht de gehele cirkel heeft afgelopen herbegint hij dit proces op punt 1.
Zie tekening nr 7.
8. Gezien de gewichten die zich links van de vertikale aslijn bevinden energiegevend te noemen zijn, aangezien zij het zijn die het overwicht behalen t. o. de gewichten die zich op de zelfde aslijn maar aan de andere kant van de vertikale aslijn bevinden en op de kleine cirkel, verhouding 2/3 t. o. 1/3, is dit wel degelijk een konstante draaiende beweging, waarbij de energie welke vrijkomt regelbaar is (volgens de gewichten welke men gebruikt) en eveneens afhankelijk is van de grote van het wiel dat men gebruikt.
9. Het probleem dat zich stelde om een konstante beweging te krijgen was : hoe krijg ik het gewicht dat op punt 1 vertrekt en zich na een halve omwenteling op het laagste punt bevindt terug naar punt 1.
10. Dit probleem is wel degelijk opgelost door 10 gebruik te maken van een verbindingsstuk dat het steunpunt van het gewicht verplaatst van binnen- naar buitencirkel zonder verbruik van energie en 2 door het gebruik van deze binnen-en buitencirkel.