BE1023542A1 - Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen - Google Patents

Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen Download PDF

Info

Publication number
BE1023542A1
BE1023542A1 BE20155691A BE201505691A BE1023542A1 BE 1023542 A1 BE1023542 A1 BE 1023542A1 BE 20155691 A BE20155691 A BE 20155691A BE 201505691 A BE201505691 A BE 201505691A BE 1023542 A1 BE1023542 A1 BE 1023542A1
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
laminate
substrate
lower edge
floor panel
surface
Prior art date
Application number
BE20155691A
Other languages
English (en)
Inventor
Christof Vandevoorde
MARREZ Kris DE
Original Assignee
Unilin Bvba
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Unilin Bvba filed Critical Unilin Bvba
Priority to BE20155691A priority Critical patent/BE1023542A1/nl
Publication of BE1023542A1 publication Critical patent/BE1023542A1/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/10Flooring or floor layers composed of a number of similar elements of other materials, e.g. fibrous or chipped materials, organic plastics, magnesite tiles, hardboard, or with a top layer of other materials
    • E04F15/107Flooring or floor layers composed of a number of similar elements of other materials, e.g. fibrous or chipped materials, organic plastics, magnesite tiles, hardboard, or with a top layer of other materials composed of several layers, e.g. sandwich panels
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B32LAYERED PRODUCTS
    • B32BLAYERED PRODUCTS, i.e. PRODUCTS BUILT-UP OF STRATA OF FLAT OR NON-FLAT, e.g. CELLULAR OR HONEYCOMB, FORM
    • B32B21/00Layered products comprising a layer of wood, e.g. wood board, veneer, wood particle board
    • B32B21/02Layered products comprising a layer of wood, e.g. wood board, veneer, wood particle board the layer being formed of fibres, chips, or particles, e.g. MDF, HDF, OSB, chipboard, particle board, hardboard
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B32LAYERED PRODUCTS
    • B32BLAYERED PRODUCTS, i.e. PRODUCTS BUILT-UP OF STRATA OF FLAT OR NON-FLAT, e.g. CELLULAR OR HONEYCOMB, FORM
    • B32B27/00Layered products comprising a layer of synthetic resin
    • B32B27/28Layered products comprising a layer of synthetic resin comprising synthetic resins not wholly covered by any one of the sub-groups B32B27/30 - B32B27/42
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B32LAYERED PRODUCTS
    • B32BLAYERED PRODUCTS, i.e. PRODUCTS BUILT-UP OF STRATA OF FLAT OR NON-FLAT, e.g. CELLULAR OR HONEYCOMB, FORM
    • B32B29/00Layered products comprising a layer of paper or cardboard
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B32LAYERED PRODUCTS
    • B32BLAYERED PRODUCTS, i.e. PRODUCTS BUILT-UP OF STRATA OF FLAT OR NON-FLAT, e.g. CELLULAR OR HONEYCOMB, FORM
    • B32B3/00Layered products comprising a layer with external or internal discontinuities or unevennesses, or a layer of non-planar form ; Layered products having particular features of form
    • B32B3/02Layered products comprising a layer with external or internal discontinuities or unevennesses, or a layer of non-planar form ; Layered products having particular features of form characterised by features of form at particular places, e.g. in edge regions
    • B32B3/06Layered products comprising a layer with external or internal discontinuities or unevennesses, or a layer of non-planar form ; Layered products having particular features of form characterised by features of form at particular places, e.g. in edge regions for securing layers together; for attaching the product to another member, e.g. to a support, or to another product, e.g. groove/tongue, interlocking
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B44DECORATIVE ARTS
    • B44CPRODUCING DECORATIVE EFFECTS; MOSAICS; TARSIA WORK; PAPERHANGING
    • B44C5/00Processes for producing special ornamental bodies
    • B44C5/04Ornamental plaques, e.g. decorative panels, decorative veneers
    • B44C5/0469Ornamental plaques, e.g. decorative panels, decorative veneers comprising a decorative sheet and a core formed by one or more resin impregnated sheets of paper
    • B44C5/0476Ornamental plaques, e.g. decorative panels, decorative veneers comprising a decorative sheet and a core formed by one or more resin impregnated sheets of paper with abrasion resistant properties
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/02005Construction of joints, e.g. dividing strips
    • E04F15/02033Joints with beveled or recessed upper edges
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/10Flooring or floor layers composed of a number of similar elements of other materials, e.g. fibrous or chipped materials, organic plastics, magnesite tiles, hardboard, or with a top layer of other materials
    • E04F15/102Flooring or floor layers composed of a number of similar elements of other materials, e.g. fibrous or chipped materials, organic plastics, magnesite tiles, hardboard, or with a top layer of other materials of fibrous or chipped materials, e.g. bonded with synthetic resins
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B32LAYERED PRODUCTS
    • B32BLAYERED PRODUCTS, i.e. PRODUCTS BUILT-UP OF STRATA OF FLAT OR NON-FLAT, e.g. CELLULAR OR HONEYCOMB, FORM
    • B32B2419/00Buildings or parts thereof
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/02038Flooring or floor layers composed of a number of similar elements characterised by tongue and groove connections between neighbouring flooring elements
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/01Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship
    • E04F2201/0138Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels perpendicular to the main plane
    • E04F2201/0146Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels perpendicular to the main plane with snap action of the edge connectors
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/01Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship
    • E04F2201/0153Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by rotating the sheets, plates or panels around an axis which is parallel to the abutting edges, possibly combined with a sliding movement

Abstract

Vloerpaneel met een substraat (8) en een toplaag van laminaat (7), dat aan één of meerdere randen (4-5) voorzien is van een lager randgebied (28), daardoor gekenmerkt dat het laminaat (7) zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak (29) van het substraat (8) over het lagere randgebied (28) uitstrekt minstens tot op een punt (32) waarbij het laminaatoppervlak (30) zich op een niveau (L) bevindt dat het voornoemde substraat (8) snijdt en dat het substraatmateriaal (8) ter plaatse van het lagere randgebied (28) eenzelfde of lagere densiteit vertoont dan aan het eigenlijke bovenoppervlak (29) van het substraatmateriaal (8). De uitvinding betreft ook een werkwijze voor het verwezenlijken van dergelijke vloerpanelen (1).

Description

Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.

Deze uitvinding heeft betrekking op vloerpanelen, alsmede op een werkwijze voor het vervaardigen van dergelijke vloerpanelen.

Meer speciaal heeft de uitvinding betrekking op vloerpanelen met een substraat en een toplaag van laminaat. Dergelijke vloerpanelen zijn op zich ruim bekend bijvoorbeeld uit het WO 97/47834. Hierbij kan het bijvoorbeeld vloerpanelen betreffen met e'en substraat dat hoofdzakelijk bestaat uit een HDF plaat met een direct daarop verperste laminaatlaag die één of meerdere in melaminehars gedrenkte papiervellen omvat, waaronder bij voorkeur ook een papiervel met een bedrukking in bijvoorbeeld een hout- of steenmotief, namelijk een zogenaamd decorpapier.

Aangezien een melamine-oppervlak op zich een monotoon en soms plastiekerig uitzicht aan de panelen kan geven, zijn in de stand van de techniek verschillende mogelijkheden bekend om aan dit oppervlak een meer aansprekend uitzicht te verlenen.

Uit het WO 01/96689, het WO 2006/063803, het WO 2006/066776 en het WO 2007/054812 is het bijvoorbeeld bekend om het melamine-oppervlak van een houtstructuur te voorzien die overeenstemt met de onderliggende bedrukking in houtmotief. Dergelijke structuur doorbreekt het monotone uitzicht van de panelen.

Uit het WO 01/96688 is het gekend om aan de randen van de vloerpanelen een materiaalgedeelte te verwijderen ter vorming van een afschuining. Het oppervlak van de afschuining gaat hierbij tot in de onderliggende HDF plaat en wordt voorzien van een afzonderlijke decoratieve bekleding. Dergelijke afschuiningen kunnen een plank-effect in de vloer bewerkstelligen waarbij de naast elkaar geïnstalleerde panelen beter naar voor komen in de vloerbekleding. De afschuiningen van het WO’688 zijn echter gevoelig aan wateipenetratie via het afgeschuind oppervlak. Bovendien kan de afzonderlijke bekleding van de afschuiningen kleurverschillen vertonen met de bedrukking van het laminaatoppervlak. Door middel van een digitaal uitgevoerde bedrukking op het afgeschuind oppervlak poogt het WO 2007/054812 hier een oplossing aan te bieden. Het WO 2006/063803 geeft als alternatief voor afschuiningen ook lagere randgebieden weer in de vorm van een rechthoekige uitsparing met horizontale bodem.

Uit het WO 2006/066776 is het gekend om aan de randen van de vloerpanelen verlaagde randgebieden te voorzien door middel van indrukkingen van het laminaatoppervlak die zich doorzetten tot in het substraat. De hier weergegeven randgebieden strekken zich vanop het laminaatoppervlak over een grote afstand uit naar de rand. Ze zijn eerder licht glooiend, en kunnen niet als afschuiningen worden aanzien. Wanneer het laminaatoppervlak zich tot op de rand van de vloerpanelen uitstrekt zijn geen ongewenste kleurverschillen mogelijk en kan een betere watervastheid van de panelen worden vermoed. Zoals geopenbaard in het WO’776 sluiten aangrenzende vloerpanelen ter hoogte van dergelijke verlaagde randgebieden niet altijd perfect aan, en kan het substraat ter plaatse van een dergelijke rand storend zichtbaar worden aan het bovenoppervlak. Speciale technieken kunnen dan worden toegepast om een betere aansluiting te bereiken, zoals het voorzien van een afschuining op de betreffende rand aan de hand van de techniek van het eerder genoemde WO 01/96688. Het vervormen van het laminaatoppervlak en het zich daaronder bevindende substraatmateriaal, overeenkomstig het WO’776 vereist bijzondere beheersing van het laminatieproces, speciale werktuigen, met name persblekken, en eventuele aanpassingen aan het HDF materiaal. Bovendien hebben de uitvinders vastgesteld dat het ter plaatse van de lagere randgebieden samengedrukte HDF materiaal aan kwaliteit verliest. Dit kan zich uiten in het licht opstaan of naar boven uitstulpen van de laminaatranden en eventueel het vervroegd loslaten van het laminaat van het substraatmateriaal ter hoogte van deze randen, wat nefast is voor de waterwerendheid en de slijtageweerstand van de panelen. Vermoedelijk breken of verzwakken de verbindingen tussen de houtvezels door de extreme druk die erop is uitgeoefend bij het vormen van de lagere randgebieden en leidt dit tot de hierbovengenoemde negatieve effecten. De uitvinders hebben verder nog vastgesteld dat de kras-en/of slijtweerstand op het laminaatoppervlak ter plaatse van de verlaagde randgebieden kleiner kan zijn dan op het eigenlijk oppervlak van het paneel. Er is vastgesteld dat eventuele harde partikels die in het hars zijn voorzien de neiging hebben zich bij de persbewerking, samen met een hoeveelheid hars, te verplaatsen naar hoger gelegen gebieden, zodat de overblijvende laminaatlaag ter plaatse van het lager gelegen randgebied minder effectief is.

Uit het WO 2005/051655 is het gekend het oppervlak van het substraat te vormen vooraleer de laminaatlaag erop wordt aangebracht. Op deze manier wordt in het oppervlak van het uiteindelijke paneel een macrostructuur bereikt bijvoorbeeld voor het imiteren van cementvoegen of slijtsporen. Uit het BE 1019453 is het gekend een dergelijke techniek toe te passen voor het verwezenlijken van afschuiningen op de rand van de vloerpanelen. Het laminaatoppervlak strekt zich hierbij uit tot op het oppervlak van de afschuiningen. De afschuiningen zijn ondiep en gelijkaardige storende effecten tussen slecht aansluitende panelen kunnen ontstaan als in het WO 2006/066776.

De huidige uitvinding beoogt in de eerste plaats een alternatief vloerpaneel aan te bieden waarbij een oplossing wordt geboden voor één of meerdere van de problemen met de panelen uit de stand van de techniek.

Hiertoe betreft de uitvinding, volgens een eerste onafhankelijk aspect, een vloerpaneel met een substraat en een toplaag van laminaat, waarbij het voomoemde vloerpaneel aan één of meerdere randen voorzien is van een lager randgebied in de vorm van een vellingkant of andere afkanting, met als kenmerk dat het voomoemde laminaat zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak van het substraat over het lagere randgebied uitstrekt minstens tot op een punt waarbij het laminaatoppervlak zich op een niveau bevindt in een horizontaal vlak dat het voomoemde substraat snijdt en dat het substraatmateriaal ter plaatse van het lagere randgebied nagenoeg eenzelfde, eenzelfde of lagere densiteit vertoont dan aan het eigenlijke bovenoppervlak van het substraatmateriaal. Met het doorlopende laminaatoppervlak kan een uitstekende kleurovereenstemming tussen het lagere randgebied en het laminaat op het eigenlijke bovenoppervlak worden bereikt en wordt een waterdichte laag op het lagere randgebied verkregen Doordat het lagere randgebied relatief diep is uitgevoerd is een eventuele slechte aansluiting tussen aanliggende vloerpanelen in een vloerbekleding minder storend. Bovendien betekent het ontbreken van een significante densiteitsverhoging van het substraatmateriaal ter plaatse van het lagere randgebied een waarborg voor de kwaliteit van het substraatmateriaal op deze rand.

Bij voorkeur bevindt het voomoemde niveau zich op een diepte van minstens één millimeter, en bij voorkeur een diepte van minder dan drie millimeter, onder de bovenzijde, of het hoogste punt, van het laminaatoppervlak dat zich op het voomoemde eigenlijke bovenoppervlak van het substraat bevindt.

Onafhankelijk van de eigenlijke diepte van het voomoemde niveau onder de bovenzijde, of hoogste punt, van het laminaat aan het eigenlijke bovenoppervlak bedraagt deze volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm minstens 60 percent van de horizontale afstand, of breedte, waarover het lager gelegen randgebied zich uitstrekt, en beter nog 85 percent of meer. Idealiter wordt een verhouding bekomen tussen de diepte en de horizontale afstand gelegen tussen 80 en 150 percent. Waarbij de voomoemde horizontale afstand wordt bepaald vanaf het punt waar het laminaatoppervlak start te verlagen, tot op de rand ervan. Met de huidige voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt een diep randgebied bekomen waardoor eventuele slechte aansluiting of andere storende effecten tussen aanliggende panelen nauwelijks kan worden opgemerkt.

Bij voorkeur daalt het niveau van het laminaatoppervlak vanop het eigenlijke bovenoppervlak continu tot op het lagere randgebied. Hiermee wordt bedoelt dat er geen tussenliggende gebieden zijn waar het laminaatoppervlak stijgt. Het uitsluiten van dergelijke gebieden nabij het verlaagde randgebied is van bijzonder belang voor het voorkomen van vroege slijtage.

Bij voorkeur is het voomoemde lagere randgebied uitgevoerd met een geheld oppervlak, bijvoorbeeld als een afschuining die globaal gezien een hoek insluit met het eigenlijke bovenoppervlak van meer dan 30°, bijvoorbeeld van 35° tot 60°, en bij voorkeur ongeveer 45°. Bij voorkeur is ook de tegenoverliggende rand van het vloerpaneel voorzien van een dergelijk lager randgebied, zodanig dat bij aansluiting met een gelijkaardig paneel een V-groef gevormd wordt in de vloerbekleding. Bij voorkeur strekt het gehelde oppervlak van het lagere randgebied zich uit tot op de eigenlijke rand van het vloerpaneel.

Andere typen van lagere randgebieden zijn uiteraard niet uitgesloten. Zo bijvoorbeeld kan het lager randgebied in samenwerking met een tegenoverliggend randgebied van een gelijkaardig vloerpaneel tot een eerder rechthoekige uitsparing of U-vormige groef in de vloerbekleding leiden, namelijk een groef met een nagenoeg horizontale bodem. Hierbij is het mogelijk dat elke van de tegenoverliggende randen een gedeelte van de nagenoeg horizontale bodem vormen, of dat één van de tegenoverliggende randen de volledige bodem vormt, terwijl de andere rand niet van een lager randgebied is voorzien.

Het verlaagde randgebied kan al dan niet met een langsheen de betreffende rand variërende geometrie zijn uitgevoerd. Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm vertoont het verlaagde randgebied varieert minstens de breedte ervan langsheen de betreffende rand. Dergelijke variatie in breedte kan over een substantieel deel van de lengte van de betreffende rand plaatsvinden of eerder plaatselijk zijn. De huidige uitvinding laat dergelijk variërend randgebied bij uitstek toe. Door de relatief lage densiteit op het oppervlak van het substraatmateriaal ter plaatse van het verlaagde randgebied kan efficiënt een beperkte vervorming worden bereikt.

Volgens nog een bijzondere uitvoeringsvorm vertoont het laminaatoppervlak ter plaatse van het verlaagde randgebied ook een oppervlaktestructuur, bijvoorbeeld een houtstructuur of steenstructuur, naargelang het motief in het laminaat. In het geval van een houtstructuur kan bijvoorbeeld een structuur van houtporen worden toegepast, al dan niet in overeenstemming met de eronder gelegen houtprint.

Bij voorkeur bestaat het substraat hoofdzakelijk uit een HDF plaat met een gemiddelde densiteit van meer dan 800 kilogram per kubieke meter, waarbij voomoemde HDF plaat minstens het voornoemde eigenlijke bovenoppervlak van het substraat en het substraatoppervlak ter plaatse van het lagere randgebied vormt. Bij voorkeur betreft het een HDF plaat van het type dat aan zijn beide oppervlakken een locaal hogere densiteit vertoont, zogenaamde piekdensiteit, die minstens 110% van de gemiddelde densiteit bedraagt. Het is duidelijk dat in dergelijk geval het meer centraal in de dikte gelegen HDF materiaal een densiteit vertoont die lager is dan de gemiddelde densiteit, en, bijvoorbeeld, minder dan 90% van deze gemiddelde densiteit vertoont. Bij voorkeur vertoont het voornoemde substraat aan het eigenlijk substraatoppervlak een densiteit van meer dan 900 kilogram per kubieke meter. In het geval van een HDF plaat met een piekdensiteit van minstens 110% van de gemiddelde densiteit strekt het voomoemde lagere randgebied zich bij voorkeur dieper uit dan de zone met voomoemde piekdensiteit, namelijk bij voorkeur tot in een zone die een densiteit vertoont die overeenstemt met de gemiddelde densiteit of minder.

Bij voorkeur is het voomoemde laminaat gevormd op basis van melaminehars of een ander thermohardend hars, en eventueel één of meerdere papiervellen. Bij voorkeur omvat het laminaat minstens een bedrukt en van hars voorzien papiervel en bij voorkeur een erboven aangebracht met hars voorzien doorzichtig of doorschijnend papiervel.

Het laminaat kan verder zich boven de bedrukking bevindende slijtvaste partikels omvatten.

Bij voorkeur is het laminaat zonder bijkomende tussenliggende lijm of harslagen op het substraatmateriaal gehecht, namelijk zowel op het eigenlijke bovenoppervlak als ter plaatse van het lagere randgebied. Het laminaat betreft bij voorkeur een laminaat van het type DPL (“Direct Pressure Laminate”). Bijzonder aan een DPL techniek is dat de laminaatlaag gevormd wordt door het middels een persbewerking consolideren van minstens een decorpapier en één of meer lagen synthetisch materiaal, al dan niet voorzien op het decorpapier bijvoorbeeld door middel van een impregnatietechniek. Het synthetisch materiaal betreft hierbij een thermisch uithardend materiaal, zoals melaminehars. Het consolideren houdt minstens een uitharding of vemetting in van het thermisch uithardend synthetisch materiaal. Op hetzelfde moment, namelijk aan de hand van één en dezelfde persbewerking, wordt deze laminaatlaag op het substraat bevestigd. In het kader van de huidige uitvinding wordt dan bij voorkeur een hechting bereikt zowel op het eigenlijke bovenoppervlak van het substraat als op het oppervlak van het verlaagde randgebied, bijvoorbeeld op een afschuining. Bij de meest voorkomende DPL panelen wordt de laminaatlaag samengesteld uit een van thermohardend hars voorzien bedrukt decorpapier en een erboven aangebrachte transparante laag die thermohardend hars bevat, ook wel overlay genoemd. Aan de onderzijde van het substraatmateriaal wordt tijdens dezelfde persbewerking bij voorkeur ook een harslaag voorzien, bijvoorbeeld minstens een in hars gedrenkt papiervel. Deze dient als balanceerlaag voor eventuele trekspanningen in de laminaatlaag op het bovenoppervlak, zodat een stabiel verperst geheel kan worden bereikt.

Zoals voornoemd vertoont het vloerpaneel bij voorkeur aan minstens twee tegenoverliggende randen dergelijke lagere randgebieden. Hierbij bevindt het respectievelijk punt tot waar het laminaatoppervlak zich uitstrekt zich bij beide lagere randgebieden bij voorkeur op een gelijk horizontaal niveau of praktisch gelijk horizontaal niveau, waarbij een eventueel verschil in horizontaal niveau minder dan de dikte van het laminaat bedraagt. Hiermee wordt bereikt dat het substraatmateriaal niet zichtbaar kan worden ter plaatse van twee aansluitende vloerpanelen. Doordat de densiteit van het substraatmateriaal ter plaatse van het verlaagde randgebied nagenoeg gelijk is aan, en bij voorkeur zelfs lager is dan het substraatmateriaal aan het eigenlijke bovenoppervlak, kan een meer nauwkeurige aansluiting van aangrenzende vloerpanelen worden bereikt.

Met hetzelfde doel als in het eerste aspect betreft de huidige uitvinding volgens een tweede onafhankelijk aspect nog een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, waarbij deze vloerpanelen minstens een substraat en een toplaag van laminaat vertonen en waarbij het voornoemde vloerpaneel aan één of meerdere randen voorzien is van een lager randgebied, bijvoorbeeld in de vorm van een vellingkant of andere afkanting, waarbij de werkwijze minstens de volgende stappen omvat: - de stap van het voorzien van een basisplaat van het materiaal van het voomoemde substraat en het structureren van het bovenoppervlak van voornoemde basisplaat, waarbij deze structuur minstens bestaat uit een uitsparing in het bovenoppervlak van de basisplaat ter plaatse van voornoemd lager randgebied; - de stap van het samenstellen van een stapel die minstens de gestructureerde basisplaat en één of meerdere melamineharslagen en eventueel papierlagen omvat; - de stap van het verpersen van voornoemde stapel in een verwarmde pers, waarbij het voomoemde melaminehars uithardt en deze samen met de eventuele papierlagen een op het substraat gehechte laminaatlaag vormt, en waarbij deze laminaatlaag zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak van de basisplaat tot in voomoemde uitsparing uitstrekt minstens tot op een punt waarbij het laminaatoppervlak zich op een niveau bevindt in een horizontaal vlak dat het voomoemde substraat snijdt; - de stap van het opdelen van het verperste geheel in panelen waaruit voomoemde vloerpanelen kunnen worden gevormd; - de stap van het afwerken van voomoemde panelen tot voomoemde vloerpanelen, waarbij een rand van voomoemde uitsparing het voomoemde lagere randgebied vormt.

De stap van het structureren van het bovenoppervlak van het substraatmateriaal wordt bij voorkeur uitgevoerd door middel van één of meerdere verspanende werktuigen, bijvoorbeeld roterende werktuigen, zoals zagen en/of frezen. Het is echter niet uitgesloten dat voor het bereiken van de stmctuur in de basisplaat vervormingsbewerkingen zouden worden uitgevoerd, zoals persbewerkingen door middel van één of meerdere persplaten en of persrollen. Volgens een bijzondere mogelijkheid wordt de structuur van het bovenoppervlak van de basisplaat minstens gedeeltelijk bereikt door het selectief en/of variërend opbrengen van materiaal, zoals bijvoorbeeld een mengsel van houtdeeltjes en lijm, zoals melamine- en/of ureumformaldehydehars, waarbij de voomoemde één of meerdere uitsparingen dan gevormd worden op die plaatsen waar geen of minder materiaal is aangebracht. Volgens een ander voorbeeld kunnen één of meerdere in hars gedrenkte papierstroken, of underlays, aangewend worden om een plaatselijke verhoging van het oppervlak te bereiken, waarbij de voornoemde uitsparingen dan minstens gedeeltelijk gevormd worden door de naden tussen voornoemde papierstroken. Het is uiteraard niet uitgesloten dat twee of meerdere van de hierboven genoemde mogelijkheden voor het verwezenlijken van een structuur aan het bovenoppervlak van de basisplaat zouden worden gecombineerd.

Volgens de meest voorkeurdragende uitvoeringsvorm bestaat het bovenoppervlak van de gestructureerde basisplaat eendelig uit het materiaal van de basisplaat zelf, zodat, met andere woorden, geen materiaal is toegevoegd voor het vormen van de voomoemde structuur.

Bij voorkeur betreft de werkwijze van de uitvinding een uitvoering van de hoger nog genoemde DPL techniek. Bij de gekende DPL techniek kunnen melkachtige vlekken ontstaan in het melaminehars en/of laat de kras- en/of slijtvastheid van het laminaatoppervlak te wensen over. De huidige werkwijze biedt hieraan een oplossing in het geval van panelen die met lagere randgebieden dienen te worden voorzien. Door het voorvormen van de basisplaat ter plaatse van het lager gelegen randgebied is een eventuele densiteitsverhoging daar minder groot. Hierdoor worden eventuele kwaliteitsverliezen van het substraatmateriaal en/of de laminaatlaag op de rand minder relevant.

Bij voorkeur bestaan één of meerdere van de voomoemde papierlagen uit zich naast elkaar bevindende papierstroken, waarbij het voomoemde opdelen dan bij voorkeur minstens plaatsvindt ter plaatse van de randen van aanliggende papierstroken. Het kan bijvoorbeeld gaan om het voorzien van een decorpapier en/of een overlay in stroken. Het werken met afzonderlijke papierstroken vermindert het risico op het optreden van scheuren met name in de buurt van het verlaagde randgebied. Scheuren kunnen voorkomen doordat het oppervlak van het verlaagd randgebied beduidend groter kan zijn dan een equivalent gebied met dezelfde breedte dat niet is verlaagd. Zeker in die gevallen waarbij het oppervlak van het lagere randgebied minstens 125% bedraagt van een gebied met dezelfde breedte dat niet is verlaagd, is het voorzien van afzonderlijke papierstroken nuttig. Zo bijvoorbeeld is dit gewenst bij een afschuining van ongeveer 45°, vermits het oppervlak van dergelijke afschuining ongeveer 140% van een equivalent niet ingedrukt gebied bedraagt. Er kan verwacht worden dat de papierstroken bij het uitvoeren van de persbewerking uit elkaar zullen bewegen, of, met andere woorden, een grotere onderlinge afstand zullen vertonen dan het geval was in de voomoemde stapel voor het verpersen. Hierdoor kunnen mogelijks naden in het decor van het verperste geheel zichtbaar worden. Om deze reden is het nuttig het voomoemde opdelen dan bij voorkeur minstens te laten plaatsvinden ter plaatse van dergelijke naden.

Het is duidelijk dat voor het bekomen van een voldoende slijt- en/of krasweerstand bij voorkeur minstens één van melamineharslagen vaste en/of harde partikels, bij voorkeur harde partikels, omvat, in een positie waarbij zij zich boven het eventuele decor of bedrukking bevinden. In het algemeen betreft het hierbij bij voorkeur harde partikels die harder zijn dan het melaminehars waarin ze zich uiteindelijk in het paneel bevinden. Bij voorkeur betreft het keramische partikels, zoals partikels uit aluminiumoxide, siliciumcarbide of dergelijke. Bij voorkeur vertonen de partikels een gemiddelde diameter gelegen tussen 20 en 200 micrometer, waarbij een gemiddelde diameter gelegen tussen 50 en 100 micrometer voorkeurdragend is. Wanneer meer dan één, bijvoorbeeld minstens twee, van de melamineharslagen vaste en/of harde partikels omvat, betreft het bij voorkeur minstens twee lagen die harde partikels van een gelijk materiaal omvatten, doch, bij voorkeur, van een verschillende gemiddelde diameter. Zo bijvoorbeeld kunnen in een tweede laag, die zich bij voorkeur dichter bij het laminaatoppervlak bevindt, partikels met een kleinere gemiddelde diameter worden toegepast, bijvoorbeeld met een gemiddelde diameter gelegen tussen 15 en 45 micrometer. De werkwijze van de uitvinding vertoont het voordeel dat het risico wordt beperkt dat harde partikels die aanwezig zijn in het melaminehars bestemd voor het lagere randgebied migreren naar hoger gelegen gebieden. Op die manier kan ook op het oppervlak van het lager gelegen randgebied een uitstekende slijt- en/of krasweerstand worden bekomen, of op zijn minst toch een weerstand die vergelijkbaar is met die van het eigenlijk bovenoppervlak.

Zoals voornoemd wordt voor het thermisch uithardend hars van het decoipapier bij voorkeur gekozen voor een hars op basis van melamine, bijvoorbeeld voor melamineformaldehyde. Uiteraard kan het hars één of meerdere toevoegmiddelen omvatten. Als toevoegmiddelen kunnen vloeiverbeteraars, zoals polyglycolether, epsilon-caprolactam, ethyleenglycol, ftaalzuur, ftaalzuurester of butaandiol, harders, zoals maleïnezuur, monobutylfosforzuur, p-toluolsulfonzuur, citroenzuur, een mengsel van één of meerdere van deze zuren, aluminiumsulfaat, ammoniumchloride of ammoniumsulfaat of andere zuren of zouten die in oplossing een zure pH opleveren, lossingsmiddelen, en dergelijke meer worden toegepast. Een bijzonder nuttig toevoegmiddel is een gedeelte van een acrylaathars, een polyol, zoals butaandiol of polyurethandiol, een polyolacrylaat of een ander hydroxyfunctioneel acrylaat. Dergelijk hars kan minstens gedeeltelijk worden vernet of uitgehard, terwijl toch nog een voldoende verwerkbaarheid van het decorpapier of te bedrukken papier wordt behouden. Deze eigenschap heeft zich aan de uitvinders nuttig getoond voor het met verbeterde herhaalbaarhied uitvoeren van de werkwijze van de uitvinding. Het werken met hydroxyfunctioneel acrylaat, of met andere woorden met een acrylaat dat een OH-groep omvat, heeft als voordeel dat OH-groepen in de melamine kunnen worden ingebracht doordat het acrylaat oplosbaar is in melamine.

Er kan bijvoorbeeld gewerkt worden met 30-75 gewichtsdelen vloeibaar melamineformaldehydehars met bijvoorbeeld 15 tot 45 gewichtspercent vaste stof, 5-10 gewichtsdelen van een polyol of polyolacrylaat en 2-3 gewichtsdelen vloeiverbeteraar.

Er wordt opgemerkt dat mogelijks minstens één van voomoemde één of meerdere melamineharslagen op vloeibare wijze in de stapel zijn aangebracht, bijvoorbeeld terwijl het decorpapier zich reeds op het substraat bevindt.

Zoals voomoemd worden bij voorkeur ook aan de onderzijde van het substraat één of meerdere lagen synthetisch materiaal, bij voorkeur eveneens een thermisch uithardend hars, opgebracht, ter vorming van een damp- en/of waterdichte laag. Deze één of meerdere lagen geven aanleiding tot het ontstaan van een balanceereffect voor het compenseren van eventuele residuele spanningen in de toplaag. Voor het verwezenlijken van dergelijke tegenlaag kan gebruik gemaakt worden van de technieken beschreven in het WO 2010/084466, waarbij een papiervrije balanceerlaag wordt bekomen op basis van vloeibaar opgebracht polycondenserend hars. Het is echter niet uitgesloten dat voor de tegenlaag of balanceerlaag zou worden gewerkt met een van hars voorzien dragervel, zoals een papiervel, dat aan de onderzijde van het substraat in de te verpersen stapel wordt opgenomen.

Bij voorkeur wordt bij voomoemde stap van het verpersen, naast het verwezenlijken van de lagere randgebieden, bij voorkeur nog een reliëf of oppervlaktestructuur gerealiseerd minstens aan het eigenlijke oppervlak van de laminaatpanelen. Bij voorkeur is de aangewende persdruk in het kader van het tweede aspect minder dan 60 bar (6 MPa), of zelfs minder dan 40 bar (4 MPa). De aangewende perstemperatuur is bij voorkeur groter dan 100°C en kan oplopen tot 200°C. De benodigde perstemperatuur kan worden beïnvloed door het toepassen van boven nog vermelde hardingskatalysatoren of harders. Aan de hand van bovenstaande persparameters kan een perstijd gelegen tussen 12 en 32 seconden volstaan, bij voorkeur kan gewerkt worden met een perstijd gelegen tussen 17 en 25 seconden.

Volgens een variante kunnen alle aspecten van de uitvinding ook bij andere laminaatpanelen dan vloerpanelen worden aangewend. Het kan bijvoorbeeld uiteindelijk gaan om vloerpanelen, plafondpanelen, wandpanelen of meubelpanelen.

Volgens alle aspecten en afwijkende varianten betreft de persbewerking uit de stap van het verpersen bij voorkeur een persbewerking aan de hand van een open-en-dichtgaande pers, namelijk een zogenaamd Kurztaktpers of Single-Daylight pers. Hierbij wordt bij voorkeur een perselement aangewend in de vorm van een gestructureerd persblek. De structuur van het persblek wordt tijdens voomoemde persbewerking gekopieerd in het oppervlak van de laminaatpanelen. Voor voorbeelden van mogelijke persblekken wordt verwezen naar het eerder al genoemde WO 2006/066776.

Zoals voomoemd kan het vloerpaneel van de uitvinding of meer speciaal het verlaagde randgebied, volgens alle aspecten, een in langsrichting van de betreffende rand variërende geometrie vertonen. Het kan hierbij gaan om een eerder lokale afwijking van een voor het overige in hoofdzaak constante geometrie, of om een variatie die zich in hoofdzaak over de volledige lengte van het verlaagde randgebied uitstrekt. In beide gevallen wordt het bovenoppervlak van het substraatmateriaal bij voorkeur van een constante structuur voorzien, terwijl de voomoemde variaties van de geometrie van het uiteindelijk bekomen verlaagde randgebied bij voorkeur bereikt worden bij het verpersen van de stapel, namelijk bijvoorbeeld aan de hand van een daarbij aangewend gestructureerd perselement of persblek. Het is uiteraard ook mogelijk om de variatie in geometrie reeds in enige mate te voorzien in de gestructureerde basisplaat, hetzij door middel van een verspanende bewerking, zoals frezen, hetzij door middel van vervorming, zoals door persen van het oppervlak van de basisplaat.

Het is duidelijk dat, in het kader van de huidige uitvinding, met thermisch uithardend bedoeld wordt dat het betreffende materiaal irreversibel uithardt bij warmte-toevoer. Dit in tegenstelling tot thermoplastische materialen die smelten toelaten. Bij voorkeur wordt voor het thermisch uithardend materiaal gewerkt met een materiaal dat uithardt door polycondensatie. In de plaats van met melaminegebaseerd hars, kan voor het polycondenserend materiaal ook gewerkt worden met ureum of melamine-ureumgebaseerd hars, zoals met ureumformaldehyde of met melamineureumformaldehyde.

Volgens alle aspecten van de uitvinding wordt uiteindelijk in de toplaag van het paneel een hoeveelheid thermisch uithardend materiaal toegepast die bij voorkeur gelegen is tussen 30 en 200 gram per vierkante meter, of beter nog gelegen tussen 50 en 150 gram per vierkante meter droog gewicht. Bij een eventuele tegenlaag of balanceerlaag kunnen dezelfde grenzen worden gehanteerd, hetgeen niet noodzakelijk aanleiding hoeft te geven tot een even grote harshoeveelheid. Bij voorkeur wijkt de harshoeveelheid in de balanceerlaag maximaal 20 percent af van de harshoeveelheid in de toplaag.

Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin:

Figuur 1 in perspectief een vloerpaneel weergeeft met de kenmerken van de uitvinding;

Figuren 2 en 3 op grotere schaal een dwarsdoorsnede weergeven respectievelijk volgens de in figuur 1 weergegeven lijnen II-II en IÏI-III;

Figuur 4 in een zicht gelijkaardig aan dat van figuur 2 een variante weergeeft; Figuur 5 op grotere schaal het vloerpaneel van figuur 4 weergeeft in gekoppelde toestand;

Figuur 6 op grotere schaal een zicht geeft op het gebied dat in figuur 2 met F6 is aangeduid; en

Figuur 7 schematisch enkele stappen weergeeft in een werkwijze volgens het tweede aspect van de uitvinding;

Figuur 8 op grotere schaal een zicht weergeeft volgens de op figuur 7 weergegeven pijl F8; en

Figuren 9 en 10 in een gelijkaardig zicht varianten weergeeft.

Figuur 1 geeft een decoratief panel weer, meer special een vloerpaneel 1, in overeenstemming met de uitvinding. Het paneel 1 is rechthoekig en langwerpig en omvat een paar tegenoverliggende korte randen 2-3 en een paar tegenoverliggende lange randen 4-5. De decoratieve toplaag 6 is gevormd door een laminaat 7.

Figuur 2 geeft duidelijk weer dat het decoratieve paneel 1 een substraat 8 omvat waarop het laminaat 7 is voorzien, in dit geval door middel van een DPL techniek zonder bijkomende hars- of lijmlagen. Hiertoe is het laminaat 7 gevormd op basis van een thermohardend hars, namelijk melaminehars 9. Het substraatmateriaal 8 vertoont in het voorbeeld een gemiddelde densiteit van meer dan 800 kilogram per kubieke meter. In dit geval gaat het om een HDF plaatmateriaal met een gemiddelde densiteit van 900 kilogram per vierkante meter en een oppervlaktedensiteit of piekdensiteit van meer dan 1000 kilogram per vierkante meter. Aan de randen 2-3 en 4-5 zijn mechanische koppelmiddelen 10 door middel van frezen in het substraatmateriaal gevormd. Aan de onderzijde van het substraatmateriaal 8 is een tegenlaag 11 voorzien aan de hand van dezelfde DPL techniek.

Figuren 2 en 3 geven weer dat beide paren van tegenoverliggende randen 2-3-4-5 voorzien zijn van mechanische koppelmiddelen 10 die hoofdzakelijk zijn verwezenlijkt als een tand 12 en een groef 13 begrensd door een bovenste lip 14 en een onderste lip 15, waarbij de tand 12 en de groef 12 in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de vergrendeling in een verticale richting V, en waarbij de tand 12 en de groef 13 voorzien zijn van additionele vergrendeldelen 16-17, die in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de vergrendeling in een horizontale richting H. Bij voorkeur bevatten de vergrendeldelen een uitsteeksel 16 aan de onderzijde van de tand 12 en een uitsparing 17 in de onderste groeflip 15. De koppelmiddelen 10 weergegeven in figuren 2 en 3 laten minstens een koppeling toe door middel van een rotatiebeweging W rond de betreffende randen 2-3-4-5 en/of een koppeling door middel van een schuifbeweging S op een hoofdzakelijk horizontale manier van de te koppelen randen 2-3-4-5 naar elkaar toe.

Figuren 4 en 5 geven een variante weer met een paar korte randen 2-3 die toelaten een koppeling te bekomen minstens door middel van een neerwaartse beweging D. Een rand 2 is voorzien van een mannelijk koppeldeel 18, terwijl de andere rand 3 voorzien is van een vrouwelijk koppeldeel 19. Door middel van de neerwaartse beweging D wordt het mannelijk koppeldeel 18 in het vrouwelijk koppeldeel 19 gedrukt om er te worden vergrendeld in de verticale richting V, ingevolge een paar van samenwerkende uitsteeksels 20 en uitsparingen 21. In dit geval is de uitsparing 21 gedeeltelijk gevormd door een veerkrachtig element 22 aanwezig in het vrouwelijk koppeldeel 19.

Figuur 6 geeft een detail weer van de bovenrand van het vloerpaneel uit figuur 2 en toont duidelijk dat het laminaat 7 is gevormd uit een in hars 9 gedrenkt papiervel met een bedrukking 24, namelijk een zogeheten decorpapier 23, en een zich erop bevindend in hars 9 gedrenkt doorzichtig of doorschijnend papiervel, namelijk een zogeheten overlay 25. Het laminaat 7 omvat verder nog slijtvaste partikels 26, in dit geval korandpartikels of A1203 partikels, op een positie waarbij ze zich in hoofdzaak boven de bedrukking 24 bevinden. De betreffende harde partikels 26 zijn bij voorkeur opgebracht via de overlay 25, meer bepaald via het hars 9 dat zich aan de onderzijde van de overlay 25 bevindt.

Er wordt opgemerkt dat de onderlinge diktes van de papiervellen en tussenliggende harslagen voor de duidelijkheid slechts schematisch zijn weergegeven. Zo bijvoorbeeld is de harslaag 27 tussen de onderzijde van het decorpapier 23 en het substraat 8 in de praktijk nauwelijks zichtbaar zijn en het decorpapier 23 maakt contact of nagenoeg contact met het substraat 8. Het betreft hier in het voorbeeld namelijk een harslaag 27 die is aangebracht via het decorpapier 23 en de verbinding met het substraat 8 verzorgt. Tijdens de persbewerking die het DPL-laminaat 7 vormt, dringt dit hars in hoofdzaak in het substraatmateriaal 8. Met betrekking tot de harslaag 28 tussen de overlay 25 en het decorpapier 23 wordt opgemerkt dat deze gedeeltelijk is opgedragen via de overlay 25 en gedeeltelijk via het decorpapier 23.

Volgens de uitvinding is het vloerpaneel uit de figuren 1 tot 6 aan één of meer randen 2-3-4-5 voorzien van een lager randgebied 28, waarbij het laminaat 7 zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak 29 van het substraat 8 over dit lager randgebied 28 uitstrekt. De lagere randgebieden 28 zijn in het voorbeeld uitgevoerd als een vellingkant of afschuining 30 die in dit geval een hoek A van ongeveer 60° insluit met het bovenoppervlak 31. Het laminaat 7 strekt zich over het lagere randgebied 28 uit minstens tot op een punt 32 waarbij het laminaatoppervlak zich op een niveau L bevindt in een horizontaal vlak dat het voomoemde substraat 8 snijdt. Ter plaatse van de lagere randgebieden 28 kan het laminaat 7 gemiddeld gezien een dikte TB vertonen die kleiner is van de globale dikte Tl van het laminaat 7. Dit verschil in dikte is dan bekomen doordat het laminaat 7 aan deze randen meer is samengedrukt of ingedrukt, maar dit hoeft niet noodzakelijk zo te zijn. Het laminaat 7 op het randgebied 28 kan ook nagenoeg dezelfde dikte TB vertonen als het laminaat 7 op het eigenlijke bovenoppervlak 29. Bij voorkeur bedraagt de gemiddelde dikte TB van het laminaat op de lagere randgebieden tussen 85% en 115% van de globale dikte Tl van het laminaat 7 op het eigenlijke bovenoppervlak 29 van het substraat 8.

Het substraatmateriaal 8 is ter plaatse van het verlaagde randgebied 28 nauwelijks of niet samengedrukt, zodat het substraatmateriaal 8 daar eenzelfde of lagere densiteit vertoont dan aan het eigenlijke bovenoppervlak 29. In dit geval strekt het laminaat 7 zich uit tot op een gedeelte substraatmateriaal 8 onder de zone 33 met de piekdensiteit, namelijk tot onder het niveau G waar de densiteit van het substraatmateriaal 8 overeenstemt met de gemiddelde densiteit.

Figuur 6 geeft verder weer dat het laminaat 7 zonder bijkomende harslagen of lijmlagen rechtstreeks bevestigd is op het substraat 8, namelijk zowel op het eigenlijke bovenoppervlak 29 als ter plaatse van het lagere randgebied 28. De voornoemde harde partikels 26 zijn aanwezig zowel ter plaatse van het eigenlijke bovenoppervlak 29, als ter plaatse van het lagere randgebied 28, en in dit geval zelfs in nagenoeg dezelfde concentratie.

Het niveau van het laminaatoppervlak 31 daalt vanop het eigenlijke bovenoppervlak 29 van het substraat 8 continu tot op het lagere randgebied 28, en, in dit geval, zelfs tot aan het voornoemde punt 32 op de rand van het vloerpaneel 1. In streeplijn 34 is een minder wenselijke situatie weergegeven waarbij dit niet het geval is, en nabij het lagere randgebied 28 een verheffing aanwezig is. Dergelijk effect treedt op wanneer men het lagere randgebied zou wensen te vormen door samenpersing van het substraatmateriaal 8. In dergelijk geval wordt namelijk een deel van het substraatmateriaal 8 weggeduwd naar de interne rand van het verlaagde randgebied 28. Zo ontstaat een verheffing op het oppervlak van het substraatmateriaal 8 die zich dan doorzet naar het laminaatoppervlak 31.

Figuur 6 geeft verder met streeplijn 35 nog weer dat het vloerpaneel uit de figuren 1 tot 6 aan minstens twee tegenoverliggende randen dergelijke lager randgebieden 28 vertoont, waarbij het respectievelijk punt 32 tot waar het laminaatoppervlak 31 zich uitstrekt zich bij beide lagere randgebieden 28 op een gelijk horizontaal niveau L bevindt. Het aansluiten van beide afschuiningen of lagere randgebieden 28 resulteert hier in een zogenaamde V-groef in het vloeroppervlak.

De verhouding diepte T over breedte B van het lagere randgebied 28 ligt tussen 80 en 150 percent, en bedraagt in dit geval ongeveer 137 percent. Hierbij wordt de breedte B bepaald vanaf het punt 36-36A waar het laminaatoppervlak 31 start te verlagen tot op de rand van het verlaagde randgebied 28, namelijk in dit geval tot aan het punt 32.

Figuur 7 geeft schematisch enkele stappen weer in een werkwijze voor het vervaardigen van laminaatvloerpanelen 1 met een verlaagd randgebied 28. Het betreft hierbij een werkwijze die minstens de volgende stappen omvat: - de stap SI van het voorzien van een basisplaat 37 van het materiaal van het substraat 8; - de stap S2 van het structureren van het bovenoppervlak 29 van voornoemde basisplaat 37, waarbij deze structuur minstens bestaat uit een uitsparing 38 in het bovenoppervlak 29 van de basisplaat 37 ter plaatse van voornoemd lager randgebied 28. De uitsparingen 38 kunnen bijvoorbeeld worden aangebracht door middel van een zaag-en/of freesinrichting, bijvoorbeeld een zaaginrichting met meerdere parallel opgestelde roterende zagen, waarbij elke zaag bij voorkeur één van voomoemde uitsparingen vormt. Zulke inrichting is hier niet weergegeven. Deze kan zich in-line met de persinrichting 39 uit de volgende stap S3 bevinden, of eventueel of-line; - de stap S3 van het samenstellen en verpersen van een stapel 40 die minstens de gestructureerde basisplaat 37 en één of meerdere melamineharslagen en eventueel papierlagen omvat. In dit geval omvat de stapel 40 bovenaan twee in melaminehars gedrenkte papiervellen, namelijk een decorpapier 23 en een overlay 25. Onderaan omvat de stapel 40 eveneens een in hars gedrenkt papiervel dat uiteindelijk dienst moet doen als balanceerlaag 11. In het voorbeeld omvatten zowel het deeorpapier 23 als de overlay 25 meerdere zich naast elkaar bevindende papierstroken 23A-23B;25A-25B, namelijk, in dit geval, één papierstrook 23A-23B per zich naast elkaar bevindend uiteindelijk vloerpaneel 1. Het is echter niet uitgesloten dat één papierstrook per twee of meerdere zich naast elkaar bevindende uiteindelijke vloerpanelen 1 zou worden aangewend. Het verpersen geschiedt in een verwarmde persinrichting 39. Bij het verpersen hardt het melaminehars 9 uit en vormt het hars samen met het decorpapier 23 en de overlay 25 een rechtstreeks op het substraat 8 gehechte laminaatlaag 7. Dit laminaat 7 strekt zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak 29 van de basisplaat 37 uit tot in de voomoemde uitsparing 38 minstens tot op een punt 32 waarbij het laminaatoppervlak 31 zich op een niveau L bevindt in een horizontaal vlak dat de basisplaat 37 of het uiteindelijke substraat 8 snijdt; - de stap S4 van het opdelen van het verperste geheel 41 in panelen 42 waaruit voornoemde vloerpanelen 1 kunnen worden gevormd. In dit geval vindt het opdelen plaats ter plaatse van de randen 43 van de aanliggende papierstroken 23A-23B. Het kan voordelig zijn zo weinig mogelijk door het verperste laminaat 7 te zagen om de slijtage van de zaaginrichting te beperken. Bij voorkeur wordt niet door het verperste laminaat 7 gezaagd; - de stap S5 van het afwerken van voomoemde panelen 42 tot voomoemde vloerpanelen 1, waarbij een rand 44 van voornoemde uitsparing 38 het substraatmateriaal 8 ter plaatse van het lagere randgebied 28 vormt.

Het is duidelijk dat de werkwijze geïllustreerd aan de hand van figuur 7 kan worden aangewend voor het verwezenlijken van de vloerpanelen van de figuren 1 tot 6, of meer algemeen voor het realiseren van de vloerpanelen van het eerste aspect van de uitvinding. Voor de duidelijkheid is in figuur 7 met streeplijn de vorm van de uiteindelijke koppelmiddelen 10 aangeduid.

Verder is het duidelijk dat het zicht weergegeven op figuur 7 een dwarsdoorsnede doorheen de basisplaat 37 betreft, namelijk in een richting loodrecht op de lengte van de uiteindelijke vloerpanelen, met name in de richting VII-VII aangeduid onderaan in deze figuur. Het is mogelijk dat, in de lengterichting gezien, meerdere vloerpanelen achter elkaar uit het verperste geheel 41 worden gehaald. De papierstroken 23A-23B-25A-25B kunnen eventueel continu zijn over de lengte van twee of meerdere zich in de basisplaat achter elkaar bevindende vloerpanelen 1.

Bij voorkeur wordt het decorpapier 23 en/of de overlay 25 opgedeeld in papierstroken in-line met de persinrichting 39 en/of door middel van een laserinrichting.

Bij voorkeur wordt het decorpapier 23 en/of de overlay 25 slechts opgedeeld eens het zich reeds op de basisplaat 37 bevindt en eventueel uitgericht is in overeenstemming met het gestructureerde perselement 45. Op die manier kan de opdeling van het decorpapier en/of de overlay op een zeer stabiele en herhaalbare manier gebeuren. Eventueel kan het decorpapier en eventueel de overlay, voor of na het opdelen ervan, plaatselijk worden vastgehecht op de basisplaat 37, om het risico op verschuivingen of andere verstoringen bij het in de persinrichting 39 aanbrengen van de stapel 40 te vermijden. Het vasthechten kan bijvoorbeeld gebeuren door het plaatselijk, bijvoorbeeld puntsgewijs, uitharden van het hars 9, zodanig dat op de betreffende plaatsen al een hechting met de basisplaat wordt gerealiseerd. Dergelijke hechting gebeurt bij voorkeur op het materiaal 46 van de basisplaat dat bedoelt is te worden verwijderd voor het opdelen of het vormen van de koppeldelen 10.

Figuur 8 geeft een voorbeeld weer waarbij zowel het laminaatoppervlak 31 op het eigenlijk bovenoppervlak 29 van het substraat, als het laminaatoppervlak 30 op het verlaagde randgebied van een houtstructuur 47 is voorzien die overeenstemt met de houtprint van het laminaat 7. De houtstructuur 47 is opgebouwd uit indrukkingen 48 die houtporen imiteren en het verloop van de gedrukte houtnerven 49 volgen.

Figuur 9 geeft een variante weer waarbij de geometrie, meer bepaald de breedte B, van het lagere randgebied 28 varieert langsheen de rand 4. In dit geval betreft het een variatie die zich in hoofdzaak langsheen de volledige lengte van de rand 4 uitstrekt. Bij voorkeur varieert de geometrie minstens over 30 percent van de lengte van de rand 4.

Figuur 10 geeft een variante weer waarbij een lokale afwijking 48 van een anders eerder constante geometrie van het verlaagde randgebied 28 wordt toegepast. In dit geval strekt de afwijking zich uit over een lengte L die kleiner is dan vijf keer de breedte B van het verlaagde randgebied 28, en is hier zelfs gelegen tussen één en twee keer de breedte B. Het spreekt voor zich dat meerdere van dergelijke lokale afwijkingen 48 aanwezig kunnen zijn langsheen de betreffende rand 4.

Er wordt nog opgemerkt dat, alhoewel de figuren uitvoeringsvormen weergeven waarbij zowel een eerste als een twee paar van tegenoverliggende randen van verlaagde randgebieden zijn voorzien, het ook mogelijk is dat slechts één paar van tegenoverliggende randen hiervan voorzien is. In dergelijk geval betreft het bij voorkeur de lange randen 4-5.

De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de hierboven beschreven uitvoeringsvormen, doch dergelijke vloerpanelen en werkwijzen kunnen worden gerealiseerd zonder buiten het kader van de huidige uitvinding te treden.

Claims (14)

  1. Conclusies.
    1. - Vloerpaneel met een substraat (8) en een toplaag van laminaat (7), waarbij het voomoemde vloerpaneel (1) aan één of meerdere randen (4-5) voorzien is van een lager randgebied (28) in de vorm van een vellingkant of andere afkanting, daardoor gekenmerkt dat het voomoemde laminaat (7) zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak (29) van het substraat (8) over het lagere randgebied (28) uitstrekt minstens tot op een punt (32) waarbij het laminaatoppervlak (30) zich op een niveau (L) bevindt in een horizontaal vlak dat het voornoemde substraat (8) snijdt en dat het substraatmateriaal (8) ter plaatse van het lagere randgebied (28) eenzelfde of lagere densiteit vertoont dan aan het eigenlijke bovenoppervlak (29) van het substraatmateriaal (8).
  2. 2. - Vloerpaneel volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat het substraat (8) hoofdzakelijk bestaat uit een HDF plaat (37) met een gemiddelde densiteit van meer dan 800 kilogram per kubieke meter, waarbij voornoemde HDF plaat (37) minstens het voomoemde eigenlijke bovenoppervlak (29) van het substraat (8) en het substraatoppervlak ter plaatse van het lagere randgebied (28) vormt.
  3. 3. - Vloerpaneel volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat het laminaat (7) gevormd is op basis van melaminehars (9) en eventueel één of meerdere papiervellen (23-25).
  4. 4. - Vloerpaneel volgens conclusie 3, daardoor gekenmerkt dat het laminaat (7) minstens een bedrukt en van hars voorzien papiervel (23) omvat en bij voorkeur een erboven aangebracht met hars voorzien doorzichtig of doorschijnend papiervel (25), waarbij het laminaat (7) verder zich boven de bedrukking (24) bevindende slijtvaste partikels (26) omvat.
  5. 5. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het laminaat (7) zonder tussenliggende lijm of harslagen op het substraat (8) is gehecht, zowel op het eigenlijke bovenoppervlak (29) als ter plaatse van het lagere randgebied (28).
  6. 6. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het oppervlak van het voomoemde lagere randgebied (28) een geheld is uitgevoerd en deze helling een hoek (A) van meer dan 30° insluit met het eigenlijke bovenoppervlak (29).
  7. 7. - Vloerpaneel volgens conclusie 5, daardoor gekenmerkt dat het gehelde oppervlak van het lagere randgebied (28) zich uitstrekt tot op de eigenlijke rand van het vloerpaneel (1).
  8. 8. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het niveau van het laminaatoppervlak (31) vanop het bovenoppervlak continu daalt tot op het lagere randgebied (28).
  9. 9. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusie, daardoor gekenmerkt dat de verhouding diepte (T) over breedte (B) van het lagere randgebied (28) minstens 0.60 bedraagt.
  10. 10. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat dit vloerpaneel (1) aan minstens twee tegenoverliggende randen (4-5) dergelijke lagere randgebieden (28) vertoont, waarbij het respectievelijk punt (32) tot waar het laminaatoppervlak (30) zich uitstrekt zich bij beide lagere randgebieden (28) op een gelijk horizontaal niveau (L) of praktisch gelijk horizontaal niveau (L) bevindt, waarbij een eventueel verschil in horizontaal niveau (L) minder dan de dikte (Tl) van het laminaat (7) bedraagt.
  11. 11. - Vloerpaneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde substraat (8) aan het eigenlijk substraatoppervlak (29) een densiteit van meer dan 900 kilogram per kubieke meter vertoont.
  12. 12, - Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, waarbij deze vloerpanelen (1) minstens een substraat (8) en een toplaag van laminaat (7) vertonen en waarbij het voornoemde vloerpaneel (1) aan één of meerdere randen (4-5) voorzien is van een lager randgebied (28) in de vorm van een vellingkant of andere afkanting, waarbij de werkwijze minstens de volgende stappen omvat: - de stap (S1-S2) van het voorzien van een basisplaat (37) van het materiaal van het voornoemde substraat (8) en het structureren van het bovenoppervlak (29) van voomoemde basisplaat (37), waarbij deze structuur minstens bestaat uit een uitsparing (38) in het bovenoppervlak van de basisplaat (37) ter plaatse van voornoemd lager randgebied (28); - de stap (S3) van het samenstellen van een stapel (40) die minstens de gestructureerde basisplaat (37) en één of meerdere melamineharslagen en eventueel papierlagen (23-25) omvat; - de stap (S3) van het verpersen van voomoemde stapel (40) in een verwarmde pers (39), waarbij het voornoemde melaminehars (9) uithardt en deze samen met de eventuele papierlagen een op het substraat (8) gehechte laminaatlaag (7) vormt, en waarbij deze laminaatlaag (7) zich eendelig vanop het eigenlijke bovenoppervlak (29) van de basisplaat (37) tot in voornoemde uitsparing (38) uitstrekt minstens tot op een punt (32) waarbij het laminaatoppervlak zich op een niveau (L) bevindt in een horizontaal vlak dat het voomoemde substraat (8) snijdt; - de stap (S4) van het opdelen van het verperste geheel (41) in panelen (42) waaruit voornoemde vloerpanelen (1) kunnen worden gevormd; - de stap (S5) van het afwerken van voomoemde panelen (42) tot voomoemde vloerpanelen (1), waarbij een rand (44) van voomoemde uitsparing (38) het voornoemde lagere randgebied (28) vormt.
  13. 13. - Werkwijze volgens conclusie 12, daardoor gekenmerkt dat één of meerdere van de voomoemde papierlagen bestaan uit zich naast elkaar bevindende papierstroken (23 A-23B).
  14. 14.- Werkwijze volgens conclusie 13, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde opdelen minstens plaatsvindt ter plaatse van de randen (43) van aanliggende papierstroken (23A-23B).
BE20155691A 2015-10-27 2015-10-27 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen BE1023542A1 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE20155691A BE1023542A1 (nl) 2015-10-27 2015-10-27 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen

Applications Claiming Priority (7)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE20155691A BE1023542A1 (nl) 2015-10-27 2015-10-27 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen
CA3001102A CA3001102A1 (en) 2015-10-27 2016-10-25 Floor panel and method for manufacturing floor panels
EP16802137.6A EP3368728A1 (en) 2015-10-27 2016-10-25 Floor panel and method for manufacturing floor panels
PCT/IB2016/056410 WO2017072657A1 (en) 2015-10-27 2016-10-25 Floor panel and method for manufacturing floor panels
CN201680061803.5A CN108350694A (zh) 2015-10-27 2016-10-25 地板镶板及用于制造地板镶板的方法
US15/763,458 US20180274246A1 (en) 2015-10-27 2016-10-25 Floor panel and method for manufacturing floor panels
BR112018006409A BR112018006409A2 (pt) 2015-10-27 2016-10-25 painel de piso e método de fabricação de painéis de piso

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1023542A1 true BE1023542A1 (nl) 2017-04-28

Family

ID=54834590

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE20155691A BE1023542A1 (nl) 2015-10-27 2015-10-27 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen

Country Status (7)

Country Link
US (1) US20180274246A1 (nl)
EP (1) EP3368728A1 (nl)
CN (1) CN108350694A (nl)
BE (1) BE1023542A1 (nl)
BR (1) BR112018006409A2 (nl)
CA (1) CA3001102A1 (nl)
WO (1) WO2017072657A1 (nl)

Families Citing this family (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JP2018534456A (ja) * 2015-10-08 2018-11-22 ベリーアロック エンベーBerryalloc Nv 床、壁、または天井の覆いのためのパネルの組

Family Cites Families (14)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
BE1010487A6 (nl) 1996-06-11 1998-10-06 Unilin Beheer Bv Vloerbekleding bestaande uit harde vloerpanelen en werkwijze voor het vervaardigen van dergelijke vloerpanelen.
BE1013553A3 (nl) 2000-06-13 2002-03-05 Unilin Beheer Bv Vloerbekleding.
SE527472C2 (sv) 2003-11-25 2006-03-14 Pergo Europ Ab Förfarande för framställning av dekorativa ytelement med en ytstruktur
EP1796919B2 (en) 2004-12-16 2016-03-23 Flooring Industries Limited, SARL Floor panel imitating a wood pattern on its surface and method for manufacturing
EP2062745B1 (en) 2004-12-23 2014-03-05 Flooring Industries Ltd. Method for manufacturing laminate floor panels having a decorative top layer with a relief
DE102005003123A1 (de) * 2005-01-21 2006-08-10 Fritz Egger Gmbh & Co. Verfahren zur Herstellung eines Paneels, insbesondere Fussbodenpaneels und Paneel, insbesondere Fussbodenpaneel
BE1016846A3 (nl) 2005-11-09 2007-08-07 Flooring Ind Ltd Vloerbekleding, vloerpanelen en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.
CN201184040Y (zh) * 2008-03-03 2009-01-21 陈练刚 一种新型的复合强化地板
BE1018632A3 (nl) 2009-01-26 2011-05-03 Flooring Ind Ltd Sarl Vloerpaneel, werkwijzen voor het vervaardigen van laminaatpanelen en werkwijze voor het behandelen van materiaalvellen hierbij aangewend.
BR112012013809B1 (pt) * 2009-12-17 2019-07-30 Välinge Innovation AB Método para a fabricação de painéis de piso
BE1019259A5 (nl) 2010-03-24 2012-05-08 Flooring Ind Ltd Sarl Werkwijzen voor het vervaardigen van panelen.
BE1019654A3 (nl) * 2010-07-09 2012-09-04 Flooring Ind Ltd S A R L Paneel voor het vormen van een vloerbekleding.
DE102011002131A1 (de) * 2011-04-18 2012-10-18 Guido Schulte Fußbodenelement
WO2013118030A2 (en) * 2012-02-07 2013-08-15 Flooring Industries Limited, Sarl Floor panel for forming a floor covering, floor covering formed from such floor panels and method for manufacturing such floor panels.

Also Published As

Publication number Publication date
WO2017072657A1 (en) 2017-05-04
US20180274246A1 (en) 2018-09-27
CN108350694A (zh) 2018-07-31
CA3001102A1 (en) 2017-05-04
BR112018006409A2 (pt) 2018-10-09
EP3368728A1 (en) 2018-09-05

Similar Documents

Publication Publication Date Title
EP2105320B1 (de) Dekoratives Veredeln einer Holzwerkstoffplatte
EP2280130B1 (en) Floor covering
US8528289B2 (en) Mechanical locking system for floor panels
US9758972B2 (en) Mechanical locking system for floor panels
RU2372148C2 (ru) Устройство и способ нанесения жидкого кроющего материала на видовую поверхность пластинообразной заготовки и доска настила
DE60009141T2 (de) Herstellungsverfahren eines decors auf oberflächenelementen
US8349235B2 (en) Recycling of laminate floorings
US7845140B2 (en) Flooring and method for installation and manufacturing thereof
JP4652411B2 (ja) 可撓性タングによるフロアパネルの機械的係止
US20130067842A1 (en) Floor panel and methods for manufacturing floor panels
CN1812873B (zh) 硬质饰面工程用贴面砖及方法
CA2447835C (en) Wood fiberboard, in particular floor panel
US20100092731A1 (en) Wood fibre based panels with a thin surface layer
EP2267239A2 (en) Flooring material consisting of floor boards which are intended to be joined vertically
JP4117732B2 (ja) 繊維セメント羽目板を製造し設置する方法
US20120233953A1 (en) Locking system, floorboard comprising such a locking system, as well as method for making floorboards
DE102007019978B3 (de) Bauplatte, insbesondere Fußbodenpaneel, und Verfahren zu deren Herstellung
US10214921B2 (en) Floor panel
US20130305649A1 (en) Floor Covering, Floor Panels and Method for Manufacturing Floor Panels
EP1495197B1 (en) Floorboard comprising integrated connecting means and a method for manufacturing the same
JP2009543961A (ja) パネル、特にフロアーパネル
EP3470193A1 (en) Wood fibre based panels with a thin surface layer
RU2483867C2 (ru) Панели на основе древесных волокон с износостойкой поверхностью
US8209928B2 (en) Embossed-in-registration flooring system
KR101875588B1 (ko) 밝은 색상의 표면층