BE1022410B1 - Persgroefverbinding. - Google Patents

Persgroefverbinding. Download PDF

Info

Publication number
BE1022410B1
BE1022410B1 BE2014/0655A BE201400655A BE1022410B1 BE 1022410 B1 BE1022410 B1 BE 1022410B1 BE 2014/0655 A BE2014/0655 A BE 2014/0655A BE 201400655 A BE201400655 A BE 201400655A BE 1022410 B1 BE1022410 B1 BE 1022410B1
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
groove
tooth
sidewall
elongated
press
Prior art date
Application number
BE2014/0655A
Other languages
English (en)
Inventor
Xavier G.J.M. Bonte
Ruben Gryson
Original Assignee
Cnh Industrial Belgium Nv
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Cnh Industrial Belgium Nv filed Critical Cnh Industrial Belgium Nv
Priority to BE2014/0655A priority Critical patent/BE1022410B1/nl
Application granted granted Critical
Publication of BE1022410B1 publication Critical patent/BE1022410B1/nl

Links

Classifications

    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16DCOUPLINGS FOR TRANSMITTING ROTATION; CLUTCHES; BRAKES
    • F16D1/00Couplings for rigidly connecting two coaxial shafts or other movable machine elements
    • F16D1/10Quick-acting couplings in which the parts are connected by simply bringing them together axially
    • F16D1/101Quick-acting couplings in which the parts are connected by simply bringing them together axially without axial retaining means rotating with the coupling
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01FPROCESSING OF HARVESTED PRODUCE; HAY OR STRAW PRESSES; DEVICES FOR STORING AGRICULTURAL OR HORTICULTURAL PRODUCE
    • A01F15/00Baling presses for straw, hay or the like
    • A01F15/08Details
    • A01F15/0841Drives for balers
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16DCOUPLINGS FOR TRANSMITTING ROTATION; CLUTCHES; BRAKES
    • F16D1/00Couplings for rigidly connecting two coaxial shafts or other movable machine elements
    • F16D1/10Quick-acting couplings in which the parts are connected by simply bringing them together axially
    • F16D2001/103Quick-acting couplings in which the parts are connected by simply bringing them together axially the torque is transmitted via splined connections

Abstract

PersgroefVerbinding omvattende een eerste draai-element met een groef, en een tweede draai- element met een tand; waarbij de tand een eerste en tweede tandzijwand, en de groef een eerste en een tweede groefzijwand heeft; waarbij de groef een eerste en tweede einde heeft die contact maken met de tand; waarbij de tand en de groef zodanig gevormd zijn dat de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over tenminste 70 procent van de afstand tussen het eerste en tweede einde, en dat de tweede tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over minder dan 60 procent van deze afstand.

Description

PERSGROEFVERBINDING
Vakgebied van de uitvinding
Het vakgebied van de uitvinding heeft betrekking op persgroefverbindingen en op een balenpers omvattende een persgroefverbinding.
Achtergrond
Groefverbindingen worden reeds lang gebruikt voor het koppelen van een buitenste draai-element met een binnenste draai-element voor het verbinden van een as zoals een krukas met een tandwieloverbrenging of gelijkaardig. Doorgaans is het buitenste draai-element voorzien van meerdere langsgroeven en is het binnenste draai-element voorzien van meerdere overeenstemmende langwerpige tanden die opgenomen zijn in de groeven. Groefverbindingen worden typisch gebruikt wanneer men te maken heeft met hoge koppelmomenten om de belasting over een grotere oppervlakte te verspreiden.
Voor groefverbindingen die alternerende koppelmomenten moeten opvangen, is het wenselijk om geen speling te hebben tussen de zijwanden van de groeven en de zijwanden van de tanden. Bij een alternerende draaimomentrichting op een groefverbinding met een speling tussen de zijwanden van de groeven en de tanden, leidt de groefverbinding aan slijtage en pletschade.
In oplossingen van de stand van de techniek werden tot op heden een aantal mogelijkheden overwogen om dit probleem op te lossen. Een eerste oplossing bestaat uit het gebruiken van een goed passende perspassing over de volledige verbinding welke enerzijds resulteert in een goed contactpatroon met een goed verdeelde en lage contactspanning, maar anderzijds in een zeer moeilijke en kritische assemblage, met name voor grote afmetingen. Een andere oplossing bestaat uit het gebruiken van helische tanden die aan beide einden daarvan een kleine zone hebben waar contact gemaakt wordt met de groef. Een dergelijke uitvoering is gemakkelijk te assembleren en te vervaardigen voor grote afmetingen maar genereert zeer hoge spanningen bij de einddelen van de tanden, hetgeen kan resulteren in het falen van as. US 3,360,961 openbaart een tandwielprofiel met tandspleten die verbreden zodanig dat de tandflanken van de as enkel bij het hoogste koppelmoment continu contact maken over de volledige lengte daarvan met de tandflanken van de naaf.
Samenvatting
Het doel van uitvoeringsvormen van de uitvinding is om een verbeterde persgroefverbinding te verschaffen die gemakkelijk geassembleerd kan worden en die op een verbeterde manier weerstand kan bieden aan alternerende draaimomentrichtingen.
Volgens een eerste aspect van de uitvinding wordt een persgroefverbinding verschaft omvattende een eerste draai-element en een tweede draai-element. Het eerste draai-element heeft een oppervlak dat voorzien is van ten minste één langwerpige groef, typisch meerdere langwerpige groeven. Het tweede draai-element heeft ten minste één langwerpige tand voor opname in de ten minste één langwerpige groef De langwerpige tand heeft een eerste langwerpige tandzijwand en een tweede langwerpige tandzijwand tegenover de eerste tandzijwand. De langwerpige groef heeft een eerste langwerpige groefzijwand en een tweede langwerpige groefzijwand tegenover de eerste groefzijwand. De langwerpige groef heeft een eerste einde en een tweede einde dat contact maakt met de langwerpige tand. De langwerpige tand en de langwerpige groef zijn zodanig gevormd dat de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over ten minste 70 % van de afstand tussen het eerste en het tweede einde, en dat de tweede tandzijwand contact maakt met de tweede groefzijwand over minder dan 60 % van de afstand tussen het eerste einde en het tweede einde.
Merk op dat de afstand tussen het eerste einde en het tweede einde van de langwerpige groef, welk eerste en tweede einde contact maken van de langwerpige tand, typisch gelijk zal zijn aan de lengte van de groef. Echter, wanneer de tand zich niet volledig in de groef uitstrekt (zie bijvoorbeeld de uitvoeringsvorm van Figuur 8), dan zal de genoemde afstand kleiner zijn dan de volledige lengte van de groef.
Uitvoeringsvormen zijn inter alia gebaseerd op het inventief inzicht dat wanneer een groefverbinding onderhevig is aan een alternerend draaimoment, het draaimoment typisch hoger is in een richting in vergelijking met de andere richting. De uitvinders hebben zich gerealiseerd dat het mogelijk is om een persgroefverbinding te bouwen die gemakkelijk te assembleren is en tegelijkertijd de spanning in de tanden beperkt door een asymmetrische vorm te geven aan de verbinding, en meer in het bijzonder door de langwerpige tand en de langwerpige groef zodanig te vormen en te dimensioneren dat de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over een relatief grote oppervlakte daarvan, en zodanig dat de tweede tandzijwand contact maakt met de tweede groefzijwand over een relatief kleine oppervlakte daarvan. Door het relatief kleine contactoppervlak tussen de tweede zijwanden, kan het inbrengen van het tweede draai-element in het eerste draai-element op eenvoudige wijze verkregen worden. Verder kan het grote contactoppervlak tussen de eerste zijwanden gebruikt worden om weerstand te bieden aan een hoog draaimoment in één richting, terwijl het relatief kleine draaimoment in de andere richting opgenomen kan worden door het kleine contactoppervlak tussen de tweede zijwanden.
Bij voorkeur zijn de langwerpige tand en de langwerpige groef zodanig gevormd dat de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over ten minste 80 %, meer bij voorkeur tenminste 90 % van de afstand tussen het eerste en het tweede einde van de langwerpige groef die contact maakt met de tand. In een voorbeelduitvoeringsvorm zijn de langwerpige tand en de langwerpige groef zodanig gevormd dat de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand over de volledige lengte van de langwerpige groef: Op die manier kan de belasting die de groefverbinding kan weerstaan in de eerste draaimomentrichting verhoogd of gemaximaliseerd worden.
Bij voorkeur zijn de langwerpige tand en de langwerpige groef zodanig gevormd dat de tweede tandzijwand contact maakt met de tweede groefzijwand over minder dan 50 %, meer bij voorkeur minder dan 45 %, en het meest bij voorkeur over minder dan 35 % van de afstand tussen het eerste en het tweede einde van de langwerpige groef die contact maakt met de tand. Dit percentage kan een functie zijn van de belasting waaraan de groefverbinding weerstand moet kunnen bieden in de tegengestelde draaimomentrichting. Hoe lager dit percentage is, hoe gemakkelijker de assemblage.
In een voorbeelduitvoeringsvorm zijn de langwerpige tand en de langwerpige groef zodanig gevormd dat het oppervlak van de eerste en tweede tandzijwand gekoppeld is met een oppervalk van respectievelijk de eerste en tweede groefzijwand, welke oppervlakken evenwijdig zijn aan de rotatie-as van de eerste en tweede draai-elementen.
In een voorbeelduitvoeringsvorm heeft de tand een eerste deel waar de eerste en tweede tandzijwanden respectievelijk contact maken met de eerste en tweede groefzijwanden, en een tweede deel waar de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand en de tweede tandzijwand geen contact maakt met de tweede groefzijwand. Het eerste deel heeft een eerste breedte tussen de eerste en tweede zijwand die groter is dan een tweede breedte van het tweede deel. Bij voorkeur is het eerste deel van de tand een einddeel van de tand, zodanig dat de tand ingebracht kan worden in de groef met zijn tweede deel, met speling, en zodanig dat de perspassing verkregen wordt wanneer het einddeel zich in de groef bevindt. Echter, het eerste deel kan eveneens een middelste deel zijn.
In een voorbeelduitvoeringsvorm heeft de tand een eerste einddeel waar de eerste tandzijwand geen contact maakt met de eerste groefzijwand en de tweede tandzijwand contact maakt met de tweede groefzijwand, en een tweede deel waar de eerste tandzijwand contact maakt met de eerste groefzijwand en de tweede tandzijwand geen contact maakt met de tweede groefzijwand. Op die manier kan de tand eenvoudig ingebracht worden in de groef; terwijl tegelijkertijd een goede perspassing wordt gewaarborgd.
In een voorbeelduitvoeringsvorm heeft de groef een eerste deel met een eerste breedte tussen de eerste en tweede groefzijwand, en een tweede deel met een tweede breedte tussen de eerste en tweede groefzijwand, waarbij de tweede breedte kleiner is dan de eerste breedte. Het tweede deel van de groef is bij voorkeur een einddeel van de groef waar de eerste en tweede tandzijwanden contact maken met de eerste en tweede groefzijwanden.
In een voorbeelduitvoeringsvorm is het eerste draai-element een buitenste draai-element en het tweede draai-element een binnenste draai-element, welke buitenste en binnenste draai-elementen een gemeenschappelijke as hebben. Dit is een conventionele uitvoeringsvorm van een groefverbinding tussen een as en een buitenste draai-element.
In een voorbeelduitvoeringsvorm is het eerste draai-element een buitenste draai-element en het tweede draai-element een afzonderlijke spie die aangebracht is in een groef van een as. Dit is een uitvoeringsvorm van een spieverbinding waar een spie gebruikt word om een buitenste draai-element te verbinden met een as.
In een voorbeelduitvoeringsvorm is het eerste draai-element een as en het tweede draai-element een afzonderlijke spie, die aangebracht is in de eerste groef van de as, waarbij een buitenste draai-element met op zijn binnenoppervlak een groef voor het opnemen van de spie, aangebracht is rond de as met tussenvoeging van de spie. Dit is een andere uitvoeringsvorm van een spieverbinding, waarbij een spie gebruikt wordt om een buitenste draai-element te verbinden met een as.
Volgens een ander aspect van de uitvinding wordt een balenpers verschaft met een persgroefverbinding volgens één van de hierboven beschreven uitvoeringsvormen. De balenpers omvat bij voorkeur een krukas, en de krukas is verbonden met een aandrijfas door middel van de persgroefverbinding.
Korte beschrijvingen van de figuren
De tekeningen in bijlage worden gebruikt om huidige niet beperkende voorkeursuitvoeringsvormen van inrichtingen van de onderhavige uitvinding te illustreren. De hierboven genoemde en andere voordelen van de maatregelen en onderwerpen van de uitvinding zullen duidelijker blijken en de uitvinding zal beter begrepen worden in het licht van de volgende gedetailleerde beschrijving wanneer deze gelezen wordt in samenhang met de tekening in bijlagen, waarin:
Figuur 1 een schematisch perspectivisch aanzicht van een uitvoeringsvorm van een persgroefverbinding illustreert;
Figuur 2 een schematische dwarsdoorsnede van een uitvoeringsvorm van een persgroefverbinding langs een vlak loodrecht op de as van de groefverbinding illustreert;
Figuur 3A twee grafieken illustreert die een typisch gedrag van het koppel in functie van de tijd tonen voor een groefverbinding van een balenpers waar de groefverbinding onderhevig is aan een alterende draaimomentrichting;
Figuur 3B een uitvoeringsvorm van de stand van de techniek illustreert in een doorsnede langs lijn III-III van figuur 2;
Figuur 3C een andere uitvoeringsvorm van de stand van de techniek illustreert in een doorsnede langs lijn III-III van figuur 2;
Figuur 4 een doorsnede langs lijn III-III voor eerste voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding illustreert;
Figuur 5 een doorsnede langs lijn III-III voor een tweede voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding illustreert;
Figuur 6 een doorsnede langs lijn III-III voor een derde voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding illustreert;
Figuur 7 een doorsnede langs lijn III-IÏI voor een vierde voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding illustreert;
Figuur 8 een doorsnede langs lijn III-III voor een vijfde voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding illustreert;
Figuur 9 een perspectivisch aanzicht van een uitvoeringsvorm van een binnenste draai-element van een groefverbinding van de uitvinding is;
Figuur 10 een schematisch opengewerkt perspectivisch aanzicht is van een voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding met een spie; en
Figuur 11 een schematische dwarsdoorsnede van de uitvoeringsvorm van de persgroefverbinding van figuur 10, loodrecht op de as van de groefverbinding.
Beschrijving van de uitvoeringsvormen
Dezelfde verwijzingscijfers worden gebruikt om gelijkaardige onderdelen van de groefverbinding aan te duiden in de geïllustreerde uitvoeringsvormen in de figuren.
Groefverbindingen worden reeds lang gebruikt voor het verbinden van een buitenste draai-element 100 met een binnenste draai-element 200, zie figuur 1. Doorgaans heeft het buitenste draai-element 100 een binnenoppervlak dat voorzien is van meerdere langwerpige groeven 110. Het binnenste draai-element 200 is voorzien van meerdere langwerpige tanden 210 die opgenomen kunnen worden in de groeven 110, en die het buitenste draai-element 100 koppelen met het binnenste draai-element 200. Groefverbindingen worden typisch gebruikt waar men te maken heeft met een hoog draaimoment om de belasting over een groter oppervlak te verspreiden.
Voor groefverbindingen die bestand moeten zijn tegen een alternerende draaimomentrichting, is het wenselijk om geen speling te hebben tussen de zijwanden van de groeven 110 en de zijwanden van de wanden 210. Wanneer er een alternerende draaimomentrichting is, zie bijvoorbeeld figuur 3A waar twee typische koppel-tijd grafieken geïllustreerd zijn, op een groefverbinding met een speling tussen de zijwanden van de groeven 110 en de tanden 210, dan zouden de tanden 210 verslijten en geplet worden.
In oplossingen van de stand van de techniek, werden tot op heden een aantal mogelijkheden overwogen om dit probleem op te lossen. Figuur 3B illustreert een eerste uitvoeringsvorm van de stand van de techniek waar een perspassing gebruikt wordt zodanig dat een speling tussen de zijwanden van de groeven 110 en de tanden 210 wordt vermeden. Zoals geïllustreerd in Figuur 3B hebben de tanden 210 een eerste tandzijwand 211 en een tweede tandzijwand 212. De langwerpige groef 110 heeft een eerste groefzijwand 111 en een tweede groefzijwand 112. De eerste tandzijwand 211 maakt contact met de eerste groefzijwand 111 over de volledige lengte L van de groef 110, tussen het eerste einde 113 en een tweede einde 114. Op gelijkaardige wijze maakt de tweede tandzijwand 212 contact met de eerste groefzijwand 112 over de volledige lengte L van de groef 110. Een dergelijke oplossing geeft een goed contactpatroon met een goed verdeelde en lage contactspanning, maar is moeilijk en kritisch om te assembleren en te vervaardigen voor grote afmetingen. Figuur 3C illustreert een andere uitvoeringsvorm van de stand van de techniek. In deze uitvoeringsvorm wordt een helische tand 210 gebruikt. De tand 210 heeft een breedte die kleiner is dan de breedte van de groef 110. In deze uitvoeringsvorm is er een eerste contactzone tussen de tweede groefzijwand 112 en de tweede tandzijwand 212, en bij een eerste einde 113 en is er een tweede contactzone tussen de eerste groefzijwand 111 en de eerste tandzijwand 211, bij een tweede einde 114. Een dergelijke uitvoeringsvorm kan gemakkelijk worden geassembleerd en vervaardigd voor grote afmetingen, maar genereert zeer hoge spanningen bij de einddelen 113, 114 van de tand 210, welke kunnen resulteren in het falen van de as.
Figuren 4 tot en met 8 illustreren verschillende voorbeelduitvoeringsvormen van de uitvinding. Deze uitvoeringsvormen zijn onder andere gebaseerd op het inzicht van de uitvinders dat wanneer een groefverbinding onderhevig is aan een alternerend draaimoment, het draaimoment typisch hoger is in een richting in vergelijking met de andere richting. De uitvinders hebben zich gerealiseerd dat het mogelijk is om een persgroefverbinding te bouwen die gemakkelijk geassembleerd kan worden terwijl tegelijkertijd de spanningen in de tanden worden beperkt.
Figuur 4 illustreert een doorsnede doorheen een eerste voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding met een langwerpige tand 210 en een langwerpige groef 110 die gevormd zijn zodanig dat de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111 over de volledige lengte L van de groef; tussen een eerste einde 113 waar de tand 210 contact maakt met de groef 110 en een tweede einde 114 waar de tand 210 contact maakt met de groef 110. Dit is aangeduid in de tekening als LI = L. De tweede tandzijwand 212 maakt contact met de tweede groefzijwand 112 over minder dan 50 % van de lengte L van de groef Met andere woorden, L2 < 50% L. Zoals geïllustreerd is in figuur 3A, is het uitgeoefend koppel Cl voor een typische werking zeer hoog voor een eerste draaimomentrichting, en relatief laag (C2) voor de andere draaimoment richting. L2 kan gekozen worden in functie van een typische waarde voor C2. Met andere woorden werkt de hoge hoofdbelasting op de eerste zijwand 111,211 en heeft een 100 % contact zodanig dat de contactspanning laag is en gelijk verdeeld is. Dit is voordelig voor de flenzen van de tanden en groeven, evenals voor de as.
De tand 210 van figuur 4 heeft een eerste deel 215 waar de eerste en tweede tandzijwanden 211,212 contact maken met respectievelijk de eerste en tweede groefzijwanden 111, 112. Verder heeft de tand 210 een tweede deel 216 waar de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111, en de tweede tandzijwand 212 geen contact maakt met de tweede groefzijwand 112. Het eerste deel 215 heeft een eerste breedte W1 die groter is dan de tweede breedte W2 van het tweede deel 216. De tand 210 heeft een maximum breedte W1 bij een einddeel daarvan, waar de tand de lagere negatieve belasting C2 draagt en waar de tand voorspanning genereert door middel van een perspassing.
Figuur 5 illustreert een doorsnede doorheen een tweede voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding met een langwerpige tand 210 en een langwerpige groef 110 die gevormd zijn zodanig dat de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111 over de volledige lengte L van de groef tussen het eerste einde 113 en het tweede einde 114 (LI = L). De tweede tandzijwand 212 maakt contact met de tweede groefzijwand 112 over minder dan 50 % van de lengte L van de groef. Met andere woorden L2 < 50% L. L2 kan gekozen worden in functie van een typische waarde voor C2, waarbij tezelfdertijd rekening wordt gehouden met het feit dat het mogelijk moet zijn om de tanden 210 zonder teveel moeite in de groeven aan te brengen.
De tand 210 van figuur 5 heeft een eerste middelste deel 215 waar de eerste en tweede tandzijwanden 211, 212 contact maken met respectievelijk de eerste en tweede groefzijwanden 111, 112. Verder heeft de tand 210 tweede delen 216a, 216b waar de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111, en de tweede tandzijwand 212 geen contact maakt met de tweede groefzijwand 112. Het eerste middelste deel 215 heeft een eerste breedte W1 die groter is dan de tweede breedte W2 van de tweede delen 216a, 216b.
Figuur 9 illustreert een perspectivisch aanzicht van een gedeelte van een binnenste draai-element 200 met tanden 210, waarbij de tweede zijwand 212 voorzien is van een middelste deel 215 zoals in de uitvoeringsvorm van figuur 5. Het eerste middelste deel 215 heeft een eerste breedte W1 die groter is dan de tweede breedte W2 van de tweede delen 216a, 216b.
Figuur 6 illustreert een doorsnede doorheen een derde voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding die gelijkaardig is aan de uitvoeringsvorm van figuur 2, met dit verschil dat de langwerpige tand 210 en de langwerpige groef 110 zodanig gevormd zijn dat de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111 over een lengte LI van de groef die kleiner is dan de lengte L van de groef 111. LI is echter zo gekozen dat deze groter is dan 70 % van L, en bij voorkeur groter dan 80 % van L, zodanig dat deze de hoge draaimomentbelasting in de eerste draaimomentrichting kan opvangen. De tand 210 heeft een eerste deel 217 waar de eerste tandzijwand 211 geen contact maakt met de eerste groefzijwand 111 en de tweede tandzijwand 212 contact maakt met de tweede groefzijwand 112, en een tweede deel 218 waar de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111 en de tweede tandzijwand 212 geen contact maakt met de tweede groefzijwand 112. Op die manier kan het binnenste draai-element gemakkelijk ingebracht worden in het buitenste draai-element, waarbij de perspassing verkregen wordt bij het einde waar eerste deel 217 van de tand 210 contact maakt met de groef 110.
Figuur 7 illustreert een doorsnede doorheen een vierde voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding die gelijkaardig is aan de uitvoeringsvorm van figuur 4, met het verschil dat de langwerpige groef 110 gevormd is met een uitsparing 119 die een groefdeel vormt met een breedte W1 en een groefdeel met een breedte W2 die kleiner is dan Wl, zodanig dat ook bij het tweede einddeel 215b van de tand 210 een perspassing wordt gecreëerd.
De tand 210 van figuur 7 heeft een eerste einddeel 215a waar de eerste en tweede tandzijwanden 211, 212 respectievelijk contact maken met de eerste en tweede groefzijwanden 111, 112. Verder heeft de tand 210 een tweede deel 216 waar de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111, en de tweede tandzijwand 212 geen contact maakt met de tweede groefzijwand 112. Het eerste einddeel 215a heeft een eerste breedte Wl die groter is dan de tweede breedte W2 van het tweede deel 216. De tand 210 heeft een maximumbreedte Wl bij het eerste einddeel 215a daarvan, zodanig dat de tand de kleinere negatieve belasting C2 zowel bij het eerste einddeel 215a als bij het tweede einddeel 215b opneemt.
Figuur 8 illustreert een doorsnede doorheen een vijfde voorbeelduitvoeringsvorm van een persgroefverbinding die gelijkaardig is aan de uitvoeringsvorm van figuur 4, met het verschil dat de tand 210 zich niet volledig in de groef 110 uitstrekt. De langwerpige groef 110 heeft een eerste eind 113 dat contact maakt met de tand 210 en een tweede eind 114 dat contact maakt met de tand 210, en de afstand tussen het eerste einde en het tweede einde is gelijk aan L. De langwerpige tand en de langwerpige groef zijn zodanig gevormd dat de eerste tandzijwand 211 contact maakt met de eerste groefzijwand 111 over de volledige afstand L tussen het eerste en tweede einde 113, 114 van de langwerpige groef (LI = L). De tweede tandzijwand 212 maakt contact met de tweede groefzijwand 112 over minder dan 50 %, bij voorkeur minder dan 35 % van de afstand L.
Figuren 10 en 11 illustreren een andere voorbeelduitvoeringsvorm van een groefverbinding volgens de uitvinding. De groefverbinding van figuren 10 en 11 omvat een eerste buitenste draai-element 1100, twee tweede draai-elementen 1200 (slechts een ervan is getoond) in de vorm van een spie, en een as 1300. Het eerste buitenste draai-element 1100 heeft een binnenoppervlak dat voorzien is van twee langwerpige groeven 1110, en de spie 1200 heeft een eerste tand 1210a die aangrijpt in een groef 1110. De as 1300 heeft buitenoppervlakte voorzien van twee langwerpige groeven 1310 en de spie 1200 heeft een tweede tand 1210b die aangrijpt in een groef 1310. Tand 1210a en/of tand 1210b kunnen ontworpen zijn volgens een van de uitvoeringsvormen die hierboven werden beschreven met verwijzing naar figuren 4 tot en met 8. Meer in het bijzonder kan de dwarsdoorsnede lang lijn III-III in figuur 11 eruit zien zoals een van de dwarsdoorsneden die getoond zijn in figuren 4 tot en met 8.
Hoewel de principes van de uitvinding hierboven uiteengezet warden met verwijzing naar specifieke uitvoeringsvormen, zal men begrijpen dat de beschrijving gegeven wordt bij wijze van voorbeeld en niet gezien mag worden als een beperking van de beschermingsomvang die bepaald wordt door de conclusies in de bijlage.

Claims (14)

  1. Conclusies
    1. Een persgroefverbinding omvattende een eerste draai-element (100; 1100; 1300) en een tweede draai-element (200,1200), welk eerste draai-element (100, 1100, 1300) een oppervlak heeft dat voorzien is van ten minste één langwerpige groef (110, 1110, 1310), en welk tweede draai-element (200, 1200) ten minste één langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) heeft die kan aangrijpen in de ten minste één langwerpige groef (110, 1110, 1310); waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) een eerste tandzijwand (211) en een tweede tandzijwand (212) tegenover de eerste tandzijwand (211) heeft, en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) een eerste groefzijwand (111) en een tweede groefzijwand (112) tegenover de eerste groefzijwand (111) heeft; waarbij de langwerpige groef (110, 1110, 1310) een eerste einde (113) en een tweede einde (114) heeft die contact maken met de langwerpige tand; waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) zodanig gevormd zijn dat de eerste tandzijwand (211) contact maakt met de eerste groefzijwand (111) over tenminste 70 procent van de afstand (L) tussen het eerste en tweede einde, en zodanig dat de tweede tandzijwand (212) contact maakt met de eerste groefzijwand (112) over minder dan 60 procent van de afstand tussen het eerste einde en het tweede einde.
  2. 2. Persgroefverbinding volgens conclusie 1, waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) zodanig gevormd zijn dat de eerste tandzijwand (211) contact maakt met de eerste groefzijwand (111) over tenminste 80 procent, bij voorkeur tenminste 90 procent van de afstand tussen het eerste en tweede einde.
  3. 3. Persgroefverbinding volgens conclusie 1 of 2, waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) zodanig gevormd zijn dat de tweede tandzijwand (212) contact maakt met de tweede groefzijwand (112) over minder dan 50 procent, bij voorkeur minder dan 35 procent van de afstand tussen het eerste en het tweede einde.
  4. 4. Persgroefverbinding volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) zodanig gevormd zijn dat de eerste tandzijwand (211) contact maakt met de eerste groefzijwand (111) over de gehele lengte van de langwerpige groef (110, 1110, 1310).
  5. 5. Persgroefverbinding volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de langwerpige tand (210, 1210a, 1210b) en de langwerpige groef (110, 1110, 1310) zodanig gevormd zijn dat een oppervlak van de eerste en tweede tandzijwanden (211, 212) contact maakt met een oppervlak van respectievelijk de eerste en tweede groefzijwand (111, 112), welke oppervlakken evenwijdig zijn aan de rotatie-as van de eerste en tweede draai-elementen (100, 200).
    5. PersgroefVerbinding volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de tand een eerste deel (215) heeft waar de eerste en tweede tandzij wanden (211, 212) contact maken met respectievelijk de eerste en tweede groefzijwanden (111, 112), en een tweede deel (216) waar de eerste tandzij wand (211) contact maakt met de eerste groefzijwand (111) en de tweede tandzij wand (212) geen contact maakt met de tweede groefzijwand (112), welk eerste deel een eerste breedte heeft tussen de eerste en tweede tandzij wanden (211, 212) die groter is dan een tweede breedte van het tweede deel.
  6. 6. PersgroefVerbinding volgens conclusie 5, waarbij het eerste deel van de tand een einddeel van de tand is, zodanig dat de tand inbrengbaar is in de groef met zijn tweede deel, met speling, en de passing verkregen wordt wanneer het eerste deel zich in de groef bevindt.
  7. 7. PersgroefVerbinding volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de tand een eerste einddeel (217) heeft waar de eerste tandzijwand (211) geen contact maakt met de eerste groefzijwand (111) en de tweede tandzijwand (212) contact maakt met de tweede groefzijwand (112), en een tweede deel (218) heeft waar de eerste tandzijwand (211) contact maakt met de eerste groefzijwand (111) en de tweede tandzijwand (212) geen contact maakt met de tweede groefzijwand (112).
  8. 8. PersgroefVerbinding volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de groef een eerste deel heeft met een eerste breedte (Wl) tussen de eerste en tweede groefzijwand (111, 112), en een tweede deel met een tweede breedte (W2) tussen de eerste en tweede groefzijwand (111, 112) welke tweede breedte kleiner is dan de eerste breedte.
  9. 9. PersgroefVerbinding volgens conclusie 8, waarbij het tweede deel van de groef een einddeel van de groef is waar de eerste en tweede tandzijwanden (211, 212) contact maken met de eerste en tweede groefzijwanden (111, 112).
  10. 10. PersgroefVerbinding volgens een der voorgaande conclusies, waarbij het eerste draai-element een buitenste draai-element (100) is en het tweede draai-element een binnenste draai-element (200) is, welke binnenste en buitenste draai-element een gemeenschappelijke as hebben.
  11. 11. PersgroefVerbinding volgens één der conclusies 1 tot en met 9, waarbij het eerste draai-element een buitenste draai-element (1100) is en het tweede draai-element een afzonderlijke spie (1200) is die aangebracht is in een groef van een as (1300).
  12. 12. Persgroefverbinding volgens één der conclusies 1 tot en met 9, of 11, waarbij het eerste draai-element een as (1300) is en het tweede draai-element een afzonderlijke spie (1200) is die aangebracht is in de eerste groef van de as, waarbij een buitenste draai-element (1100) met op zijn binnenoppervlak een groef (1110) voor het opnemen van de spie (1200), aangebracht is rond de as (1300) met tussenvoeging van de spie (1200).
  13. 13. Balenpers omvattende een persgroefverbinding volgens een der voorgaande conclusies.
  14. 14. Balenpers volgens conclusie 13, omvattende een krukas, welke krukas verbonden is met een aandrijfas door middel van de persgroefverbinding.
BE2014/0655A 2014-08-29 2014-08-29 Persgroefverbinding. BE1022410B1 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2014/0655A BE1022410B1 (nl) 2014-08-29 2014-08-29 Persgroefverbinding.

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2014/0655A BE1022410B1 (nl) 2014-08-29 2014-08-29 Persgroefverbinding.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1022410B1 true BE1022410B1 (nl) 2016-03-24

Family

ID=52423518

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE2014/0655A BE1022410B1 (nl) 2014-08-29 2014-08-29 Persgroefverbinding.

Country Status (1)

Country Link
BE (1) BE1022410B1 (nl)

Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB584400A (en) * 1944-08-23 1947-01-14 Int Harvester Co Improvements in or relating to balers
US2466097A (en) * 1948-08-23 1949-04-05 Lyle H Graue Adapter coupling
JPH0571549A (ja) * 1991-09-13 1993-03-23 Toyota Motor Corp 圧入形スプライン
US20020110415A1 (en) * 2001-02-14 2002-08-15 Dowling William Edmunds Spline, an assembly utilizing the spline, and a method for transferring energy
CA2610641A1 (fr) * 2006-11-28 2008-05-28 Snecma Dispositif de liaison de deux arbres rotatifs dans une turbomachine
DE102011057012A1 (de) * 2011-12-23 2013-06-27 Dr. Ing. H.C. F. Porsche Aktiengesellschaft Welle-Nabe-Verbindung

Patent Citations (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB584400A (en) * 1944-08-23 1947-01-14 Int Harvester Co Improvements in or relating to balers
US2466097A (en) * 1948-08-23 1949-04-05 Lyle H Graue Adapter coupling
JPH0571549A (ja) * 1991-09-13 1993-03-23 Toyota Motor Corp 圧入形スプライン
US20020110415A1 (en) * 2001-02-14 2002-08-15 Dowling William Edmunds Spline, an assembly utilizing the spline, and a method for transferring energy
CA2610641A1 (fr) * 2006-11-28 2008-05-28 Snecma Dispositif de liaison de deux arbres rotatifs dans une turbomachine
DE102011057012A1 (de) * 2011-12-23 2013-06-27 Dr. Ing. H.C. F. Porsche Aktiengesellschaft Welle-Nabe-Verbindung

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US6142878A (en) Flexible coupling with elastomeric belt
TWI600852B (zh) 鏈環(二)
KR101074639B1 (ko) 측방향 이격 소자들을 갖는 링크를 구비한 전력 전송 체인
DE102006032820A1 (de) Ringmagnet
JP2007192384A (ja) ピンおよびチェーン
JP2007232095A (ja) 逆入力防止クラッチ
BE1022410B1 (nl) Persgroefverbinding.
US6406394B1 (en) Power transmission chain having links with lateral spacing elements
JP2011196546A (ja) 両側式逆歯チェーン
JP6212810B2 (ja) チェーン式無段変速機
US8657711B2 (en) Silent chain having deformable guide plates
US10378638B2 (en) Bicycle sprocket
JP4450843B2 (ja) 伝動用多列チェーン
US623431A (en) Drive-chain and chain-wheel
US9068911B2 (en) Multifunction gauge
KR101717450B1 (ko) 체인
JP2003247608A (ja) 奇数個のリンクを有するチェーン
US2330434A (en) Belt splice
JP5622762B2 (ja) チェーン伝動装置
US7472539B2 (en) Chain having a plurality of chain links
US3170335A (en) Link plate chain construction
JP2021035781A (ja) 車輪及び該車輪を用いたゴムクローラ
CN215172079U (en) Speed reducer
US1631237A (en) Drive chain
SU641194A1 (ru) Соединительна муфта