BE1017232A6 - Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend. - Google Patents

Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend. Download PDF

Info

Publication number
BE1017232A6
BE1017232A6 BE200600399A BE200600399A BE1017232A6 BE 1017232 A6 BE1017232 A6 BE 1017232A6 BE 200600399 A BE200600399 A BE 200600399A BE 200600399 A BE200600399 A BE 200600399A BE 1017232 A6 BE1017232 A6 BE 1017232A6
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
floor panels
series
aforementioned
contour
method according
Prior art date
Application number
BE200600399A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Flooring Ind Ltd
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Flooring Ind Ltd filed Critical Flooring Ind Ltd
Priority to BE200600399A priority Critical patent/BE1017232A6/nl
Priority to BE200600399 priority
Application granted granted Critical
Publication of BE1017232A6 publication Critical patent/BE1017232A6/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B27WORKING OR PRESERVING WOOD OR SIMILAR MATERIAL; NAILING OR STAPLING MACHINES IN GENERAL
    • B27MWORKING OF WOOD NOT PROVIDED FOR IN SUBCLASSES B27B - B27L; MANUFACTURE OF SPECIFIC WOODEN ARTICLES
    • B27M3/00Manufacture or reconditioning of specific semi-finished or finished articles
    • B27M3/04Manufacture or reconditioning of specific semi-finished or finished articles of flooring elements, e.g. parqueting blocks
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/02005Construction of joints, e.g. dividing strips
    • E04F15/02033Joints with beveled or recessed upper edges
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/02038Flooring or floor layers composed of a number of similar elements characterised by tongue and groove connections between neighbouring flooring elements
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16BDEVICES FOR FASTENING OR SECURING CONSTRUCTIONAL ELEMENTS OR MACHINE PARTS TOGETHER, e.g. NAILS, BOLTS, CIRCLIPS, CLAMPS, CLIPS, WEDGES, JOINTS OR JOINTING
    • F16B5/00Joining sheets or plates, e.g. panels, to one another or to strips or bars parallel to them
    • F16B5/0004Joining sheets, plates or panels in abutting relationship
    • F16B5/0008Joining sheets, plates or panels in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels substantially in their own plane, perpendicular to the abutting edge
    • F16B5/0012Joining sheets, plates or panels in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels substantially in their own plane, perpendicular to the abutting edge a tongue on the edge of one sheet, plate or panel co-operating with a groove in the edge of another sheet, plate or panel
    • F16B5/0016Joining sheets, plates or panels in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels substantially in their own plane, perpendicular to the abutting edge a tongue on the edge of one sheet, plate or panel co-operating with a groove in the edge of another sheet, plate or panel with snap action
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • E04F15/04Flooring or floor layers composed of a number of similar elements only of wood or with a top layer of wood, e.g. with wooden or metal connecting members
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/01Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship
    • E04F2201/0107Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels substantially in their own plane, perpendicular to the abutting edges
    • E04F2201/0115Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by moving the sheets, plates or panels substantially in their own plane, perpendicular to the abutting edges with snap action of the edge connectors
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/01Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship
    • E04F2201/0153Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by rotating the sheets, plates or panels around an axis which is parallel to the abutting edges, possibly combined with a sliding movement

Abstract

Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen met koppeldelen, waarbij de contour van dit koppeldeel (6) minstens uit twee gedeelten (18-19) wordt samengesteld, daardoor gekenmerkt dat de werkwijze wordt aangewend voor het vervaardigd van minstens twee reeksen (7-8) van vloerpanelen (1), waarbij de vloerpanelen (1), waarbij de vloerpanelen (1) in een eerste reeks (7) verschillen van de vloerpanelen (1) in een tweede reeks (8) minstens doordat zij een andere dikte (T) vertonen en dat de voornoemde twee gedeelten (18-19) bij de voornoemde reeksen (7-8) van vloerpanelen (1) identiek doch onderling verschoven worden uitgevoerd.

Description

Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend.

Deze uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, alsmede op vloerpanelen die volgens deze werkwijze zijn verkregen en een set van gereedschappen die bij zulke werkwijze worden aangewend.

Meer speciaal heeft de uitvinding betrekking op een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen die bedoeld zijn om een zwevende vloerbekleding te vormen en die bij het leggen aan hun randen met elkaar kunnen worden gekoppeld door middel van mechanische koppeldelen, al dan niet ééndelig met het vloerpaneel uitgevoerd, die zowel in horizontale als in verticale richting in een onderlinge vergrendeling van de vloerpanelen voorzien, bijvoorbeeld zoals beschreven in de internationale octrooiaanvragen WO 97/47834, WO 01/98603 en WO 01/96688.

Zoals blijkt uit het WO 97/47834 kan de coiitour van dergelijke koppeldelen aan de hand van een verspanende bewerking met minstens twee freesgereedschappen worden gevormd. Dit het WO 01/96688 is het bekend dat het door aan de bovenrand van de vloerpanelen een vellingkant te voorzien mogelijk is dergelijke koppeldelen voor dunne zowel als voor dikke vloerpanelen met gelijkaardige snijgereedschappen te vormen. De in het WO 01/96688 geopenbaarde werkwijze betreft echter een louter in hoogte verschuiven van de totale contour van de koppeldelen en laat niet toe dat deze contour op zich naargelang de dikte van het vloerpaneel geoptimaliseerd wordt.

De huidige uitvinding beoogt een meer efficiënte en/of meer economische vervaardigingsmethode voor reeksen vloerpanelen van verschillende dikte, waarbij een optimalisatie van de contour van de koppeldelen, zoals hierboven bedoeld, wel kan bereikt worden. Hiertoe betreft de uitvinding een werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, van het type dat aan minstens twee tegenovereenliggende zijden koppeldelen vertoont, welke koppeldelen wanneer twee van dergelijke vloerpanelen met elkaar samenwerken zowel een vergrendeling in verticale richting, loodrecht op .het vlak van de vloerpanelen, als een vergrendeling in horizontale richting, loodrecht op de betreffende zijden en in het vlak van de vloerpanelen, bewerkstelligen, waarbij de vergrendeling in verticale richting gerealiseerd wordt aan de hand van een tand in groef verbinding, waarbij deze groef begrensd is door een onderste en een bovenste lip, en waarbij de koppeldelen, voor het realiseren van de vergrendeling in horizontale richting, zijn voorzien van vergrendelingsgedeelten in de vorm van een uitsparing in de voornoemde onderste lip en een ermee samenwerkend uitsteeksel aan de onderzijde van de tand, welke wanneer twee van dergelijke vloerpanelen samenwerken minstens horizontaal actieve vergrendelingsoppervlakken vormen, waarbij het vergrendelingsoppervlak dat gevormd wordt op de flanken van de voornoemde uitsparing zich minstens gedeeltelijk in een gedeelte van de onderste lip bevindt dat zich voorbij de bovenste lip uitstrekt, waarbij de werkwijze minstens de stap omvat van het vormen van het koppeldeel met de voornoemde groef, waarbij de contour van dit koppeldeel minstens uit twee gedeelten wordt samengesteld, namelijk een eerste gedeelte dat zich minstens uitstrekt van het voornoemde vergrendelingsoppervlak van de uitsparing tot aan een stijgend flankgedeelte van de uitsparing, en een tweede gedeelte dat zich minstens uit strekt van de onderzijde van de voornoemde bovenste lip tot aan de bovenzijde van de voornoemde onderste lip, met als kenmerk dat de werkwijze wordt aangewend voor het vervaardigen van minstens twee reeksen vloerpanelen, waarbij de vloerpanelen in een eerste reeks verschillen van de vloerpanelen in een tweede reeks minstens doordat zij een andere dikte vertonen; dat de voornoemde twee gedeelten van de contour van het koppeldeel met de voornoemde groef bij beide reeksen van vloerpanelen op zich identiek zijn uitgevoerd; en dat minstens het voornoemde eerste gedeelte van de contour bij de voornoemde tweede reeks van vloerpanelen op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand van het vloerpaneel is uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks van vloerpanelen minstens zijdelings is verschoven.

Met het feit dat het voornoemde eerste gedeelte zich minstens uitstrekt van het voornoemde vergrendelingsoppervlak van de uitsparing tot aan een stijgend f lankgedeelte van de uitsparing, wordt bedoeld dat dit eerste gedeelte minstens een gedeelte van het vergrendelingsoppervlak zelf vormt, alsook minstens een gedeelte van voornoemd stijgend flankgedeelte omvat. Analoog geldt dat met het feit dat het tweede gedeelte zich minstens uitstrekt van de onderzijde van de voornoemde bovenste lip tot aan de bovenzijde van de voornoemde onderste lip, in dit tweede gedeelte minstens gedeelten vervat zitten van voornoemde onderzijde en bovenzijde.

Het op voomoemde manier samenstellen van contouren van een koppeldeel van een vloerpaneel leidt tot een efficiënt ontwerp van koppeldelen die kunnen toegepast worden bij reeksen vloerpanelen van verschillende dikte, en die toch kunnen worden geoptimaliseerd naargelang de dikte van de vloerpanelen uit de betreffende reeks.

Met het oog op het vergroten van de ontwerp- en optimalisatiemogelijkheden wordt het voornoemde tweede gedeelte van de contour van het koppeldeel met de voornoemde groef bij de voornoemde tweede reeks van vloerpanelen bij voorkeur op een relatieve positie ten opzichte van de bovenzijde van het vloerpaneel uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks van vloerpanelen minstens in een richting dwars op het paneeloppervlak is verschoven.

Bij voorkeur strekt het voornoemde tweede gedeelte zich minstens uit tot aan een flankgedeelte aan de bovenzijde van de onderste lip, waarbij dit flankgedeelte zich globaal gezien onder een geringere hellingshoek uitstrekt dan de hellingshoek van het steilste gedeelte van voornoemd stijgend flankgedeelte van de uitsparing en waarbij, beter nog, het verlengde van het eerstgenoemde flankgedeelte aansluit met het verlengde van het voornoemde stijgende flankgedeelte van de uitsparing dat deel uitmaakt van het voornoemde eerste gedeelte van de contour van het koppeldeel met de groef. Het is duidelijk dat een dergelijke werkwijze toelaat de contour van het betreffende koppeldeel samen te stellen uit slechts een beperkt aantal gedeelten. Ter plaatse van de voornoemde aansluiting vertoont de contour bij voorkeur een plotse verandering in hellingshoek. Dergelijke aansluiting zorgt ervoor dat de positie van het eerste gedeelte in verre mate onafhankelijk van de positie van het tweede gedeelte kan worden gekozen, en dergelijke werkwijze kan dan ook tot een groter aantal mogelijke contouren leiden die aan de hand van minstens de voornoemde twee gedeelten worden samengesteld.

Om het aantal samenstellende gedeelten van de contour van het koppeldeel met de groef verder te beperken, draagt het de voorkeur dat het voornoemde eerste gedeelte van de contour tevens het distale uiteinde van de voornoemde onderste lip bevat en/of dat het voornoemde tweede gedeelte van de contour minstens de volledige bovenzijde van de bovenste lip bevat.

Bij voorkeur wordt de werkwijze van de huidige uitvinding aangewend voor het vervaardigen van vloerpanelen uit een eerste en een tweede reeks waarvan de voornoemde tand en groef, zowel wanneer twee vloerpanelen uit de eerste reeks als wanneer twee vloerpanelen uit de tweede reeks met elkaar samenwerken, minstens verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken vertonen aan de onderzijde van de bovenste lip en aan de bovenzijde van de onderste lip. In een dergelijk geval omvat het voornoemde tweede gedeelte van de contour van het koppeldeel met de groef, zowel bij de vloerpanelen uit de eerste reeks als bij de vloerpanelen uit de tweede reeks, bij voorkeur minstens deze verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken. Bij voorkeur zijn deze verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken vlak uitgevoerd, bijvoorbeeld horizontaal of met een beperkte helling van bijvoorbeeld twee tot vijf graden. Opgemerkt wordt dat het verticaal actief vergrendelingsoppervlak aan de bovenzijde van de onderste lip kan gevormd worden door het voornoemd vlak flankgedeelte van de onderste lip waarvan, zoals voornoemd, bij voorkeur het verlengde aansluit op het verlengde van het voornoemde stijgende flankgedeelte van de uitsparing.

Voor het bekomen van een optimalisatie van het koppeldeel met de groef in functie van de dikte van de vloerpanelen worden de voornoemde twee gedeelten van de contour bij vloerpanelen uit een eerste reeks die dunner zijn dan vloerpanelen uit een tweede reeks bij voorkeur zodanig samengesteld dat de vloerpanelen in de eerste reeks tevens verschillen van de vloerpanelen in de tweede reeks doordat de voornoemde contour van het koppeldeel met de groef één of meer van volgende eigenschappen vertoont : dat de voornoemde onderste lip bij de vloerpanelen uit de eerste reeks zodanig wordt gevormd dat zij zich over een kleinere afstand voorbij de voornoemde bovenste lip van de groef uitstrekt dan het geval is bij de vloerpanelen uit de tweede reeks; dat de voornoemde uitsparing bij de vloerpanelen uit de eerste reeks ten opzichte van het vloerpaneel meer proximaal wordt gevormd dan het geval is bij de vloerpanelen uit de tweede reeks; dat de voornoemde uitsparing bij de vloerpanelen uit de eerste reeks gevormd wordt met een diepste punt dat ten opzichte van het vloerpaneel meer proximaal gelegen is dan het geval is bij de vloerpanelen uit de tweede reeks; dat de onderste lip bij de vloerpanelen uit de eerste reeks gevormd wordt met een dunste doorsnede die dunner is dan het geval is bij de vloerpanelen uit de tweede reeks. De voornoemde optimalisatie kan bijvoorbeeld resulteren in een grotere sterkte van de koppeling en/of een vlotter ineenvoegen van de koppeldelen, hetzij door middel van een hoofdzakelijk horizontale schuifbeweging van twee van dergelijke vloerpanelen uit eenzelfde reeks naar elkaar, hetzij door middel van een wentelbeweging rond de bovenrand van dergelijke vloerpanelen. Bij het verbeteren van het ineenvoegen van dergelijke koppeldelen kan de flexibiliteit van de onderste lip een belangrijke rol spelen. Evenwel mag zij voor het bekomen van dergelijke flexibiliteit niet al te veel worden verzwakt, vermits de sterkte van de verbinding dan in het gedrang kan komen. Een geoptimaliseerde contour dient voor elke reeks van vloerpanelen bij voorkeur een compromis te zoeken tussen de voornoemde flexibiliteit van de onderste lip en de sterkte van de verbinding.

De werkwijze kan bijvoorbeeld worden aangewend voor het vervaardigen van reeksen van vloerpanelen die minstens daardoor verschillen dat de vloerpanelen in de verschillende reeksen een verschillende dikte vertonen, waarbij deze verschillende dikten gekozen zijn uit een bereik van 9 tot 16, en beter nog van 10 tot 12 millimeter. Deze dikten kunnen ook gekozen zijn uit een bereik van 6 tot 10, en beter nog van 7 tot 9,5 millimeter. Uiteraard kunnen ook dikkere vloerpanelen met de werkwijze volgens de uitvinding worden vervaardigd, zoals vloerpanelen met een dikte tussen 16 en 25 millimeter.

Volgens een belangrijke uitvoeringsvorm laat de werkwijze van de uitvinding toe dat de contour van het koppeldeel met de groef bij beide reeksen vloerpanelen door middel van een verspanende bewerking aan de hand van minstens twee roterende freesgereedschappen wordt gevormd. Bij voorkeur bestaan de voornoemde twee gereedschappen uit, enerzijds, een eerste freesgereedschap dat minstens het voornoemde eerste gedeelte van de voornoemde contour vormt en, anderzijds, een tweede freesgereedschap dat minstens het voornoemde tweede gedeelte van de voornoemde contour vormt. De voornoemde freesgereedschappen kunnen een diameter vertonen die vijf keer groter is dan de dikte van de vloerpanelen uit de eerste en/of de tweede reeks. Deze diameter kan zelfs groter zijn dan twintig keer deze dikte.

Doordat de voornoemde gedeelten van de contour bij beide reeksen vloerpanelen identiek zijn uitgevoerd, laat de werkwijze van de uitvinding, volgens de voornoemde belangrijke uitvoeringsvorm, bovendien toe dat de voornoemde twee gereedschappen die worden aangewend bij de eerste reeks vloerpanelen identiek worden uitgevoerd als de voornoemde twee gereedschappen die worden aangewend bij de tweede reeks vloerpanelen. Beter nog worden voor de voornoemde twee freesgereedschappen bij de eerste reeks en de tweede reeks van vloerpanelen dezelfde freesgereedschappen aangewend.

Opgemerkt wordt dat de uitvinding ook betrekking heeft op een set van gereedschappen, die minstens bestaat uit twee freesgereedschappen welke kunnen worden aangewend als eerste en tweede freesgereedschap in een werkwijze volgens de hierboven beschreven belangrijke uitvoeringsvorm.

Het is duidelijk dat de uitvinding ook betrekking heeft op een vloerpaneel, met als kenmerk dat het is verkregen met een werkwijze volgens de huidige uitvinding en de voorkeurdragende uitvoeringsvormen ervan.

Verder wordt opgemerkt dat, in de plaats van of in combinatie met het vormen van het koppeldeel met de groef, de werkwijze ook de stap kan omvatten van het vormen van het koppeldeel met de tand aan de tegenoverliggende zijde van het vloerpaneel, waarbij de contour van dit koppeldeel eveneens minstens uit twee gedeelten wordt samengesteld, namelijk een eerste gedeelte dat zich minstens uitstrekt van het voornoemde vergrendelingsoppervlak van het uitsteeksel aan de onderzijde van de tand tot aan een stijgend flankgedeelte van dit uitsteeksel, en een tweede gedeelte dat zich minstens uitstrekt van de bovenzijde tot de onderzijde van de tand. Het bijzondere van de werkwijze van de uitvinding bestaat er in zulk geval in dat de voornoemde twee gedeelten van het koppeldeel met de tand bij reeksen vloerpanelen van verschillende dikte op zich identiek zijn uitgevoerd en dat minstens het voornoemde eerste gedeelte van die contour bij de voornoemde tweede reeks van vloerpanelen op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand van het vloerpaneel is uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks van vloerpanelen minstens zijdelings is verschoven. Het is voor de vakman duidelijk dat een dergelijke werkwijze voorkeurdragende uitvoeringsvormen kan hebben analoog aan de voorkeurdragende uitvoeringsvormen die hierboven zijn beschreven aan de hand van de stap van het vormen van het koppeldeel met de groef.

In de eerste plaats is de uitvinding bedoeld om bij houtgebaseerde of houten vloerpanelen te worden aangewend, zoals dat het geval kan zijn bij de vloerpanelen van een laminaatparket, een legklaar parket, een fineerparket of een massief parket.

Bij laminaatparket worden gebruikelijk vloerpanelen aangewend waarvan de toplaag is samengesteld uit één of meer in hars gedrenkte dragervellen. Dergelijke laminaatvloerpanelen bevatten doorgaans een ééndelig substraat, bijvoorbeeld uit MDF of HDF (Medium Density Fibreboard of High Density Fibreboard) en een gedrukt decor dat aan de bovenzijde het uitzicht bepaalt. Zoals bekend kunnen laminaatvloerpanelen op verschillende wijzen worden vervaardigd. Volgens een eerste mogelijkheid kunnen zij met een DPL (Direct Pressure Laminate) techniek worden vervaardigd, waarbij de voornoemde dragervellen samen met het substraat in een pers worden gebracht alwaar zij worden geconsolideerd onder de inwerking van hoge druk en temperatuur. Volgens een tweede mogelijkheid kunnen zij met een HPL (High Pressure Laminate) techniek worden vervaardigd, waarbij de voornoemde dragervellen eerst worden geconsolideerd tot een zogeheten compact laminaat dat daarna op het substraat wordt gelijmd. Aan de onderzijde van laminaatvloerpanelen wordt gebruikelijk een zogeheten tegenlaag of balanceerlaag toegepast welke, bij voorkeur eveneens is opgebouwd uit minstens één in hars gedrenkt, met andere woorden beharst, dragervel.

Bij legklaar parket vertonen de vloerpanelen een toplaag op basis van echt hout, normalerwijze dikker dan fineer, welke toplaag dan bijvoorbeeld een dikte vertoont van 2 tot 5 millimeter, en op een houten of houtgebaseerd één- of meerdelig substraat is aangebracht.

Er wordt opgemerkt dat de werkwijze bij voorkeur wordt toegepast bij reeksen van vloerpanelen waarbij de vloerpanelen van de reeks met de grotere dikte een dikte vertonen die minstens 10% groter is dan de dikte van de vloerpanelen van de reeks met de geringere dikte. Vanaf dergelijk verschil is het immers nuttig om met anders gepositioneerde gedeelten van de contour van de koppeldelen te werken.

Verdere kenmerken zullen blijken uit de volgende gedetailleerde beschrijving en de aangehechte conclusies. Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, dan ook enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin: figuur 1 een vloerpaneel weergeeft dat met een werkwijze volgens de uitvinding is bekomen; figuur 2 twee van dergelijke vloerpanelen uit een verschillende reeks in een dwarsdoorsnede volgens de in figuur 1 aangeduide lijn II-II weergeeft; figuren 3 en 4 in een dwarsdoorsnede tonen hoe de vloerpanelen uit figuur 2 aan hun randen kunnen worden gekoppeld; figuren 5 tot 8 enkele stappen uit een werkwijze volgens de uitvinding illustreren.

Figuur 1 geeft een vloerpaneel 1 weer dat met een werkwijze volgens de uitvinding kan worden bekomen. Het betreft een vloerpaneel 1 dat aan minstens twee, en in dit geval aan alle, tegenovereenliggende zijden 2-3, 4-5 koppeldelen 6 vertoont, welke toelaten dat twee van dergelijke vloerpanelen 1 aan hun randen met elkaar kunnen worden verbonden.

Figuur 2 geeft uit twee verschillende reeksen 7-8 telkens één vloerpaneel 1 weer, waarbij voor de vervaardiging van de vloerpanelen 1 uit deze beide reeksen 7-8 een werkwijze volgens de uitvinding is aangewend.

Volgens de uitvinding verschillen de vloerpanelen 1 in de eerste reeks 7 van de vloerpanelen 1 in de tweede reeks 8 minstens doordat zij een andere dikte T vertonen. Volgens het voorbeeld zijn de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 dunner dan de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8. Het is duidelijk dat de reeksen 7-8 die volgens de uitvinding bedoeld zijn meer dan één vloerpaneel 1 van een bepaalde dikte T bevatten, zodat van de vloerpanelen 1 uit een dergelijke reeks 7-8 een vloerbekleding kan worden samengesteld.

Zoals figuur 2 duidelijk weergeeft omvatten de koppeldelen 6 van deze beide vloerpanelen 1 een tand 9 en een groef 10 die begrensd wordt door middel van een onderste lip 11 en een bovenste lip 12. Hierbij strekt de onderste lip 11 zich over een afstand E tot voorbij de bovenste lip 12 uit. Wanneer de tand 9 en de groef 10 met elkaar samenwerken, bewerkstelligen zij de vergrendeling in verticale richting VI. De koppeldelen 6 zijn verder voorzien van vergrendelingsgedeelten 13, die een vergrendeling in horizontale richting Hl kunnen teweeg brengen. Deze vergrendelingsgedeelten 13 bestaan in voorliggend geval uit een uitsparing 14 in de onderste lip 11 en een uitsteeksel 15 aan de onderzijde van de tand 9, waarbij dit uitsteekstel 15 met de voornoemde uitsparing 14 kan samenwerken wanneer twee vloerpanelen 1 uit eenzelfde reeks 7-8 met elkaar samenwerken.

Zoals figuren 3 en 4 weergeven ontstaan bij een dergelijke samenwerking minstens horizontaal actieve vergrendelings-oppervlakken 16-17. Deze vergrendelingsoppervlakken zorgen ervoor dat de betreffende vloerpanelen 1 in horizontale richting Hl niet of slechts beperkt uit elkaar kunnen schuiven. Het vergrendelingsoppervlak 17 dat gevormd wordt op de flanken van de uitsparing 14 bevindt zich minstens gedeeltelijk, en in dit geval volledig, in een gedeelte van de onderste lip 11 dat zich voorbij de bovenste lip 12 uitstrekt. Bij voorkeur wordt de werkwijze aangewend voor het vervaardigen van vloerpanelen met koppeldelen die toelaten dat twee van dergelijke vloerpanelen uit eenzelfde reeks aan elkaar kunnen worden gekoppeld zonder speling in horizontale richting, en beter nog zonder speling in elke richting van het vlak loodrecht op de betreffende zijden.

De werkwijze van de huidige uitvinding omvat minstens de stap van het vormen van het koppeldeel 6 met de voornoemde groef 10, waarbij de contour van dit koppeldeel 10, zoals weergegeven onder andere in de vloerpanelen 1 van figuur 2, minstens uit twee gedeelten 18-19 is samengesteld en waarbij deze twee gedeelten 18-19 bij vloerpanelen 1 uit reeksen 7-8 met verschillende dikten T identiek zijn uitgevoerd. In de voorbeelden van figuur 2 strekt het eerste gedeelte 7 van de contour zich minstens uit van het horizontaal actief vergrendelingsoppervlak 17 op de flanken van de uitsparing 14 in de onderste lip 11 tot aan een stijgend flankgedeelte 20 van deze uitsparing 11. Het tweede gedeelte 19 strekt zich minstens uit van de onderzijde 21 van de bovenste lip 12 tot aan de bovenzijde 22 van de onderste lip 11. Meer speciaal strekt het eerste gedeelte 18 van de contour zich in de weergegeven vloerpanelen 1 uit van het punt Al aan het distale uiteinde van de onderste lip 11 tot het punt BI op het voornoemd stijgend flankgedeelte 20 van de uitsparing 14, terwijl het tweede gedeelte 19 zich uitstrekt van het punt A2 onder de bovenrand 23 waar de vloerpanelen 1 tegen elkaar aansluiten tot het punt B2 op een f lankgedeelte 24 van de onderste lip 11 dat globaal gezien een geringere hellingshoek vertoont dan het steilste gedeelte van het voornoemd stijgende flankgedeelte 20 van de uitsparing 14. In dit geval is het betreffend flankgedeelte 24 van de onderste lip 11 vlak uitgevoerd.

Het voornoemde eerste gedeelte 18 van de contour is bij het vloerpaneel 1 uit de voornoemde tweede reeks 8 op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand 23 uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij het vloerpaneel 1 uit de voornoemde eerste reeks 7 minstens zijdelings, in dit geval over een afstand LG, is verschoven.

Bovendien is het voornoemde tweede gedeelte 19 van de contour van het koppeldeel 6 met de groef 10 bij de voornoemde tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 op een relatieve positie, een relatieve positie, namelijk op een afstand P2 ten opzichte van de bovenzijde 25 van het vloerpaneel, uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks 7 van vloerpanelen 1, namelijk op een afstand PI ten opzichte van de bovenzijde 25, minstens in een richting dwars op het paneeloppervlak verschoven.

Er wordt opgemerkt dat in de hier weergegeven voorbeelden de gedeelten 18-19 van de contour zich, ieder op zich, continu en/of ononderbroken uitstrekken. Het is echter niet uitgesloten dat zij plaatselijk worden onderbroken, maar dat de voornoemde twee gedeelten 18-19 van de contour zich bij beide reeksen 7-8 van vloerpanelen 1 toch globaal identiek uitstrekken.

De vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 en tweede reeks 8 vertonen verder nog de volgende bijzondere eigenschappen: het verlengde 26 van het voornoemde vlakke flankgedeelte 24 van de onderste lip 11 dat deel uitmaakt van het voornoemde tweede gedeelte 19 van de contour sluit aan met het verlengde 27 van het voornoemde stijgende f lankgedeelte 20 van de uitsparing 14 dat deel uitmaakt van het voornoemde eerste gedeelte 18 van de contour; ter plaatste van de hierboven genoemde aansluiting 28 vertoont het vloerpaneel 1 uit de eerste reeks 7 zowel als het vloerpaneel 1 uit de tweede reeks 8 een discontinue hellingshoek; bij de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 is de voomoemde onderste lip 11 zodanig gevormd dat zij zich over een kleinere afstand E voorbij de voornoemde bovenste lip 12 van de groef 10 uitstrekt dan het geval is bij de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8; - bij de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 is de voornoemde uitsparing 14 ten opzichte van het vloerpaneel 1 meer proximaal gevormd dan het geval is bij de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8; bij de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 is de voornoemde uitsparing 14 gevormd met een diepste zone of punt 29 dat ten opzichte van het vloerpaneel 1 meer proximaal gelegen is dan het geval is bij de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8 ; bij de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 is de voornoemde onderste lip 11 gevormd met een dunste doorsnede, namelijk in dit geval ter plaatse van het diepste punt 29, die dunner is dan het geval is bij de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8.

Elk afzonderlijk of in combinatie, zoals hier het geval is, zorgen deze eigenschappen voor een, naargelang de dikte T van het vloerpaneel 1, geoptimaliseerde contour van het koppeldeel 6 met de groef 10, zodat in elkaar voegen van twee vloerpanelen 1 uit eenzelfde reeks door middel van een horizontale schuifbeweging S naar elkaar toe en/of door middel van een wentelbeweging rond de bovenranden 23 ervan vlot kan plaatsvinden. Opgemerkt wordt dat in de figuren 3 en 4 weergegeven koppeldelen 6 toelaten dat twee vloerpanelen 1 uit eenzelfde reeks 7-8 zowel door een schuif beweging S als door een wentelbeweging W in elkaar kunnen worden gevoegd.

In de voorbeelden van de figuren 3 en 4 blijft de onderste lip 11, na het samenvoegen van de vloerpanelen 1 van beide reeksen 7-8, in een uitgebogen positie staan, waarin zij door haar elastische terugveerkracht de vloerpanelen 1 naar elkaar dwingt. Dit naar elkaar dwingen van vloerpanelen 1 door middel van een elastische verbuiging van de onderste lip 11 is op zich bekend uit het WO 97/47834 en is ondertussen door de vakman beter bekend als voorspanning. Opgemerkt wordt dat de voorbeelden ook de bijzondere vorm van voorspanning vertoont zoals die is beschreven in WO 2006/0323 98 en die leidt tot een verminderd risico op het optreden van kraakgeluiden bij het begaan van een vloerbekleding die uit dergelijke vloerpanelen 1 is samengesteld.

Figuren 5 en 6 geven weer hoe de contour van het koppeldeel 6 met de groef 10 bij beide reeksen 7-8 vloerpanelen 1 door middel van een verspanende bewerking aan de hand van minstens twee freesgereedschappen 30-31 kan worden gevormd. De bij de eerste reeks 7 aangewende freesgereedschappen 30-31 zijn hierbij identiek uitgevoerd als de bij de tweede reeks 8 aangewende freesgereedschappen 30-31. Bij voorkeur gaat het om eenzelfde set van freesgereedschappen 30-31 die minstens twee freesgereedschappen 30-31 bevatten, namelijk, enerzijds, een freesgereedschap 30 dat bij beide reeksen 7-8 van vloerpanelen 1 minstens het tweede gedeelte 19 van de contour van de groef 10 vormt, zoals in figuur 5 weergegeven, en, anderzijds, een freesgereedschap 31 dat bij beide reeksen 7-8 van vloerpanelen 1 minstens het eerste gedeelte 18 van de contour van de groef 10 vormt, zoals in figuur 6 weergegeven.

Verder blijkt duidelijk uit de figuren 5 en 6 dat het voornoemde eerste gedeelte 18 van de contour aan de hand van het voornoemde freesgereedschap 31 bij de voornoemde tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 op een positie ten opzichte van de bovenrand 23 wordt gevormd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks 7 van vloerpanelen 1 zijdelings is verschoven over een afstand LG en dat het voornoemde tweede gedeelte 19 van de contour bij de voornoemde tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 op een positie ten opzichte van de bovenzijde 25 wordt gevormd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks 7 van vloerpanelen 1 in dwarse richting over een afstand HG is verschoven.

Opgemerkt wordt dat, bij voorkeur, voor het uitvoeren van de freesbewerkingen, de vloerpanelen 1 met hun bovenzijde 25 op een glijschoen of ander geleidend element 32 worden gedrukt zodanig dat alle afstanden, bijvoorbeeld de afstanden PI en P2, naar deze bovenzijde 25 worden gerefereerd. Verder wordt opgemerkt dat het niet uitgesloten is dat nog andere freesbewerkingen plaatsvinden vooraleer de uiteindelijke vorm van de betreffende zijde 2-3-4-5 wordt bereikt. Zo bijvoorbeeld kan in een voorafgaandelijke bewerkingsstap een gedeelte overtollig materiaal worden verwijderd en/of in een fijne bewerkingsstap de uiteindelijke bovenrand 23 worden afgewerkt. Een bijzonder voorbeeld van een dergelijke afwerking betreft het wegnemen van een materiaalgedeelte ter vorming van een afkanting 33, zoals de vellingkanten weergegeven in figuur 2. Het is echter duidelijk dat dergelijke afkanting 33 slechts als optioneel dient te worden aanzien en dat dergelijke vloerpanelen 1 ook met tegen elkaar aansluitende rechte bovenranden 23 kunnen worden vervaardigd. Verder wordt opgemerkt dat dergelijke afkanting op zich bekend zijn bijvoorbeeld uit het WO 01/96688.

Zoals in de inleiding vermeld kan de contour van het koppeldeel 6 met de tand 9 op een gelijkaardige wijze als de contour van het koppeldeel 6 met de groef 10 worden samengesteld, onafhankelijk van het feit of de groef 10 uit twee gedeelten 18-19 is samengesteld. Een dergelijke werkwijze is eveneens aangewend voor het vervaardigen van de vloerpanelen weergegeven in figuur 2 en omvat de stap van het vormen van het koppeldeel 6 met de tand 9 aan de tegenoverliggende zijde 2 van het vloerpaneel 1, waarbij de contour van dit koppeldeel 6 eveneens minstens uit twee gedeelten 34-35 wordt samengesteld. In het voorbeeld betreft het een eerste gedeelte 34, dat zich minstens uitstrekt van het voornoemde vergrendelingsoppervlak 16 van het uitsteeksel 15 aan de onderzijde van de tand 9 tot aan een stijgend flankgedeelte 36 van dit uitsteeksel 15, en een tweede gedeelte 35 dat zich minstens uitstrekt van de bovenzijde 37 tot de onderzijde 38 van de tand 9. Meer speciaal strekt het eerste gedeelte 37 van de contour zich in de weergegeven vloerpanelen 1 uit van het punt A3 aan de onderzijde 39 van het vloerpaneel 1 tot het punt B3 op het voornoemd stijgend flankgedeelte 36 van het uitsteeksel 15, terwijl het tweede gedeelte 35 zich uitstrekt van het punt A4 onder de bovenrand 23 waar de vloerpanelen 1 tegen elkaar aansluiten tot het punt B4 op een ander, bij voorkeur sterker stijgend flankgedeelte 40 van het uitsteeksel 15.

Het bijzondere van de werkwijze van de uitvinding bestaat er in zulk geval in dat de voornoemde twee gedeelten 34-3 5 van het koppeldeel 6 met de tand 9 bij reeksen 7-8 vloerpanelen 1 van verschillende dikte T op zich identiek zijn uitgevoerd en dat minstens het voornoemde eerste gedeelte 34 van die contour bij de voornoemde tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand 23 is uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij het vloerpaneel 1 uit de voornoemde eerste reeks 7 minstens zijdelings, in dit geval over een afstand LT, is verschoven.

Bij voorkeur is ook het tweede gedeelte 35 van de contour van het koppeldeel 6 met de tand 10 bij de voornoemde tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 op een relatieve positie, namelijk op een afstand P2 ten opzichte van de bovenzijde 25 van het vloerpaneel, uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks 7 van vloerpanelen 1, namelijk op een afstand PI ten opzichte van de bovenzijde 25, minstens in een richting dwars op het paneeloppervlak verschoven.

Het is voor de vakman duidelijk dat een dergelijke werkwijze voorkeurdragende uitvoeringsvormen kan hebben analoog aan de voorkeurdragende uitvoeringsvormen die hierboven zijn beschreven aan de hand van de stap van het vormen van het koppeldeel 6 met de groef 10.

Ter verduidelijking wordt verwezen naar de figuren 7 en 8 die weergegeven hoe de contour van het koppeldeel 6 met de tand 9 aan de hand van minstens twee freesgereedschappen 41-42 kan worden gevormd, namelijk, enerzijds, een freesgereedschap 41 dat bij beide reeksen 7-8 van vloerpanelen 1 minstens het tweede gedeelte 35 van de contour van de tand 9 vormt, zoals in figuur 7 weergegeven, en, anderzijds, een freesgereedschap 42 dat bij beide reeksen 7-8 van vloerpanelen 1 minstens het eerste gedeelte 34 van de contour van de tand 9 vormt, zoals in figuur 8 weergegeven.

De figuren 7 en 8 geven duidelijk weer dat, bij de betreffende vloerpanelen, het eerste gedeelte 34 van de contour bij de eerste reeks 7 op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand 23 wordt uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de tweede reeks 8 van vloerpanelen 1 over een afstand LT zijdelings is verschoven, terwijl het tweede gedeelte relatief ten opzichte van de bovenzijde 25 van het vloerpaneel in dwarse richting over een afstand HT is verschoven.

Het spreekt voor zich dat de uitvinding ook betrekking heeft op een set van freesgereedschappen die toelaat een vloerpaneel volgens de in figuren 7 en 8 weergegeven werkwijze te vervaardigen en dat de uitvinding alsmede betrekking heeft op een vloerpaneel dat aan de hand van een dergelijke werkwijze is bekomen.

Opgemerkt wordt dat de in de figuren weergegeven vloerpanelen 1 laminaatvloerpanelen betreffen met een substraat 43 op basis van houtgebaseerd materiaal zoals MDF of HDF dat met een toplaag 44 en een tegenlaag 45 is voorzien. In dit geval omvat de toplaag 44 twee in hars gedrenkte of van hars voorziene dragervellen 46 en de tegenlaag 45 één dergelijk van hars voorzien dragervel 46. Zoals in de inleiding vermeld, kan de werkwijze van de uitvinding uiteraard ook worden aangewend voor het vervaardigen van andere vloerpanelen 1.

Verder wordt opgemerkt dat, volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm die is weergegeven in de voorbeelden van figuur 3 en 4, de voornoemde tand 9 en groef 10, zowel wanneer de twee vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 als wanneer de twee vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8 met elkaar samenwerken, eveneens verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken 47-48 vertonen aan de onderzijde 21 van de bovenste lip 12 en aan de bovenzijde 22 van de onderste lip 11 en dat het voornoemde tweede gedeelte 19 van de contour van het koppeldeel 6 met de groef 10, zowel bij de vloerpanelen 1 uit de eerste reeks 7 als bij de vloerpanelen 1 uit de tweede reeks 8, minstens deze verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken 47-48 omvat.

Het is duidelijk dat ook de contour van het koppeldeel 6 met de groef 10 en/of het koppeldeel 6 met de tand 9 aan het tweede paar tegenovereenliggende zijden 4-5 op een gelijkaardige manier uit twee gedeelten 18-19 en/of 34-35, zoals hierboven beschreven aan de hand van het eerste paar tegenovereenliggende zijden 2-3, kunnen worden samengesteld.

De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch dergelijke werkwijzen, sets van gereedschappen en vloerpanelen, kunnen volgens verschillende varianten worden gerealiseerd zonder buiten het kader van de uitvinding te treden.

Claims (17)

1,- Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, van het type dat aan minstens twee tegenovereenliggende zijden (2-3) koppeldelen (6) vertoont, welke koppeldelen (6) wanneer twee van dergelijke vloerpanelen (1) met elkaar samenwerken zowel een vergrendeling in verticale richting (VI), loodrecht op het vlak van de vloerpanelen (1) , als een vergrendeling in horizontale richting (Hl), loodrecht op de betreffende zijden (2-3) en in het vlak van de vloerpanelen (1), bewerkstelligen, waarbij de vergrendeling in verticale richting (VI) gerealiseerd wordt aan de hand van een tand in groef verbinding (9-10), waarbij deze groef (10) begrensd is door een onderste lip (11) en een bovenste lip (12) , en waarbij de koppeldelen (6), voor het realiseren van de vergrendeling in horizontale richting (Hl), zijn voorzien van vergrendelingsgedeelten (13) in de vorm van een uitsparing (14) in de voornoemde onderste lip (11) en een ermee samenwerkend uitsteeksel (15) aan de onderzijde van de tand (9) , welke wanneer twee van dergelijke vloerpanelen (1) samenwerken minstens horizontaal actieve vergrendelingsoppervlakken (16-17) vormen, waarbij het vergrendelingsoppervlak (17) dat gevormd wordt op de flanken van de voornoemde uitsparing (14) zich minstens gedeeltelijk in een gedeelte van de onderste lip (11) bevindt dat zich voorbij de bovenste lip (12) uitstrekt, waarbij de werkwijze minstens de stap omvat van het vormen van het koppeldeel (6) met de voornoemde groef (10), waarbij de contour van dit koppeldeel (6) minstens uit twee gedeelten (18-19) wordt samengesteld, namelijk een eerste gedeelte (18) dat zich minstens uitstrekt van het voornoemde vergrendelingsoppervlak (17) van de uitsparing (14) tot aan een stijgend flankgedeelte (2 0) van de uitsparing (14), en een tweede gedeelte (19) dat zich minstens uitstrekt van de onderzijde (21) van de voornoemde bovenste lip (12) tot aan de bovenzijde (22) van de voornoemde onderste lip (11), daardoor gekenmerkt dat de werkwijze wordt aangewend voor het vervaardigen van minstens twee reeksen (7-8) van vloerpanelen (1) , waarbij de vloerpanelen (1) in een eerste reeks (7) verschillen van de vloerpanelen (1) in een tweede reeks (8) minstens doordat zij een andere dikte (T) vertonen; dat de voornoemde twee gedeelten (18-19) van de contour van het koppeldeel (6) met de voornoemde groef (10) bij beide reeksen (7-8) van vloerpanelen (1) op zich identiek zijn uitgevoerd; en dat minstens het voornoemde eerste gedeelte (18) van de contour bij de voornoemde tweede reeks (8) van vloerpanelen (1) op een relatieve positie ten opzichte van de bovenrand (23) van het vloerpaneel (1) is uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks (7) van vloerpanelen (1) minstens zijdelings is verschoven.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde tweede gedeelte (19) van de contour van het koppeldeel (6) met de voornoemde groef (10) bij de voornoemde tweede reeks (8) van vloerpanelen (1) op een relatieve positie ten opzichte van de bovenzijde (25) van het vloerpaneel (1) is uitgevoerd die met betrekking tot zijn positie bij de voornoemde eerste reeks (7) van vloerpanelen (1) minstens in een richting dwars op het paneeloppervlak is verschoven.
3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat het eerste gedeelte (18) van de voornoemde contour en/of het tweede gedeelte (19) waaruit de contour van het koppeldeel (6) met de voornoemde groef (10) wordt samengesteld zich, zowel bij de vloerpanelen (1) van de eerste reeks (7) als bij de vloerpanelen (1) van de tweede reeks (8), ieder op zich ononderbroken of continu uitstrekken.
4. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde tweede gedeelte (19) zich minstens uit strekt tot aan een flankgedeelte (24) aan de bovenzijde (22) van de onderste lip (11), waarbij dit flankgedeelte (24) zich globaal gezien onder een geringere hellingshoek uitstrekt dan de hellingshoek van het steilste gedeelte van voornoemd stijgend flankgedeelte (20) van de uitsparing (14), waarbij, bij voorkeur, het verlengde (26) van het eerstgenoemde flankgedeelte (24) aansluit met het verlengde (27) van het voornoemde stijgend flankgedeelte (20) van de uitsparing (14) dat deel uitmaakt van het voornoemde eerste gedeelte (18) van de contour.
5. Werkwijze volgens conclusie 4, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde contour ter plaatse van de voornoemde aansluiting (28) , zowel bij de vloerpanelen (1) van de eerste reeks (7) als bij de vloerpanelen (1) van de tweede reeks (8), een plotse verandering in hellingshoek vertoont.
6. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde eerste gedeelte (18) van de contour tevens het distale uiteinde van de voornoèmde onderste lip (11) bevat.
7. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde tweede gedeelte (19) van de contour minstens de volledige onderzijde (21) van de bovenste lip (12) bevat.
8. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde tand (9) en groef (10) , zowel wanneer twee vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) als wanneer twee vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8) met elkaar samenwerken, minstens verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken (47-48) vertonen aan de onderzijde (21) van de bovenste lip (12) en aan de bovenzijde (22) van de onderste lip (11) en dat het voornoemde tweede gedeelte (19) van de contour, zowel bij de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) als bij de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8) , minstens deze verticaal actieve vergrendelingsoppervlakken (47-4 8) omvat.
9.- Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) dunner zijn dan de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8) en dat de voornoemde twee gedeelten (18-19) zodanig worden samengesteld dat de vloerpanelen (1) in een eerste reeks (7) tevens verschillen van de vloerpanelen (1) in een tweede reeks (8) doordat de voomoemde contour van het koppeldeel (6) met de groef (10) één of meer van volgende eigenschappen vertoont: dat de voornoemde onderste lip (11) bij de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) zodanig wordt gevormd dat zij zich over een kleinere afstand (E) voorbij de voornoemde bovenste lip (12) van de groef (10) uit strekt dan het geval is bij de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8); dat de voornoemde uitsparing (14) bij de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) ten opzichte van het vloerpaneel (1) meer proximaal wordt gevormd dan het geval is bij de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8); dat de voornoemde uitsparing (14) bij de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) gevormd wordt met een diepste punt (29) dat ten opzichte van het vloerpaneel (1) meer proximaal gelegen is dan het geval is bij de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8); dat de onderste lip (11) bij de vloerpanelen (1) uit de eerste reeks (7) gevormd wordt met een dunste doorsnede die dunner is dan het geval is bij de vloerpanelen (1) uit de tweede reeks (8) .
10. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat zij wordt aangewend voor het vervaardigen van reeksen (7-8) van vloerpanelen (1) die minstens daardoor verschillen dat de vloerpanelen (1) in de verschillende reeksen (7-8) een verschillende dikte (T) vertonen en deze verschillende dikten (T) gekozen zijn uit een bereik van 9 tot 16, en beter nog van 10 tot 12 millimeter.
11. Werkwijze volgens één van de conclusies 1 tot 9, daardoor gekenmerkt dat zij wordt aangewend voor het vervaardigen van reeksen (7-8) van vloerpanelen (1) die minstens daardoor verschillen dat de vloerpanelen (1) in de verschillende reeksen (7-8) een verschillende dikte (T) vertonen en deze verschillende dikten (T) gekozen zijn uit een bereik van 6 tot 10, en beter nog van 7 tot 9,5 millimeter.
12. Werkwijze volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat de contour van het koppeldeel (6) met de groef (10) bij beide reeksen (7-8) vloerpanelen (1) door middel van een verspanende bewerking aan de hand van minstens twee freesgereedschappen (30-31) wordt gevormd.
13. Werkwij ze volgens conclusie 12, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde twee gereedschappen (30-31) bestaan uit, enerzijds, een eerste freesgereedschap (31) dat minstens het voornoemde eerste gedeelte (18) van de voornoemde contour vormt en, anderzijds, een tweede freesgereedschap (30) dat minstens het voornoemde tweede gedeelte (19) van de voornoemde contour vormt.
14, - Werkwijze volgens één van de conclusies 12 of 13, daardoor gekenmerkt dat de voornoemde twee gereedschappen (30-31) die worden aangewend bij de eerste reeks (7) van vloerpanelen (1) identiek zijn uitgevoerd als de voornoemde twee gereedschappen (30-31) die worden aangewend bij de tweede reeks (8) vloerpanelen (1).
15. Werkwijze volgens conclusie 14, daardoor gekenmerkt dat voor de voornoemde twee freesgereedschappen (30-31) bij de eerste reeks (7) en de tweede reeks (8) van vloerpanelen (1) dezelfde freesgereedschappen (30-31) worden aangewend.
16. Set van gereedschappen, die minstens bestaat uit twee freesgereedschappen (30-31) welke kunnen worden aangewend als eerste freesgereedschap (31) en tweede freesgereedschap (30) in een werkwijze volgens één van de conclusies 12 tot 15.
17, - Vloerpaneel, daardoor gekenmerkt dat het is verkregen met een werkwijze volgens één van de conclusies 1 tot 15.
BE200600399A 2006-07-19 2006-07-19 Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend. BE1017232A6 (nl)

Priority Applications (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE200600399A BE1017232A6 (nl) 2006-07-19 2006-07-19 Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend.
BE200600399 2006-07-19

Applications Claiming Priority (6)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE200600399A BE1017232A6 (nl) 2006-07-19 2006-07-19 Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend.
US12/374,090 US20090249731A1 (en) 2006-07-19 2007-07-09 Method for manufacturing floor panels, floor panels obtained by this method and set of tools applied therewith
EP20070735005 EP2064035B1 (en) 2006-07-19 2007-07-09 Method for manufacturing floor panels
CN 200780025934 CN101489744B (zh) 2006-07-19 2007-07-09 制造地板块的方法、通过该方法获得的地板块及所使用的工具组
PCT/IB2007/002001 WO2008010060A1 (en) 2006-07-19 2007-07-09 Method for manufacturing floor panels, floor panels obtained by this method and set of tools applied therewith.
AT07735005T AT510667T (de) 2006-07-19 2007-07-09 Verfahren zur herstellung von fussbodenpaneelen

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1017232A6 true BE1017232A6 (nl) 2008-05-06

Family

ID=38564430

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE200600399A BE1017232A6 (nl) 2006-07-19 2006-07-19 Werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen, vloerpanelen volgens deze werkwijze verkregen en set van gereedschappen hierbij aangewend.

Country Status (6)

Country Link
US (1) US20090249731A1 (nl)
EP (1) EP2064035B1 (nl)
CN (1) CN101489744B (nl)
AT (1) AT510667T (nl)
BE (1) BE1017232A6 (nl)
WO (1) WO2008010060A1 (nl)

Families Citing this family (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
CN101492950B (zh) * 2008-09-10 2011-01-12 滁州扬子木业有限公司 带有锁合装置的地板
KR100958396B1 (ko) * 2009-03-31 2010-05-18 오광석 바닥재
BE1019891A5 (nl) * 2011-03-28 2013-02-05 Unilin Bvba Samengesteld element en rugwandconstructie hierbij toegepast.
US20140083034A1 (en) * 2012-09-19 2014-03-27 Dubon Associates, Inc. Stable flooring products and method of making same
JP6392847B2 (ja) * 2013-03-25 2018-09-19 ベーリンゲ、イノベイション、アクチボラグVaelinge Innovation Ab 機械的固定システムを設けられた床板及びその固定システムの製造方法
US10480199B2 (en) * 2015-06-26 2019-11-19 Tarkett Gdl S.A. Floorboards with horizontally and vertically locking connecting profiles

Family Cites Families (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
BE1010487A6 (nl) 1996-06-11 1998-10-06 Unilin Beheer Bv Vloerbekleding bestaande uit harde vloerpanelen en werkwijze voor het vervaardigen van dergelijke vloerpanelen.
SE517183C2 (sv) 2000-01-24 2002-04-23 Valinge Aluminium Ab Låssystem för mekanisk hopfogning av golvskivor, golvskiva försedd med låssystemet och metod för framställning av sådana golvskivor
DE06075877T1 (de) 2000-06-13 2007-02-08 Flooring Industries Ltd. Fußbodenbelag
BE1013569A3 (nl) * 2000-06-20 2002-04-02 Unilin Beheer Bv Vloerbekleding.
US6851241B2 (en) * 2001-01-12 2005-02-08 Valinge Aluminium Ab Floorboards and methods for production and installation thereof
BE1016216A5 (nl) 2004-09-24 2006-05-02 Flooring Ind Ltd Vloerpaneel en vloerbekleding samengesteld uit dergeljke vloerpanelen.

Also Published As

Publication number Publication date
EP2064035A1 (en) 2009-06-03
WO2008010060A1 (en) 2008-01-24
EP2064035B1 (en) 2011-05-25
AT510667T (de) 2011-06-15
CN101489744B (zh) 2012-05-30
CN101489744A (zh) 2009-07-22
US20090249731A1 (en) 2009-10-08

Similar Documents

Publication Publication Date Title
EP2275620B1 (en) Floorboards
CA2546689C (en) Floorboard, system and method for forming a flooring, and a flooring formed thereof
RU2300612C2 (ru) Доски для пола с декоративными канавками
JP4463745B2 (ja) 硬質床板からなる床仕上げ材、および該床板の製造方法
CN1211550C (zh) 地面覆盖板
CN100447362C (zh) 包含连接装置的地板块以及用于制造该地板块的方法
ES2400168T3 (es) Método para la fabricación de tableros de suelo que se pueden unir mecánicamente
US9347469B2 (en) Mechanical locking system for floor panels
US8387327B2 (en) Mechanical locking system for floor panels
US7568322B2 (en) Floor covering and laying methods
ES2265571T3 (es) Tablas de suelo, sistemas de revestimiento de suelos y metodos para la fabricacion e instalacion de los mismos.
DK2029831T3 (en) Flooring, floor element and method for the production of floor panels
US9874027B2 (en) Mechanical locking system for floor panels
ES2244600T3 (es) Tablas para suelos que pueden unirse mecanicamente.
EP2407289B1 (en) Floor covering
US10240348B2 (en) Mechanical locking of floor panels with a flexible tongue
US8215076B2 (en) Locking system, floorboard comprising such a locking system, as well as method for making floorboards
KR101065565B1 (ko) 마루 시스템 및 설치 방법
US7762035B2 (en) Floor panel and floor covering composed of such floor panels
US8281549B2 (en) Floor panel, flooring system and method for laying flooring system
EP2281973A2 (en) A floorboard
DE20222019U1 (de) Bodenpaneele mit Versiegelung
US7003924B2 (en) Parquet board
AU2003240255B2 (en) Arrangement of parts comprising connecting elements
US7386963B2 (en) Locking system and flooring board

Legal Events

Date Code Title Description
RE20 Patent expired

Owner name: *FLOORING INDUSTRIES LTD

Effective date: 20120719